Part 9
Men stelle zich een kwaden ouden hengst voor van meer dan gewone, Herculische krachten. Door het ééne of andere toeval, nemen wij aan door een huidziekte, is zijn huid hard geworden als die van Siegfried uit de Sage. Deze is daarbij zwaar, ruw, vol vouwen geworden als een groot veld van litteekens, en tevens bijna geheel van haren beroofd. Maar zij is van nu af aan zóó hard, dat menige vroegere aanvaller hem al niets meer kan maken. Op verschillende plekken is die Siegfriedhuid met tamelijk dikke eeltknobbels bezet. Een dergelijke knobbel is ook op den rug van zijn neus gekomen. Oorspronkelijk heeft het dier zich daarmede gewreven, toevallig daarmede gestooten. Daarna is het, als een aanvaller kwam, er toe overgegaan den knobbel met opzet als stootblok te gebruiken. Daardoor is de verharding langzamerhand dikker en dikker geworden, totdat zij eindelijk een wapen vormde, zooals het paard het nooit heeft bezeten, en wel een wapen dat te gelijker tijd op den geheelen kop drukte. Nu had de leelijke klant het gezelschap van andere paarden niet meer noodig, hij kon nu alleen wel den strijd om het bestaan voeren. Zoo vermeed hij de kudde en werd hij kluizenaar. De razende vlucht voor den vijand was nu voor hem niet langer noodzakelijk. Zoo werd hij in het gewone leven logger, als een dier, dat niet meer zoo vlug behoefde te zijn. Terwijl vroeger zijn geheele kracht zich concentreerde op het onrustige, vluchtige voortjagen, zoekt hij die nu op toenemende afmetingen. Hij wordt een reus naast zijn soortgenooten. Maar toch sluimert in hem nog altijd de oude renner. Als het noodig is, vliegt ook hij nog voort als een stormwind, wat haast ongeloofelijk schijnt bij die stijve huid, dien zwaren kop en die grootte. De levendigheid, het impulsieve van den angst in het vluchtende paard is bij hem, die thans de aanvaller is, tot bijna zinnelooze woede geworden. Al is zijn oog opmerkelijk klein onder den schaduwwerpenden toren van den grooten neusknobbel, toch zijn de oude paardenzintuigen niet uitgedoofd. Als het ware als een vergoeding voor de stijve huid, die bijna geheel gevoelloos is, is zijn reukvermogen nog scherper geworden. Die huid is zóózeer versteend, dat vogels zich daarop neerzetten als op een rots. Maar wanneer die plotseling opvliegen, weet het dier dat signaal te verklaren, en stelt het zich in postuur tegen het naderende gevaar. Zoo ontstond de neushoorn.
Zoo eenvoudig als ik het in die enkele zinnen heb verhaald, zijn de natuurlijke wegen, die het dier in zijn ontwikkeling heeft gevolgd, natuurlijk niet geweest. Maar er ligt toch een allegorische waarheid aan ten grondslag. De neushoorn, die met zijn indrukwekkend, men zou wel kunnen zeggen van potsierlijkheid stijlvolle gestalte weer eenzaam in den zoölogischen tuin schijnt te staan als nauwelijks een tweede dier, is in beginsel alleen te begrijpen, als men de trekken van het paard daarin tracht te vinden en die begrijpt. Maar men moet die dan weder van een historisch oogpunt opvatten. Ook de neushoorn is niet eerst later uit ons reeds gevormde paard ontstaan, evenmin als de tapir. In hem steekt een oude trap der equiden, en het heeft dien trap dan nog individueel zóó vervormd, dat men dien als het ware nog eerst in hem moet uitgraven.
Van alle levende hoefdieren is de neushoorn het eenige, dat op alle vier pooten op drie teenen, drie hoeven loopt; de middelste voetteen is daarbij de stevigste. Wie hem in den dierentuin met die pooten achter de tralies ziet staan, kan met het oog op dat getal zeggen, dat hij hier werkelijk nog één der driehoevige paardachtige dieren in levenden lijve vóór zich ziet. Die driehoevige dieren van den echten stam daarginds in Amerika van de grootte van een schaap, zoowel als het grootere Anchitherium, dat tot zelfs naar Europa rondzwerft, die verloren zoon van den stam op dien trap,—liepen indertijd, met die drie hoeven, zooals de neushoorn het thans nog doet.
En met een zoo vroegen trap van paardachtige dieren zijn ook weer een geheele reeks andere karakteristieke dingen in overeenstemming. Indien de neushoorn op dat station gedurende millioenen jaren als het ware levend versteend is, zooals dit bij den tapir op het daaraan voorafgaande station het geval is geweest, dan moeten scheenbeen en kuitbeen, ellepijp en spaakbeen aan die vier onderbeenen nog gescheiden en tevens volkomen ontwikkeld zijn; en dit is ook inderdaad het geval. Bij zijn kiezen zouden de verbindende dwarsjukken der oorspronkelijke bergtoppen reeds meer versterkt zijn dan bij den tapir, en de eerste vullingen met cement zouden moeten begonnen zijn, terwijl te gelijker tijd de korte tand zich als het ware op de wijze der paarden ten koste van den wortel zou moeten beginnen naar boven uit te strekken; dit alles kan men zelfs binnen de verschillende nog levende soorten van neusdieren op meerdere overgangstrappen volgen, totdat het op den bovensten trap volkomen vervuld is.
Daarbij komen trouwens nu ook spoedig de trekken, die ons even onmiskenbaar wijzen op den uitlooper, het afdwalende, ver afwijkende paardachtige dier uit die dagen. In de eerste plaats de kolossale grootte. Reeds vroeger is gezegd, hoe juist zulke uitloopers een neiging hadden grooter te worden dan de vertegenwoordigers der echte reeks, die naar het paard leidt. De tapir was ook grooter dan de vospaardjes. Maar hier is het verschil zelfs met het echte paard als grootste eindstation nog geweldig groot. De lichaamslengte van den neushoorn kan vier meters overtreffen. Indien enkele horens der Afrikaansche soorten in de musea nog een heel eind langer zijn dan een meter, dan weet men nauwelijks, hoe ontzettend groot men zich het oude exemplaar moet denken, dat een dergelijk wapen op den neus kon dragen.
Die horens, waarvan de levende soorten gedeeltelijk slechts één, gedeeltelijk ook twee dragen (enkele abnormale individuen bezitten er volgens Schillings zelfs tot vijf toe) zijn dan zelf bijna het allermerkwaardigste aan die reuzen; geen enkel paard of paardachtig dier toch heeft ooit voorheen iets dergelijks bezeten of bezit het nog. Doch men meene niet, dat die horens de dieren zoo bijzonder ver uit de reeks wegleiden, als het oppervlakkig schijnt. Als zij eenmaal aanwezig zijn, „drukken” die hoorns in ieder geval sterk op den vorm van den kop van den rhinoceros. Zij bepalen in zekeren zin dien vorm. Maar het is volstrekt niet waar, wat de leek steeds geneigd is aan te nemen, dat een dergelijke hoorn zelf een stuk schedel is. Hoe vreemd het ook moge klinken, die hoorn is een stuk huid. Ik heb dien zooeven afgeleid van een soort eeltknobbel. Als men het nog pakkender zou willen uitdrukken, zou men werkelijk kunnen zeggen, dat hij een ontzaglijk groote eksteroog is. Naar zijn inwendigen bouw is het een ontzaglijke woekering der epidermis, de opperhuid, waarin zich een soort van haarvormige hoornvezels tot een bijzonder stevige massa vereenigen. Daarom kan die onder bepaalde omstandigheden worden afgeworpen en weer vervangen worden zooals een eksteroog, die wordt afgesneden en toch weer aangroeit. Als men direct aan onze eigen handen waarneemt, hoe hard werk met een bepaalde plek der handen, steeds weer eeltknobbels veroorzaakt, en men tevens hoort, hoe de wilde neushoorns hun hoorn behalve voor den aanval ook vlijtig gebruiken om zich een weg te banen, takken te breken en wortels uit te trekken, dan kan men moeilijk de meening van zich afzetten, dat een steeds hernieuwd gebruik van dat gedeelte van den neus gedurende een aantal geslachten dien grooten eeltknobbel eindelijk moet hebben gekweekt; dat gebruik moet dan oorspronkelijk gegrond geweest zijn op de gewoonten en de noodzakelijkheid bij de ontstaande neushoorns, om zoo takken en wortels te breken.
In ieder geval echter moet een zoo ontzaglijke eeltvorming volkomen zonder beendereninhoud wel niet anders denkbaar geweest zijn dan bij een dier, waarvan de huid om andere redenen reeds in het algemeen zoo ongeloofelijk ruw en hard geweest was, en in vergelijking bij voorbeeld met de echte huid van een paard inderdaad reeds een soort van eeltmassa. Hoe de neushoorn aan een dergelijke „rhinoceroshuid” is gekomen, is een vraagstuk op zich zelf. Bij de boven gegeven allegorische voorstelling zeide ik, dat zij van een huidziekte afkomstig kon zijn. Laat ons liever zeggen: van een vervorming der huid. Naar analogie van dien specialen hoornknobbel moest men eigenlijk naar een prikkel zoeken, die tot op zekeren graad op dergelijke wijze reeds vroeger op de geheele huid van het lichaam zou hebben gewerkt. Men zou weer kunnen denken aan de rol van het water, die bij voorbeeld de met caoutchouc overeenkomende gladde dikke huid van het nijlpaard heeft geschapen. Ook de neushoorns zijn groote liefhebbers van het water, zooals men in iederen zoölogischen tuin kan waarnemen. Bepaalde voorwereldlijke geslachten van neushoorns, de zoogenaamde teloceraten, schijnen diezelfde eigenschap in het overdrevene te hebben bezeten, en hun algemeene vorm met hun bijzonder korte beenen en uitgespreide teenen moet inderdaad onmiddellijk aan het nijlpaard hebben herinnerd. Maar in den hoofdstam van hun in het leven gebleven vormen ontbreekt aan de neushoorns het eigenlijk „los geraakte”, het onder den invloed van het water vervloeide der gestalte bijna in even sterke mate als bij den olifant; bij al zijn logheid, die bepaald wordt door de algemeene lichaamszwaarte en vooral door de eenzijdige belasting van den kop, bewaart de rhinoceros nog iets straks, veel meer dan wij dat bij den tapir waarnamen. Op zijn weeke zolen is hij toch in het wezen der zaak een slenterende voetganger, dien men zich het liefst denkt in een open steppe met kreupelhout, zooals hij die in tropisch Afrika voor zich beschikbaar vindt. Beenderen van voorwereldlijke neushoorns liggen steeds weer vereenigd met die van echte paardachtige dieren uit de steppen. In de diluviale periode, toen Europa nog zijn laatste inheemsche neushoorns levend bezat, behoorden zij nog tot de stoffeering van de steppe en voedden zij zich met steppengras zooals de wilde paarden uit die dagen en de Saïga’s of steppenantilopen. Doch een andere eigenschap geeft te denken.
Over den eenhoornigen neushoorn, wiens huid het sterkst geplooid en het meest met wratten is voorzien, kan men somtijds in den zoölogischen tuin de vergelijking hooren, dat hij er uitziet als ware hij overtrokken met een korst van slib, die, na gedroogd te zijn, tot kussentjes is opgestapeld. Nu is de wilde neushoorn boven zijn eigen met plooien bedekte huid werkelijk ook nog overtrokken met een laag stof of slib. De grootste Afrikaansche soort, die tegenwoordig naar alle waarschijnlijkheid reeds bezig is uit te sterven, draagt in de jachtverhalen gewoonlijk den naam van den „witten neushoorn”, hoewel er geen witte rhinocerossen als soort bestaan. De hier blijkbaar bijzonder typische gewoonte, zich rond te wentelen in poelen met slijk, en dan als het ware met een heldere „kalklaag” rond te loopen, heeft aanleiding gegeven tot dien naam. Een dergelijke deklaag heeft ten doel, te beschermen tegen insecten. Men weet, hoe vreeselijk juist de paarden door muskieten geplaagd worden. Dat is nu van oudsher tot aan de oorspronkelijke paardachtige dieren uit het begin der tertiaire periode zeker eveneens het geval geweest. De strijd met de insecten moet van oudsher één der moeilijkste factoren geweest zijn uit den strijd om het bestaan van alle hoefdieren. Het is dus in ieder geval denkbaar, dat een groep van oude equiden juist dit middel gemaakt heeft tot een vaste gewoonte, om zich vóór iederen tocht met een korst van slijk te overtrekken. Hierin kon dan de prikkel of de factor der teeltkeus gelegen hebben, die de huid zelf langzamerhand wijzigde. Het haar zou dan bijna geheel verdwenen zijn, de huid daarentegen zich bros en knobbelachtig verdikt hebben. Men zou kunnen zeggen, dat het proces tot heden toe bij de neushoorns niet geheel is voleindigd. In weerwil van hun dikke huid hebben zij nog steeds van insecten te lijden en blijven zij zich met slijk bedekken, evenals de olifant zich immers ook (hier met de practische hulp der slurf) gaarne stof over zijn huid strooit. Het kan ook zijn, dat de insecten in de verfijnde wijze van hun aanvallen zelf door eigen aanpassing dat sluwe middel hebben weten te verijdelen, immers tegenwoordig wordt de neushoorn vooral geplaagd door teken (woudluizen) waarvan ééne soort, de Dermacentor rhinozerotis, als plaaggeest in het bijzonder alleen aangepast schijnt aan den neushoorn, en alle andere groote dieren der Oostafrikaansche steppe versmaadt. Een zekere hulp tegen die onaangenaamheid schijnen tegenwoordig weer de ossenpikkers te bieden, een soort van spreeuwen, die gewoon zijn over den reusachtigen rug van den neushoorn te loopen en die de parasieten weghalen, om die te verteren. Doch ook dit heeft weer zijn bezwaren, daar de vogels met hun spitsen snavel de dikke huid op verschillende plaatsen erg kunnen verwonden. Maar ook dit bezwaar wordt weer geneutraliseerd door het nut, dat die gevederde „huisdieren” aan den anderen kant weer opleveren: immers de vogels vliegen, zoodra een vijand maar eenigszins in de nabijheid komt, krijschend op, en maken zoo den neushoorn opmerkzaam, die wel is waar, als een oud paardachtig dier, voortreffelijk speurt, maar slecht ziet, en overal daar door zijn zintuigen in den steek wordt gelaten, waar het speuren niet helpt, terwijl de vogels (die in het steppengras hoog op zijn bult balanceeren) omgekeerd voortreffelijk zien.
Neemt men aan, dat dergelijke gewoonten, overgenomen van het ééne of andere oorspronkelijke paardachtige dier, het pantserachtige zware geplooide hemd en in zijn gevolg ook (als uiterste resultaat van een neusknobbel in die huid) den hoorn hebben geschapen, dan is het overige geschiedkundige verloop werkelijk tamelijk doorzichtig. De dikke huid en de hoorn maakten van het schuwe vluchtende dier langzamerhand een bijna niet aan te tasten weerbaar en aanvallend dier. De rhinoceros is tegenwoordig zelfs tegenover den mensch één der vreeselijkste aanvallers, die er in onze hedendaagsche dierenwereld zijn. Daarmede echter werd het van minder belang, of hij zoo goed kon rennen en of het dier zich verder ontwikkelde in de richting der beweeglijkheid (hoewel de neushoorn tegenwoordig nog in geval van nood een flinke renner is) terwijl te gelijker tijd pantser en neuswapen door hun toenemend gewicht er toe leidden, dat de geheele machine in dien zin geremd werd en er een oeconomische besparing in de beweging plaats had. Zoo blijkt het onvermijdelijk geweest te zijn, dat de neushoorn niet is overgegaan tot het steil opbouwen van zijn werkelijken paardenhoef en het tot één geheel maken der teenen, maar dat hij in al de taaiheid van zijn leven bij het stadium van driehoevig dier is blijven staan. Het vrije kloppen van het vlakke veld met slechts één veerkrachtigen hoef en daarbij in de eerste plaats de volharding van het paard is hem vreemd gebleven. Zelfs zijn drie hoeven heeft hij niet verder ontwikkeld in de richting van lichte kloppers van den grond, maar hij is meer overgegaan tot een stempelgang; het deel der pooten onder het polsgewricht en het spronggewricht gelegen, verbreedt zich gelijkmatig, totdat het den bodem bereikt, waarop het rust met de eivormige zool; de middelste van elk drietal hoeven is ongeveer tweemaal zoo breed als ieder der beide zijdelingsche. Het dier draagt daardoor zijn ontzaglijk gewicht op zijn manier nog al gemakkelijk, ja zelfs bijna sierlijk, terwijl hij bovendien dreigend snel kan loopen als op zachte pantoffels; wij leggen den nadruk op „nog al” gemakkelijk, en dat nog wel alleen binnen beperkte ruimten. Van dieren, die verder trekken, zijn de neushoorns dieren geworden, die blijven op een bepaalde plaats, en van gezellige dieren, zijn zij in verhouding tot hun bloedverwanten, de paarden, kluizenaars geworden. De eenhoornige neusdieren leven, naar men meent, in zeer bijzondere strenge monogamie. De jonge tweehoornige neushoorn uit Oostafrika, die niet lang geleden door Schillings gebracht was in den zoölogischen tuin in Berlijn, vertoonde een zeer in het oog vallende, in haar soort werkelijk aandoenlijke liefde voor een paar kleine geiten, welke liefde, in Afrika begonnen, zich in Berlijn voortzette tot groot vermaak van alle bezoekers—wat toch een bewijs is van de ten minste beperkt voortdurende behoefte naar gezelligheid van dat dier, dat eertijds in kudden leefde.
Het is niet gemakkelijk, om nu dezen theoretischen weg met werkelijke historische feiten te illustreeren. Wel behoort de neushoorn tot de weinige dieren, die ons niet alleen tot heden levende nakomelingen achterlaten, maar die ons in bijzondere omstandigheden ook lijken uit de voorwereldlijke dagen zelf hebben overgeleverd met huid en vleesch. Nog in de diluviale periode, te midden van de groote verandering in klimaat der zoogenaamde ijsperiode, leefden, zooals wij reeds opmerkten, ook in Duitschland talrijke steppenneushoorns. Vooral in Taubach bij Weimar is er door praehistorische menschen in groote hoeveelheden op gejaagd en zijn zij neergeveld, zooals uit de uitgegraven overblijfselen van die beroemde vindplaatsen der oorspronkelijke menschelijke beschaving duidelijk wordt aangetoond. Evenals van de mammouths, zoo zijn nu ook van dien diluvialen neushoorn enkele ijsmummies in de plooien van sedert dien tijd niet ontdooide Noord-Siberische gletschers tot heden toe bewaard gebleven. Men kan daaraan nog een dichten rood en wit gevlekten pels op de harde huid herkennen, evenals op den mammouth uit die dagen, die ook dik behaard was in tegenstelling met onze tropische olifanten van tegenwoordig. Het ligt voor de hand, dat neushoorns, die op gletschers gingen wandelen, zich in ieder geval een verwarmenden haarpels hadden aangeschaft, ook al waren hun voorvaderen reeds wie weet hoe lang te voren bijna zuiver naakthuidige dieren geweest. Men moet denken aan den ijsbeer, bij wien zelfs onder dergelijke omstandigheden de voetzolen een pelsbedekking hadden. Hoe interessant die geheele zaak met die in stand gebleven Siberische mummies ook moge zijn, leidt zij ons toch slechts naar een uitzonderingsgeval op een betrekkelijk zeer laat geologisch tijdstip. Uit de oudere lagen, waarop het eigenlijk aankomt, hebben wij daarentegen weer alleen beenderen, en kunnen wij zelfs over de horens alleen gevolgtrekkingen maken uit den schedel, die daaraan toch in meerdere of mindere mate eenigszins is aangepast.
Toch zijn de overgeleverde geologische bijzonderheden op zich zelf interessant genoeg. Wat zij ons in de eerste plaats onweerlegbaar aantoonen, is, dat ook de neushoorn niet maar een eenvoudige nevenvorm is op den reeds veroverden trap van het paardachtige dier met drie hoeven, maar dat het, evenals die vroeger genoemde „oude dieren” of Palaeotheriën, een zij het dan ook ten slotte onvruchtbaren aanloop van eigen ontwikkeling een eind ver ten minste in zich zelf heeft gehandhaafd.
De oudste schedels, die ontegenzeggelijk iets bezitten van den lateren rhinoceros, zijn reeds afkomstig van de grens der vospaardjes. De dieren, tot wie die schedels behoorden, waren klein en hadden oorspronkelijk aan den voorpoot nog de vier vingers, die de tapir tot heden nog heeft behouden. Het bezit van zuivere drie hoeven is daarna blijkbaar eerst zelfstandig verkregen binnen den zijtak aan gene zijde van de vertakking uit den paardenstam. Het is ook mogelijk, dat die vertakking, die dus zeker ook reeds bij de vospaardjes volgde, eerst recht over den Lophiodon ging, die in een andere richting veel conservatiever den Protapirus en den tapir heeft voortgebracht. In ieder geval is die zijtak daarna nog een heel stuk op zich zelf verder geloopen. De plaats was oorspronkelijk naar alle waarschijnlijkheid ook Amerika. Daar wendde zich een zeer oude groep in weerwil van haar reeds merkbaar neushoorntype nog eens met kracht naar de richting van het loopen der echte paardachtige dieren. In die groep ontwikkelden zich lange halzen en hoe langer hoe slankere onderbeenen met een bepaalde voorkeur voor den middenteen. Hier zou het dus in Amerika zelf bijna tot een evenwijdigen tak zijn gekomen, die onafhankelijk pooten en een gang als van paarden had voortgebracht. Maar ook dit kan niet verklaard worden in de beteekenis der vroeger besproken theorie der verschillende wegen bij ons paard, immers zelfs als die poging was gelukt, zouden daarbij toch slechts dieren voor den dag zijn gekomen met pooten als van paarden, maar met een kop als van een neushoorn, dat ziet men reeds bij het eerste begin; maar die geheele soort van hardloopende neushoorns is trouwens vroeg weer uitgestorven.
Een andere oude groep ontwikkelde haar hoektanden tot groote slagtanden. Misschien was dat een uiterste groep van wortelgravers, die echter nog geen hoorn bezaten. Maar daaruit is ook verder niets geworden.
Bij de echte neushoorns in den engeren zin, dus bij dat gedeelte van den zijtak, dat nog tot op onze dagen voortleeft, is betrekkelijk het duidelijkst, wat wij nog wankelend en als het ware heen en weer schommelend kunnen volgen, de hoorn. Een aantal vertegenwoordigers maken onmiddellijk den vasten indruk, dat zij nog geen horens droegen, ten minste in ieder geval geen neushoorn. Men heeft ze dan ook de aceratheriën, de „hoornlooze neushoorns” genoemd, een woord, dat volkomen juist uitdrukt, dat een bepaald type van neushoorns in ieder geval historisch reeds bestond, ook voordat het werkelijke neuswapen nog behoefde te bestaan. Zoodanige hoornlooze dieren hebben in het midden der tertiaire periode blijkbaar reeds in groote hoeveelheden in Noordamerika geleefd, maar ook in Duitschland hebben zij nog wat later in het Rijndal voortgeleefd. Ook zij hadden nog steeds stevige onderste hoektanden, die als het ware geschikt waren om te graven, en aan den voorpoot nog een heel klein vierde kwastteentje.
Die kleine kortbeenige langgerekte nijlpaardneushoorns, waarover wij reeds gesproken hebben, dragen daarentegen hun hoorn ver aan de voorzijde op de uiterste spits der neusbeenderen. Een gelijktijdig voorkomende tweede soort heeft reeds den naam van tweehoornigen neushoorn, doch dit beteekent hier, dat op ieder neusbeen een afzonderlijke hoorn zat, zoodat de beide horens niet achter, maar naast elkander uitstaken, iets wat een uiterst vreemden indruk moet hebben gemaakt. De merkwaardigste proefneming was echter de keus tusschen een hoorn gewoon op den neus en een op het voorhoofd.
Bij onze levende tweehoornige rhinocerossen moet reeds eenvoudig uit gebrek aan plaatsruimte de tweede hoorn, als deze achter elkander gelegen zijn, in plaats van op de echte neusbeenderen, op het voorhoofdsbeen boven de oogen komen. Nu bestond echter een tijd lang blijkbaar ook de mogelijkheid, dat slechts één hoorn werd ontwikkeld, maar dat ook deze op het voorhoofd werd geplaatst. Het type, dat hier ontstond, moest, zooals wel onmiddellijk duidelijk wordt, tot een dier leiden, dat thans behoort tot de „mythen der zoölogie: een nog meer of minder op een paard gelijkend groot wezen met een langen, spitsen hoorn op het voorhoofd—in het kort tot den éénhoorn”. Onze wapens vertoonen ons dat legendarische, overal beroemde dier als een heuschelijk paard met een langen, gedraaiden hoorn, die scheef op het voorhoofd naar boven loopt. De mythe, dat die „éénhoorn” een nog levend schepsel is, is uit het oosten afkomstig. Wat men als het wapen van den zoogenaamden eenhoorn in vorstelijke variëteitenmusea als een hoogst merkwaardig en kostbaar iets bewaarde en men in kleine hoeveelheden zelfs als allervoortreffelijkst geneesmiddel aan vorstelijke patiënten ingaf, is gebleken iets geheel anders te zijn: die gedraaide spitse stangen zijn niets anders dan een echte tandmassa, en wel zijn zij als geheel ieder een kolossale hoektand, die afkomstig is van een zeezoogdier, den narwal, dus van een walvisch. Aan wat voor een dier echter de mythe van den éénhoorn zich vastknoopt, is tot op den huidigen dag niet met zekerheid opgelost; mogelijk is intusschen het volgende.