Chapter 2 of 16 · 3988 words · ~20 min read

Part 2

Binnen de wereld der zoogdieren, waartoe wij menschen nu eenmaal—daaromtrent bestaat tegenwoordig geen twijfel—in het groote veld der natuur het nauwste behooren, is deze intensieve symbiose van den mensch eigenlijk een zeer eigenaardig verschijnsel. Wel vindt men enkele aansluitingen, men zou kunnen zeggen vriendschappen tusschen verschillende soorten, bij vele gezellig levende zoogdieren. Schillings heeft een aantal merkwaardige voorbeelden gegeven van de aansluiting van gnoe-antilopen en zebra’s, en van oude olifanten en giraffen op den Kilimandsjaro, en dit door passende photografische opnamen gefixeerd. Maar een geval, dat zelfs maar in de verte aan de mieren en bladluizen herinnert, is anders bij de zoogdieren niet bekend. De mensch heeft zich ook in dit opzicht gehandhaafd als het universeele wezen, dat van een bepaald punt af alle denkbare mogelijkheden van het organische leven begon uit te spelen. Dat punt lag echter eerst op een bepaalde hoogte van zijn beschaving. Eerst daar hebben zich voor het eerst zijn groote symbiosen geopenbaard.

Het schijnt, dat wij het beslissende keerpunt nog ongeveer kunnen bepalen. De praehistorische jagerstammen van Europa, die ons de bekende karakteristieke holencultuur der zoogenaamde oudere steenperiode hebben nagelaten, die in Midden-Europa nog jacht maakten op de diluviale olifanten en neushoorns en de omtrekken dier jachtdieren reeds zoo mooi op de wanden van hun holen wisten te schilderen, zoodat wij zeer nauwkeurig kunnen nagaan, met wat voor vreemdsoortige en merkwaardige klanten zij nog hebben samengehuisd—die stammen hadden, zooals alle vondsten ons leeren, nog geen huisdier. Eerst in de periode der paalwoningen komen onweerlegbare getuigenissen van dergelijke reeds gevorderde symbiosen voor. Al verplaatst men die mammouthperiode al met een paar flinke nullen achter het cijfer één naar achteren terug—in verhouding tot het bestaan van den mensch zelf op aarde is dat toch nog een klein en nog volstrekt niet oud getal. Al is er ook sedert dien tijd menige gaping gekomen in de zoogdieren, die op onze planeet aanwezig zijn—ik behoef slechts te herinneren aan den mammouth zelf—toch was het hoofdbeeld onzer wereld van wilde zoogdieren reeds in die dagen voltooid. Hond en rund, zwijn en schaap zijn door den mensch eerst tot symbiose opgeleid, nadat deze evenals de mensch zelf reeds lang op dezelfde planeet met hem samen hadden geleefd,—en wel in wilden toestand, zooals hij zelf ook in de beteekenis der cultuur zoo lang „wild” was geweest. En zoo was het ook met het paard. De lichaamsbouw van het paard heeft ons eerst een stuk wereldgeschiedenis te vertellen, dat nog volstrekt niets te maken heeft met de symbiose.

Als wij van dien tijd der oudste holenbeschaving nog een eind verder teruggaan, dan hebben wij, zooals wij reeds meermalen hebben opgemerkt, van de zoogdieren van den toen beginnenden voortijd meest alleen beenderen en skeletten over. Er is nu niet gemakkelijk een betere weg te vinden, om ons te brengen tot de oorspronkelijke natuurlijke eigenaardigheid van het paard in het algemeene beeld van het zoogdier, dan de vergelijking van het skelet van een paard met dat van een mensch. Skeletten maken op den leek een weerzinwekkenden indruk, door het ongelukkige denkbeeld den dood als geraamte voor te stellen. Goethe, die alle grove en ruwe vermaningen aan den dood gaarne uit den weg ging, heeft onophoudelijk het skelet geprezen als een ware openbaring, als één der schoonste werken der natuur, zooals deze de geestelijke eigenschappen vast in zich bewaart. Inderdaad is er nauwelijks een tweede plaats op aarde, waar de zuiver wiskundige logica der ontwikkeling zóó wonderduidelijk en prachtig helder voor oogen treedt als bij een skelet. Het moest de taak zijn bij het onderwijs in de natuurlijke historie, de kinderen reeds in de allereerste jeugd zóó op te voeden, dat zij evenzeer den onwaardigen angst voor een geraamte verliezen als de dwaze vrees voor spinnen en padden.

Als men een leek zet voor een skelet van een mensch of een paard, dan kan men hem dadelijk met een grappige vraag overbluffen. Gij hebt allen wel gehoord van den duivel in het volkssprookje: aan zijn menschelijk lichaam draagt hij een paardevoet. Teeken nu eens een dergelijk mensch met een paardevoet. Gij teekent hem netjes zooals ook alle groote schilders vóór u hebben gedaan: aan de menschelijke knie hecht gij namelijk eenvoudig een onderbeen van een paard vast met den hoef als voet. Kom nu voor het skelet en wijs mij bij mensch en paard de beenderen, die daarin zouden moeten steken.

Hier hebt gij bij het geraamte van den mensch het bovenbeen, het eenvoudige, lange dijbeen, dat van het bekken afdaalt. Daaraan sluit zich het benedenbeen aan, dat eigenlijk bestaat uit twee beweeglijke beenderen, het scheenbeen en het kuitbeen, maar dat in beginsel toch overeenkomt met één enkel hoofdbeen, dat van de knie naar den voet loopt. En hier eindelijk is de voet zelf. Dus drie hoofdgedeelten met twee buigplaatsen, twee gewrichtsplaatsen. Haak nu het skelet van den voet en dat van het onderbeen los, en hang daarvoor in de plaats het stuk onderbeen van het paardenskelet met het skelet van den hoef,—dan hebt gij het skelet van uw Mephistobeen. Haak echter die stukken weer aan het paard vast, en tel na, van onderen naar boven. Daar hebt gij den hoefvoet, het zooeven gebruikte onderbeen, daarboven het bovenbeen en dan—zou het bekken moeten komen. In plaats daarvan hebt gij nog één been te veel. Een boven-bovenbeen. Het paard heeft, naar het schijnt, een heel been meer in de reeks dan de mensch! De grap kan echter zeer wel verklaard worden. Feitelijk heeft ook het paard slechts drie groote beenderstukken in zijn been. Het zoogenaamde boven-bovenbeen komt overeen met het werkelijke menschelijke bovenbeen. Het zoogenaamde bovenbeen is in werkelijkheid reeds het onderbeen. Het stuk echter, dat nu volgt, en dat wij beschouwden als het onderbeen van Mephisto, is reeds „paardevoet”, dat wil zeggen: het is reeds een echte voet, en komt overeen met onzen voet van den enkel tot aan het begin der teenen. Het eenige verschil is, dat het zoo reusachtig lang is uitgerekt, en ons zoo als één geheel tegemoet komt, waardoor het dwaalbegrip zou kunnen ontstaan, dat het nog in het geheel niet een voet, maar een onderbeen is. En die vergissing was nog des te gemakkelijker te verklaren, daar er bij het paard, dat nog met zijn vleesch bedekt is, voor het uiterlijk nog een zeer merkwaardig verstoppertjesspel bijkomt. Het ware bovenbeen van het paard stak zoo te zeggen in den romp. Waar van buiten het been eerst begint, daar loopt het al over het kniegewricht heen. Dan komt reeds het feitelijke onderbeen als een bovenbeen te voorschijn en het buigt weer af tegen het reusachtige voetstuk (voetbeen zou men wel kunnen zeggen), zoodat men zou meenen, dat eerst hier de knie zit. Om dus uw menschenbeen een echten paardepoot te geven, zou werkelijk het volgende noodig zijn. Gij zoudt van het menschelijke skelet niet het onderbeen moeten loshaken, maar alleen den voet. Dan zoudt gij echter het menschelijke bovenbeen zóó naar boven moeten schuiven, dat het, als het met vleesch bedekt was, gewoon weg in het lichaam naar boven verdween en zijdelings zich plaatste naast het bekken. Daardoor zou natuurlijk nu het onderbeen ook zóó ver naar boven gaan, dat zijn bovenste hoek, de knie, onmiddellijk in de heupen kwam te liggen, terwijl zijn gewricht bij den voet nu daar hing, waar vroeger de knie was. Om nu echter van die valsche knie de leege tusschenruimte tot op den bodem te overbruggen, moest gij hier dan echter het ontzaglijk steile voetbeen van den paardepoot er tusschen voegen, dat geheel van onderen bij den hoef als de schoen van den laatsten teentop nog weer eens eenigszins omgebogen is. Nu eerst zou het skelet een echten „paardepoot” hebben,—en tevens is op die manier ook de tegenstelling van mensch en paard in dit geheele steunorgaan volkomen duidelijk.

Ons paard behoort niet alleen tot die dieren, die (op de vroeger geschetste wijze) hun teentop met een harden schoen, een „hoef” hebben omkleed. Maar het behoort ook tot die dieren, die zoowel teen als voet zóó steil hebben opgetrokken, dat het lichaam alleen nog maar op den teentop en den hoef balanceert. Maar ten slotte is het paard ook de vertegenwoordiger van dat uiterste type, waarbij aan ieder been nog slechts één enkele zoodanige hoef zit, zoodat feitelijk slechts vier teenen het geheele viervoetige lichaam hebben te belemmeren, in plaats dat, zooals bij ons menschen, als wij op vier voeten op de teenen zouden willen loopen, in de toppen van onze vingers en teenen twintig dergelijke steunpunten zouden aanwezig zijn. Slechts één enkele teen aan iederen voet: dan ligt het echter voor de hand, dat met dien éénen teen slechts één enkele wortel als voornaamste steun in het middendeel van den voet overeenkomt. Bij iederen druk van de hand kan men in onze menschenhand het volgende waarnemen (en bij onzen voet is het volkomen hetzelfde): achter onze vijf vingers komt in het gezamenlijke middendeel onzer hand met ieder dier vingers onder de huid en het vleesch der spieren telkens één enkel wortelbeen overeen. Men kan die vijf wortels zelf onder de huid van den rug der hand één voor één tellen en ze gemakkelijk voelen. Eerst vlak bij het polsgewricht hangen die wortels zelf weer als in een enkel wortelbed in een mozaïek van kleinere beentjes, den eigenlijken gemeenschappelijken handwortel. Vijf vrije vingers of teenen bij ons: en in overeenstemming daarmede vijf verschillende wortels. Één teen slechts bij het paard: daarom zal daar slechts één wortel aanwezig zijn. En met uitzondering van een onbeduidend feit, dat voorloopig nog geheel bijzaak is, en waarop ik eerst later nog terug kom, is dit ook zoo. Dat ééne uitsluitende wortelbeen van den teen bij den eenigen nog bestaanden teen van het paard vormt juist dat gewaande onderbeen of „voetbeen”, dat ons zooveel hoofdbrekens heeft gekost. Hij vormt dit, door uit te groeien tot een betrekkelijk kolossalen beenen staak, die nu als zoodanig in zijn afmetingen volstrekt geen overeenkomst heeft met onze vingerwortels of wortels der teenen. Terwijl de teen, die tot den hoef loopt, zelf zeer matige afmetingen blijft behouden, schuift door die ontzaglijke tusschenstang van den voet het eigenlijke been daarnaast. Dit moet zoo zijn, daar anders het lichaam van het paard op stelten van een onmogelijke lengte zou komen te staan. Van daar het naar boven drukken van het geheele bovenbeen tot in den romp, waarvan het gevolg is, dat het blijvende vrije been feitelijk alleen uit onderbeen en voet bestaat, en het op de gewone plaats van de knie niet meer de werkelijke knie, maar reeds het voetgewricht heeft, terwijl daar, waar men het voetgewricht zou verwachten, reeds het engere gewricht van den teen binnen in den voet, de buigplaats tusschen teenwortel (middenvoet) en teen gelegen is.

Als men nu die geheele tegenstelling van paard en mensch overziet, dan moet één zaak ondubbelzinnig duidelijk worden. In dien bouw van het paard heerscht in tegenstelling met den mensch een dubbele strekking. In de eerste plaats de strekking, om aan het geheele lichaamsdeel, tot aan de uiterste spits den bouw te geven van een in één enkele lijn uitgestrekt been, een stelt. Van daar ook de merkwaardige beperking van den geheelen voet tot één enkelen middenwortel in plaats van splitsing van den hoofdstam in vijf takken, zooals bij onzen menschenvoet of onze menschenhand. En van daar dan ook het bijna volkomen optillen van dien voet van dien stam in den rechten steltstand van het been. In de tweede plaats echter een even duidelijke strekking, om dien op een been gelijkenden voet nu ook naar boven toe, zoover als maar eenigszins mogelijk is, tot een werkelijk vrij been te maken, dat vrije been, zooveel mogelijk te vervangen door den voet.

Beide strekkingen worden echter in haar samenhang zoowel als in haar beteekenis onmiddellijk duidelijk, als men nagaat, waarvoor het paard zijn uiterste ledematen gebruikt. De dichter van het „Boek Job” spreekt reeds van de stoutheid, waarmede het opspringt, en vergelijkt dat met het wegvliegen van den sprinkhaan. Het paard in zijn zoowel meest natuurlijken als ook meest edelen gang is geen karrepaard of vigelantepaard. Het is een renpaard, dat vrij voortholt over de uitgestrekte, vlakke baan. Het is hier geen schepsel, dat den bodem drukt, dat zich in de eerste plaats op een breed steunvlak tracht op te houden. Het slaat den grond in zijn loop. Het beheerscht dien grond in die mate, dat het schijnt daarover heen te zweven, zoodat slechts de scherpste blik de enkele oogenblikken kan waarnemen, waarop die Antaeus de aarde nog juist even aanraakt om zijn kracht te vernieuwen. Die gave van de suizende vlucht over de vlakte geeft aan het paard zijn karakteristieke eigenschappen, waar het ons nog in zijn meest oorspronkelijke vrijheid in de vrije natuur te gemoet komt als wild of weer verwilderd galoppeerend dier der eindelooze grassteppe; maar tevens is daardoor ook zijn hoogste waarde bepaald als zuiver sportdier binnen de grenzen onzer cultuur.

Het meer eigenaardige geheim van dit schitterende bezit is echter, dat het in dit geval juist verbonden is aan een zeer groot, en in zijn meest edelen aard kolossaal dier. Een zoogdier van die grootte moet noodzakelijker wijze een kracht bezitten, die daarmede in overeenstemming is. De keerzijde echter van alle reuzengestalten is hunne zwaarte. Een reus zijn kracht te laten en hem toch even licht beweeglijk te maken als een dwerg, dat zou eerst eene gelukkige oplossing zijn. Bij het paard is die oplossing bijna bereikt. Zij is bereikt, in zooverre wel niet de zwaarte op zich zelf is opgeheven, maar deze is geneutraliseerd door een schitterend bewegingsapparaat. Hoe zwaar trouwens het paard is in zijn beste ras (dat juist zoo streng zijn grootte handhaaft), wordt oogenblikkelijk duidelijk, als men het paard ziet, als het op den grond is gevallen, uitsluitend overwonnen door de zwaartekracht, onmachtig om zijn ontzettenden last weer op de dunne stelten van zijn bewegingsmechanisme op te richten, ja zelfs ernstig in gevaar, dat een verkeerd aangewende poging om op te staan het fijne mechanisme door de geringste scheeve belasting breekt als glas, juist omdat het zoo ontzettend fijn is. En toch is bij het paard, als het rechtop loopt, die zwaarte niet alleen zóó overwonnen, dat een voortreffelijk, onder bepaalde omstandigheden bijna ongeloofelijk harddraven mogelijk wordt, maar dat de lichaamskracht van den reus nog een belangrijke overmaat beschikbaar heeft. Die kracht gaat niet verloren door de beweging alleen: zij weet zich te sparen, zoodat het paard nog meer kan volbrengen. Hier openbaren zich juist zoo duidelijk die twee voortreffelijke hoedanigheden, die aan het paard in de symbiose met den mensch zijn zoo bijzonderen roep hebben verschaft. Aan den éénen kant zijn volharding, die het niet alleen maakt tot een dier, dat gedurende een kort oogenblik flink draven kan, maar tot een dier, dat bij een niet te onregelmatig tempo een onschatbare draver over groote afstanden is. Aan den anderen kant zijn overmaat van kracht, waardoor het zelfs bij een snelle en langdurige beweging niet alleen zijn eigen reuzengewicht spelend overmeestert, maar door dat eigen gewicht volstrekt niet wordt uitgeput, en zelfs een aanzienlijke van buiten aangebrachte belasting nog rustig kan verdragen.

Het bewegingsmechanisme is feitelijk zóó practisch ingericht, dat het nog voldoende is voor een aanzienlijk grootere massa, het werkt met een groot overschot en een groote speelruimte. Dit geeft aan het vrije wilde paard een groote souvereiniteit van macht, het heeft steeds kracht in overvloed bij de hand, zijn bewegingen krijgen iets overmoedigs, vermetels, iets trotseerend-zekers, dat zich op een wijze, zooals dit bij geen ander schepsel gevonden wordt, combineert met het nog steeds daarachter doorschemerende type van het zware, in den grond der zaak logge dier. Het tamme paard maakt echter met dit middel in de symbiose der cultuur het rijden onder den man en het trekken mogelijk. Binnen die speelruimte van de overmaat van kracht van den natuurreus, die niet ten volle is in beslag genomen, kan hij het volle gewicht van den ruiter op den koop toenemen bijna zonder dat dit eenigen invloed heeft op zijn vermogen, zich gemakkelijk te bewegen. Het kan een wagen voorttrekken, terwijl het slechts weinig, en als het niet te erg is, zeker niet te veel van zijn snelheid en volhardingsvermogen opoffert.

Dit wonderlijke bewegingsmechanisme, dat een reus zóódanig ontlast, dat hij zijn kracht kan gebruiken als een dwerg, die nauwelijks eenigen overlast ondervindt van zijn zwaarte, is nu in het geheele skelet van het paard tot zelfs in ieder beentje weergegeven, als goed ingebeitelde letters, die nooit verloren gaan. Natuurlijk niet alleen in het skelet. Ook alle andere deelen en stelsels van het lichaam staan duidelijk merkbaar in dien dienst, in de eerste plaats ook de hersenen van het paard.

Over hetgeen die hersenen kunnen praesteeren vindt men meeningen, die elkander in velerlei opzichten tegenspreken, en dat zelfs bij de beste kenners. Nu eens wordt dit overschat, dan weer niet op de juiste waarde gesteld. Naar mijne meening moet men het verstand van het paard voornamelijk in die richting zoeken, waarin het bewegingsmechanisme van het paard ter sprake komt.

Het paard is dom, blind, schrikachtig, het is „schuw” en dwaas in zijn handelingen, naar gelang men bij hem stoot op een bepaalden oorspronkelijken aanleg en zijn instincten afmeet met den maatstaf van ons menschenverstand. Men moet daar geen rozen van een doornbosch willen oogsten. Het paard is nooit een loerend roofdier geweest, dat een aanval met overleg voorbereidt, en evenmin ooit een voorzichtig klein dier, dat zich verstopt. Zijn verdediging, de verdediging van den sociaal levenden graseter in de steppe, was van den eersten oorsprong af een wild wegrennen, een razende vlucht. Daartoe diende juist zijn ontzaglijk ontwikkelde beweeglijkheid met zijn volhardingsvermogen. Het instinct van die vlucht, die reeds begon bij het zien van een slechts half begrepen beeld, na het signaal van den aanvoerder der kudde of iets dergelijks, is nog heden gelegen in het „schrikken” van het paard, dat alleen dikwijls verkeerd verklaard wordt, zooals zooveel instincten van dieren, en dat dikwijls tot zijn verderf leidt, daar het eigenaardige onzer cultuur medebrengt, dat wegen worden afgesloten en worden versperd en gebarricadeerd in tegenstelling met de open steppe, waarop het instinct van het onnadenkend er op los razen oorspronkelijk was ingericht. Als een kazerne verbrandt, (waarvan ik mij nu juist een geval herinner) en de paarden, na zich te hebben losgerukt, in een zinnelooze vaart op een open schipbrug naar buiten razen en over de leuning heen onmiddellijk in den stroom rennen, dan is dat geen domheid van de dieren, maar het is hetzelfde oude instinct der steppen, waarbij zij bij een prairiebrand eenvoudig onwillekeurig over de vlakte rennen, omdat zij daar zeker zijn van een terrein, dat zich zonder letsel en gevaar uitstrekt tot aan den horizon.

Een erfenis van dat veelbewogen steppenleven is ook de zoo ongelijke ontwikkeling der zintuigen, die door den ongeoefenden en oppervlakkigen waarnemer eveneens gemakkelijk wordt beschouwd als een criterium van de werkelijke verstandelijke eigenschappen. Het paard is geen dier met een scherp ontwikkeld gezicht, dat zijn handelingen nauwkeurig afweegt naar bepaalde voorwerpen, die het met de oogen waarneemt. In de eentonige grasvlakte is er trouwens niet veel te zien. Indien er hier plotseling het ééne of andere nieuwe voorwerp van de verte uit binnen zijn gezichtskring binnenkomt, dan is het meestal raadzaam, dat hij dit in plaats van het te naderen ter betere aanschouwing, liever uit den weg gaat, wat trouwens ook voor het paard verreweg het gemakkelijkst is. Van daar dus de snelle instinctieve angst ook van het tamme paard, nog niet zoozeer voor het werkelijk vijandelijke, maar ook reeds voor het eenvoudig vreemdsoortige, merkwaardige, wat in zijn gewone bestaan afwisseling brengt, iets wat op den oppervlakkigen beschouwer weer den indruk maakt van buitengewone kortzichtigheid en onnoozelheid; men denkt: kan dan het paard niet zien, dat een wilgenbosch geen beer is! Daarenboven zijn de paarden oorspronkelijk ook sociale dieren, waarvan een aantal in een kudde medeloopen, op den aanvoerder vertrouwen en wat het uitkijken betreft zich in de bescherming der kudde veilig wanen als een tam paard tusschen de oogkleppen. Daarentegen kan een paard met den neus over de vrije vlakte uitstekend speuren, niet te vergeefs heeft het paard dien reusachtigen „neusschedel”, die hem zijn karakteristiek gelaat geeft; niet te vergeefs heeft hij zijn neusgaten, die zoo wonderbaarlijk veel uitdrukking hebben, al heeft de cultuur juist op het neuszintuig bij het paard niet meer zooveel gewicht gelegd. Maar in de eerste plaats is het, een in een kudde levend dier, van het allereerste begin af reeds een natuurlijk signaaldier, gewoon op het geringste signaal van het aanvoerende dier even nauwgezet te reageeren als een soldaat. Die eigenschap is omgekeerd één der belangrijkste eigenschappen geworden bij ons cultuurpaard,—zonder deze zouden wij nooit met het paard iets ernstigs hebben kunnen beginnen; zij komt zelfs reeds duidelijk uit bij het armoedigste vigelantepaard, dat onmiddellijk gehoorzaamt aan de zwakste aanraking van den teugel, en het is zeker, dat het paard in dit opzicht bewezen heeft, geschikt te zijn tot verdere opvoeding en ontwikkeling. De geschiktheid, om op een zeer fijn teeken op de ééne of andere wijze te reageeren—zooals het scheen zelfs een teeken, door een mensch onbewust en ongewild gegeven—is het laatste gebleven, wat het in der tijd beroemde paard: „de Slimme Hans” werkelijk van andere paarden onderscheidde; in ieder geval was het een paard, dat buitengewoon gevoelig reageerde, en dat bij willekeurige rekenkunstige vragen zóó lang met den hoef stampte, totdat het uit het ééne of andere teeken van den vrager in de buurt van het getal, dat het juiste antwoord aanwees, het bevel afleidde van op te houden. Dergelijke bewegingsteekens leiden echter werkelijk reeds tot het gebied, waar men het „verstand” van het paard in het algemeen niet hoog genoeg kan waardeeren,—en wel overal, waar het juist ook om de hulp der hersenen bij het bewegingsmechanisme te doen is.

Een paard, dat niet verschrikt is, en dat individueel acht geeft op den weg, is steeds een prachtig gezicht. Alle voortreffelijke individueele eigenschappen komen hier tot haar recht. Het individueele leeren viert hier zijn triomfen. Men moet in het Reuzengebergte het gedrag der paarden waarnemen, die met den zwaren vrachtwagen met volle biervaten de zwaarste wegen opklimmen naar de hoogliggende hutten in het gebergte, men moet zich eens laten verhalen, hoe op IJsland de rijpaarden met hun last op het gevoel af de natuurlijke steenen trappen der verkoelde stroomen lava afdalen. Hier ligt de echte zijde van het verstand van het paard, die sedert duizenden en duizenden jaren eenzijdig is gekweekt en waardoor het paard in de hand van den mensch ook ongetwijfeld werkelijk nog een heel eind verder is gekomen. Men moet in de eerste plaats hieraan denken, hoe de mensch hier het paard (ik neem het woord in zijn meest uitgebreide beteekenis, waaronder dus ook bij voorbeeld het muildier moet gerekend worden) tot een echt dier van het gebergte voor zich heeft weten te vervormen. Het is steeds wel is waar gaarne een dier der steppen van het hoogland geweest (zooals in Centraal-Azië, waar ontzaglijke steppen, feitelijk van de hoogte van den Mont-Blanc, zich van horizon tot horizon uitstrekken), dus wat het klimaat betreft hier van oudsher goed aangepast. Maar hoe het muildier tegenwoordig verstandig en zeker over de hooge Alpenpassen trekt, dat is toch (niettegenstaande de bouw van hoeven en pooten onveranderd is gebleven) ongetwijfeld een belangrijke vooruitgang in zijn verstand. En in die richting liggen ook alle resultaten der dressuur van paarden in een circus, een eigenaardige reeks van bravourstukjes van zijn verstand, waar dit op beweging berust. Die eigenaardige richting van het verstand is, wat zijn hersenen betreft, de kracht van het paard, doch tevens zijn eenzijdigheid. Wat het paard leert, moet het als het ware met de pooten leeren. Daarom was het dan ook reeds van te voren zoo onwaarschijnlijk, dat de „Slimme Hans” ingewikkelde abstracte rekenkunstjes zou hebben geleerd, terwijl het opletten op nog zoo fijne bewegingsteekens (op zich zelf trouwens merkwaardig genoeg) toch in ieder geval bleef in de lijn van het van ouds bestaande.