Part 11
In zekeren zin kan het Titanotherium, dat niet langer bestaan heeft dan tot in de miocene periode, juist het best aan de neushoorns worden aangeknoopt. Zonder eenigen twijfel is ook zijn stam een korte zijloot van den paardenstamboom, maar die toch een eind ver voor ontwikkeling vatbaar is, en die zich evenals de tapir en de neushoorn in de nabijheid der jongere vospaardjes afscheidde. Wij kunnen in Noordamerika nog overgangsvormen herkennen, die in die richting liepen zonder nog den lateren eindtoestand te bezitten. Ook het echte Titanotherium heeft nog aan de voorpooten de vier teenen van den tapir en de oudste neushoorns. Maar zijn gestalte overtrof spoedig in grootte verre de afmetingen van den tapir. Reeds in dit opzicht vertoonden die vreemde bijloten der paardachtige dieren de eigenaardigheid van den neushoorn. Zelfs hebben zij eindelijk den neushoorn nog ver achter zich gelaten. Zwaarder in bouw, maar in hun geheel hooger dan de grootste rhinoceros, zijn zij geëindigd met de grootte van olifanten. Hun merkwaardigste lichaamsdeel was echter hun schedel. Hij doet denken aan den neushoorn, maar loopt in de merkwaardigste speling weer ontzaglijk ver daarvan af.
Wij hebben gezegd, dat de hoorn op den neus van den rhinoceros een reusachtige verharding is van de huid, waarin echter geen echte beenige haak zit. Toch heeft zich de schedel van den neushoorn eenigszins aan het bestaan dier horens als draagbalken aangepast. Waar zij de neusbeenderen belasten, ziet men ook aan den schedel de daarmede samenhangende verhoogde stevigheid om dien last te dragen. Met den hoorn op het voorhoofd van het elasmotherium was zelfs een opgeblazen en dik beenkussen op dat voorhoofd in overeenstemming. Stellen wij ons nu een dergelijk kussen nog een eind hooger van den schedel uit naar voren gedreven, dan moest dat toch langzamerhand den horen ontlasten, daar het dien voor een deel verving. Langzamerhand was een hoornscheede op de beenwoekering van den schedel voldoende, zooals onze ossen die hebben. Doch ten slotte kon ook dat zelfs wegvallen. De beenderenvoorsprong zou kunnen omkleed worden met een eeltachtige huid, en dan zou deze nog altijd een van verre zichtbare hoornversiering vormen,—het zou echter een open vraag zijn, of deze hoorn zoo veerkrachtig zou zijn voor het stooten, en de hersens, die in den schedel gelegen zijn, zou bevrijden van al te sterke schokken. Intusschen moest echter de beenige hoorn ook van het voorhoofd naar den neus verhuizen. En evenals bij die voorwereldlijke neushoorns, die naast elkander twee neuswapens droegen, op ieder der beide neusbeenderen één, rechts en links, zoo moest ook de beenwoekering zich in tweeën splitsen, opdat op ieder neusbeen een afzonderlijke voorsprong kwam. Wij hadden dan uit een neushoorn een zoo eenvoudig mogelijk, echt Titanotherium gemaakt.
Van zijn neus, maar wel te verstaan, nu niet van de eeltvormig verharde neushuid, maar van het been zelf, stegen twee korte, dikke komkommers evenwijdig naar boven. Met een eeltvormige huid oppervlakkig bedekt, moeten zij van verre in ieder geval eenigszins geleken hebben op een stompen dubbelen hoorn, zooals die bij den neushoorn voorkomt, alleen moet bij een stoot de eigenlijke schedel zelf opspringen. Ik geloof nu niet, dat die beenige horens van het Titanotherium werkelijk gestooten hebben, in de beteekenis, waarin de tegenwoordige rhinoceros dat doet. Zij maken op mij den indruk niet van een sabel maar van een vreedzaam werktuig, alsof zij oorspronkelijk als hefboom bestemd waren. Ik zeide vroeger, dat de eelthoorn van den neushoorn misschien in het allereerste begin ook een breek- en hefwerktuig is geweest in de doornstruiken en het dichte oerwoud, en eerst later de rol van wapen er bij heeft gekregen. De peenvormige beenderen op den neus van het Titanotherium zien er volkomen zoo uit, als waren zij nooit over dat oorspronkelijke doel heengekomen. Wij hebben een ander geslacht van hoog op de pooten staande reuzen in de oudste tijden en tegenwoordig, dat, van de oudste tijden af blijkbaar een zeer karakteristieke woudbewoner, breekijzers en hefboomen, om de boomen in het woud te ontwortelen, met een ander deel van zijn schedel heeft ontwikkeld, en wel met de snijtanden; ik bedoel de olifanten met hun ontzaglijke slagtanden. Niet zonder reden gelijken de Titanotheriën in lichaamshoogte juist op die olifanten. Ik houd ook deze op een bepaalde trap hunner ontwikkeling voor een uiterste aanpassing van den equidenstam aan het woud. Hun bijlen, breekijzers en hefboomen, hun „slagtanden” werden daar gevormd door het dubbele peenvormige been op den neus. In dat oorspronkelijke dikke woud zullen er wel geen aanvallers geweest zijn, die voor die kolossen gevaarlijk waren, zoodat het wel nooit gekomen is tot echte, spitse aan die hefboomen geplaatste horens met het doel zich te verdedigen. En in deze opvatting word ik versterkt door een zeer leerrijke analogie bij een verdere ontwikkeling van die Titanotheriën nog juist voordat hun bestaan was afgesloten, met een eigenaardige ontwikkeling, die een zekere soort van olifant, namelijk de mammouth, kort vóór zijn ondergang heeft doorloopen.
Evenals de andere olifanten, had ook die mammouth zijn stootwerktuigen medegekregen als wapen onmisbaar voor den pionier bij het „ontginnen van de bosschen”, dat wil zeggen voor het maken van paden in het oerwoud en het afbreken van takken (wij spreken later nog over de bijzondere methode bij dat werk der olifanten). In de diluviale periode bewoner geworden der mossteppen in het hooge noorden, waar geen boomen gevonden werden, had het geen bestemming meer voor die breekwerktuigen. Zoo kwamen zij in een stadium van „hypertrophie”, zij groeiden uit tot kromme arabesken zonder zin, die zonder eenig nut den drager langen tijd hebben bezwaard en gehinderd en eindelijk waarschijnlijk een oorzaak zijn geweest van zijn ondergang. Dit is ten minste het zeer voor de hand liggende en logische vermoeden, door Brandes, den voortreffelijken leider van den zoölogischen tuin te Halle, geuit, een vermoeden, dat werkelijk aansluit aan de in ieder geval volkomen onbruikbaar gekromde, krulvormige slagtanden der mammouths uit het diluviale tijdperk. Het slotbedrijf in het leven der Titanotheriën levert nu daarmede een zóó treffende analogie, dat men die werkelijk mag mede tellen onder de bewijsmiddelen voor de verklaring bij den mammouth gegeven.
Kort voordat zij weer voor goed van de aarde verdwijnen, vermeerderen zij tot in het onmetelijke. Geheele lagen, afgezet in het Noordamerikaansche gesteente, dragen haar naam naar de ontzaglijke ophooping van hunne beenderen. Die lagen zijn afkomstig uit den tijd, toen daarginds de reeds genoemde Protapirus, en van den echten paardenstam de driehoevige paardachtige dieren van de grootte van een schaap, leefden. Het is, alsof een uitwendige verandering in het landschap in die dagen aan het Titanotherium plotseling een tijdlang de allergunstigste levensvoorwaarden had geboden. Te gelijk echter begint in de geraamten van die zoo ontelbaar toegenomen schepselen een, zoo te zeggen, woest en wild varieeren. Allerlei vervloeien, allerlei spelingen, allerlei goochelen en heen en weer schommelen in de kenmerken begint. En dit geldt in de eerste plaats de breekijzers van den neus. Juist zooals die mammouthtanden groeien zij ten slotte uit tot ware vermommingen. Men staat er versteld van, hoe een dier met een dergelijken beenderigen snavel nog behoorlijk kon eten, zoolang hem het voedsel niet gewoon weg in den bek groeide. Als werktuig kon de dunne vork in ieder geval onmogelijk meer worden gebruikt. Noodzakelijk moet men denken aan de belemmerende kromme klauwen, waarin de hoeven der wilde ossen in de zoölogische tuinen veranderen, als zij niet meer gebruikt worden, en aan de potsierlijke woekertanden bij hazen, als de daarmede overeenkomstige andere snijtand, die anders zijn vis à vis door afslijting wist te regelen, toevallig is uitgevallen: woekertanden, die zich als spiralen oprollen. Wat hier van tijd tot tijd het individu wedervaart, schijnt daar de geheele soort te hebben getroffen. Bij de weelderigste voeding varieerde ook hier een orgaan, dat niet meer werd gebruikt, zonder eenige regelmatigheid, tot in het zinnelooze. Naar alle waarschijnlijkheid waren die Titanotheriën uit het dichte woud in de vrije, weelderige grassteppen gekomen. Hun neushefboomen waren daar niets anders meer dan een stuk speelgoed, zij ontsnapten volkomen aan de controle van het nuttige in den arbeid. Maar toen dat nu zijn toppunt had bereikt, was het, als veegde een storm plotseling het geheele geslacht weg. En men begrijpt volkomen, dat een plotseling hernieuwde eisch van den strijd om het bestaan korte metten moest maken met die gehypertropheerde gemaskerde neuzen, nadat zij vroeger (overdrachtelijk gesproken), steeds zeer behagelijk hadden kunnen blijven voortleven. De minste aanvaller, die opnieuw ten tooneele verscheen, en in eenigerlei opzicht gevaar kon opleveren, moest wel onmiddellijk met dien reus kunnen klaar komen, die door zijn ontzaglijke beenderwoekeringen niet werd beschermd, maar juist weerloos gemaakt. Zij moesten in eenigszins anderen vorm het lot ondergaan van die lompe Dodo’s of Dronte’s van het eiland Mauritius, die, daar zij langen tijd zonder eenigen vijand hadden geleefd, hun vleugels hadden afgeschaft en hun lichamen in vettonnen hadden veranderd; tot op het laatste exemplaar vielen zij als slachtoffers der eerste menschelijke bezoekers. In de beteekenis van de theorie van Darwin geloof ik er wel is waar niet aan, dat een diersoort zich zelf door hypertrophie van organen onmiddellijk te gronde kan richten, als het ware door eigen groei een zelfmoord kan plegen. Varianten, die onmiddellijk op innerlijke evenwichtsgronden van den lichaamsbouw tot een bankroet zouden leiden, zouden zich binnen de soort niet hebben gehandhaafd, en de toestand zou zich zelf weer van zelf hebben moeten regelen. Bij dergelijke woekerende beenige verzweringen betrof het echter buitensporigheden, die langen tijd volmaakt onverschillig waren, en die bij gelijkmatige uitwendige omstandigheden nog maar wat meeliepen zonder nut maar ook zonder eenig bezwaar. Het doodvonnis werd eerst over hen uitgesproken, toen van buiten wijzigingen optraden in den strijd om het bestaan, waarin zij plotseling ongunstige kansen aanboden. Hier werd de buitensporigheid hun tot verderf. Voordat in zoo en zooveel geslachten die buitensporigheid weer kon worden uitgeroeid, had deze de soort in haar geheel reeds vernietigd als gevolg van de nieuw gestelde eischen.
Heeft ons dus de zoölogische tuin in tapir en neushoorn toch nog minstens twee stations der oudere geschiedenis van het paard gered, in den vorm van een beeld, dat zeer duidelijk is voor hem, die in de zaak is ingewijd, er bestaat bovendien nog een derde middel tot onmiddellijke aanschouwing. De zoölogische tuin laat ons ook het voltooide paard zien nog op zijn trap als wild paard, voordat het in symbiose met den mensch heeft geleefd.
Er kan in ieder geval hieromtrent geen twijfel bestaan: ook die trap heeft tegenwoordig reeds een historisch karakter, het karakter eener overlevende reliquie. De groote bloeitijd der ongetemde wilde paarden is op onze planeet eveneens reeds lang voorbij. In onze periode van het leven op aarde zijn het in verval gerakende, uitstervende dieren. Juist in de meest karakteristieke dingen, die ons hier belang inboezemen, komt ons onderzoek hier weer eens erg laat, meestal te laat.
Uit die groote bloeiperiode der wilde paarden moet onze menschelijke cultuur haar tam paard hebben te voorschijn gehaald. Dit beginsel staat absoluut vast. Daar dit cultuurpaard ten slotte toch het uitgangspunt is geweest voor onze belangrijkste deelneming aan het geheel, moet hier de spanning tot het hoogst klimmen. Maar de storm heeft weer onverbiddellijk er over heen geveegd. De lange ketens van overgangen van oude wilde paarden tot aan de rassen onzer cultuur ontbreken ons geheel en al. Aan den éénen kant staan die rassen steil tegenover ons als voltooid werk, aan de andere zijde als een paar toevallige reliquieën van den stam. Zal er iets voor den dag komen, dan moeten ook hier de fijne wegen der bewijzen door aanwijzingen worden betreden.
Daarbij komt nog de omstandigheid, dat onze cultuur tegenwoordig tegenover die paar levende fossielen van het overoude materiaal niet meer assimileerend, maar vernielend staat. Terwijl het onderzoek met vliegende stift het weinige, dat toevallig is behouden gebleven, zou willen fixeeren, decimeert het materiaal onder onze handen. De inventaris aan wilde paarden is in het oog vallend verminderd, sedert deze door de wetenschap ontdekt is geworden. Terwijl wij tegenover huiden en schedels twisten over systematiek en nomenclatuur, hebben onwetende jagers ons in bijzondere gevallen daar buiten reeds de levende dieren tot op het laatste exemplaar neergeschoten. Een wedstrijd tusschen redden en vernielen!
Wij hebben reeds medegedeeld, dat in het uiteinde der tertiaire periode de oude wereld, dus Azië, Europa, Afrika, overal gevuld was met wilde paarden van het voltooide type. Dus paarden, die den laatsten voorbereidenden trap van de pinkpaardachtigen reeds voor goed achter zich hadden gelaten, en in voet, tand en geheelen bouw „paard” waren. Overblijfselen van beenderen van dergelijke tertiaire volkomen paarden, die tot de oude wereld behoorden, zijn wat Azië betreft in Oost-Indië, wat Europa betreft in Frankrijk en Italië, wat Afrika betreft in Algiers aangetoond. Men kan ze samenvatten onder den naam, die oorspronkelijk geschapen is voor de Oostindische paarden, en wel die van Sivapaarden. Siva is een Indische godheid, waarnaar een beroemde vindplaats van voorwereldlijke beenderen aan den zuidelijken voet van den Himalaya heet. In die tertiaire Sivapaarden moet in die dagen alles bij elkander gestoken hebben, wat tegenwoordig van paarden in de oude wereld over is. Alle tegenwoordig gesplitste rassen van ons cultuurpaard. Alle overblijfselen van wilde paarden van tegenwoordig. En ook nog wel de tegenstelling van paard en ezel.
Paard en ezel zijn voor ons immers tegenwoordig, vooral in hun typische gestalte als huisdieren, bijzonder van elkander verschillende schepsels. Niet gemakkelijk kunnen twee dieren, die anatomisch zoo nauw met elkander verwant zijn, sterkere tegenstellingen in hun physionomie bieden. Zij zijn zóó nauw met elkander verwant, dat men ze reeds sedert langen tijd met elkander pleegt te kruisen, en uit ezel en merrie het „muildier”, uit hengst en ezelin den „muilezel” voortbrengt; echter juist bij die kunstmatige combinaties vertoonen zich misschien de eigenzinnige afzonderlijke kenteekenen zoo duidelijk mogelijk. Toch blijft het bij dit alles onomstootelijk waar, dat ook ezel en paard niet anders dan twee varianten zijn binnen het grondtype „paard”. In die vroeger besproken kenmerken van het skelet, die het voltooide paard uit een geschiedkundig oogpunt karakteriseeren, zijn beide absoluut identiek. Als de ontwikkeling van het paard tot een organische eenheid zich tot het laatst toe ook hierin is trouw gebleven, dat het echte paardentype als eerste oorspronkelijke vorm slechts eenmaal is ontstaan, dan moeten in dien eersten vertegenwoordiger ook ezel en paard nog beide aanwezig zijn geweest als toekomstige mogelijkheid tot varieering. Uit de overblijfselen der beenderen is er niets tegen in te brengen, dat niet het tertiaire Sivapaard der oude wereld nog dat eenheidstype is geweest; maar uit de beenderen alleen kan het noch middellijk, noch onmiddellijk worden bewezen.
Overlevende onveranderde nakomelingen van dat Sivapaard hebben wij in ieder geval tegenwoordig op aarde niet. Een in geraamte met het paardentype overeenkomend dier, dat physionomisch in zijn uitwendigen aanblik niet als een latere kruising of een gelijkenis, maar in de beteekenis van een oorspronkelijke eenheidssoort in uiterlijk nog zóó duidelijk toonde, dat geen der bestanddeelen overheerschte, bestaat in levenden toestand niet. Met die gaping begint dus ons beslissend hoofdstuk van het paard in ieder geval. Binnen de nog aanwezige overblijfselen der wilde paarden bezitten wij reeds duidelijk de splitsing voorbij die plaats. Wij hebben daarbij echter wilde ezels en echte wilde paarden in engeren zin. En de tegenstelling kan ook historisch nog tot in den diluvialen tijd, dus tot voorbij het begin der cultuursymbiose van beide vormen worden gevolgd. Eerst daarmede wordt voor ons de gordijn weggetrokken.
Maken wij in het kort den inventaris op van de levende overblijfselen,—om te zien wat deze ons nog verder kan leeren. Europa is hierbij geheel buiten het spel. Het heeft geen spoor meer van een echt oorspronkelijk wild paard of wilden ezel. De gordel der reliquieën begint in het zuidelijke gedeelte van Siberië, in westelijk China, loopt in een breede strook over Perzië en Noordindië tot den noordoosthoek van Afrika en dan over geheel tropisch Afrika. Oorspronkelijk ook nog tot aan Kaapland, doch daar heeft tegenwoordig reeds het genoemde vernielingsproces gewoed. Op die breede strook der aarde wonen nog vier verschillende groepen van overblijfselen, en wel, van het noordoosten naar het zuidwesten gerekend, ten eerste op den Chineeschen hoek echte wilde paarden, dan, in het begin nog met die wilde paarden te zamen, maar verder over het geheele overige deel van Azië alleen echte wilde ezels, in Noordoostafrika een andere groep van dergelijke wilde ezels en daar tot aan het einde weer een andere groep van wilde paarden.
Ieder dier groepen geeft aanleiding tot afzonderlijke problemen. Het van oudsher gemakkelijkste en meest doorzichtige ligt echter aan den Noordoostafrikaanschen hoek, dus ongeveer in het midden van het gebied.
Wat het paard op zijn ontwikkelingsgang in den loop der wereldgeschiedenis hoe langer hoe beslissender is geworden, dat is het als wild paard ook nog tegenwoordig: een steppendier. Die geheele verbreidingsgordel is, wat de plaats betreft, tevens een steppengordel. In het hart van Azië het onmetelijke steppengebied, dat zich van de woestijn Gobi tot in Tibet en eveneens westelijk eindeloos ver uitstrekt, het land, dat door Sven Hedin zoo meesterlijk is geschetst. De steppengedeelten van Indië. De met kreupelhout bedekte steppen van Afrika, zooals wij die reeds hebben leeren kennen als de woonplaats van den neushoorn. Die steppe strekt zich ook daar uit aan den noordoosthoek van Afrika van de Somalilanden aan den Indischen oceaan tot ver in het binnenland naar den Nijl in een oneindige vlakte, van Kaap Gardafui tot naar Nubië. Door die steppe echter trekken nu kleine troepen vlugge, schuwe, eenhoevige dieren, wie men op het eerste gezicht kan aanzien, dat het wilde ezels zijn. Op dat uitgestrekte veld kan men twee ondersoorten herkennen, een kleinere (indien ten minste de scherpe verdeeling juist is), meer grauw van kleur met een zwart schouderkruis zonder strepen over de pooten, dieper landwaarts naar Nubië; en een grootere, meer roodachtige, meestal of altijd zonder schouderkruis, maar wel altijd met een paar duidelijke donkere dwarsstrepen aan de pooten, in de steppe aan de kust.
Die Afrikaansche ezels zijn, wat hun levenswijze betreft, wild; in hun uiterlijk zijn zij zóó ontwijfelbaar echte ezels in de beteekenis van onzen tammen ezel, dat geen kind zelfs een oogenblik kan aarzelen. Vooral de kleinere vorm zonder strepen over de pooten is in alle karakteristieke trekken eenvoudig onze „ezel”, alleen maar vrij en frank in de open steppe geplaatst. De andere is trotscher, zwaarder, rooder, meer gestreept, alsof die vrijheid ook reeds haar invloed op den vorm van het lichaam heeft doen gevoelen; maar ook ten opzichte van dien vorm vindt men, als men slechts goed zoekt, in de tamme rasvormen van den ezel nog de duidelijkste analogie. Hij die in de omheining van den dierentuin die Afrikaansche dieren terugvindt, ziet, dat zich hier eigenlijk volstrekt geen probleem verder voor hem voordoet, maar eenvoudig een gewone consequentie. In dat dier staat de oorspronkelijke wilde stamvorm van onzen getemden ezel zelf ons nog voor oogen!
Alles is daarmede in overeenstemming. Die wilde ezels wonen nog tegenwoordig in het Egyptische achterland. De vroegste sporen echter van den reeds getemden ezel vindt men in de Egyptische cultuur. In Opper-Egypte gaat hij daar terug tot voorbij de eerste dynastie, juist tot in de eerste tijden der Egyptische cultuurperiode. Op de oudste afbeeldingen ziet men hem reeds met absolute duidelijkheid als huisezel, overal met het zwarte kruis op den schouder, het erfdeel van den Arabischen wilden ezel. In die tijden en langen tijd daarna ontbrak het tamme paard in dat Egypte, naar het schijnt, nog volkomen; zijn beeld komt eerst voor den dag op gedenkteekenen der achttiende dynastie, dus omstreeks 1500 jaar vóór Christus. De ezel daarentegen liep reeds gedurende het bestaan van het geheele oude rijk op den dorschvloer om te dorschen, en droeg het zadel van den reiziger.
Er is geen enkel bekend feit, dat in strijd is met de opvatting, dat de geheele verspreiding van den tammen ezel over de landen aan de Middellandsche zee oorspronkelijk van Egypte zou zijn uitgegaan. Tot op onze dagen is de oostelijke uithoek daar de eigenlijke wereld, waar de ezel gedijt en zich in zijn element gevoelt. Daar is hij groot, krachtig, en nog steeds een werkelijke concurrent van het paard. Verder op naar het noorden in Europa neemt zijn rijk daarentegen zóó sterk af, dat men terecht heeft gezegd, dat hij nog alleen maar als caricatuur voortleeft. Zoo klein, ellendig en armzalig, koppig en afgeranseld de ezel in onze streken is, zoo statig, trotsch, betrouwbaar en dapper wordt hij in de richting van Palestina en Egypte, waar hij den bodem van zijn oude cultuur aanraakt. Voor onze noordelijke fantasie past hij volkomen als humoristisch rijdier voor den intocht van Sancho Panza als stadhouder; maar wij hadden nooit de onderstelling durven uiten, dat de Heiland hem op het beslissende oogenblik zou berijden; en juist dit is de meening in het oosten omtrent de komst van den verwachten Messias, dat hij zijn intocht zal doen op een witten ezel.
Zoo past dan in dit geval alles zoo goed mogelijk in elkander. Nauwelijks koesteren wij nog het verlangen, hier werkelijke overgangsschakels tusschen den wilden en den getemden toestand te zoeken. Uitwendige trekken der beide Afrikaansche witte ezels komen immers nog steeds zichtbaar in onze ezels voor den dag; behalve dat kruis op den rug ook telkens bij gelegenheid weer die donkere strepen over de pooten. De kleur gaat ook nog steeds van tijd tot tijd over in het roodgeel der steppen. En zelfs de als het ware psychische handeling van het temmen kan niet al te moeilijk juist hier weer in gedachten worden gereconstrueerd. Die wilde ezels zijn gezellig levende dieren, waarvan de kudde uit merries en jonge veulens onder de leiding staat van een mannelijk dier als aanvoerder. Een zoodanige merrie of een dergelijk veulen, plotseling uit het verband weggerukt en in de macht van den mensch gebracht, zou in zekeren zin al een schepsel zijn, dat aan leiding gewoon was. De menschelijke temmer neemt nu de rol van den vroegeren aanvoerder over. Hij behoefde de instincten der gehoorzaamheid en van het begrijpen der signalen niet eerst voort te brengen, hij vond die reeds voorhanden. Ik stel mij voor, dat misschien langen tijd uitsluitend merries gebruikt zijn, die men van tijd tot tijd steeds weer door wilde hengsten liet dekken. Dat proces zal bij elke temming van wilde, in kudde levende dieren, ook bij de echte paarden, op die wijze voltrokken zijn. De symbiose met den mensch was slechts een voortzetting, een bekroning der reeds aanwezige symbiose in de kudde. De manbare hengst is overal het langst nog het halfwilde dier gebleven, dat eigenlijk nooit volkomen is getemd geworden. Hoe kleiner, handiger echter de soort in het begin geweest is in verband met de grootte van den mensch, des te gemakkelijker moest in het algemeen de zaak gelukken. Hier bood de ezel de meest gunstige kansen. Het is duidelijk in te zien, dat men het eerst zijn krachten heeft beproefd op de kleinste soort. Op de oudere Egyptische afbeeldingen ziet men nooit een mensch op een ezel rijden, maar steeds ziet men een draagstoel tusschen twee ezels opgehangen. Eerst toen het temmen een bepaalde hoogte had bereikt, zal men het getemde ras ook wat steviger en grooter gefokt hebben, waardoor het weer meer overeenkomst gekregen heeft met den anderen wilden vorm; ook is het mogelijk, dat ook kruisingen met die aan de kust levende soort een rol hebben medegespeeld.
Afrika heeft anders geen wilde ezels. In alle landen van Afrika naar het zuiden toe met hun zebra’s, ontbreken zij geheel. Het is als het ware een goede luim der wereldgeschiedenis, dat zij in het geheele onmetelijke werelddeel zich als op een beperkt eiland alleen daar hebben kunnen handhaven, waar de loop der gebeurtenissen de eenige zeer oude en op zich zelf staande hooge cultuur van het werelddeel in hun nabijheid zou brengen. Een merkwaardig diereneiland en een merkwaardig cultuureiland, die beide iets geïsoleerds hebben, als het ware als een verloren post, zijn hier met hun inventaris samengekomen.