Part 12
Intusschen hadden en hebben zich echter wilde ezels in ontelbare troepen nog op een ander terrein gehandhaafd, dat door zee en land van het andere gescheiden is, namelijk juist op den ouden stambodem, waarop reeds in grijze, geologische tijden de eerste inval en verspreiding van den geheelen echten wilden paardentroep had plaats gegrepen: en wel in de steppen van westelijk en centraal Azië. Daar, over veel grootere uitgestrektheden land verspreid, streken, die hoewel steppenland, toch van oudsher bijna van alle kanten aan groote, overoude cultuurrijken grensden—zijn die Aziatische wilde ezels toch tot in onze dagen voor een groot deel fabelachtige dieren gebleven. De jeugdige gymnasiast hoort over hen spreken in de anabasis van Xenophon: „Onagers” zwerven daar rond in de „dierentuinen”, de groote omheinde jachtterreinen der oude Perzische koningen; het woordenboek vertaalt het merkwaardige woord met „wilde ezel”. In een schoolboek voor natuurlijke historie met bont gekleurde teekeningen heb ik voor het eerst het woord „Dziggetai” gelezen, ook weer een dierennaam, die zich als een bijzonderheid in mijn geest inprentte. In het Mongoolsch is dit ons woord „langoor.” De teekening deed een reuzenezel zien ter grootte van een paard en citroengeel van kleur. Het was reeds lang mijn wensch, een dergelijk wonderdier te zien, doch de zoölogische tuin vervulde dien wensch niet.
Feitelijk wist voor dertig jaar ook de echte zoöloog nog niet al te veel af van hem en zijns gelijken. Die Aziatische steppen, waar omheen eertijds de oude beschavingen waren opgegroeid als aan de oevers van een onafzienbare binnenzee, lagen, wat haar dierenwereld betrof, voor onze Europeesche wetenschap als onder een nevelsluier. Men wist, dat zwermen dieren ongestadig daardoor heentrokken, en daaronder waren ook de wilde ezels. Indien hier of daar, aan de Chineesche, Turksche, Engelsch-Indische, Russische grens dergelijke zwervers van tijd tot tijd door reizigers werden gezien, wist men niet, of het plaatselijk scherp begrensde soorten waren dan wel één en hetzelfde vrije geslacht, dat van Mongolië tot Perzië of Indië rusteloos heen en weer trok. Hier hebben eerst in de laatste tijden werkelijk onze zoölogische tuinen eenigszins licht ontstoken, vooral de Berlijnsche dierentuin, die zoo systematisch zijn verzameling aanlegt. Hij heeft ons de Aziatische wilde ezels van de rij af in verschillende plaatselijke typen in vleesch en bloed voor oogen gevoerd, zoodat men zich daarvan een physionomisch beeld kon maken.
Als het ooit de moeite waard was een diervorm te beschouwen, dan was het wel deze. Het ezeltype ongetwijfeld nog gehandhaafd in de lange ooren en andere kenteekenen, maar tevens toch dat type tot een hoogeren vorm veredeld. Steile, hoog op de pooten staande, slanke, pezige dieren, met krachtige zenuwen, dieren met prachtige koppen en dunne halzen, met een trek van de fijne gazelle, en den Guanaco met zijn dunnen, schralen hals; het laatste spoor van den caricatuurvorm van den ezel is uitgewischt, het zijn in ieder opzicht prachtige schepsels, wier dartele sprongen men met ongestoord genoegen steeds weder gadeslaat. De kleur is in overeenstemming met het zwevende van den gang: van de pooten in bovenwaartsche richting als witte melk, waarin een meer of minder groote scheut bruine koffie gegoten is, zoodat deze er als een wolk doorheen loopt, en eerst geheel op het laatst, aan de bovenzijde van den rug boven de ruggegraat, een fijne donkere streep, die de silhouet, die van onderen verloren gaat, ten minste van boven nog afbakent, een donkere streep van de donkere manen tot den donkeren staartkwast. En dit alles bij de grootste soort tot de volle grootte van een flink paard, maar met nog langer pooten. In die afmetingen en met verschillen in de sterkte van de koffiekleur op de huid vindt men tamelijk duidelijk een aantal verschillende plaatselijke vormen. Zoo heeft men een fijnen Perzischen ezel met een fijnen, kleinen kop, met een fraai witte kleur met een zilverachtigen glans, welke kleur aan de bovenzijde van den kop, aan de zijden van den hals en van de romp en aan de heupen in een bleeke isabellakleur overgaat. Over de schouderstreek loopt een witte streep, een hand breed naar beneden, een breede streep loopt aan weerszijden langs het midden van den rug en dicht ter zijde der dijen; tusschen de beide overlangsche strepen ligt de koffiebruine rugstreep. Dit is de reeds bij Xenophon vermelde Onager. Dan een hoogpootige, betrekkelijk kleine Indiër, die in het oogloopend koffiebruin is gekleurd, en uit het achterland afkomstig is, die door de bewoners van Beloetsjistan Gorkhar genoemd wordt, dan nog de Koelan der Kirgiezen, een bijzonder mooi dier, van het Balkasjmeer, met den edelsten kop bij betrekkelijk korte ooren, met vurig zwarte oogen, donkerbruine manen, met een bruinachtigen streep over den rug tot op den staartkwast, met donkere oorspitsen, maar overigens bijna alles effen gekleurd met een isabellakleur. Men ziet duidelijk, hoe de steeds kalere, steeds geler woestijn zich uitbreidt en haar kleur geeft aan die dieren. De echte Dziggetai uit de Chineesche woestijn Gobi heeft die stofgele kleur wel in de sterkste mate. Omgekeerd gaat de reus van het geslacht, de geweldige „Kiang” van de hoogsteppen van Tibet, weer meer naar het bruin over, dat zelfs tot het schitterendste goudkleurige hoogrood overgaat.
Zonder twijfel zijn die luchthartige klanten geen van allen paarden. Maar als men van onzen getemden ezel het begrip ezel wegneemt, dan doen zij mij, wat hun physionomie betreft, steeds weer denken aan een derden vorm van wilde eenhoevige dieren, die noch het aanzijn heeft geschonken aan het paard, noch ook aan den ezel, maar die een geheel op zich zelf staande zijtak is, een bijlooper der ezellinie, zooals eertijds de Anchitheriën en Hipparions bijloopers waren van de oude groote paardenlinie. En ik geloof, dat die bijzondere aard zich ook hierin heeft gehandhaafd, dat zij in weerwil van de nabijheid van zooveel oude cultuurrijken nooit werkelijk getemd zijn. Een op een gazelle gelijkend, licht, slank huisdier met fijnen kop en op hooge pooten, dat in de beteekenis van die Aziatische wilde ezels noch paard noch echte ezel is, bezitten wij niet, het moet eenvoudig niet gelukt zijn, het in Perzië of in China of in Indië of in de steppen der Kirgiezen blijvend te fokken. Daarmede is natuurlijk niet gezegd, dat niet van tijd tot tijd vruchtbare kruisingen hebben plaats gehad op het aanrakingsgebied van den geïmporteerden Egyptischen ezel en de Aziatische in vrijheid levende ezels. Als paard en ezel zich gekruist hebben en dat wel blijvend veel vruchtbaarder dan men gewoonlijk meent, waarom dan niet die beiden? In den Berlijnschen zoölogischen tuin heeft een kruising van een Koelan met een ezelin van den beschreven vorm der Afrikaansche wilde ezels aan de kust van Somaliland het aanzijn geschonken aan een jong dier zonder echt schouderkruis, hoog op de pooten, van den bouw van een Koelan met de strepen op de pooten, die de Somalimoeder had en zelfs met een duidelijk zichtbaar kruis op den rug. Een bijzonder schoon ras van een huisezel in het oosten, uit fokkerijen in Centraal-Arabië, maakt met zijn witte huid bijna den indruk, alsof daarin van oudsher ook Onagerbloed aanwezig is. Maar zelfs daaruit is blijkbaar geen vaste regel ontstaan. Evenals het hooge schelle suizende gefluit in het geschreeuw van den wilden Aziatischen steppenezel noch past bij het hinniken van ons paard, noch bij het half komieke i-a, i-a van onzen getemden ezel, zoo staan wij ook over het algemeen bij hem tegenover een overblijfsel van vrije eenhoevige dieren, welk overblijfsel in geen enkel opzicht iets heeft te maken gehad met de symbiose in de dagen der werkelijke cultuur. En wij vinden nu als duidelijke parallel bij dien oorspronkelijk geheel onafhankelijken zijtak van het ezeltype nog een dergelijken volkomen onveranderd gebleven zijtak van het echte paardentype in den zebra. Evenals Azië den ezel heeft, die in den loop der cultuurgeschiedenis nooit blijvend getemd is, zoo heeft Afrika een paard, dat nooit tot symbiose is opgevoed.
Reeds in dien Noordafrikaanschen hoek in Somaliland komt de oude oorspronkelijke ezel samen met vertegenwoordigers van den stam der eenhoevigen, die zonder eenigen twijfel behooren tot een geheel ander overblijfsel van den ouden bloeienden stam van dat geslacht. Ook zij hebben zeker trekken van den ezel. In tegenstelling met ons cultuurpaard en in overeenstemming met alle ezels ontbreken bij hen aan den achterpoot de vroeger reeds genoemde eeltplekken of zwilwratten. Hun staart heeft (ten minste meestal) alleen den staartkwast, zooals die bij de ezels voorkomt, over het grootste deel van hun lengte kort en alleen bij de spits lang behaard, in plaats van, zooals bij de paarden, over hun geheele lengte met lange haren begroeid. Juist bij dien Somalivorm zijn de ooren nog zeer verdacht gerekt. En toch beslist een enkele blik op het geheel, waarbij de aandacht voornamelijk gevestigd wordt op de physionomie van het dier, een blik die voor den dierenkenner in hoogste instantie even belangrijk moet zijn als alle atomistische beschrijving der details, in dit geval zonder tegenspraak voor het paard. Het zijn voor een deel kleine, het zijn ineengedrongen, langbuikige, kortpootige dieren, met zachte hoeven, in een reeks kenmerken echt ezelachtige paarden,—maar paarden. En dat volkje is nu weer in een aantal soorten verspreid over een kolossaal district,—zooals wij zeiden oorspronkelijk over het geheele oostelijke, zuidelijke en zuidwestelijke tropische Afrika tot aan het Kaapland, onder den gemeenschappelijken naam van „Zebra.”
Het woord is voor ons niets anders dan een soort aanduiding van de kleur, en beteekent zooveel als zwart-wit gestreept. En hier hebben wij onmiddellijk weer een bijzonder punt, waarin die Afrikaansche wilde paarden zoo eigenaardig zijn en dat zij allen gemeen hebben. Zij hebben een neiging tot kleuring van hun huid, die geen enkele wilde ezel, tamme ezel of geen enkel tam paard bezit: de neiging, dwars over een helderen dikwijls volkomen sneeuwwitten ondergrond een prachtige teekening te hebben van koolzwarte strepen. Die teekening, de karakteristieke „zebrateekening” heeft den zebra beroemd gemaakt als pronkstuk, zoolang men hem kent. Het dier is, voor zoover geschiedkundige getuigenissen mededeelen, het eerst bewonderd in de arena ten tijde van den Romeinschen keizertijd, onder keizer Caracalla (211 na Christus); die zebrateekening wekt ook thans nog in iederen zoölogischen tuin de verbazing op van iederen eenvoudigen boer.
Het gebeurt zelden, dat zoogdieren door hun kleur alleen de belangstelling wekken. Het haar is in tegenstelling met de schubben van de hagedis en de veeren van den vogel meestal te weerbarstig, te onrustig voor zuiver bonte kleuren. Een onbeslist bruine, grauwe, grauw-zwarte, grauw-gele kleur hult geheele groepen in een eenvormig arbeiderskleed zonder eenige sierlijkheid. En als eens de bontheid van kleur ook bij het zoogdierenvolk een enkelen keer duidelijk toeneemt, zooals bij de apen, dan eindigt het spoedig hiermede, dat zij zich toch weer van het haar losmaakt en als een schelle kleur van de onbehaarde huid optreedt, zooals bij het cobaltblauw en het steenrood van de mandril; het is in zekeren zin reeds de ontwikkelingslijn naar den mensch, die bijna geheel naakt is, maar nu die naakte huid kunstmatig tatoueert of met gekleurde kleeren omkleedt. De zebra is daarentegen een uitzondering, waar de eigenaardigheid der kleur uitsluitend in de haren zetelt. Met schitterend wit en schitterend zwart in de sterkste tegenstelling, maakt hij een ontzaglijken indruk op het oog. Bij de schoonste variëteiten is er bijna geen plekje meer op de geheele huid, dat niet bijdraagt tot den eigenaardigen indruk van die strepen. De strepen worden gevonden aan de neusgaten, op de korte, stijve manen, de ooren, tot den staart toe, het geheele gelaat is daardoor met een traliewerk bedekt. En als men nu den eersten indruk van de tegenstelling van wit en zwart ten volle genoten heeft, blijft er voor het nauwkeurig onderzoekende oog nog de prachtigste verrassing over door het feit, dat de strepen niet meer ruw over de onderdeelen van het paardenlichaam heen loopen, maar dat lichaam in zijn meest intieme lijnen volgen. Wilhelm Busch heeft in een grappige teekening eens een zebra eenvoudig schematisch schuin gelinieerd als de wand van een Pruisisch schilderhuisje, zonder eenigszins rekening te houden met het leven van het gelinieerde lichaam zelf. Ongetwijfeld was die teekening in overeenstemming met den indruk van tallooze bezoekers van den zoölogischen tuin, die slechts oppervlakkig hebben toegekeken; dit is werkelijk de indruk, dien zij er in hun herinnering van hebben behouden. Maar het eigenlijk interessante is, dat de zebra feitelijk daarmede niet in overeenstemming is.
De werkelijke strepen sluiten nauwkeurig aan het levende lichaam aan met zijn verschillende in elkander ingrijpende onderdeelen. In de eerste plaats doet zij een hals en een rompgedeelte op zich zelf uitkomen, die in het skelet en in de aanhechting der spieren van boven naar beneden loopen, daar zij als het ware van de stijve wervelkolom neerhangen, die alleen een sterke buiging maakt in den nek. In overeenstemming daarmede hangen in dit gedeelte ook de zwarte strepen alle ten minste in beginsel recht naar beneden van de kruin naar beneden over de flanken van rug en hals, eveneens met een duidelijke aanwijzing van de buiging van den nek. Een tweede stelsel zijn dan de strepen op den staart, die, volkomen de werkelijke staartwervels volgend, van achteren hooger op den rug opstijgen dan de leek zou verwachten, die het skelet en de spierstelsels onder de huid niet kent. Reeds hier begint, wat ik de „doorzichtigheid” zou willen noemen in die zebrateekening. Zij doet ons een dieperen blik slaan in het inwendige van het dier, daar zij den samenhang van het inwendige mechanisme, die anders onder de huid verloren gaat, op een zoodanige wijze naar buiten doet komen, alsof men door een doorzichtig omhulsel een laag dieper kon naar binnen zien in het levende dier zelf. En dit alles viert zijn triomf in de pooten. Elk der pooten heeft zijn strepen als stelsel op zich zelf. Daar echter de stijve as van het been loodrecht staat op het horizontale rugstuk, loopen ook dezen keer de strepen loodrecht op die van den rug. Dat verschil in richting volgt echter het been naar boven ver over de plaats heen, waar het in den gewonen omtrek van het paard zich in de massa van den romp verliest. Wij herinneren ons, dat bij het skelet van het paard feitelijk eerst op die plaats de echte knie gelegen is, terwijl het been zelf zich nog een heel eind verder van binnen voortzet in de schijnbare borst- en buikmassa. En nu is het merkwaardig, hoe juist de strepen dien toestand zoo schitterend doen uitkomen. De strepen op de pooten loopen in een richting, die loodrecht staat op die van den rug, nog in een hoogen driehoek zoowel van voren als van achteren voort naar de flanken van het lichaam. Zoo ontstaat het prachtigste gedeelte van de geheele zebrateekening; die aan weerszijden in de neerhangende strepen van den rug ingrijpende driehoeken, bestaande uit fladderende wimpels, een verrukkelijk gezicht voor ieder kunstenaarsoog, en dat aan den zebra eerst zijn groote schoonheid geeft voor hem, die aan dat dier grootere opmerkzaamheid wijdt.
De teekening wordt tevens op die wijze een belangrijke factor in het totale beeld ook van den bouw van den zebra; terwijl zij namelijk het anders in het lichaam van het paard verborgen bovenbeen van achteren en van voren voor den uitwendigen blik duidelijk doet uitkomen, verlengt zij schijnbaar daardoor de pooten in het algemeen: de zebra lijkt ook hem, die zich volstrekt niet bewust is, wat de reden daarvan is, feitelijk veel hooger op de pooten te staan dan werkelijk het geval is, en ten gevolge daarvan maakt ook het geheel een veel fraaieren indruk.
Een eigenaardig stelsel van strepen vindt men ten slotte op den kop. De manen zijn wel is waar geheel opgenomen in het strepenstelsel van den hals, daar hier de neerhangende strepen eenvoudig doorgetrokken zijn tot in het haar, een omstandigheid, die voor den totalen indruk hier weer het voorste gedeelte van de kruin, waarmede die zwart-witte haren samenvallen, aanzienlijk hooger en statiger maakt. Aan het voorhoofd en de wangen daarentegen ontwikkelt zich de meest geraffineerde speling van fijne strepen, als moest duidelijk uitgedrukt worden, dat daar de meest zenuwrijke, meest gevoelige plaats van het geheel gelegen is. Om de oogen worden de streepjes gewone hanepooten. Men meent te zien doorschemeren, hoe het oog door de spieren wordt vastgehouden, horizontale plooien van het voorhoofd met tegen elkander in loopende hanepooten geven aan het oog iets ingespannens en dreigends, dat anders nooit voorkomt bij een vluchtend hoefdier zonder kopverdediging. En lager bij den bek duiden de halvemaans-strepen onmiskenbaar de krachtige kauwbeweging aan.
Hij die een zebra, ook als hij stilstaat, gedurende langen tijd nauwkeurig beschouwt met het oog op dat stelsel van strepen, moet noodzakelijkerwijze geleid worden tot de waarneming van zuiver optische verschijnselen. Door de verscheidenheid en talrijkheid der schelle, nauwe, dikwijls elkander kruisende contraststrepen lijkt de zebra niet alleen grooter, maar het oog van den waarnemer wordt onrustig van de beschouwing; het beeld begint te verschuiven, loopt in elkander en vloeit ten slotte formeel in elkander. Men kan die ervaring reeds opdoen, als men zeer natuurgetrouwe afbeeldingen beschouwt, zooals bij voorbeeld de voortreffelijke momentopnamen met magnesiumlicht, die Schillings heeft gemaakt van wilde zebra’s des nachts aan de drenkplaats. Juist Schillings, die reeds zuiver physisch een zeer scherp ziende waarnemer is, heeft er met bijzonderen nadruk ook op gewezen, hoe de zoo in het oog vallend zwart-wit gestreepte teekening der zebra’s de dragers dier teekening volstrekt niet doet uitkomen tegen het hen omgevende landschap. Naar gelang van de verlichting zien er zebra’s heel verschillend van kleur uit, tot zelfs het eenkleurige grijs; maar zelfs daar waar hun zwart-witte kleur van dichtbij zou kunnen uitkomen, vervloeien de dieren op de meest merkwaardige wijze met de kleur der steppe. Maar ook dan wordt ons een hoogst merkwaardig voorbeeld van mimicry vertoond, als zebra’s tegen het middaguur rust nemen onder boomen en struiken, die schaduw afwerpen; de trillende strepen der schaduwen, die door de takken der boomen worden veroorzaakt, vermengen zich dan op de meest verrassende wijze met de strepen der zebra’s. Dit citaat uit Schillings is uit den aard der zaak zeer merkwaardig. Het strepenstelsel, dat zich in den zoölogischen tuin zoo aan ons opdringt en naar voren treedt, schijnt in de vrije Afrikaansche steppe met haar kreupelhout omgekeerd juist tot de schutkleuren te behooren. De vraag zou slechts zijn, of de door Busch geleverde caricatuur der schilderhuisstrepen of een hoogst verward door elkander loopende zigzagversiering niet nog betere, in ieder geval even goede diensten zou kunnen bewijzen. Maar dat merkwaardige en verwonderlijke naar buiten doen treden van het inwendige lichaam met al zijn fijnheden en de geheele ornamenteele individualiseering binnen het rhythmische grondbeginsel schijnen mij in ieder geval er op te wijzen, dat ook nog inwendige factoren aan den bouw van het lichaam hebben medegewerkt, die met de uitwendige beschermende aanpassing hier uitsluitend door teeltkeus volstrekt niet kunnen worden verklaard.
Een lichte neiging tot het vormen van dwarsstrepen schijnt in alle levende wilde paarden aanwezig te zijn, wij herinneren slechts aan de strepen boven op den rug, de schouderkruisen en de strepen op de pooten der ezels; ook bij de tamme paarden komen een enkelen keer strepen op de pooten voor. Het zou in hooge mate interessant zijn, de huiden der oude paardachtige dieren, van het Sivapaard af teruggaande, in dit opzicht te kunnen vergelijken, om na te gaan in hoeverre hierin een oud erfstuk en een oude ontwikkeling steekt. Maar hier is de draad onzer kennis helaas volkomen afgebroken, aan de fossiele beenderen is niets te ontleenen. Misschien waren de Hipparions, die in menig opzicht aan de zebra’s herinneren, reeds even mooi gestreept. Maar wie kan het zeker zeggen! Voor zoover de zaken tegenwoordig staan, geeft juist dat bijzondere van de „zebrakleur” aan het overblijfsel van onze Afrikaansche wilde paarden nog in sterkere mate het karakter van iets eigenaardigs, dat afwijkt van de lijn, die naar het cultuurpaard leidt.
In engeren zin is ook bij die zebra’s de zwart-witte zebrakleur overigens aan heel wat schommelingen onderworpen. De hierboven gegeven beschrijving komt overeen met het meest in het oog vallende type. Maar van daar uit is er een tamelijk groote speelruimte, waar de strepen zich nu eens hier, dan weer daar als het ware van geheele groepen van lichaamsdeelen terugtrekken, zonder dat daar, waar zij behouden zijn gebleven, het karakter op zich zelf is gewijzigd. En juist hier kunnen de verschillende locale vormen ingeschakeld worden (die op zich zelf ook niet zoo gemakkelijk te verklaren zijn uit het beginsel van beschermende aanpassing), die voor de zebra’s karakteristiek zijn op hun uitgestrekt Afrikaansch verbreidingsgebied.
Toen ik mijn eerste studies maakte in den zoölogischen tuin, was de natuurlijke geschiedenis der zebra’s in haar systematisch gedeelte spoedig aangeleerd. Er waren in die dagen drie verschillende typen van zebra’s: de echte zebra met strepen tot over de geheele pooten; Burchell’s tijgerpaard (de dauw) met strepen alleen op het lichaam en met volkomen witte pooten; en de Quagga, die alleen maar over het halve lichaam gestreept was. Het tijgerpaard was in den dierentuin de gewone vorm, hoewel hij tegenover den echten zebra, zooals die bij Brehm beschreven stond, niet voor volkomen vol werd aangezien. Brehm had trouwens ook alleen maar drie soorten genoemd. Na dien tijd zijn, naarmate de nadere ontsluiting der merkwaardige Afrikaansche dierenwereld heeft plaats gegrepen, zooveel speciale soorten van zebra’s bekend geworden, dat men een geheele lijst van buiten moet leeren. Maar te gelijker tijd is de onzekerheid over de werkelijke grenzen en het aantal der onafgebroken op elkander volgende verbeteringen, twijfelingen en nieuwe rangschikkingen zóó groot geworden, dat men de neiging krijgt, weder tot dat oude drietal terug te keeren, dat in zekeren zin nog steeds zeer goed iets uitdrukt, wat op zich zelf onbetwistbaar is. Doch ook hier doet zich een moeilijkheid voor ten gevolge van een intusschen onverwacht plaats gegrepen sterfgeval.
De derde vorm, de Quagga, heet namelijk tegenwoordig volkomen uitgeroeid. Wij hebben hier te doen met een zeer eigenaardig geval, niet alleen voor de geschiedenis der dieren in het algemeen, maar ook voor de meer beperkte geschiedenis van onze dierentuinen.
De Quagga was sedert de dagen van Buffon één der meest bekende soorten van zebra’s, die zich door de plaats, waar zij gevonden werden, het gemakkelijkst aan ons aanbood, daar hij in talrijke kudden juist over het noordelijke deel van het Kaapland en den Oranjevrijstaat trok. Toen de eerste dierentuinen in Parijs, Schönbrunn en later, in de negentiende eeuw, in Londen geopend werden, was het zoo natuurlijk mogelijk, dat ook de Quagga, die zoo gemakkelijk te bereiken was en zoo veel voorkwam, daarin werd gezien, vooral daar het op zich zelf geen bijzondere moeite kostte, Afrikaansche wilde paarden levend te importeeren. En dat bleef nog zoo tot omstreeks de laatste twintig jaren der vorige eeuw. In den Londenschen dierentuin is de Quagga sedert 1831 niet minder dan driemaal aanwezig geweest, en hij heeft het daar jaren lang uitgehouden. Van daar zijn de huiden afkomstig, die men opgezet vindt in het museum van Rothschild en in het museum voor natuurlijke historie te Londen. Dergelijke huiden zijn tegenwoordig kostbare zeldzaamheden, en waar zij zijn, moeten zij zorgvuldig bewaard blijven, want zij zijn niet te vervangen; behalve Londen bezitten Berlijn, Weenen, München, Parijs en Amsterdam nog een enkel exemplaar. Immers op een goeden dag kwamen geen nieuwe Quagga’s meer in den dierenhandel voor. Na eenigen tijd waren de laatste paar exemplaren der Europeesche tuinen allen gestorven. Korten tijd daarna begon zich het gerucht te verspreiden, dat er geen Quagga’s meer in den dierenhandel voorkwamen—nooit meer—daar er in Afrika zelf geen Quagga’s meer waren. Het laatste exemplaar is, naar men zegt, reeds in het jaar 1880 geschoten. Een feit is het, dat men tegenwoordig geen enkele plek meer kent in de geheele oude woonplaats der Quagga’s, waar in de latere jaren nog een levende Quagga is gezien. En in andere deelen van Afrika is juist die soort nooit bekend geweest.