Chapter 13 of 16 · 3905 words · ~20 min read

Part 13

Het lot van die dieren schijnt dus bezegeld te zijn. En het betreft hier speciaal die soort van zebra’s, die het meest verschilden van alle andere, dus in zekeren zin de meest op zich zelf staande, al is het dan niet de allermooiste. Ik heb in der tijd verzuimd op den Quagga in den zoölogischen tuin te letten, en kan dus alleen oordeelen naar aanleiding van opgezette dieren in musea, van welke dieren ik het Amsterdamsche exemplaar nauwkeurig heb beschouwd. Dat exemplaar, een wijfje, had in het oog vallend korte en krachtige pooten. De Quagga heeft absoluut niets meer van het zwart-wit der andere zebra’s. Het is een bijna volkomen bruin paardje met een lichte aanduiding van strepen, gerangschikt als bij een zebra, maar het blijft meer een lichte nuanceering. Alleen aan den kop, aan het voorhoofd en de oogen heeft men op den bruinen achtergrond nog werkelijke donkere zebrastrepen. Op den hals, het eenige lichaamsdeel, dat van het geheele lichaam nog duidelijke strepen vertoont, ziet men daarentegen reeds geen echte zwarte banden meer op een helderden achtergrond. Maar door een donkeren, reeds sepiabruinen grondtoon loopen een paar heel zachte, golvende, lichte banden, die op de Amsterdamsche huid zelfs witachtig zijn, zoodat in het geheel een indruk wordt teweeg gebracht, dien ik niet beter zou kunnen vergelijken dan met het meer of minder fijn genuanceerde bruin op de vleugels van een aantal vlinders. Bij het Londensche exemplaar kon men iets wat op strepen geleek weg nevelend nog waarnemen tot op het gebied der achterdijbeenderen. Merkwaardigerwijze is de lichte staart een echte paardestaart, wat den indruk verhoogt, dat men met een gewonen pony te doen heeft, een indruk, die misschien nog veel sterker zou kunnen zijn bij minder willekeurig opgezette dieren.

Zoolang ik een dergelijken Quagga in het museum bestudeerde, heb ik de gedachte niet van mij kunnen afzetten, dat hij er uitzag als het resultaat van een kruising van een bruin tam paard met een Burchell’s tijgerpaard-zebra, die toch reeds onder het kniegewricht de strepen mist. In den Berlijnschen dierentuin leeft een „zebroïde”, dat wil zeggen een dergelijke werkelijke mengvorm van een hengst van een gelen Shetland-pony en een zebra-merrie, een dier, dat reeds eenigszins dergelijke fijn genuanceerde sepiakleuren doet zien. Maar in aanmerking genomen het feit, dat de eerste kolonisten in Zuidafrika den Quagga reeds aantroffen in talrijke kudden, is die losse gedachte natuurlijk niet vol te houden; met wat voor geïmporteerde paarden zou die kruising in onbekende dagen zijn geschied? In weerwil van dit alles blijft er voor mij toch nog altijd iets geheimzinnigs over in den Quagga. Des te meer is het te betreuren, dat die merkwaardigste soort onder de zebra’s niet meer bestaat.

Voor de overige dier harlekijnachtige wilde paarden zou ik als echte tijgerpaarden die soorten willen nemen, die tusschen de echte donkere strepen nog een soort schaduwspel van meer of minder duidelijke bijstrepen vertoonen; als echte zebra’s daarentegen alle dieren met het typische, zuiverzwarte traliewerk. Of de grondkleur daarbij meer geel of meer wit is, schijnt af te wisselen met leeftijd en geslacht binnen rassen uit dezelfde streken.

Ook in de beteekenis van die ruwe oudste definitie is het in ieder geval zeker, dat de tijgerpaarden een duidelijk uitkomende neiging vertoonen tot pooten, die bijna geheel vrij zijn van strepen. Bij de soort, die oorspronkelijk in alle zoölogische tuinen onder den naam van Burchell’s tijgerpaard bekend was en in die dagen dikwijls was ingevoerd, schijnen de strepen zelfs reeds op het bovenbeen te verbleeken; men is meestal van meening, dat die soort ook reeds in vrijheid volkomen is uitgeroeid, terwijl onze tuinen nog echt gefokt materiaal bezitten. Door de verflauwde tusschenstrepen en den algemeenen meer in het bruin loopenden grondtoon moet dat Burchell’s tijgerpaard op de kolonisten in den Oranjevrijstaat in ieder geval zóó sterk den indruk hebben gemaakt van een Quagga, dat zij het „de bonte Quagga” hebben genoemd. Maar veel sterker en donkerder gestreept over de achterpooten is het schoone tijgerpaard, dat in Duitsch Zuid-westafrika nog tegenwoordig bestaat, de zoogenaamde Damara-zebra. Uit een geografisch oogpunt zijn in ieder geval die tijgerpaarden de eenige Zuid-Afrikaansche wilde paarden, die van het zuiden uit ook nog een eind ver opklimmen naar de westkust.

De uit een geografisch oogpunt „echte zebra’s” gaan daarentegen van het uiterste deel van het Kaapland tot aan het gebied der ezels in Somaliland consequent door Oost-Afrika heen. De beide zebra’s, die in hun strepen het schoonste zijn en die merkwaardiger wijze aan hun lange ooren en andere kenmerken het meest op ezels gelijken, geven als het ware de hoekpijlers aan en wel: de reeds het langst bekende echte zebra of het bergpaard in het Kaapland en de zebra, die in den laatsten tijd hoe langer hoe veelvuldiger in de zoölogische tuinen wordt gevonden, de Grevy-zebra in Somaliland zelf. Van de daar tusschen gelegen overgangsvormen noem ik als den meest bekenden den „Böhms-zebra” uit het gebied van den Kilimandsjaro. Met zijn „gestreepte kousen”, die zich uitstrekken tot op den hoef komt hij bijzonder goed uit op de voortreffelijke met magnesiumlicht genomen photografieën van Schillings.

De Grevy-zebra was voor mij, toen ik hem voor het eerst in Londen zag, een ware verrassing. Een zoo kolossale zebra, waarbij de bergpaarden en andere kleine soorten tot ponys inkrompen, had ik absoluut niet voor mogelijk gehouden. De wonderen van de teekening, zoo fijn als de graten van een visch, en van het contrast tusschen wit en zwart hebben daar hun hoogtepunt bereikt. Geen enkele zebra maakt in zoo hooge mate den indruk, als ware hij met zwart lak op een melkwitten achtergrond kunstmatig geschilderd, en lijkt zoo volmaakt onmogelijk als natuurproduct. Daarbij schijnt er voor gezorgd te zijn, dat die allernieuwste indruk ons nog het meest getrouw blijft in de zoölogische tuinen, terwijl het echte bergpaard uit het Kaapland noodzakelijker wijze daar moet ondergaan onder den invloed der onverbiddelijke cultuur.

Gedurende langen tijd was die veel kleinere, maar wonderlijk rijk over het geheele lichaam, ook over de pooten, gestreepte vorm uit het Kaapland de eigenlijke schat in onze afgesloten zebraparken. In Berlijn heeft een oude merrie, die het meer dan een kwart eeuw flink heeft uitgehouden, mij het eerst van het tijgerpaard geleid tot het type van den echten zebra, en mij de liefde voor den zebra in het algemeen ingeboezemd, die ik, zij het ook van verre, nog tot den huidigen dag heb behouden; in de nabijheid als „vriend” is de zebra een valsche, bijtachtige kwant, waaraan men nog steeds bemerkt, wat toch altijd in het wezen der zaak het meest interessante aan hem is: het wilde paard. Ik heb mij daarom dan ook nooit zoo warm kunnen maken voor het debat, dat in den laatsten tijd zoo levendig is gevoerd over de mogelijkheid den zebra blijvend te temmen, en over zijn bruikbaarheid voor de cultuur. Voor mij is in de eerste plaats een werkelijk actueel vraagstuk, hoe de zebra als wilde vorm kan worden gered door alle mogelijke middelen der moderne bescherming tegen de jacht. Dat het mogelijk is, een zebra oppervlakkig, individueel te temmen, is tegenwoordig absoluut zeker, in weerwil van allen vroegeren twijfel. Tegenover de hoop om den zebra snel op den duur te temmen tot een echt cultuurdier, zooals ons cultuurpaard dit is, sta ik desniettemin even sceptisch als tegenover alle andere pogingen, om uit wilde dieren in een paar geslachten huisdieren te willen fokken. Wij menschen zijn tegenwoordig ten gevolge van bepaalde werkelijk kolossale gevolgen in den vooruitgang der cultuur allen eenigszins in het stadium der geestelijke koortshitte. Wij willen overal loopen met zevenmijls laarzen. Maar tegenover dergelijke karakterwijzigingen in het levende wezen zullen wij nog wat bemerken van de taaiheid der natuur, van de rotsgevaarten, die niet met geweld kunnen worden verbrijzeld, maar die alleen door een duizenden jaren voortgezet druppelen kunnen worden uitgehold.

Uit een historisch oogpunt mag men wel met zekerheid uitspreken, dat de zebra met het werkelijke oorspronkelijke temmingsproces van ons paard in niet den minsten samenhang staat. Geen enkel ras onzer getemde paarden vertoont het geringste spoor van de physionomie van den zebra. Alle zebra’s staan zóó geïsoleerd naast ons paard, dat men, wat de uiterlijke gedaante betreft, geen oogenblik verwonderd zou zijn, als de zebra in het skelet nog ergens een overtolligen teen of één dier oudere kenmerken aanwees, die hem zou doen kennen als een overlevend overblijfsel van één dier oudere groepen van paardachtige dieren. Doch zóó ver staan zij zuiver systematisch niet van elkander. Maar des te duidelijker ontbreekt iedere historische aanwijzing van een nauweren samenhang met onze cultuurgeschiedenis.

Hoewel ook de zebra komt tot in Somaliland, dus in het stamgebied van den ezel, is toch, even zeker als het feit, dat de ezel over Egypte in de beschaafde wereld is binnengetreden, het andere feit, dat het paard niet langs dien weg is binnengekomen. Egypte zelf heeft het paard eerst veel later gekregen, en als alle teekenen ons niet bedriegen, van het noorden uit. Zelfs echter indien er op den niet-Egyptischen noordelijken rand van Afrika van oudsher een zelfstandig uitgangspunt zou geweest zijn voor het fokken van tamme paarden (wat volstrekt niet bewezen is), dan zouden niet de tropische zebra’s daarvoor in aanmerking moeten komen, maar achterblijvers der diluviale Europeesche wilde paarden, waarvan men de beenderoverblijfselen in Algiers heeft gevonden.

Over die punten is men het dan ook vroeg tamelijk wel eens geweest. De vraag, die zich dan echter met kracht naar voren drong, was deze: waar dan ons tamme paard van afstamde.

Het eerste aannemelijke vermoeden wees op Azië. Men moet zich hierbij een oogenblik terugdenken in de andere voorstelling van de negentiende eeuw omtrent den geheelen gang der beschaving in het algemeen. In Azië wortelde, naar men meende, alle cultuur. Van hier uit hadden zich van oudsher cultuurvolken met golfbewegingen in westelijke richting voortbewogen. Een dergelijke golf was in de gedaante der „Kelten” over geheel Europa heengeslagen. Daarop volgde, de vorige gedeeltelijk overstroomend, van het oosten naar het westen een Germaansche golf, en daarop een Slawische. Bij een dergelijke voorstelling kwam een oorspronkelijk zelfstandige cultuur voor Europa zoo goed als niet in aanmerking. Europa rekende evenmin mede voor de oude cultuurdieren en dus evenmin voor het paard. Zoo bleef dan Azië alleen over. In de periode, waarin de geschiedenis van het huisdier op zuiver philologische grondslagen was gegrondvest en berustte op bewijzen, aan taal en literatuur ontleend, in de tweede helft der negentiende eeuw, toen de even geestige als op taalkundig gebied zaakkundige studiën over huisdieren en cultuurplanten van den energieken, in zijn bijzonder gebied zich absoluut souverein voelenden Viktor Hehn de opvattingen beheerschte, zonder dat men dadelijk haar eenzijdigheid bemerkte,—scheen het eenvoudig van zelf sprekend, dat men uitsluitend in Azië kon zoeken naar de voorouders van het paard.

Men hoorde nu in het eerst van „wilde paarden” uit de zuidoostelijke Russische steppe, dus ten minste nog in het naar Azië openstaande grensgebied. Zij werden beroemd onder den naam van „Tarpans” en hebben tot een uitgebreide literatuur aanleiding gegeven. Tegenwoordig mag men wel als vaststaand aannemen, dat de Russische Tarpan, die in zuiveren vorm niet meer is op te sporen, ook vroeger nooit „zuiver” is geweest in den zin van een oorspronkelijk wild paard, maar gerecruteerd is uit verwilderde afstammelingen van een aantal oude cultuurrassen, die onderling gekruist hebben; uit de kruising van die rassen zou hij als het ware proefondervindelijk nog tegenwoordig te maken zijn in zijn typischen vorm. In die dagen beschouwde men den Tarpan niet alleen als een werkelijk wild paard, maar men beschouwde hem gewoon weg als volkomen Aziatisch. Duistere geruchten over wilde paarden in de meer of minder geheimzinnige steppen van Centraal-Azië werden zóó gecombineerd, dat het Tarpanpaard als oorspronkelijk wild paard van steeds nog te herkennen gelijkenis met het cultuurpaard, maar toch „wild”, zich ten slotte nog tot in de woestijn Gobi op Chineesch gebied uitstrekte. Toen het eenmaal gevangen was in den binnen-Aziatischen ketel, was de gevolgtrekking ten opzichte van den Tarpan niet zoo moeilijk, dat de ééne of andere der oude culturen aan den rand van dien ketel het dier in het grijze verleden uit dien ketel heeft opgevischt.

De reactie bleef echter al spoedig niet uit. Reeds vroeg werd de Tarpan een problematiek dier. Het bleek, dat die zoogenaamde Tarpans van Perzië tot de woestijn Gobi, goed in het licht gezien, eenvoudig dezelfde waren als de vroeger besproken Onagers en Dziggetais, dus als wilde ezels. Ten einde raad nam Brehm, die één der weinige kenners uit eigen aanschouwing van de Aziatische steppe was, zijn toevlucht tot den uitweg, dat hij in een dergelijken wilden ezel zelf den Trans-Caspischen Koelan, dien hij gelijkstelde met den werkelijken Chineeschen Dziggetai der woestijn Gobi, den stamvader zag van ons cultuurpaard. De trotsche pracht dier wilde Aziatische dieren, die hij voor het eerst volkomen had leeren kennen, hield hem gekluisterd en gevangen. Maar toch was aan die opgedrongen oplossing op den duur niet ernstig te denken.

De twijfel aan het denkbeeld van Brehm vertegenwoordigde dan ook een zeker keerpunt. Ondertusschen was er een geheele reeks van nieuwe feiten bekend geworden over het ten minste eertijds voorkomen van wilde paarden midden in de voornaamste cultuurlanden van Europa. Uit de diluviale periode kwamen tallooze overblijfselen van paarden in Frankrijk en Duitschland, en zelfs tot in Zweden voor den dag. Ongetwijfeld had men hier te doen met inheemsche wilde paarden. Zij liepen reeds parallel met een eveneens inheemsche Europeesche cultuur, een praehistorische cultuur. Maar die cultuur bezat in het begin nog geen huisdieren. Op het paard werd jacht gemaakt als op een wild dier der steppe. In Westeregeln bij Maagdenburg liggen zijn beenderen midden tusschen die van andere wilde steppendieren, bij wie nooit sprake geweest kan zijn van temming. In een Zweedschen schedel, die afkomstig is van een jong paard, steekt nog een vuursteenwapen der steenperiode. Op een vindplaats onder een hoogen rotswand bij Solutré in Frankrijk liggen overblijfselen van vele duizenden paarden op een zóó karakteristieke wijze bij elkander, dat men bepaald moet aannemen, dat de praehistorische mensch hier langen tijd gewoon was vluchtige wilde paarden over den kling te jagen en zóó tot een zekeren buit te maken. Eindelijk werden als bewijsstukken, die voor goed den doorslag gaven, op ivoor gesneden figuren en verrassend goed uitgevoerde teekeningen, voor een deel groote muurteekeningen in holen ontdekt van de hand van praehistorische kunstenaars op de overoude Fransche cultuurplaatsen van een niet bij name bekend, maar blijkbaar zeer begaafd volk, waarop een diluviale dierenwereld, nog volkomen duidelijk te herkennen, was voorgesteld. Naast teekeningen van den mammouth vindt men daar ook teekeningen van een paard van een steeds terugkeerend, hoogst karakteristiek type. Bepaalde trekken daarin, bij voorbeeld een dichte baard aan de kin, schenen nog duidelijk te wijzen op de dik behaarde dieren van den rand der gletschers uit de ijsperiode, waartoe ook de roodbonte neushoorn en de mammouth met zijn geelbruin wollen kleed en zijn manen hebben behoord. Maar aan den anderen kant leek de vorm ook reeds in het oog vallend op bepaalde zware oud-Europeesche cultuurrassen met een langen, zwaren, in het dik gewelfde neusgedeelte ver vooruitstekenden, kop en met dikke pooten.

Dit praehistorische bewijsmateriaal is na dien tijd hoe langer hoe zekerder en klemmender geworden. Maar als de dingen zoo waren, dan moest men zich toch de vraag stellen, of niet, naarmate de Europeesche cultuur verder voortschreed, het paard juist in Europa werkelijk voor het eerst is getemd geworden. Hier werd nu ook het materiaal van gewicht, dat scheen te bewijzen, dat het Europeesche wilde paard volstrekt niet ongeveer op het allerlaatst der diluviale periode evenals de mammouth en de roodbonte neushoorn in het land was uitgestorven, maar dat het ten minste op enkele plaatsen feitelijk als zoodanig tot zelfs ver in de historische tijden heeft voortgeleefd. Inderdaad kunnen uit de oudere literatuur een groot aantal mededeelingen over „wilde paarden” in het Duitsche woud worden bijeengebracht. Dat het Duitsche wilde paard, oorspronkelijk een steppendier, zich in het overgebleven gedeelte van het Duitsche oerwoud, waar het nog bestond, voor de toenemende cultuur zou hebben teruggetrokken, zou niet zoo bijzonder te verwonderen zijn. Dat aan den anderen kant een bosch, dat nog langen tijd wisents, oerossen, elanden geherbergd heeft, ook een goede schuilplaats kon aanbieden aan wilde paarden, is ook duidelijk. De verschillende opgaven uit de literatuur zijn merkwaardig eenstemmig. In de „Benedictiones ad mensas Ekkehardi”, de zegeningen over de spijzen, door Ekkehard IV, den magister scholarum in het klooster St. Gallen in Zwitserland gegeven, vindt men ook een dergelijke zegening voor het vleesch van het „wilde paard.” In een andere bron van het jaar 1593 wordt weer melding gemaakt van wilde paarden in Wasgau. In de rechtsverslagen van Kaiserslautern worden tot in het begin van den dertigjarigen oorlog „wilde paarden” genoemd, die huisden in de diepe bosschen van de Pfalz, zich daar vermenigvuldigden, en des nachts losbrekend als de wilde zwijnen, zóó groote verwoestingen aanrichtten in de bebouwde velden, dat de stad in het jaar 1616 drie afzonderlijke boschwachters tegen de wilde paarden moest aanstellen. Hahn (niet Hehn, maar een ander onderzoeker der huisdieren) heeft in het jaar 1892 op zeer overtuigende gronden de stelling verdedigd, dat de „grimme Schelch”, die in het Nibelungenlied nog als een groot stuk wild genoemd wordt, waarop te gelijk met den tegenwoordig verdwenen oeros werd jacht gemaakt, een wilde hengst is geweest; het woord wordt daarbij afgeleid van „Beschäler” (dekhengst.) Nog in het jaar 1537 leest men, in een keukenrekening uit Lippe, van een hengst, die gezonden werd als „Beschäler” bij de wilde paarden. Toen men uit de moerassen van Ierland bijzonder goed geconserveerde, meestal zelfs nog door stukken huid omgeven geraamten van een hert met een kolossaal gewei had leeren kennen, dat wel is waar tegenwoordig niet meer bestaat, maar in Europa eerst betrekkelijk laat scheen te zijn uitgestorven, werd het een algemeen verbreide hypothese, dat in dien wonderlijken „Schelch” dat toen ten tijde nog voortlevende of in ieder geval in sagen nog gekende reuzenhert stak. Maar feitelijk is er geen enkel verder feit, dat een bewijs zou zijn voor het later voortleven van dat in verschillende opzichten raadselachtige diluviale hert tot in de historische tijden; het zou dus meer dan vermetel zijn, daartoe te concludeeren uitsluitend op grond dat hier een „grimmig” jachtdier uit oude dagen voorkomt, dat wij niet onmiddellijk kunnen thuis brengen. De wilde hengst past echter uitstekend in het kader.

Nu is trouwens ten opzichte van al die „wilde paarden” uit de oudere bronnen beweerd geworden, dat men hier gedeeltelijk ook weer te doen heeft met verwilderde vluchtelingen uit oorlogstijden, die zich in het oerwoud, waar dat nog bestond (en in enkele streken bestond het zelfs zeer laat nog weelderig genoeg), tijdelijk zelfstandig hadden gevestigd; gedeeltelijk echter ook met vorstelijke stoeterijen, waar cultuurpaarden in half verwilderden toestand gehouden werden, die zoowel landbouwer als stadbewoner van tijd tot tijd plaagden als wilde dieren. Dit mag enkele medegedeelde feiten verklaren, doch moeilijk juist de meest interessante. Bij stoeterijen van wilde paarden met „grimmige” dekhengsten in het diepe eenzame woud zou men ook deze vraag kunnen stellen, of niet juist die dieren zelf een bewijsstuk waren voor nog laat behouden gebleven overgangstrappen van het temmingsproces. Ik herinner aan hetgeen vroeger gezegd is van den hengst en zijn zoo late temming. Misschien heeft men nog zeer lang de dekhengsten in een soort van overgangstoestand gehouden als half wilde dieren en dieren van het woud, wat echter niet uitsloot, dat zij reeds hun rechtmatigen eigenaar hadden en in het algemeen beschouwd werden als hulp verleenende cultuurdieren.

In ieder geval heeft de meest zorgvuldige critiek die zaken niet weer geheel uit de wereld kunnen helpen. En zoo neigde zich het tongetje van de weegschaal hoe langer hoe sterker naar Europa toe, terwijl te gelijker tijd even zeker de hoop begraven werd, een wild paard, waarin de voorvader van ons cultuurpaard zou kunnen steken, nog levend terug te vinden. Daartoe was Europa reeds lang te zeer verlicht. Het voorvaderlijke paard scheen evenzeer door zijn getemden kleinzoon te zijn opgezogen als de eveneens reeds lang ten onder gegane oeros van het oude Duitsche woud door het getemde rund.

In die schijnbaar nu zoo volkomen gezuiverde atmosfeer is echter toch weer een nieuwe ontdekking van den allereersten rang als de bliksem ingeslagen. In het jaar 1879 ontmoette de Russische reiziger Przewalski (spreek uit Pschewalski) in het wildste gedeelte der Centraal-Aziatische woestijn (in het Tarim-bekken) een wild eenhoevig dier, dat nu volstrekt geen wilde ezel, maar een absoluut echt wild paard was.

De Kirgiezen noemden het dier „Kertag”, de Mongolen „Taki”. Het was over het algemeen klein, maar met een grooten kop, het droeg ooren als van een paard, manenborstels als van een zebra, zonder kuif, en een staart, die over de bovenste helft alleen korte haren had en eerst van onderen eindigde in den echten paardestaart. De kleur kwam overeen met die der woestijn tusschen rossig en geel, de in het oog vallende dikke pooten waren van de knieën af zwart. Kudden van vijf tot vijftien stuks, merries en veulens met een ouden hengst als leidsman, waren bij elkander. De levendige, scherp speurende dieren hielden het meest van de naakte zoutwoestijn, waar bijna geen water te vinden was. Alleen in den winter was het mogelijk op hen te jagen, als de sneeuw voor de jagers het water kon vervangen. Tweemaal stootte de ontdekker op een kudde, zonder de gelegenheid te hebben hen onder schot te krijgen. Als een stormwind vlogen de dieren den hengst achterna. Maar een huid en een schedel, die langs anderen weg in het bezit kwamen van Przewalski, waren onmiddellijk voldoende om wetenschappelijk het dier te huis te determineeren.

Er was dezen keer geen sprake van verwilderde Mongoolsche cultuurpaarden. Men stond tegenover een echt wild paard, even goed als de zebra’s het wilde paard vertegenwoordigden. Maar nu tegenover het wilde paard, dat men had gezocht: en wel een wild eenhoevig dier, dat klaarblijkelijk uit een zoölogisch oogpunt behoort tot de engere groep, waartoe ons cultuurpaard behoort. Het hoogstmerkwaardige schepsel, waarmede een meer dan honderdjarige twistvraag in een geheel nieuw stadium trad, werd het Przewalskipaard gedoopt.

Na de eerste publicaties trad er weer een pauze in, gedurende welke geen verder bericht kwam, zoodat in de kringen der vakgeleerden reeds weer twijfel opkwam. Toen ondernam de zoöloog Büchner een expeditie naar Dzoengarije, uitsluitend ter wille van het wilde paard. Hij bracht ook gelukkig een paar merries levend naar Rusland mede. In het particuliere park van Falz-Fein in Askania Nova in Zuid-Rusland verscheen het merkwaardige dier voor het eerst als wetenschappelijk gevangene. Toen nu de belangstelling zoo algemeen was geworden, trad de Hamburgsche handelaar in dieren, Karl Hagenbeck, de groote leverancier van al onze groote Europeesche zoölogische tuinen, in het krijt. Hij verschafte zich 28 stuks levend voor den handel, uitsluitend jonge dieren, die allen in de nabijheid van Kobdo in West-Mongolië op Chineesch grondgebied gevangen waren. De Mongoolsche jagers hadden door plotseling opjagen van grootere troepen de veulens er toe gebracht, achter te blijven bij hun vluchtende moeders, en ze met een soort van lasso gevangen. In het kamp gebracht, waren de jonge dieren spoedig gewend geraakt aan tamme merries als pleegmoeders, aan wie men haar eigen jongen had ontnomen,—een leerrijke bijdrage voor het proces, dat zich zeker ontelbare malen op dergelijke wijze had herhaald in de temmingsgeschiedenis van het paard. Uit die bezending zijn al onze grootere dierentuinen van dergelijke exemplaren voorzien, en daar de veulens intusschen groot geworden zijn, kan men zich tegenwoordig van het Przewalskipaard een betere voorstelling maken dan van een aantal reeds veel langer bekende zoogdieren.