Part 8
Trouwens betrekkingen—en dat is tevens het eigenlijk interessante—niet met het thans levende paard, maar met het paard, toen het nog stond op één der meest karakteristieke trappen der voormalige paardachtige dieren. Men vergelijke slechts beider voetskeletten: en op eens nadert de tapir zeer dicht tot die jongere vospaardjes, die van achteren zoowel als van voren nog stevig liepen op drie hoefteenen, maar die tevens van voren ook nog een vierden teen (den „pink”) als kwastteen of als reserveteen voor sommige gelegenheden bezaten. Het is niet te loochenen, dat bij alle vier voeten van onzen tapir de belangrijkste zwaarteas reeds door den middensten teen (den „middenvinger”) gaat; in dit opzicht zou men hem met recht een wordend paard kunnen noemen. Maar er is nog geen sprake van een concentreeren op den eenigen onvertakten stam van dien voornaamsten teen. Van voren is de voetboom nog duidelijk in vier takken gesplitst, waarvan ieder de hoefvrucht draagt, en van achteren in minstens drie takken. En daarenboven is nu verder, volkomen als bij de oude vospaardjes, de middenvoet veel korter en plomper dan bij ons paard; de zuil van het benedenbeen en den benedenarm is nog niet, zooals bij het bovenbeen, één geheel geworden, maar duidelijk gesplitst in ellepijp en spaakbeen, in scheenbeen en kuitbeen; in het gebit is nog steeds de hoektand zoowel beneden als boven aanwezig; de eerste voorkies is zoowel boven als onder in wankelbaren toestand; de voorste kiezen naderen in vorm reeds meer of minder sterk tot de echte kiezen, die kiezen zelf zijn echter nog kort en van krachtige wortels voorzien, zonder cement in de kroon; op die kroon vindt men nog ongeveer het „oorspronkelijke gebergte” van den equidenstam, namelijk de eenvoudige bergkegels, vier in getal, juist voor het eerst door bergjukken zwak met elkander verbonden. Waren er overigens niet een aantal dingen in den bouw geheel anders, dan zou men geneigd zijn, dien tapir naar zijn skelet eenvoudig te beschouwen als een nog levend, zeer groot vospaard der eocene periode.
En daarbij komen dan nog directe geologische feiten, die zelf van een verrassende harmonie en overeenstemming zijn. Reeds in den tijd der latere vospaardjes zelf leefde, zooals uit onloochenbare vondsten van beenderen blijkt, in Noordamerika zoowel als bij ons in Europa in grooten getale een dier, zoo groot als een tapir, de Lophiodon, in het Hollandsch de heuveltand, een dier, dat den tapir nog nauwer verbond met de oudste equiden. Cuvier zelf heeft het reeds beschreven. Reeds in de oligocene periode kwam ook nevens de echte equiden een afzonderlijk schepsel voor den dag, dat reeds in zoodanige mate den specialen bouw van onzen tapir had, dat het Protapirus, in het Hollandsch „voortapir” moest genoemd worden. Ja zelfs ook in de miocene periode, dus eerst in het midden van het tertiaire tijdperk, komt zoowel ginds in Amerika als bij ons reeds de volkomen echte tapir voor den dag, zooals hij nog in de levende soort „Tapirus” bestaat. Hij is reeds zóó vroeg aanwezig, dat bijna aan den egel, als vroeger vermelden stamvader der soort, als oudste overlevend zoogdier, dat tot nu toe zelfs niet de soort heeft gewijzigd, zijn rang wordt betwist. Een echt voorwereldlijk wezen is dus in levenden lijve nog in onze zoölogische tuinen terecht gekomen, en tevens een dier, dat nog treffend aan de vospaardjes herinnert.
Hij is echter in dien tijd niet met de echte equiden vooruit gegaan. Als één van die „uitloopers” naast de groote lijn zou hij moeten beschouwd worden, als een wezen trouwens, dat het wonder heeft klaar gespeeld, tot heden toe zoowel in de oude als in de nieuwe wereld stil in een uithoek voort te leven. Dat laatste zou inderdaad een sterk stuk zijn. Het veel jongere Hipparion is in weerwil van zijn voorbeeldelooze verbreiding en ontzaglijk aantal nog niet zoover gekomen. Men zal dan hier nog wel een bepaalde bijzonderheid moeten op den voorgrond stellen. Zulke uit- en bijloopers van den grooten paardenstam, zooals dit Hipparion of vroeger het Anchitherium, vormden een onvruchtbaar voortwoekerend kreupelhout op de ééne of andere plaats, het zonderde zich als soort af, bracht allerhanden soorten voort als klein bladerwerk, en stierf ten slotte af zonder zelfstandig naar boven op te schieten. In de lijn, die zich in den Lophiodon het eerst had losgemaakt van de vospaardjes en reeds zeer vroeg gekomen is tot den tapir zelf, zullen wij daarentegen eer een zoodanige soort van een uitlooper moeten constateeren, die van onderen heel in de diepte uit den gemeenschappelijken stam der oorspronkelijke equiden een kort bijstammetje deed rijpen. Een korten tijd groeide het weelderig op, als wilde het evenwijdig met den hoofdstam omhoog. Het bleef niet bij die ééne soort of familie, maar het had in die oorspronkelijke dagen, nog zoo zeer in de nabijheid van de groote groeikracht van den wortelstok, kracht genoeg, het tot een geheele reeks van families te brengen, waarvan de top uit den tapir bestond. Maar met dezen was dan ook de heerlijkheid geëindigd in den zin van een werkelijke verdere ontwikkeling. De zaak bleef stilstaan. Maar het was, alsof de groeikracht van den stam dezen keer ten minste onuitputtelijk behouden was gebleven in de taaiheid, waarmede individuen werden voortgebracht en in stand bleven, zoodat de tapir tot heden toe als het ware levend versteend in den ouden vorm behouden bleef.
De zaak is naar twee kanten van belang voor den grooten samenhang der paardensoorten. Aan den éénen kant toch bevat zij eigenlijk nog een nieuw argument tegen die theorie, volgens welke de oudere stamboom der equiden zich langs twee van elkander onafhankelijke wegen heeft opgewerkt tot het echte paard, bij voorbeeld van het vospaardje af. Hier hebben wij een voorbeeld van een dergelijken parallellen gang juist op den kruisweg, waar het vospaard staat. Er is echter, zooals blijkt, dezen keer geen echt paard ontstaan in de zijwaarts loopende lijn, maar alleen een tapir, die bij alle taaiheid van zijn in leven blijven tot heden toch nog in den bouw zijner tanden en pooten niets anders is dan een zeer groote en dikke gewijzigde soort van een vospaard.
Aan den anderen kant echter bezitten wij juist daarom nu werkelijk nog in onzen dierentuin in vleesch en huid een dier, dat van alle dieren op aarde het eenige is, dat ons ongeveer een beeld kan voor oogen stellen, hoe ook de echte lijn der paarden op het station der vospaarden leefde en er uitzag. Hier wordt de tapir, bijna volkomen eenzaam in het stelsel als hij tegenwoordig is, plotseling één der meest interessante schepselen van den geheelen zoölogischen tuin. Hij is een overlevend oorspronkelijk paard uit de eocene periode.
Als men hem zoo beschouwt, dan wordt thans ook juist zijn verschil in uiterlijk met ons voltooid paard bijzonder leerrijk. Zoo uiterst verschillend zagen die voorvaderlijke paarden, die van voren nog drie hoeven en een kwasthoef droegen, er dus toen nog uit, als men ze niet alleen in het doode, stijve skelet, maar als werkelijke vette, snuivende dravers in het vochtige oerwoud van die dagen had kunnen waarnemen. Inderdaad kan onze tapir tegenwoordig met een goed geweten met geen tweede, levend zoogdier worden vergeleken. Hij is eenig in zijn soort, en alleen in de oorspronkelijke paardenwereld der oudheid zouden wij iets kunnen vinden, dat met hem overeenkomt. Zoo moet hij ons als alleenstaand dier van die oorspronkelijke wereld verhalen.
Het juiste bijvoegelijke naamwoord ter karakteriseering van den tapir is „rond”. Hij heeft iets van een groot, blinkend achterdeel. Eenigszins keert ook bij hem dat karakteristieke slecht gestopte, het te stevig naar achteren toe gestopt zijn terug, dat zoo in het oog vallend gevonden wordt bij buideldieren, en waarin op de ééne of andere wijze een ouderwetsch kenteeken moet steken; het is het grootste dier, dat ik ken, dat daarbij die merkwaardigheid vertegenwoordigt; het korte staartstompje vermeerdert nog den indruk. Het eigenlijk rondachtig-vette, spekachtige in de geheele gestalte wijst echter reeds op de levenswijze. Wilde dieren, die hun levensonderhoud moeten verdienen, zijn gewoonlijk gespierd, maar niet vet. Het vette zwijn is niets anders dan een cultuurproduct, in wilden toestand is het zwijn juist een magere klant. Er is slechts één uitzondering, die den indruk mogelijk maakt van een gezwollen hangbuik: aanpassing aan het water. Zij brengt, zooals reeds Goethe opmerkt, het lichaam van het zoogdier in het stadium van smelten. Het hoogtepunt bereikt dit bij de walrussen en groote walvisschen, waarbij de werkelijke oplossing van vet tevens nog dienstbaar is aan de verwarming in de poolzee. Maar ook het nijlpaard verschaft ons reeds een goed voorbeeld. Zijn vormen zijn inderdaad aan het vervloeien, alsof een wasmodel smolt, waarbij de voeten reeds gaan meegeven en de buik zich naar den grond beweegt. De tapir nu heeft evenzeer iets daarvan, hoewel nog steeds binnen de grenzen gehouden door het paardentype. Hij is onmiskenbaar een dier, waarbij het water de vormen begint los te maken. In die beteekenis is hij, met zijn echte verwantschap met het paard, in den waren zin het eigenlijke „rivierpaard”.
Wat wij werkelijk weten van de levenswijze der tapirs, is daarmede volkomen in overeenstemming. Zij gaan gaarne te water, zwemmen voortreffelijk, leven grootendeels blijvend in tropische wouden bij de groote rivieren, met hun mengelmoes van takken, slingerplanten en struiken. Doch meer dan het eigenlijke water om te zwemmen is het moeras, de weeke, drassige bodem, de wereld van den oneindigen humus onder den door den regen vochtigen tropischen plantengroei hun domein. Als men den tapir ijverig ziet heen en weer waggelen op de harde planken van zijn verwarmde cel in den dierentuin, dan is er geen tweede soort hoefdier, dat zoo weinig op harde hoeven, en zoozeer op weeke, fluweelen zolen loopt. Het groene fluweel van het moeras is het, dat eigenlijk in die voeten van den tapir voor ons elastisch op en neer beweegt. En het geheele dier waggelt evenzeer als de bodem van zijn vaderland. Hoe ver was eens nog de weg van zoodanige vormen tot den trotschen, gespierden, stevigen wilden ezel of het wilde paard in hun niets meegevende grassteppe.
Met de vochtigheid van het moeras hangt ook het eigenaardig korte, blanke, afgeschuurde haar van die vette lichamen der tapirs samen. In verband met de merkwaardige met witte vlekken voorziene kleur van den rug bij de Indische soorten, is bij mij voortdurend weer onwillekeurig de herinnering ingeprent, alsof de tapir volkomen naakt was als het nijlpaard, wat feitelijk echter volstrekt niet het geval is; het is slechts alsof hij met een machine zoo kort mogelijk was geschoren. Maar volkomen in het kader past bij het als een worst opgestopte lichaam op de korte pooten de vreemde vorm van den kop met de korte slurf. Bij den Indischen tapir, die trouwens al het typische in het overdrevene vertoont als een caricatuur, hangt de slurf werkelijk als een vooraan slingerende worst aan het geheel vast. Terwijl zij aan den wortel met haar last het geheele bovenprofiel beheerscht, schijnt zij het oog merkwaardig diep naar beneden te hebben gedrongen. Bij den rhinoceros is iets dergelijks geschied door den zwaren hoorn, maar daar is juist in dat bovenste gedeelte het profiel bijzonder treffend uitgebeeld tot een arabeske der meest woeste kracht. Het gezicht van den tapir verkrijgt,—daar zijn oog alleen door een vleeschkussen verschoven wordt en tevens iedere plooi in het voorhoofd door dat kussen wordt gladgetrokken tot een eenvoudigen boog van de kruin tot aan de spits van den neus—iets beschroomds en onnoozel goedmoedigs. Men kan den tapir niet aanzien, zonder hem voor een stompzinnigen, ongevaarlijken klant te houden, waarschijnlijk veel meer dan hij dat werkelijk is. Wat een groote stap is het ook van hier tot het voorname profiel van het paard! Ik stel mij voor, dat de echte voorvaders der paarden, hoezeer zij ook met den tapir overeenkwamen, toch niet zulk een worstslurf hebben gehad, en juist hierin was een voordeel gelegen voor hun hoogere ontwikkeling, terwijl die slurf de oorzaak was van het doodloopen in den tapir. Doch dit is niet te bewijzen.
In onze dierentuinen kan men tegenwoordig beide soorten zeer voldoende bestudeeren: den donkeren Amerikaanschen tapir en den Indischen, die de zoo bijzonder treffende benaming van Schabrak-tapir heeft gekregen. Als men dat laatste vette dier, dat evenals alle halve waterdieren gaarne lui ligt en zich over den grond wentelt, met zijn eigenaardige merkwaardige kleuren ziet: achter op den rug van het anders eentonig chocoladezwart gekleurde lichaam eenvoudig niets dan een groote witte vlek en daarbij nog de zwarte duivelsooren blinkend wit gezoomd—dan zal de leek steeds weer tot het vermoeden komen, dat het dikke dier tegen een meelvat heeft gestooten of in het gips heeft gewenteld. Als wij hooren, dat het schildhuisachtige zwart-wit van den zebra in de vrije natuur een schitterend verdedigingsmiddel is, dat de gestalte van het dier van verre laat vervloeien, dan kan men dat kleed van den tapir beschouwen als een dergelijke mimicry in zijn woud, waar de tijger op de loer ligt; de witte kalkvlek is als het ware een op zich zelf staand licht tusschen kop en staart, dat op een dwaalspoor leidt. En ook voor de verwantschap met het paard is het interessant, dat juist dit voorwereldlijke wezen reeds als het ware het palet draagt, om een zebra te maken met zwarte en witte strepen over het geheele lichaam. Feitelijk echter vertoonen de jongen van den Schabrak-tapir en zeker ook van ten minste één der Amerikaansche soorten, zelf reeds een teekening van witte vlekken en streepjes op een donkeren achtergrond. Niet, zooals bij den zebra, loodrecht op den rug, maar in de lengte, evenwijdig met den rug. Volgens de wet, dat jonge dieren dikwijls nog kenmerken der voorvaderen herhalen, zou men dus tot de gevolgtrekking kunnen komen, dat de huidteekening van den Protapirus en van de oude vospaardjes en oorspronkelijke hoefdieren oorspronkelijk ook uit zulke strepen in de lengte bestaan heeft, waaruit dan de Schabrak van den tapir te voorschijn kwam. Bij het gereconstrueerde beeld van den Phenacodus op de plaat in het „Dierenboek” zijn niet willekeurig, maar uitsluitend op grond juist van dien gedachtengang, dergelijke strepen voor de huid van dat oorspronkelijke hoefdier gekozen, hoewel geen menschenoog die ooit heeft gezien.
In vroegere jaren was die Schabrak-tapir een hooge zeldzaamheid in onze dierentuinen. In den dierentuin te Keulen, waarin ik als jongen als het ware ben opgegroeid, was zijn waarneming voor mij steeds een onvervulde wensch, die steeds gevoed werd door teekeningen van het fantastische dier. Tegenwoordig is hij een gewoon pronkstuk geworden, en in Keulen zelf heb ik niet lang geleden het schoonste paar aangetroffen. Vooral als hij van achteren neerhurkt als een reusachtig knaagdier (een houding, die ook door den tweehoornigen neushoorn gaarne wordt aangenomen, en hier en daar zelfs door paard en ezel), heeft hij voor mij altijd iets van Chineesche, stijve, bontverlakte kunst. Zooals de Indiërs hunne schrikverwekkende goden voorzagen van gestileerde olifantsslurven, zoo hebben ook de oude Indiaansche kunstenaars der verwoeste culturen in Centraalamerika hun tapir gaarne als ornament gebruikt, met zóó overdreven gedraaide slurf, dat de mythe kon ontstaan, dat men daar nog mastodonten of mammouths als levende modellen had gehad.
Zooals de grootere en vettere Indische tapirs, zoo zijn ook die Amerikaansche tapirs, die in volwassen toestand bijna effen donker zijn, dieren der tropen. De meeste van die oude diervormen hebben het niet meer verstaan, toen het tropische klimaat, dat in het oligocene en miocene tijdperk over geheel Europa en Noordamerika bestond, plaats had gemaakt voor een gewijzigd klimaat, zich aan die gewijzigde omstandigheden aan te passen; in het noorden zijn zij te gronde gegaan, en hebben het alleen daar uitgehouden, waar het klimaat tropisch bleef. Zoo verklaart zich zonder moeite, dat het tapirvolk, dat eertijds van tropisch Amerika af tot aan tropisch Azië leefde over geheel Noordamerika, Europa en de tusschenliggende landbruggen, tegenwoordig, nadat in het noorden zooveel wisselingen van het klimaat hebben plaats gegrepen, alleen nog slechts aan de twee uiterste hoeken der tropen blijft voortleven. En het is mij daarbij alleen onbegrijpelijk, waarom hij ook uit het aequatoriale Afrika is verdwenen. De eenige kleine aanpassing, die hij nog op het Zuidamerikaansche vasteland heeft kunnen volbrengen, was het opstijgen in het gebergte, in de Cordillera’s, die zich zelf eerst in de tertiaire periode, toen de tapir reeds bestond, langzaam uit het vlakke oerwoud hebben omhoog gewerkt, en den tapir evenals een groot deel van den plantengroei uit het oerwoud heel onmerkbaar hebben medegevoerd. Iets meer wollig behaard en met een kleine neiging, om aan wangen en randen der ooren weer lichter te worden, gaat de bergtapir daar nog tegenwoordig langs de beken der gebergten tot op een hoogte van twee duizend meters.
Merkwaardig is daarbij, dat twee van die, wat hun woonplaats betreft, zuiver Amerikaansche tapirsoorten zonder schabrak, in een anatomisch kenmerk (den bouw van het neustusschenschot) dichter staan bij den Indischen tapir dan de beide andere Amerikanen. Het is, alsof in vroegere tijden hier twee oorspronkelijke varianten naast elkander geïmmigreerd zijn, die beide bijna donker bleven, terwijl alleen de ééne van hen ook naar Indië kwam en daar het zwart-witte kleed ontwikkelde. Men zou daaruit de gevolgtrekking kunnen maken, alsof ook die ver afdwalende spruit der oorspronkelijke equiden van huis uit een zoon van Noordamerika is geweest, zeker wat den rijkdom betreft.
Naar den feitelijken toestand zou dit anders niet onvoorwaardelijk noodig behoeven te zijn. Toen de tapir ontstond, leefden, zooals wij gezien hebben, vospaardjes zoo goed in Europa als in Amerika. En in een analoog geval weten wij tamelijk zeker, dat het ontstaan van een dergelijken weelderigen tak aan den oudsten equiden-stamboom in die dagen feitelijk ook in Europa heeft plaats gegrepen. Juist in diezelfde eocene periode, toen de stam der tapirs zich, in het begin trouwens zeer zacht, afboog van het station der vospaardjes, moet daar nog een loot zijn voortgebracht, die leidde tot een groep van halfpaardachtigen, die men op hun korte hoogtepunt Palaeotheriën of „oude dieren” heeft genoemd.
Cuvier doopte ze zoo, toen hij hun beenderen in groote hoeveelheden te voorschijn haalde uit de gipslagen van den Montmartre te Parijs. Het was toenmaals het eerste uitgestorven zoogdier, dat uit ver vervlogen tijden—de gips daar was een afzetting uit een groot meer uit de eocene periode—in nog al groote gedeelten van zijn skelet te voorschijn kwam. Cuvier ontwierp zijn geheelen omtrek en zelfs het met vleesch bedekte lichaam, dat hij in hoofdzaken het type gaf van den grooten tapir. Later heeft een tot in bijzonderheden volkomen bewaard gebleven geraamte de geniale juistheid van die teekening schitterend bevestigd. Men had hier echter bij dien reeds lang weer verdwenen bewoner van den ouden Parijschen zeeoever, zooals Cuvier ook reeds zag, volstrekt niet te doen met een echten tapir. Wij weten thans, dat het ook geen echt vospaard was.
Het Palaeotherium, dat door Cuvier langen tijd zóó populair bleef als geen tweede uitgestorven dier, was in dien duidelijk uitgesproken vorm zoo groot en nog grooter dan een tapir, het naderde bij enkele soorten in grootte tot den neushoorn. Daarbij had het op dien trap, die tevens bijna reeds zijn laatste was (nog in de eocene periode is het in tegenstelling met den taaien tapir weer uitgestorven), aan ieder der drie voeten eigenlijk slechts drie hoeven in gebruik, waarbij nog maar alleen aan de voorvoeten een griffelbeen kwam van den pink. Hier waren dus vospaard en tapir eigenlijk reeds voorbij gestreefd tot in den eerstvolgenden hoogeren trap der equiden. En merkwaardiger wijze hadden die Palaeotheriën ook reeds tanden, die veel meer op die van paarden geleken. Op hun hoogsten trap hadden zij in de kiezen reeds een begin van cementvulsel, terwijl die kiezen goed uitgegroeid waren, en tevens naderden hier de voeten bijna reeds tot het stadium der kwasthoevigen. Maar toch is er geen sprake van echte, voorwaarts schrijdende equiden van den hoofdstam, en Cuvier had in ieder geval nog meer gelijk, als hij ten minste den uitwendigen totalen omtrek in verband bracht met groote tapirachtige dieren, die zeer licht van voet waren. Men zou met een zekere onrust een antwoord kunnen wachten op de vraag, waar en hoe zich dan die merkwaardige uitloopers moeten hebben afgescheiden van den hoofdstam.
De plaats is, zooals wij reeds mededeelden, volgens alle tot nu toe gedane vondsten, alleen Europa; uit Amerika is geen enkel overblijfsel onzer musea afkomstig, terwijl de beenderen in Frankrijk, Engeland, Zwitserland, en in groote hoeveelheden op de Zwabische en Frankische Alpen liggen. De oplossing van het geheele raadsel is zeker wel, dat de eigenlijke plaats der vertakking, evenals bij den tapir, gelegen was bij de vospaardjes, en wel zeker bij de Europeesche uit die dagen. De kleine, weelderig bloeiende tak heeft zich dan echter blijkbaar een heel stuk ver werkelijk zelfstandig naar boven opgewerkt—hooger nog dan de tapir in weerwil van zijn taai voortleven ooit is gekomen. De trap van het griffelbeen naar den pink, die bij den tapir nog kwast is, en het cement in de kiezen zijn naar alle waarschijnlijkheid zelfstandig door die Palaeotheriën verworven.
Dit is nu weer interessant in verband met het vroeger meegedeelde. Als ooit een zijtak den aanleg had gehad, in den zin van die hypothese van de evenwijdige dubbele ontwikkeling een „Europeesch paard” onafhankelijk voort te brengen, dan zouden het die Palaeotheriën hebben kunnen doen. Wat is echter te voorschijn gekomen? Wij kunnen dit in dit bijzondere geval nauwkeurig nagaan. Een groote tapirvariant met zeer groote tapirtanden met eenig cementvulsel en met tapirpooten met een rudimentairen pink van voren en eenige neiging een kwastjestapir te worden. Maar dat was dan ook alles. Van verdere ontwikkeling in de richting van het echte paard anders geen spoor. Het laatste Palaeotherium sterft, zooals wij reeds hebben gezegd, reeds met de oude, eocene periode uit.
Het is echter volstrekt niet te ontkennen, dat het jammer is, dat die Palaeotheriën in ieder geval op hun ontwikkelingstrap niet zoo taai geweest zijn als de tapir. Terwijl de tapir, hoewel dan ook als zijtak, ons in menig opzicht thans nog het vospaardje doet zien, het Palaeotherium had ons eenigszins het voorwereldlijke paardachtige dier doen zien (al is het dan ook niet volkomen getrouw), zooals het er uitzag op het station van het zuiver driehoevige dier.
Gelukkig toeval! Die Europeesche lijn is verdwenen tot op de beenderen, evenals de driehoevige paarden zelf. In Noordamerika echter was in die onverwoestbaar productieve eocene periode toen ter tijde nog een derde uitlooper ontkiemd, die zich eenerzijds even stevig, ja zelfs nog wat krachtiger, op dien trap der driehoevige dieren plaatste, maar anderzijds, toen hij eenmaal daar was gekomen, dezelfde taaiheid van leven heeft geopenbaard als de tapir, zoodat wij in allen ernst ook nog heden zijn nakomelingen in onze dierentuinen vinden. De neushoorn, de reusachtige rhinoceros met zijn hoogst karakteristieke gestalte, dien ieder kind kent, is niets meer of minder dan eveneens een zoodanige overoude, afgedwaalde driehoevige equide uit die dagen.
Toen Albrecht Dürer de schets gezien had van een ouden Indischen neushoorn, gaf hij daarnaar een uitgewerkte teekening, die in Gesners „dierenboek” is medegedeeld. Het kolossale dier is op een gedeeltelijk overdreven, gedeeltelijk karakteriseerende wijze omgestileerd tot een schepsel, dat een kunstig pantser draagt als voor een tornooi. Onwillekeurig denkt men aan de ridderpaarden van vroeger, die een metalen harnas als een ijzeren huid om zich heen hadden. De hoorn van het monster maakt den indruk van de scherpe punt van een dolk op een dergelijk paardenharnas. Die teekening van Dürer, waarbij een overmoedige luim de teekenstift schijnt te hebben geleid (het was juist Dürer, die als hij de dieren zag, ze tot in het huiveringwekkende toe natuurgetrouw kon weergeven), heeft onbewust de waarheid gevoeld. De neushoorn is een verpantserd paard. Hierin is uitgedrukt, wat die twee met elkander verbindt en wat ze scheidt.