Chapter 14 of 23 · 2212 words · ~11 min read

XV.

„Ziethier, mijn vriend, een andere phase van de ontwikkeling der menschheid.”

„Noemt gij dat ontwikkeling, Eumenia? Ik zou het eerder achteruitgang willen heeten.”

„Hij die De Ontwikkeling is, kiest Zijn wegen naar Zijn Inzicht en wat achteruitgang lijkt, kan Hem middel tot het doel zijn.”

„Een vreemd middel, Eumenia.”

„Voor uw bekrompen professoraal verstand, Horatio.”

„Inderdaad, gij hebt gelijk. Ik ben niet veel in het heelal, slechts een Leidsch professor—hoewel van de medische faculteit.”

„Gij aanschouwt nu groote, geheel verwilderde landstreken en dat juist in de meest gezegende klimaten.”

„Hoeveel ratten, zie ik.”

„Ja, het was de rat, die zich uitbreidde ten koste van den mensch. De rat en de wolf. Want daar deze beide diersoorten in troepen leven en het communeele instinct bezitten, bij deze soorten het individu zich altijd offert ter wille van de soort, wat gij een lageren vorm van Christendom moogt noemen, teelden zij in steeds aangroeiende hoeveelheden voort en de menschheid, uitstervend, nam zelfs de moeite niet meer om ze door de sluipgaskogels uit te roeien. Slechts als ze te dicht bij hun nederzettingen kwamen, werden eenige sluipgaskogels uitgestrooid en deze deden dan prompt hun werk. Al wat binnen een bepaalden kring leefde, dier of plant, zaad of kiem, werd doodgeloogd, tot wezenlooze stof verpulverd.”

„Dat zijn dus die groote, kale vlakten. En wat beteekenen die ruïnes van groote gebouwen, die ineengestorte fabrieksschoorsteenen, die massa’s roodachtige ijzeren werktuigen?”

„Na een toenemen van allerlei soorten fabrieksproducten en kunstmatig voedsel en vermaak, kwamen er geslachten, die ook daaraan geen waarde meer hechtten. Toen iedereen een gramophoon, een electrische piano of electrisch orgel, een electrische zijde spin-machine, die van een celluloid-oplossing, coupons zijde spon in alle maten, dikten en kleuren en al de velerlei machines voor nut en vermaak, door de intelligentie uitgevonden, bezat, toonden de menschen zich ten laatste oververzadigd. De vale, vernietigende verveling, zij, de zuster van luiheid en de moeder van wulpschheid, lag als een mist over de menschheid en ten slotte was men ook van wulpschheid oververzadigd. Toen werd de menschheid door een algemeene, groote passiviteit gedrukt. Men hechtte geen waarde meer aan de producten der machinale nijverheid, paste zich aan aan de mildere klimaten, liet de gematigde en koudere luchtstreken, waar men zwaar had te arbeiden om het leven te behouden en te veraangenamen, geheel over aan de wolven en de ratten, kleedde zich slechts met een primitief schootsvel of met een lendendoek en men zag geen oude menschen meer. Wie veertig jaar oud werd, had een ongewoon hoogen leeftijd bereikt. Meestal werd men niet ouder dan dertig jaar en was dan verheugd, heen te mogen gaan en van zijn verveling verlost te worden.

„Want zie, deze menschen welke gij daar voor u ziet leven, waren geen primitieve wilden, maar zij waren door de intelligentie, door de hersenontwikkeling, welke geen gelijken tred had gehouden met de zielsontwikkeling, als loten die te snel en te ijl omhoog geschoten zijn, slap en voos geworden. De vrouwen, die haar brein hadden ontwikkeld, ten koste van haar ziel, haar gemoed, haar hart en haar vrouwelijke lichaamsfuncties, waren een soort intelligentie-monsters geworden, die alles dadelijk met haar verstand begrepen, omvatten, doorzagen, indeelden en het vervolgens als nietswaardig ter zijde wierpen. Zij hadden haar intuïtie en haar instincten zoo goed als verloren, tot rudimentaire en onbruikbare hoedanigheden vervormd en de mannen, ontaard, verslapt, verzwakt en verluierd, vonden ten laatste zelfs geen afleiding meer in het spel—zoolang hun middel om den tijd te dooden, daar zij niets wenschenswaardigs meer konden uitdenken om als inzet voor het spel te dienen. Er was van alles overvloed voor ieder—maar niemand stelde belang in bezit. Waartoe? Men was weg van de aarde, voor men er zich thuis voelde. Niemand had liefde voor zijn nageslacht. Als er een vrouw moest bevallen, was het moeielijk om andere vrouwen te vinden om haar te helpen en bij te staan. De monsters van intelligentie, die alles al schenen te weten voor zij het geleerd hadden en twaalf jaren oud al de moeielijkste wiskunstige problemen oplosten zooals zij eens, vele eeuwen vroeger, spelender wijze op de piano musiceerend, diezelfde problemen hadden opgelost in den vorm van klanken, óók zonder dat het haar moeite kostte—de vrouw was toen muzikaal aangelegd zooals men nu hier, Horatio, mathematisch is aangelegd, de monsters van intelligentie, welke de vrouwen waren geworden, hadden een afschrik van het baren. Zij noemden het een vernedering van het menschelijk geslacht, vonden het vies en zagen in de placenta het symbool van de geboorte. Het was den mensch onwaardig, gelijk de hond ter wereld te komen en als de wereld bewoond moest zijn, waarvoor geen enkele geldige reden door het intellect was te vinden, dan moest zij maar door ratten en wolven bewoond worden. De aard van die dieren paste in het stelsel van „moeder” aarde. Men verachtte de aarde als een verdoemde planeet, de armzalige plebejer onder de hemellichamen. Men bewonderde de steriele maan, de trotsche, welke zich van de lage aarde had afgescheiden en haar voor goed den rug had toegedraaid, ironisch dien rug als een gelaat toonend. Dat was nog eens een hooge en waardige houding in het heelal, geen leven te gedoogen als men geen hooger leven onderhouden kan. Men voelde medelijden met de zon, die nog in haar oer-toestand was, in de toekomst zou afkoelen en dan aan leven het aanschijn geven, dat juist als op aarde, een ontzaggelijk lijden zonder einddoel zou zijn. En de vrouwelijke intelligentiewezens hadden een groot treurspel in verzen, dat de kinderen reeds op school leerden en het fundament voor hun levenshouding vormde. Het heette „De optocht der werelden”. Juist had er een opvoering van plaats. Er werd in geschilderd, hoe de verschillende werelden aan het eind van het bestaan van het heelal en van de Godheid van dat heelal, optrekken naar een hoogere orde en een hoogere Godheid. Van alle planeten werd de geschiedenis bezongen. Ten laatste kwam eerst de blanke, bevrozen maan. Zij zeide, hoe zij, walgend van het stelsel der aarde planeet, waar geen leven mogelijk was geweest zonder het offeren van ander leven, zich op een dag in oppersten afkeer en smart, ontrukt had aan de aarde en opgestegen was zoo hoog, dat zij ver buiten het bereik van de aarde en haar sfeer was geraakt, zoodat zij ook ver buiten de dampkring bleef en de warme, stinkende uitwasemingen. Niets van de aarde zou haar voortaan kunnen beroeren en wat zou trachten tot haar op te stijgen, zou in de ijle ruimte doelloos blijven zweven. Zoo dan had zij voortaan kuisch geleefd en zij kon nu ingaan tot hoogeren bestaansvorm zonder een verleden, als dat van de aarde.

„De aarde had de twee wonden, haar geslagen door het uittreden der maan, met water aangevuld en twee wereld-oceanen ontstonden op de plaatsen, waar eens de maan had gerust. Naar heur oude wreede aarde-wet, waren die twee oceanen weder vervuld van leven en geen gruwelijker smart was denkbaar dan die van de op en van elkaar levende wezens in de oceanen, elkaar levend opetend en altijd de sterke en gruwelijke, de zwakke en zachtere, vredelievende belagend en levend verslindend.

„Onder alle planeten, die tot hoogere levenssfeer wenschten in te gaan, was er geen met een zoo afgrijselijk verleden als de aarde. Zij kwam en in een lange stoet volgde haar heur levensverschijnselen, eerst de oerstof, dan de langzame ontwikkeling uit den chaos.... de voorhistorische monsters, de historische dieren en dan eindelijk de mensch....

„En midden in dien stoet was een groote afscheiding. Vooraan het tweede of christelijke deel, schreed Jezus van Nazareth, met de doornenkroon om het hoofd, gebukt onder het kruis, met doorstoken handen, doorstoken voeten, gegeeselden rug en de lanssteek in de hartstreek....

„Dat was de God-Koning der aarde.... en achter hem kwam de menschheid, die Hij had willen redden en de boodschap der liefde had gebracht.... liefde op de verdoemde, onbewoonbare planeet Terra, waar de onontkoombare wet was, dat leven zich onderhouden moest door het verdelgen van ander leven....

„Rondom den God-Koning schreden visschers met hun net, zijn discipelen en aan de poort tot de hoogere levenssfeer stond Piscia, de Godin der visschenwereld en zij weende.... weende over al haar levend gekorven, gestroopte, gekookte kinderen der zeeën, stroomen en rivieren....

„Van al de planeten, van al de werelden in de ruimte was er geene zoo ellendig als Terra en haar menschenwereld, aan wie de liefde geopenbaard was als hoogste wet des heelals, maar die deswege des te dieper haar val en verdoemenis besefte, daar de menschen op de wreede aarde, de gruwelijke planeet, alleen konden leven door te dooden en te misbruiken, ’t zij den evenmensch, ’t zij het dier, hetzij de plant, hetzij wat lang waanwijs de onbezielde natuur was genoemd, maar even bezield was als al het andere, alleenlijk op andere wijze.”

„Arme Rex regum!” kreet prof. Leyden.

„Hoort gij niet, wat Piscia roept?” vroeg Eumenia smartelijk.

Prof. Leyden luisterde.

„Mijn arme kinderen der zeeën en stroomen. Die een visscher der visschen was, kòn geen Visscher der menschen zijn!”

En dieper boog de Rex Regum der wereld onder Zijn kruis.

„Zeg mij Eumenia,” vroeg prof. Leyden zich herstellend, „is Hij niet zelve gelijk zoo’n visch, die levend gestroopt en gekorven werd. Is de visch niet zijn symbool?”

„Luister Horatio, naar den verderen inhoud van het dichtwerk.”

Prof. Leyden luisterde. Thans kwamen de dieren der aarde met hunne klachten. Daar waren de generaties der stieren, tot ossen verminkt. Daar waren de generaties der koeien, van haar kalf beroofd en misbruikt door den mensch als melk- en vleeschfabrieken. Daar was het paardengeslacht, door de eeuwen heen gespoord, gezweept, gestriemd en doodgejaagd. Daar was het hondengeslacht, aan kettingen gelegd dag en nacht, omdat het trouw en waaksch was, omdat het deugdzaam was, onder wagens gespannen en misbruikt om te trekken boven zijn macht. Daar waren de vogels, opgesloten in kooien of uitgemoord om dier pluimage te leveren. Daar was de ever, opgekweekt om doodgejaagd te worden. Daar waren de herten en reeën, buit van wreede jagers. Maar daar waren ook de aardwormen, die de aarde etend en ze weer uitscheidend, aldus den grond vruchtbaar makend, beloond werden door de ploeg, die in ’t voorjaar zijn scherp kouter door de aarde rijtend, hen levend in stukken sneed. En de stukken zouden onder krimpende smart weer tot nieuwe wormen aangroeien, die weder in stukken zouden worden gesneden.... dat was het loon van de verdoemde, gierige planeet voor de nederige aardworm, die zijn hapje aarde aldus moest betalen....

Toen het dichtwerk ten einde was, aan het slot waarvan de natuurkrachten, stoom en electriciteit, vroegen waarom zij zoo in alle vormen waren misbruikt en mishandeld, zeide prof. Leyden:

„Liefste Eumenia, is de onbezielde natuur dus ook bezield geweest?”

„Zij is bezield, zooals gij of ik.”

„Kent zij dus lust en onlust, smart en vreugd?”

„Meent gij, dat het water boven het vuur geplaatst, zonder reden bruischt en borrelt en ten laatste in damp vervluchtigt? Meent gij, dat het vuur zonder reden walmt en stinkt, als het door water wordt gedoofd? Alles ter wereld zoekt weder aan zichzelve gelijk te worden en zoo tot rust te komen, te ontkomen aan het leven op Terra, dat is een smartelijke gewaarwording en daarom als Rex regum, den Mensch van Smarten, moest toonen. Maar de menschen kenden die wet der aarde, de zucht zichzelf te worden, niet. Als zij een ijzeren bal ter aarde zagen vallen, schreven zij dat aan magische werkingen toe....”

„Magische werkingen? Dit zegt gij tot een professor der Leidsche Universiteit, die zijn gravitatie formule gelukkig nog niet vergeten heeft.... Φ = k (mm^1/r^2).”

„Zoo is het niet, mijn vriend. Newton vergiste zich. De ijzeren kogel viel ter aarde, omdat hij product van smeltend ijzer, smart in vuur, zich van die smart wilde bevrijden om tot zijn eigen, oer-elementen terug te geraken, niet anders dan waarom de visch spartelt in het net. Indien de kogel kon, zou hij door de aarde dringen. Zoo gij hem boven den krater van den Etna zoudt gehouden hebben, zou hij zich in den krater hebben gestort, dwars door de vloeiende gloeiende lava en zwavel heen, tot hij de sferen gevonden had, waar het ijzer zich kan ontleden in zijn vluchtige oer-elementen en zoo rust vinden.

„Nu, op aarde vallend, op de altijd harde, wreede Terra moeder, zou de kogel in langzame, langzame pijnen, stom, zonder zelfs de verlichting om zich door een kreet te kunnen uiten, roesten, dat is zich pijnlijk laagje na laagje in de zuurstof verbranden om in eindelooze, opperste smart zich weer te vereenigen met zijn oer-elementen.”

„Dus ook daar smart, Eumenia. Is dan alles smart op de wereld? Is de onbezielde natuur lijdende zooals de bezielde?”

„Beider ziel ter wereld is smart. Meent gij Horatio, dat anders Rex regum, de Man der smarten zou geweest zijn?”

„En waarom is dan ter wereld alles smart?”

„Veel weet ik daaromtrent niet. Want ook ik Horatio, ben nog slechts in ontwikkeling. Maar ik vermoed, dat het een weg tot de vreugde is en dat smart tot een dimensie behoort, welke bij het overgaan in een andere dimensie, in vreugde verandert. Maar het is slechts een vermoeden. Kom, volg mij. Laat ik u voorgaan naar het tijdperk van een eeuw later, waar de menschheid zich ontworstelt aan de overmacht van de intelligentie en van de sexualiteit.”