Chapter 7 of 16 · 3814 words · ~19 min read

Part 7

Een tweede hoogtepunt lag vervolgens bij de kwasthoevigen, dus daar, waar de beide zijteenen met hun hoeven nooit meer den grond aanraakten, maar alleen nog slechts als groote overblijfsels aan weerszijden naast den steeds meer de overhand hebbenden middenteen en het „voetbeen” hingen. Hier heeft zich een in zijn soort zeer fraaie, sierlijke equide als variant in Amerika vertakt, gemiddeld van de grootte der kleine zebrasoorten van onze dagen. Deze nam de leelijke kwastvoeten mede, zonder daaraan iets te veranderen tot aan het einde van zijn geslacht. Voor het overige modelleerde hij in kleinigheden voortdurend aan het type van zijn station, zooals dit bij al dergelijke varianten gebruikelijk is. In zijn bovenkiezen gelukte het hem nog niet, het laatste titteltje op de i te plaatsen, dat noodig was, om een echt paard te zijn, namelijk den laatsten binnenbult geheel te laten invloeien in het arabeskenwerk der kraters en kammen. Daarentegen plooide hij aan de emailwanden der middelste kraters in het relief van de gebergten van die tandkronen zóó overdreven weelderig voort, dat die tanden nog veel meer dan bij het beeld van het echte paard er spoedig uitzagen als doorgesneden kroppen salade in het klein. Die „saladetandigen” heeft men in tegenstelling met de echte stamgetrouwe kwasthoevigen, die wetenschappelijk Merychippos heeten, Hipparion genoemd. Het woord heeft geen andere beteekenis dan „klein paard”. Men moet, zooals zoo dikwijls, een dergelijken Latijnschen naam niet opvatten alsof daarin een geconcentreerde beschrijving bevat is, maar als een etiquette, een soort van nummer ter onderscheiding. Dikwijls gebeurt het, dat dergelijke etiquettes in den loop der zich verbeterende systematiek van dier verwisselen; de naam kan dan onmogelijk meer met het dier in overeenstemming zijn. Een dier kan bij voorbeeld „viridis” heeten en toch niet groen zijn, en zoo kon er ook bij ons „paardje” Hipparion van daag of morgen een variant gevonden worden, die zoo groot was als een rhinoceros, en die toch onder het merk „Hipparion” moest ingeschreven blijven.

Dikwijls toch hebben juist zulke uitloopers een neiging, ook te varieeren tot buitengewone grootten, wat trouwens in dit bijzondere geval tot nu toe niet is vastgesteld. Als een dier stevig op drie hoeven kon staan, kon met dien drievoet ook een zwaarder soort lichaam worden bewogen. Zoo heeft er bij dien trap der driehoevigen van die geheele dierengroep steeds een neiging bestaan, op te treden in forsche varianten; wij spreken daar nog nader over. De overgang tot het eigenlijk verfijnde experiment van het evenwicht op één enkelen hoef moest zich daarentegen, zoolang dat proces in wording was en zich nog niet volkomen had gelouterd tot zijn volmaking en technische voltooiing, uit den aard der zaak beperken tot vormen van gemiddelde grootte. Zoo is dan hier ons paard als slotproduct ook tevens de technische overmeestering van het zwaarste dier, en zijn omgekeerd op den trap der kwasthoevigen ook de varianten nog bescheiden van grootte.

Het eigenaardige nu van al die varianten onder de equiden is echter dit, dat zij, zooals men met den meesten grond mag aannemen, onmiddellijk aanleiding hebben gegeven tot het denkbeeld van een zelfstandigen paardenstamboom ook bij ons in Europa. Terwijl de eigenlijke stam in Amerika aangroeide tot het paard en alleen daar, hebben zich in herhaalde voorwaartsche bewegingen troepen van die varianten ver over de engere grenzen van Amerika heen verspreid. Zij zijn ook in Europa, in de oude wereld, opgedoken, hebben hier nieuwe en karakteristieke soorten gevormd, zijn hier in een ontzaglijk groot aantal individuen gedurende lange tijdsruimten binnen de groote tertiaire periode in stand gebleven, maar zijn ten slotte iederen keer in het algemeen hier evenzeer onvruchtbaar ondergegaan als daar. Hoe meer men naast de paarden in Amerika, die aan de bedoeling der evolutie beantwoordden, ook de varianten daar leerde kennen, des te verrassender is het feit voor den dag gekomen, dat de belangrijksten onder die Amerikaansche varianten, zooals het Anchitherium en het Hipparion, in de soort volkomen identiek waren met de equiden, die men in Europa had beschouwd als de vertegenwoordigers van den daar aanwezigen, naar men meende, afzonderlijken paardenstamboom. Geen wonder dus, dat zij (die immers varianten waren van verschillende echte trappen van den stamboom, maar van den Amerikaanschen), ook aanknoopingspunten vertoonden aan een dergelijken stamboom, vooral als men ze eenvoudig achter elkander plaatste, en opvatte als een doorloopende keten van geslachten, waar bij voorbeeld het Anchitherium het Hipparion zou hebben voortgebracht. Geen wonder ook, dat zij, daar zij toch varianten waren, afweken van de echte Amerikaansche stamreeks. Juist die onmiddellijke werkelijke verdere ontwikkeling der Europeesche equiden van den éénen vorm tot den anderen, die eerst voor Europa een beeld zou leveren van een echten stamboom, is echter absoluut niet aan te toonen. Nooit zijn er tot nu toe werkelijke aanvullende vormen gevonden tusschen de oudste Europeesche equiden en het Europeesche Anchitherium, nooit tusschen dat Anchitherium en het Europeesche Hipparion, nooit ook tusschen dat Hipparion en ons paard. Alles spreekt er, zoodra men eenmaal weet, dat Anchitherium en Hipparion ook in Amerika voorkwamen en wel daar als uitloopers, die buitengewoon taai en rijk aan individuen waren—alles spreekt er, zeggen wij absoluut voor, dat wij, hier bij ons, eenvoudig alleen te doen hebben met een Amerikaansch importartikel.

Om een dergelijken import te begrijpen, moet men zich echter de geografische mogelijkheden van dien tijd eenigszins voor den geest halen. Het denkbeeld, dat de Europeesche grassteppe der tertiaire periode geheel zelfstandig het paard uit de oorspronkelijke hoefdieren zou hebben ontwikkeld, en eveneens dat geheel zelfstandig ook de Noordamerikaansche steppe dit zou gedaan hebben, houdt rekening met moderne verhoudingen, niet met die uit vroegeren tijd. Voor ons liggen er tusschen Europa en Amerika zoo en zooveel dagreizen zeereis met het gezicht op de zee van horizon tot horizon. Dat was het gedeelte waterbrug, dat Columbus eerst voor ons moest overbruggen op een onbegrijpelijk vermetele vaart. Op een kunstig door menschenhanden gebouwd schip kon het eerste Spaansche paard eerst na een aantal dagen van zulk een vaart levend naar de overzijde komen. De oorspronkelijke feitelijke toestand, waarmede de tertiaire toestand begon, was daarentegen een geheel andere.

Europa was toenmaals een archipel, een eilandenland, ongeveer zooals tegenwoordig de Soenda-eilanden. Die Europeesche eilanden waren echter niet, zooals men ten minste zou verwachten, de voorposten van de Aziatische vastelandsmassa. Daar, oostwaarts, lag overal weer de zee. Het meest nabijzijnde, daartoe behoorende blok land, een overoud vastelandsstuk, strekte zich van het noorden van Scandinavië uit, zooals bij voorbeeld Achterindië tegenwoordig zich uitstrekt tot de Soenda-eilanden. Tegen dat landblok kwam, van het westen uit, Noordamerika te liggen. In verband met de grootte van dat werelddeel en zijn oostelijke uitbreiding van toenmaals is het gerechtvaardigd te zeggen, dat Europa nog in het begin der tertiaire periode een groote archipel is geweest, die in oostelijke richting de voorpost was van Noordamerika. Die eigenaardige toestand bleef wel niet in zoo bijzondere mate gedurende de geheele tertiaire periode bestaan, maar toch is de weg van Amerika naar Europa in het midden dier tertiaire periode nog steeds verreweg korter geweest. Nog tegenwoordig vertoonen de insnijdingen van de verlengsels der groote Noordamerikaansche stroomen in den bodem der zee duidelijk aan, hoeveel verder de kust zich nog lang in de tertiaire periode daar in oostelijke richting heeft uitgestrekt tot in streken, die tegenwoordig diepe, scheidende zeeën zijn. En evenzoo wijzen de nog merkbare oude beddingen en delta’s aan gene zijde der Europeesche westkust op den tegenwoordigen bodem van den Atlantischen oceaan er op, hoeveel verder ook dat Europa, toen het zich langzaam uit een eilandenwereld tot een zelfstandig vastland ontwikkeld had, zijn landgrenzen nog lang in de richting van Amerika uitstrekte. Wanneer men hoort van het telkens heen en weer slingeren van grootere massa’s water en dan weer van grootere blootleggingen van land op het geheele noordelijke halfrond binnen de oudste en middelste tertiaire periode, moet het werkelijk onvermijdelijk schijnen, dat bij een dergelijke nabijheid der beide vaste landen van tijd tot tijd weer een aansluiting langs den drogen weg tusschen beide werelddeelen ontstond aan de uiterste voorposten, bij voorbeeld ongeveer zóó, als men tegenwoordig vindt tusschen Amerika en Azië, die bij de Behringstraat op een enkele plaats geen negentig kilometers van elkander verwijderd zijn,—een toestand, waarop dan gedurende langere tusschenperioden weer een sterkere afscheiding door een breedere tusschenzee volgde. Toen ook die mogelijkheid eindelijk ophield, toen de tertiaire periode langer voortduurde, en de Atlantische oceaan zich als een steeds minder verbreekbare grendel tot op de breedten der poolstreken uitstrekte, toen was eindelijk de aansluiting van Europa ook aan het Aziatische vasteland voltooid, welke aansluiting wel is waar langs een ontzaglijke uitgestrektheid, maar toch ten slotte werkelijk een drogen weg aanbood tot diezelfde Behringstraat, waardoor Amerika van die zijde voor Europa was geopend.

Die geologisch-geografische opvolging van tooneelen komt nu niet alleen in hoofdtrekken, maar werkelijk punt voor punt overeen met het zoölogische beeld van een Amerikaansch-Europeesche immigratie der paardachtige dieren.

In die dagen, toen Europa nog als het ware een oostelijke archipel was van Noordamerika, waren zoowel vasteland als eilanden bevolkt met die oorspronkelijke groep der hoogere zoogdieren, waartoe ook de Condylarthren, de oorspronkelijke hoefdieren, behoorden. Wij vinden hun gelijksoortige overblijfselen op het vasteland, in Nieuw-Mexico, en in den uithoek van één der eilanden van den Europeeschen toenmaligen archipel, dien wij nog konden doorsnuffelen: bij Cernays in het tegenwoordige Frankrijk. Men had toen die eenheid in de dierenwereld, die vergeleken kan worden met den toestand van thans, waar Ceylon den olifant, Sumatra en Java den tijger en de één- en tweehoornige rhinocerossen gemeen hebben met het Indische vasteland. In ieder geval is het misschien reeds voor dien ouden tijd geen zuiver toeval, dat wij veel talrijker en vollediger overblijfselen van dergelijke oorspronkelijke hoefdieren (bij voorbeeld goed bewaard gebleven geheele skeletten van den beroemden Phenacodus) uit het westelijke vasteland, dus uit Noordamerika, bezitten. De periode dier dierenwereld, die een organisch geheel vormt, schijnt dan ook nog de vorming en eerste ontplooiing der vospaardjes te omvatten. Dergelijke oorspronkelijke paardachtige dieren, behoorende tot de wetenschappelijke soorten Hyrakotherium en Pachynolophus, leefden te gelijker tijd in Noordamerika en in Frankrijk en Engeland. In ieder geval kon men ook bij dezen nog in twijfel verkeeren, waar zij als eerste paardachtige dieren begonnen zijn. Het ligt voor de hand, te beslissen ten voordeele van Amerika, daar men alleen voor Amerika kan aantoonen, dat zij als echte voorouders der paarden verder gingen. Immers van den bovensten eocenen trap tot aan den miocenen driehoevigen equide Miohippos volgen de verschillende deelen van den stamboom tegenwoordig uitsluitend in Amerika op elkander. Tusschen Europa en Amerika moet hier één dier „geografische scheuren” geweest zijn, die de dierenwereld gescheiden hield. Indien de echte paardenstamboom ook in Europa in dien tijd evenwijdig met Amerika verder was voortgeloopen van het daar afgesneden deel der vospaardjes, dan zouden wij toch wel het ééne of andere spoor daarvan in de rijke Europeesche overblijfselen van beenderen hebben behouden gezien; maar niets daarvan is waar te nemen. Daarentegen verschijnt in Europa volkomen onafhankelijk later het Anchitherium, een Amerikaansche variant van dien Miohippos. Tijdelijk was er een landbrug ontstaan, een inval van dergelijke zwervende kudden van varianten is daarvan het gevolg geweest!

Maar daarna is in Europa een tijdlang de toegang gesloten geweest. Het Anchitherium is zonder nakroost op het vreemde gebied weer verdwenen—ook zonder een nieuwen toevoer, daar de miocene zee tijdelijk weer de Amerikaansche brug onder water had bedolven. Toen kwam er plotseling weer een nieuwe toevloed van ginds. In ontzaglijke massa’s trekken nu weer over een hernieuwde brug die sierlijke, op zebra’s gelijkende Amerikaansche kwasthoevige varianten, de Hipparions. In weerwil van hun kwastbeenen moeten zij in hun zucht tot verbreiding, zeker begunstigd door een langdurige periode van groote steppen met kreupelhout zooals in het tegenwoordige Afrika, absoluut geen grenzen gevonden hebben. Zij bewogen zich in het Rijndal bij Worms, evenals in Pikermi bij Marathon, maar trokken nog ver voorbij Europa voort tot naar Algiers, Indië en China. Zóó reusachtig is hun verbreidingsgebied op een bepaald tijdperk, waarop het noordelijke halfrond blijkbaar bijzonder rijk aan land was, dat hun uiterste voorposten aan de Behringstraat oostwaarts weer Amerika moeten hebben bereikt, dus de reis om de geheele wereld moeten hebben volbracht. Men zou er bijna aan twijfelen, of niet ten slotte de geheele inval der Hipparions heeft plaats gehad over het uiterste Oostazië, in de nabijheid van Amerika. Maar in een dergelijke periode van land en steppen spreekt te veel ook voor een tijdelijk weder tot stand komen van den zooveel dichter bijgelegen Engelsch-Amerikaanschen doortocht.

Maar een dergelijk indringen over Azië is tamelijk zeker voor de daarop volgende laatste invasie. In Amerika had de ware paardenstamboom, zooals men zich zal herinneren, niet over het Hipparion zelf, maar over den echten kwasthoevigen Merychippos geloopen. Uit den Merychippos vormde zich het Hippidion (pinkpaardje), en uit het Hippidion kwam eindelijk het echte wilde paard voort. Het Hippidion heeft zich wel is waar, zooals wij meedeelden, ver uitgebreid tot naar Zuidamerika, maar het is, voor zoover men kan nagaan, evenals de latere echte paardenvoorouders, zelf niet in de oude wereld gekomen. Daarentegen volgde nu daar in het laatste deel der tertiaire periode, in het Pliocene tijdperk, een binnenstroomen van de nu eindelijk vermoede echte wilde paarden, dat geleek op dien inval der Hipparions.

Voor het eerst sedert zoo langen tijd kwam met hen niet een zijvariante, maar als het ware het origineel der keten, en wel dezen keer de spits zelf, uit Amerika over. Daaruit wordt bijzonder eenvoudig verklaard, dat dezen keer de inval in de oude wereld niet een zóódanige was, die tot heden voortduurde, maar dat hij ook in de oude wereld in een groote zelfstandige verdere ontwikkeling geleid heeft tot de vele en verschillende gedeeltelijk thans nog levende paardenvormen, tot onze Aziatische wilde paarden, de Afrikaansche zebra’s, de Aziatisch-Afrikaansche wilde ezels en ten slotte, met behulp van de symbiose met de menschen, tot de cultuurrassen. Alles doet echter vermoeden, dat die invasie van wilde paarden dezen keer uitsluitend gebruik maakte van den Aziatischen weg. Een Amerikaansch-Europeesche brug heeft er in deze betrekkelijk late periode tamelijk zeker niet meer bestaan. De oudste beenderen van wilde paarden uit de oude wereld liggen in Azië aan het Himalayagebergte. Het maakt den indruk, als ware de immigratie niet in snelle vaart, maar in verschillende etapes zeer geleidelijk geschied. Zelfs in Noordamerika zelf is het te zien, hoe het zwaartepunt der verspreiding van de echte wilde paarden in het westen, dus ook aan de Aziatische zijde ligt. De laatste achterblijvers daar ginds hebben later nog in Californië en Alaska geleefd. En evenzoo is nog tegenwoordig de steppe van Centraalazië de laatste schuilplaats van het oudste wilde paard, dat er nog op aarde is, het merkwaardige Przewalskipaard.

Dit is naar alle waarschijnlijkheid de oplossing van den ingewikkelden roman der geschiedenis van de paardachtigen en de paarden. Met minder paradoxale eigenaardigheid, maar toch nog met genoeg in spanning houdende afwisseling! Wie zou die lange keten van overgangsvormen en van natuurspelingen niet nog weer eens in levenden lijve in den zoölogischen tuin willen zien herleven! Daar zelfs het meest volkomen skelet de meeste menschen geen helder fantasiebeeld voor oogen voert, zou men zoo gaarne alle kunstmiddelen te hulp roepen, om een aanschouwelijke voorstelling te verkrijgen.

Voor de kwasthoevigen zou er een kleine kans bestaan, als het bij toeval eens gelukte een paartje van de vroeger besproken misgeboorten uit onzen tijd, bij wie nog een kwastteen bij wijze van atavisme gevonden werd, in één onzer dierentuinen verder te fokken. De beelden, die ik van dergelijke vertraagde „Hipparionpaarden” tot nu toe heb gezien, maken trouwens met hun vreeselijke logheid van den geheelen voet steeds op mij een slechten indruk van een ziekelijken, veel te weligen groei, die ten minste geen beeld zou kunnen geven van een in het algemeen zoo sierlijken kwant als het Hipparion. Omgekeerd kan de in het „Dierenboek” beschreven klipdas, die tegenwoordig bijna in iederen zoölogischen tuin wordt gevonden, een denkbeeld geven van den benedensten hoek bij het station der oorspronkelijke hoefdieren; hij geeft ons het begrip van een kleinen voorganger van het paard uit een ver van ons afgelegen oorspronkelijke wereld, een dier van de grootte van een konijn, met een dikken pels en met platte voeten met verschillende teenen. Daarmede zou nu het materiaal zijn afgesloten, als niet de oneindige rijkdom der natuur aan spelingen ons niet nog een onverwachten uitweg had geboden, die voor ons een volkomen nieuwen en uiterst leerrijken en tevens aanschouwelijken hoek van den zoölogischen tuin plotseling weder vruchtbaar weet te maken.

Dat ons huispaard en de schoon geverfde zebra nauw bij elkander behooren, weet iedere leek. Ook de enge verwantschap van paard en ezel is van oudsher algemeen bekend. De dierentuin pleegt daaraan reeds uitdrukking te geven, en wel hierdoor, dat hij die typen een plaats naast elkander inruimt, wanneer dit gaat zelfs in een bepaald „paardenhuis”. Maar er is daar nog een bijzonder pronkstuk, dat de plaats niet met hen deelt, maar dat door den bezoeker daar eveneens gezocht wordt in verband met zijn naam: het nijlpaard of de hippopotamus. Die kolos, onvergetelijk voor een ieder, die hem eenmaal heeft gezien, heeft intusschen in weerwil van den naam direct absoluut niets te maken met onze echte paarden en evenmin met de oude equiden der voorwereldlijke tijden. Zijn naaste verwanten zijn de zwijnen, dus dieren, zeer ver van het paard verwijderd. De leek wordt weer eens door een woord op een dwaalspoor geleid; de Grieksche dierenschilders hebben daartoe het eerst aanleiding gegeven.

Die oude Grieken hadden het nijlpaard in Afrika gevonden, dat wonderland van de grootste en meest merkwaardige zoogdieren. Toen vele eeuwen later de Europeesche cultuur het tropische Amerika ontdekte, dat reeds van het begin af de verrassende beelden van een volkomen nieuwen menschenstam en een nooit gezienen weelderigen plantengroei vertoonde, kwam er een korte periode, waarin men geloofde, dat die „nieuwe wereld” ook dergelijke ongehoorde typen van reuzendieren moest opleveren. Het bleek echter zeer spoedig, dat dit onjuist was. Amerika was toen arm (verarmd is eigenlijk het juistere woord) aan groote zoogdieren.

Toch ontdekte men langzamerhand in kleinere afmetingen menigen vorm, die, ten minste wat de groep betreft, waartoe zij behoorden, verwant scheen aan de Afrikaansche reuzen. En de eerste berichten uit Zuidamerika omtrent dieren kondigden hier nu ook een nijlpaard aan uit de nieuwe wereld, al was het dan ook een miniatuur-nijlpaard. In de moerassige bosschen der onmetelijke stroomgebieden aan den Orinoco en de Amazonenrivier moest het wonen, evenals zijn reusachtige broeder aan den Boven-Nijl. Het dier, dat men hier op het spoor was, leefde werkelijk, en tegenwoordig vindt men het in iederen zoölogischen tuin. Maar het is geen Amerikaansch nijlpaard. Het heeft niets met het nijlpaard te maken. Het was de tapir, dien men op die wijze onverhoopt had ontdekt. In de achttiende eeuw, in den tijd van den grooten Buffon, werd men er zich ook uit een dierkundig oogpunt van bewust, dat men hier een eigenaardig, individueel dier voor oogen had. Men beschouwde het nu als een typischen vertegenwoordiger van een zuiver Amerikaansche dierengroep, die in de oude wereld in het geheel niet vertegenwoordigd was, en rekende den tapir naast luiaard en gordeldier tot de zoölogische wonderen van Amerika.

Doch in het begin der negentiende eeuw moest men hier weer iets anders leeren. In de dagen van Buffon was de sage onder de dierkundigen verspreid, dat het echte nijlpaard, al is het dan ook niet in Amerika, dan toch in de oude wereld, dus ook in Indië huisde. In dien vorm was dat weer onjuist geweest. Maar ook hier wierp de ontdekking van een merkwaardig zoogdier der Indische tropen haar schaduw voorop. In de Chineesche werken over natuurlijke historie was dat schepsel reeds lang beschreven. Ook Europeanen, die echter toevallig niet allen natuuronderzoekers waren, die aan het gilde waren aangesloten, hadden het langzamerhand herhaaldelijk gezien. Het hoogtepunt werd bereikt, toen een exemplaar, dat nog steeds niet beschreven en nog niet benoemd was, in een kleinen zoölogischen tuin te Calcutta kwam. Daar werd nu dan toch in 1816 iemand er opmerkzaam op. Het was reeds de bloeitijd van den grooten Cuvier. Cuvier had juist de uiterst vermetele stelling verkondigd, dat er nu wel geen enkel groot en in het oog vallend zoogdier op aarde was, dat nog zou kunnen worden ontdekt. De straf volgde op den voet, voor zoover dit voor een zoo opgewekten ontdekker een straf kon zijn. Cuvier zelf moest in het jaar 1819 de eerste diagnose van dat dier uit Calcutta publiceeren. Het gold, zooals ontwijfelbaar bleek, een Indischen tapir. Al vertegenwoordigde de Amerikaansche tapir daarginds niet het nijlpaard, toch vertegenwoordigde hij dus een echt in de oude wereld aanwezig dier. Maar toch geen Afrikaansch dier. Behalve uit het Indische en Amerikaansche gebied is sedert dien tijd geen levende tapir meer bekend geworden. Wat voor een „bloedverwant” had men echter in die beiden vóór zich?

Indien de tapir werkelijk een verkapt miniatuur-nijlpaard geweest was, dan had hem dat, zooals gezegd is, van geen hoefdier verder verwijderd dan van het paard. Ook toen men reeds lang dat verband had over boord geworpen, was men het volstrekt nog niet onmiddellijk eens over zijn ware plaats in het stelsel. Nog in het jaar 1877 kon een man met zulk een scherpen blik voor dierentypen als Brehm den tapir als overgangsvorm aansluiten aan den olifant—een gelijkenis, die ten minste bij de levende vertegenwoordigers nauwelijks ergens anders op berust, dan op het feit, dat de olifant het meest in het oog vallende „slurfdier” is onder de zoogdieren, en dat ook de tapir ten minste een korte slurf bezit. De slurf alleen is echter voor de zaak niet beslissend, want er zijn buitendien nog slurfdragers in verschillende zeer ver van elkander gelegen orden van zoogdieren. De waterspitsmuis Woechoechol hebben wij reeds met een slurf leeren kennen, de Afrikaansche „olifantspitsmuizen” worden reeds voldoende door haar naam gekarakteriseerd, en eveneens de rob uit de zuidpoolstreken, de „zeeolifant”. De vreemdsoortige gezichtsgevel der neusapen is ook beslist een echte slurf, en, hoe vreemd het ook moge klinken, zelfs onze menschenneus, al heeft die ook den meest idealen Griekschen vorm, is een even onmiskenbaar op een slurf aangelegd orgaan. Speciaal onder de hoefdieren, waartoe in ieder geval de tapir behoort, is echter een slurf een zeldzaamheid. Maar reeds Cuvier had in zijn tijd, toen hij de eerste voorwereldlijke equiden uit fossiele beenderen in het skelet weer samenstelde en de vleeschomtrekken daar omheen trachtte te teekenen, uit allerlei aanwijzingen de gevolgtrekking gemaakt, dat juist bij die oude bloedverwanten der paarden ten minste eertijds nog slurven aanwezig geweest waren. Een paard in zijn tegenwoordigen bouw met een slurf, is, om het zoo uit te drukken, een spookachtige verschijning. Juist zoo iets uitwendig „vleeschachtigs” als een slurf in ieder geval is, nog af te lezen van den naakten beenigen schedel, blijft steeds een uiterst moeilijke zaak. Maar men heeft werkelijk alleen maar die aansporing noodig om tapir en paard met elkander te vergelijken, opdat hij, die eenmaal het beenderenalfabet heeft geleerd, om geheel andere redenen tevens geleid worde tot de meest merkwaardige betrekking tusschen die beide dieren.