Chapter 10 of 16 · 3981 words · ~20 min read

Part 10

In die oude tijden schommelde het tongetje van de weegschaal, in welke richting bij bepaalde rhinocerossen de hoorn zou gaan, zooals gezegd is, heen en weer; het was niet uitgemaakt, of hij op den neus, dan wel, zooals dat bij de eenhoorns zou moeten zijn, op het voorhoofd zou komen. Bij die aceratheriën waren de neusbeenderen inderdaad zóó zwak, dat zij zeker geen hoorn konden dragen. Daarentegen vermoedt men, dat toen reeds vormen, met een hoorn op het voorhoofd, voorkwamen. En dat is dan het beginsel en tevens de uiterste consequentie geworden bij een in zijn soort werkelijk afgrijselijken neushoorn, die nog in de diluviale periode in de Rijnprovinciën en in Siberië heeft geleefd,—het Elasmotherium. Zijn gereconstrueerd beeld hebben wij reeds in ons „Dierenboek” weergegeven. Het was de grootste neushoorn, die ooit heeft bestaan. De schedel alleen was ongeveer een meter groot. In zijn hoektanden liet hij de grootste buitensporigheid zien, die ooit bij tanden van neushoorns waren waargenomen: in hun prismatischen vorm met zwakke wortels zijn het formeele paardentanden geworden, als wilde hier nog eens voor het allerlaatst een neushoorn als uitlooper ten minste in dat ééne punt den paardenstam trachten in te halen. Te gelijker tijd zijn echter de glazuurplooien zóózeer in arabesken gewonden, dat men herinnerd wordt aan den echten bijlooper der paardachtige dieren, het Hipparion, het dier, dat onder dezen de meest buitensporige windingen der tandplooien doet zien. Blijkbaar dus in ieder opzicht een groote zonderling. Dat Elasmotherium heeft nu op het voorhoofdsbeen boven de oogen (en alleen hier, niet ook op den neus) een zóódanigen halfbolvormigen beenknobbel, dat er werkelijk geen andere verklaring mogelijk is, dan dat daarop een ontzaglijk groote hoorn heeft gezeten. Voor dien reus met de kracht en de woede van een neushoorn ongetwijfeld een ontzettend wapen. Een beter geologisch model voor den eveneens als een vreeselijk dier geschetsten eenhoorn der mythe is niet goed denkbaar. Nu is het echter met die diluviale dieren een eigenaardige zaak. In hun tijd zijn zij zeker wel allen nog door menschen gezien en gejaagd, in ieder geval door praehistorische menschen. Vele soorten zijn toen volkomen verdwenen, zoo bij voorbeeld die roodgevlekte neushoorns van Weimar, die groote overeenkomst hadden met onzen tegenwoordigen tweehoornigen Afrikaanschen neushoorn, de mammouths en nog andere. Andere zijn echter tot heden in stand gebleven. De muskusos leeft nog binnen den poolcirkel, de Saiga-antilope in Zuidrusland, het wilde paard in Centraalazië—allen makkers uit dien voormaligen tijd. Beenderen van het Elasmotherium liggen in Siberië. In dat Siberië verhalen nu Mongoolsche jagerstammen, de Toengoezen, van ontzaglijke zwarte stieren, die eens bij hen het land onveilig zouden hebben gemaakt; op het voorhoofd zouden zij één enkelen hoorn hebben gedragen, zóó groot, dat een geheele slede nauwelijks groot genoeg was, om dien als jachtbuit te vervoeren. Is dat nog een gerucht van het Elasmotherium, dat nog voor het laatst weerklinkt? En heeft de mythe van den éénhoorn daar zijn aanknoopingspunt gevonden? Het zijn alles open vragen, maar merkwaardig genoeg, waarvoor wij misschien later nog eens aanwijzingen zullen vinden.

Intusschen moeten wij ons hiermede tevreden stellen, dat van al die merkwaardige bijloopers der paardachtige dieren, de neushoorns, nog een paar pronkstukken levend tot ons gekomen zijn. In Noordamerika zijn zij reeds vroeg geheel verdwenen. Naar Zuidamerika schijnt reeds geen enkele soort meer gekomen te zijn, toen de verbinding daarmede weer hersteld was. Daarentegen heeft de oude wereld voor hen reeds van een bepaalden voorwereldlijken tijd af als hun natuurlijke woonplaats gediend, waar zij zich langen tijd zoo weelderig mogelijk hebben kunnen ontplooien. Met heel wat meer energie dan de tapir hebben zij aan de invallende koude daar in het noorden nog weerstand geboden, maar eindelijk zijn ook zij alleen tot de tropen beperkt geworden. Op het hoogland van Tibet, waar de sneeuwluipaard op roof uitgaat en op de hellingen van het Himalayagebergte de merkwaardige Gnoe klimt, hebben ten slotte nog neushoorns geleefd, die aan die gebergten waren aangepast,—tegenwoordig vinden wij ook van deze nog slechts beenderen. Toch zijn nog drie scherp van elkander gescheiden soorten levend tot ons gekomen, een nieuw bewijs, hoe dat oude geslacht zich op verschillende wijzen heeft ontwikkeld.

De ongetwijfeld meest oorspronkelijke en in zijn soort meest op zich zelf staande vorm, is die, welke in onze zoölogische tuinen het zeldzaamst is. De bezoeker dier tuinen pleegt zich in te prenten, dat de Aziatische neushoorn de eenhoornige, de Afrikaansche daarentegen de tweehoornige is. Hier moet hij echter er nog bij leeren, dat er feitelijk ook een Aziatische tweehoornige neushoorn bestaat, die er echter geheel anders dan de beide anderen uitziet. Naar de plek, waar hij het eerst ontdekt werd, is men gewoon hem Sumatraanschen neushoorn te noemen, maar hij komt in een vastelandsvorm ook wel in Achterindië voor. Ongetwijfeld is hij ontsproten uit een oorspronkelijker tak van den stamboom en leidt nog het diepst in de reeks der nog tertiaire rhinocerossen. Zijn kiezen komen het minst met die van paarden overeen, zij blijven kort en zonder cement, zijn huid is betrekkelijk dun (en hoewel hij niets te maken heeft met die noordelijke pelsvormen) nog in het oog loopend sterk behaard. Daarenboven is hij kleiner dan alle andere en hij draagt den achtersten hoorn zóóver terug, dat deze nog den echten stand heeft van den eenhoorn.

Een exemplaar, dat Mützel (in Hecks „Dierenrijk”) meesterlijk heeft geteekend, vertoont beide horens bijna alleen in den vorm van groote knobbels, en het geheele dier herinnert bijna aan een grooten, zeer haveloozen en geplooiden tapir. Met dit uiterlijk kwam volkomen een Sumatraansche neushoorn overeen, dien ik lange jaren geleden in den „Jardin des Plantes” te Parijs levend heb gezien; deze was alleen dichter behaard. Volkomen dergelijke knobbelig korte horens heeft een opgezet paartje uit Malakka in het Londensche museum van natuurlijke historie; de dragers van die horens zijn twee in het oog vallend leelijke dieren, wier lange en verdroogde koppen bijna overeenkomen met krokodillenmuilen, die men heeft vastgemaakt aan het harige lichaam van een zoogdier. Des te interessanter was voor mij echter een levend dier van den zoölogischen tuin, dat den Achterindischen vastelandsvorm in een prachtexemplaar deed zien. Het leefde daar reeds sedert geruimen tijd, en een (in het jaar 1900 gestorven) wijfje van diezelfde soort had het daar zelfs twee en dertig jaar in de gevangenschap uitgehouden. Dezen keer was de voorste hoorn een ontzettend groot en lomp wapen in vergelijking met het kleine lichaam; de achterste vormde ook hier slechts een breeden heuvel. Aan het lichaam kwam de plooiing zeer sterk voor den dag. Buik en pooten waren zeer dicht, wollig en bruinzwart behaard. De rug was op enkele plaatsen slechts met korte haarborstels bezet en overigens als het ware glad afgeschuurd, de ooren daarentegen hadden een dikken pikzwarten rand, waaraan de naam „ruwoorneushoorn” zijn oorsprong ontleent. De geheele kleur neigde tot het roode. De pooten leken bijna sierlijk in verhouding tot den grooten kop. Terwijl ik naar hem keek, nam hij de hurkende zithouding der honden op het achterdeel aan, die zoo dikwijls beschreven en afgebeeld is bij den Afrikaanschen neushoorn.

De grootste tegenstelling met dezen kleinen harigen neushoorn levert de sedert de oudste tijden bekende Indische neushoorn op. Vroeger over geheel Vóórindië verspreid, leeft hij tegenwoordig nog alleen in de zuidelijke voorgebergten van den Himalaya en is hij blijkbaar op het punt van uit te sterven. Met hem verdwijnt één der meest ornamenteele dieren der aarde. Hij ziet er uit, als uit steen gehouwen, een prachtig beeldhouwwerk der natuur, dat alleen leelijk kan gevonden worden door iemand, die geen oog heeft voor stijl. Ook hem bekomt de gevangenschap zóó goed, dat hij daarin stokoud wordt, en dat hij ook hem, die niet zelf in de tropen kan rondreizen, ten minste een blik doet slaan op een volwassen en volkomen ontwikkelden neushoorn.

De levensuitingen, die men aan een dergelijken steenen kolos daar kan waarnemen, zijn trouwens zoo spaarzaam mogelijk. Een op en neer wippen der oogen, als hij lui in de zon ligt, en plotseling een ruk als van een vliegenklap. De gang is katachtig zacht op zijn veerkrachtige zoolkussens, die voor mij bij de ontzaglijke grootte steeds iets beangstigends, iets spookachtigs heeft—men meent, dat hij achter iemand kan komen staan met zijn kop met potsierlijke ooren, zonder dat men hem hoort aankomen. De papegaaienbek, die open staat als om te bedelen, stelt in de gelegenheid de verregaande verkwijning van het voorgebit gemakkelijk te bestudeeren. En ten slotte het oog, dat onvergelijkelijke oog van den rhinoceros, dat iets zoo eigenaardig boos heeft als geen ander oog van een zoogdier. De neushoorn kan in den waren zin dol van woede worden, hij handhaaft dan, zooals ik reeds vroeger heb gezegd, het onweerstaanbaar impulsieve van het schuw wordende paard, maar niet zooals deze als verdediger, maar als aanvaller. Maar dit is wel niet van toepassing op den bedelaar, die zich daar aan het getraliede hek door kinderen laat voederen, en van wien wij weten, dat hij als echtgenoot en vriend ook zijn teedere gevoelens heeft. Het oog van den rhinoceros heeft veeleer in zijn uiterlijk iets, dat aan een zoogenaamd „boos oog” doet denken.

Men zoekt het in het gelaat op een andere plaats, namelijk open en rond onder de diepe inzinking van het voorhoofd. Maar dan ziet men het plotseling heel ergens anders, veel lager, bijna eerst daar, waar men de neusgaten verwacht, en het komt juist bij den hoorn voor den dag, zoodat men het niet kon zien, zonder te gelijker tijd de bedreiging van het vreeselijke wapen te ondervinden. De booze indruk wordt in den oogappel nog hierdoor versterkt, dat onder de donkere pupil bij iedere beweging zooveel wit voor den dag komt. Als men den neushoorn zoo boosaardig ziet dreigen met blik en hoorn, zou men werkelijk meenen, dat hij in staat was onder het lichaam te hollen van den olifant op hooge pooten en hem een doodelijken stoot van beneden naar boven toe te brengen, zooals dit in het zoölogische sprookjesboek der strijdlustige oudheid, bij den ouden Plinius, zoo aardig geschetst is, maar in de werkelijkheid toch niet voorkomt. Het paard heeft immers in de mythe altijd reeds een groote rol gespeeld met zijn merkwaardigen kop en blik. Hoe zou dit nu niet het geval zijn met dit gepantserde paard, dat zijn wapen op een zóódanige plaats heeft, alsof het inderdaad met zijn oogen den stoot toebracht!

Van alle levende soorten der neushoorns heeft deze echte Indische neushoorn het meest zijn huid werkelijk in een pantser veranderd. De groote leeren platen hangen in de plooien juist zooals op zich zelf onbeweeglijke platen in verschuifbare geledingen. Daar echter ook die platen door een uitgebreide knobbelvorming iets van een wegnevelend mozaiekbeeld hebben, een trek, die bij een nauw verwante soort overgaat in een werkelijke sierlijke uitwendige begrenzing der veelhoekige lederen schilden, — dringt de overeenkomst met een wezenlijken drager van een hard pantser onder de zoogdieren krachtig naar voren, en wel die met het gordeldier. Men zou een oogenblik het denkbeeld kunnen koesteren, dat wij hier alleen te doen hebben met een ineenvloeien van echte mozaiekplaten, zooals bij die Glyptodonten van Zuidamerika, waarover wij hebben gesproken. Aan het embryo van den neushoorn komt met iedere wrat of ieder knobbeltje of met ieder schildje inderdaad een duidelijke op zich zelf staande harde huidpapil overeen. Zouden er achter die Indische vormen reeds vroeger eens neushoorns geweest zijn, die mozaiekpantsers droegen, welke volmaakt overeenkwamen met die der gordeldieren, in ieder geval uit een zóó leerachtige massa bestonden, dat daarvan niets versteend werd en dus de geologie ons geen uitsluitsel kon geven?

Ook naast dezen grooten gepantserden Indischen neushoorn bestaat er een eilandvorm, de zoogenaamde Wara, of Javaansche neushoorn, die echter eveneens verbreid is over het vasteland van Achterindië, zooals de Sumatraansche neushoorn. Deze heeft die fijnere mozaiekbedekking, waarvan wij reeds gesproken hebben. Het merkwaardigst is echter, dat eertijds ook de Afrikaansche tweehoornige neushoorns, die tegenwoordig zoo scherp van de andere zijn afgescheiden, onmiddellijk naast die Indische voorkwamen: hun beenderen liggen nog in het diluvium van Madras. Dit was dus in dezelfde periode, waarin die roodgevlekte neushoorns van Weimar in Duitschland leefden, en ook die Duitsche, later Siberische pelsrhinocerossen waren immers, zooals wij gezegd hebben, niet anders dan met een pels voorziene dubbelhoornige neushoorns van de familie der tegenwoordige Afrikaansche neushoorns. Die stam moet dus in een nog volstrekt niet ver afgelegen tijd de meest zegevierende en meest verspreide geweest zijn van alle overlevenden. Wat kan nu de reden zijn, dat zij zoo plotseling uitsluitend beperkt zijn geworden tot het aequatoriale Afrika? Een vraag, waarop geen antwoord kan worden gegeven.

In ieder geval was echter dat Afrika op het oogenblik, dat de Europeanen der cultuurperiode met hun vuurwapenen in dat land aankwamen, het meest met neushoorns gezegende land der geheele wereld, als men het aantal kolossen rekent, en ook tegenwoordig wemelt het in Duitsch en Britsch Oostafrika nog van hen, ten minste in het gebied van den Kilimandsjaro. Het is de plek, waar Schillings zijn meesterlijke momentopnamen heeft gemaakt. Aan hem zijn wij ook de tot nu toe beste beschrijvingen van den wilden steppenneushoorn verschuldigd.

Wij zien hem in zijn natuurlijke omgeving, de met gras en struiken begroeide steppe, die naar gelang het de regentijd of de droge tijd is, daar ligt in den groenen weerschijn van den nieuw ontstanen grastooi, over een uitgestrektheid van mijlen ook met water bedekt, door enkele stroombeddingen door den regen met zilver doorstroomd,—of ook dor en kaal, vaal en bruin met uitgestorven plantengroei, waar de plaatsen van „inzinking” het oog slechts hier en daar een rustpunt gunnen, „waar acacia’s, terminalia of andere boomen en struiken zooveel grondwater vinden, dat zij gedurende langen tijd hun bladerentooi konden behouden”. „Wij hebben hier te doen met dorre, uitgestrekte, vrije vlakten, die, in den regentijd overstroomd, als zij opdrogen, witachtige met zout doortrokken vlakten vormen, die slechts aan spaarzame grasstruiken het leven schenken, nu weer met onafzienbare groene of vaal verbrande grasvlakten, en dan weer met acaciaboschjes in onafzienbare uitgestrektheid of met hagedoornen bedekt zijn, die voor het leekenoog overeenkomst hebben met vruchtboomen en daarom ook zeer treffend boomgaardsteppen worden genoemd. Daar waar de steppe met blijvende acacia’s dicht begroeid is, kunnen deze natuurlijk hoog van stam zijn of, in jongere exemplaren, meer struikachtig. Ook kan de steppe bedekt zijn met heesters en struiken van verschillenden aard, waartusschen in den regentijd gras tot manshoogte opgroeit en planten van verschillende soort, met stekels en doornen bedekt, tusschen de boomen en struiken gevonden worden. Een aantal soorten Euphorbia’s, ook voor het leekenoog goed kenbaar, drukken op het geheel een typischen stempel”. Van tijd tot tijd onderbreekt een termietenheuvel van verscheidene meters hoog de vlakte of steekt een kolossale apenbroodboom uit; „vreemd en zonderling van vorm bereikt deze dikwijls, gehuld in een schitterend grijsglinsterenden bast, een omvang van vele meters, door zijn verschijning wekt hij den indruk van den voorwereldlijken tijd; de reiziger leert hem echter spoedig waardeeren; immers menigmaal bergt hij in zijn hollen stam rijkelijke hoeveelheden water, die uit den regentijd afkomstig zijn en dikwijls het eenige water uitmaken, dat over een omtrek van een aantal dagreizen gevonden wordt”. Op die steppe zien van verre hooge vulkanische bergen neer, die in weerwil van hun ligging in de tropen op hun toppen met overgebleven sneeuw en gletscherijs zijn bedekt, terwijl aan hun voet de steppenstruiken overgaan in een echt oerwoud. Ontelbare groote, voor een deel reusachtige zoogdieren bewegen zich vóór dat landschap als achtergrond. „Als stroohalmen geknakt liggen boomen van aanzienlijke dikte rechts en links van ons pad, daar waar een kudde olifanten haar weg heeft genomen, en de in den regentijd ontstane olifantensporen gelijken merkwaardig veel op diepe groeven, die een jaar en langer zichtbaar blijven, en waarin het volstrekt niet zonder gevaar is te struikelen. Behalve de olifantenkudden, die reeds maanden geleden hun weg door de steppe hebben genomen, zijn de sporen en kenteekenen van een ander groot dikhuidig dier, den neushoorn, duidelijk en op karakteristieke wijze uitgedrukt. Naar de verschillende waterplaatsen voeren over een lengte van verscheidene kilometers uitgeloopen, elkander kruisende wildpaden, die, zeer duidelijk merkbaar in de nabijheid van het water, zich in de uitgestrekte steppe geleidelijk verliezen. Evenals de olifanten hebben de neushoorns op verschillende plaatsen aan de stammen van heesters en aan de doornstruiken hun schatting geheven, en enkele struiken vinden wij meer of minder volledig van hun takken beroofd”.

Het is de moeite waard, bij die schildering stil te staan, en dat wel niet alleen ter wille van den neushoorn. Zij geeft ons tevens nog een beeld van het oorspronkelijke milieu, waarin de hoofdmassa der wereld van onze tegenwoordige zoogdieren in het algemeen is ontstaan. Dat landschap moet in de tertiaire periode onmetelijke gedeelten der aarde hebben beheerscht, begunstigd door een heel wat warmer klimaat tot op hooge noordelijke breedten. Met die verhoudingen zijn de kolossale verzamelplaatsen van beenderen in Noordamerika, Europa en Azië in overeenstemming. Zoo moet het er uitgezien hebben te Pikermi bij Marathon, aan den Sivalikheuvel in Indië, in het Rijndal bij Eppelsheim, in de zuidelijke staten van Noordamerika, toen daar een ontzettend gewemel van groote en zelfs van de allergrootste voorwereldlijke zoogdieren en in de eerste plaats hoefdieren te zamen leefde. In een zoodanig milieu heeft zich de geheele middelste geschiedenis van het paard eens afgespeeld, tot wier uiterste speelruimte ook de driehoevige neushoorn nog behoort. Het is het beeld van het landschap, dat ons steeds weer voor oogen zal komen, als wij misschien later zullen hooren van het ontstaan der groote groepen van herkauwende dieren, de wieg der buffels, antilopen, giraffen, zooals zij tegenwoordig of voor een gedeelte nog voor korten tijd behooren of behoord hebben tot de karakteristieke dieren der Afrikaansche steppen.

Hoewel tegenover de Aziatische neushoorns tegenwoordig een type, dat een organisch geheel vormt, vervallen toch de Afrikaansche neushoorns klaarblijkelijk in onderling zeer verschillende vormen, waarvan mij de systematiek nog niet voldoende uitgewerkt voorkomt. De grootste soort, juist die, welke bekend staat onder den naam van den „witten neushoorn”, werd voor een tijd als uitgeroeid beschouwd, maar is in de laatste jaren weer teruggevonden en naar versch geschoten stukken gephotografeerd. Uit onze dierentuinen waren de dubbelhoornige neushoorns voor eenigen tijd geheel verdwenen. Sedert Schillings ook hier de betoovering heeft verbroken, komen ten minste jonge dieren weer naar Europa. De Berlijnsche tuin kon een tijdlang bij dergelijke jonge dieren, die reeds schoone horens hadden, twee zeer van elkander afwijkende grondtypen voor oogen voeren. Heck heeft in het algemeen gelijk met zijn bewering, dat de Afrikaansche neushoorn leelijk is in vergelijking met den éénhoornigen Indischen neushoorn. De oorzaak ligt echter eigenlijk juist hierin, dat de meer beweeglijke, meer dunbeenige tweehoornige neushoorn meer gelijkt op zijn schoonen dubbelganger, het paard; maar daar hij, niettegenstaande die gelijkenis, toch een neushoorn blijft, lijkt hij een lompe en houterige, onhandig in elkander gespijkerde caricatuur van het paard, terwijl de Indische neushoorn geheel zijn eigen weg volgt. De Indische neushoorn is een prachtig etalage-voorwerp, dat geen ornamenteeler indruk maakt dan wanneer het dicht voor den beschouwer zoo rustig mogelijk stilstaat als om te worden gephotografeerd. Om den Afrikaanschen neushoorn recht te doen wedervaren, moet men hem over een uitgestrekte vlakte zien razen en voorthollen, moet men zien, hoe hij in weerwil van zijn lompe horens, die dikwijls de dikte hebben van komkommers, spelend gemakkelijk den kop omhoog werpt als een heuschelijk paard en de beenen naar voren werpt uit de leelijke heupen. Dan begrijpt men heel wat van den neushoorn uit het woord „getraind”, dat Schillings op hem toepast, en wanneer een deel der aesthetica van het dier toch altijd samenhangt met het volmaakt oplossen van een technisch bewegingsvraagstuk, zóó dat die beweging sierlijk en zonder eenige inspanning is, dan zal men juist van den tweehoornigen neushoorn moeten erkennen, dat hij in zijn soort in weerwil van ontzettend veel ongunstige factoren (die in de zwaarte, dikhuidigheid en bovenal de rol van het voorgedeelte van den kop als zetel van zijn wapen gelegen zijn), toch werkelijk nog al het mogelijke volbrengt tot aan de grens van een sierlijke lijn. Staat hij in een nauwe, afgeperkte ruimte, dan is hij zeker een verdraaid monster, dit kan ik niet ontkennen; het paard daarentegen blijft ook dan nog een prachtig dier.

Schillings heeft menig aardig staaltje medegedeeld van het verstand der tweehoornige neushoorns. Zoo bij voorbeeld, hoe bijzonder ontwikkeld hun plaatszin is in de steppe, die toch zoo weinig afwisseling biedt. Vier uur lang kon hij eens het spoor van een neushoorn volgen, dat oostwaarts rechtuit naar een kleinen waterpoel in de woestenij leidde; toen de dorstige reus dien had bereikt, bleek het, dat ook deze verdroogd was; nu boog dat spoor weer in een even rechte lijn westelijk af, om na drie uur bij een tweeden poel werkelijk naar water te voeren. Wat een ontzaglijke topografische kennis moet die neushoorn, die zoo rechtuit er op afging, in zijn kop hebben gehad, een kennis, die ongetwijfeld op persoonlijk verkregen ervaring berustte. Dat is de trap van verstandelijke ontwikkeling, van waar wij ons moeten voorstellen, dat het paard is uitgegaan.

Ook aan Schillings is de sterke individueele verscheidenheid niet ontgaan. Daarin is misschien wel het meest beteekenisvolle verschijnsel gelegen van het geheele hoogere dierenleven, maar hoe weinig is dat nog onderzocht. Hoeveel bronnen van meeningsverschil tusschen dierenschilders berusten daarop. Individueele trekken worden bij het teekenen der karaktertrekken onwillekeurig onbetwist tot soortkenmerken verheven, later neemt dan een tweede onderzoeker een individu waar, dat geheel anders handelt, en meent dan het recht te hebben tot de scherpste critiek; en toch hebben individueel beiden gelijk. Niet zelden leidt dit tot geringschatting van het intellectsleven der dieren, welke geringschatting tegenwoordig bij critisch aangelegde personen zoo geliefd is als tegengif tegen het oude „jagerslatijn”, maar even dikwijls weer niet minder „critisch onjuist” is. Iemand rilt van het denkbeeld, dat het ééne of andere bijzonder stompzinnige, onervaren en onpractische menschenexemplaar als voorbeeld zou genomen worden voor het verstand van het geheele menschdom; maar ook de meest sceptische dierenpsychologie is bij het geringe en aan zoo groote toevallen onderhevige materiaal steeds aan die mogelijkheid prijs gegeven. Het is volkomen dezelfde quaestie als bij het bang geworden, in een paniek medegesleepte dier. Het handelt dan steeds naar de meest blinde, oogenblikkelijke aandrift van zijn instinct, dikwijls zelfs zóó, dat dit instinct het dier juist het tegengestelde laat doen van wat noodig is, en dus in dat speciale geval zoo onnoozel mogelijk. Hoe gemakkelijk kan men nu uit een zoodanig gedrag de gevolgtrekking afleiden, dat in de hersenen van een dergelijk dier zoo goed als geen verstand in het spel is. Nu moet men echter eens een vergelijking maken, hoe menschen zich bij een paniek gedragen, en welken indruk dat gedrag zou maken op een kalmen waarnemer, die overal die handeling verwacht, die in dat individueele geval zoo practisch mogelijk is, als hij dat gedrag bij voorbeeld in vogelperspectief kon overzien, zooals hij het werk der mieren beschouwt. Aan den anderen kant moet men bij voorbeeld eens letten op een muis, hoe zij zich zinneloos gedraagt in den eersten panischen schrik, hoe zij de eenvoudigste mogelijkheid om te vluchten over het hoofd ziet—en hoe zij handelt, als (misschien eerst na eenige uren) die razernij overwonnen is en het verstand weer begint individueele mogelijkheden tot vlucht te beproeven, om op de ééne of andere wijze toch nog van den toestand zooveel mogelijk partij te trekken en met overleg en volharding de redding door te zetten; men zou meenen, twee geheel verschillende wezens vóór zich te hebben, waartusschen de geheele weg nog gelegen was naar het werkelijke verstand.

Nog van een ander voorwereldlijk schepsel moet hier een woord tot slot worden gezegd, om den kring der bijloopers bij het oorspronkelijke paard nog vol te maken. Het is vroeg weer op aarde verdwenen, maar dank zij de groote Amerikaansche vindplaatsen zien wij zijn goed bewaard gebleven geraamte tegenwoordig, in het oorspronkelijke of in gips afgegoten, dikwijls in onze musea voor palaeontologie.

In zijn meest volkomen vorm heet hij het „Titanotherium”. Het is over dien vorm in zijn tijd nooit heengekomen.