Part 3
Het hoogtepunt vertoont echter de constructie van het been zelf. Hier worden voor ons werkelijk al die geschetste eigenaardigheden onmiddellijk duidelijk, en blijken deze even zoovele machinale kunstgrepen te zijn uit dien geheelen samenhang. Het been is ontlast tot op de grens der uiterste mogelijkheid—zooals een boom, waarvan men alle takken heeft afgeslagen. Dat begint reeds bij de beenderen van het eigenlijke been, waarvan de onderbeenen, de evenwijdige dubbele beenderen, die wij menschen aan het onderbeen en den onderarm dragen (elleboogspijp en spaakbeen, scheenbeen en kuitbeen) tot een enkele stang beginnen samen te groeien, terwijl het toppunt bereikt wordt in dien beenachtigen steltvorm der voeten. Te gelijker tijd worden echter die rechte stelten, waarop het lichaam is geplaatst, tot op het uiterste bewegelijk gemaakt en in haar onderdeelen verschuifbaar. En juist daarvoor dient de kunstgreep met het naar boven schuiven van den voet hoog in de constructie van het been. Terwijl een beenachtig verlengd steil voetstuk zoowel wat plaats als wat wezen betreft in de plaats treedt van het onderbeen—het voetstuk tusschen het voornaamste teengewricht en het enkelgewricht—wordt dit teengewricht feitelijk enkelgewricht en het enkelgewricht kniegewricht. Vooral de streek van dat nieuwe enkelgewricht wordt daarbij de plaats van de meest volkomen beweeglijkheid. Zoo wordt voor dat geheele lichaamsdeel als het ware een gewricht gewonnen, en wel het oude kniegewricht. Terwijl het been op die plek reeds lang genoeg van afmetingen is, kan het daarboven liggende oorspronkelijke bovenbeen als het ware nog aan den romp verwerkt worden, het kan nog een zoowel stevig als beweeglijk been tot aanzetstuk van de spier tusschen het vrije lichaamsdeel en het stijve bekken en het stijve borstbeen schuiven als een door het lichaam stevig vastgepakten en bestuurden steel van het steile beenwerktuig daaronder.
Men zou wel is waar kunnen zeggen: in beginsel zou dit ook kunnen bereikt zijn zonder optrekken en verlengen van den voet, eenvoudig door een nieuw gewricht in te voegen bij voorbeeld midden in het been van het onderbeen en door het rekken der zoo gewonnen deelen van dat onderbeen. Maar het is nu eenmaal een karakteristieke trek bij de vorming van ieder skelet, dergelijke radikale vernieuwingen te vermijden, en tot aan het uiterste toe te komen binnen de grenzen van de algemeene grondschets van wat voorhanden is. Dit beginsel is reeds ongeveer zeventig jaar vóór het optreden van Darwin door Goethe uitgesproken in zijn voortreffelijke anatomische studies. Hij noemde dit de grondwet van het type. Een bepaald type van skelet was voor een dierengroep, bij voorbeeld die der zoogdieren, als grondvorm gegeven. Bij voorbeeld aan de onderste ledematen de verdeeling: bovenbeen, onderbeen, voetwortel, middenvoet, teenen, en dat alles aan elkander vastgeschakeld met beweeglijke gewrichten. Dat type trachtte zich steeds weer in ieder bijzonder geval te handhaven. Maar daar binnen had men dan de noodige speelruimte. De lengte der beenderen kan bij de verschillende diersoorten verschillend zijn. Het aantal teenen kan naar beneden toe afwisselen. En zoo voort. Goethe zelf verklaarde reeds die verschillen binnen de gegeven speelruimte volkomen juist als een aanpassing aan de telkens bestaande bijzondere wijze van leven der afzonderlijke diersoorten. Voor de ééne diersoort waren lange beenderen voor de pooten beter geschikt, voor de andere korte. Die aanpassing zette zich dus voort door de ééne of andere macht der natuur. Doch het type kan daardoor niet worden omgezet. Wij zouden tegenwoordig die wet Darwinistisch iets minder abstract opvatten, haar daarentegen echter scherper willen definieeren in de wijze van zijn tot stand komen. In het steeds weer doordringen van het „type” zien wij de erfelijkheid, die telkens op nieuw een oorspronkelijken gemeenschappelijken stamvorm van elke groote dierengroep ook nog in de verste nakomelingschap tracht voort te zetten, zoo ver het maar mogelijk is. In de aanpassing zoeken wij een werkelijke historische verandering van die nakomelingschap onder den aanhoudend gedurende groote tijdsruimten daarop inwerkenden dwang van zijn milieu, waarvoor Darwin in zijn leer der teeltkeus ook den korteren weg meent gevonden te hebben. Doch nog geen enkele theorie geeft een in ieder opzicht bevredigende verklaring. Er zijn daar nog uiterst raadselachtige zetten op het schaakbord der organisatie. Zoo sleepen bij voorbeeld optredende veranderingen, ook zonder het type op zich zelf in de war te brengen, dikwijls zeer bepaalde, blijkbaar aan vaste wetten gebonden veranderingen aan andere, volkomen daarvan onafhankelijke, lichaamsdeelen na zich, die niet in het minste verband staan met het nut dier wijziging. Darwin noemde dat de „wet der correlatie”, zonder die zelf verder te kunnen verklaren. Het maakt den indruk, als ware er nog een derde macht en een derde instantie behalve type en aanpassing. Overal zijn wij nog steeds omgeven door geheimen. Maar onafhankelijk van iedere theorie: in die wet der typen op zich zelf ligt een waarheid, dat is zeker. Als in den paardepoot een nieuw gewricht gebracht was, zonder dat dit aansloot aan het officieele type van het skelet, dan zou dit een schaakzet tegen het type hebben beteekend, en wij zien, dat dit steeds wordt vermeden. Daarom moet de voet zich weten te helpen met zijn gewone gewrichten, en moet hij hoog in het been passen.
Misschien dat nu menig lezer het paard uit dit oogpunt nog eens op nieuw beschouwt—en wel in verband met zijn merkwaardige eigenschap als sterk geprononceerd „voetdier”; men zou ook kunnen zeggen „handdier”, als men het uiteinde der voorste ledematen als hand beschouwt; in dat geval krijgt de zaak een nog veel dieper zin. Wij hebben in een ander werk [2] reeds een zoogdier besproken, dat met de handen door de lucht vloog: de vleermuis. Hier zien wij het dier (en het paard is slechts een enkel voorbeeld in dien zin voor een geheele reeks andere dieren, die dergelijke wegen hebben ingeslagen), dat in de ware beteekenis van het woord met de hand loopt, een schrale, dezen keer tot één enkelen vinger teruggebrachte hand, die tot den elleboog reikt, en een even schralen voet, die tot aan de knie reikt.
De gedachte, ontleend aan de ontwikkelingsgeschiedenis, zooals die ons half bij toeval weer in den zin kwam, bezit echter in dat prachtige bewegingsapparaat van ons paard uit den tegenwoordigen tijd nu nog een soort van classieke plaats, waaruit zij zich in weerwil van allen twijfel en alle aanvallen tot nu toe met geen middelen heeft laten verjagen. De paardepoot heeft, zooals ik zeide, slechts één teen, en omdat hij slechts één enkelen teen heeft, heeft hij ook slechts één enkelen teenwortel—zooals de anatoom het uitdrukt, slechts één enkel middelvoetsbeen, al is het dan ook zóó lang en zóó dik, dat het bevorderd is tot den rang van een werkelijk onderbeen. Die wijze van uitdrukking vereischt nu, zooals wij bij wijze van voorzorg reeds eenmaal hebben vermeld, een kleine verbetering—een wel is waar kleine, maar toch hoogst belangrijke.
Volkomen zonder beteekenis sluiten zich aan genoemde beenderen nog twee kleine beensplintertjes aan, die aan weerszijden van boven komen en die achterwaarts in een fijne punt eindigen, van geen belang in het gebruik, als gold het slechts werkelijk twee afgesplinterde woekeringen, die door het ééne of andere toeval vereeuwigd zijn. Naar hun vorm noemt men ze griffels of griffelbeenderen. Bij al hun onbeduidendheid is de plaats, waar zij gevonden worden, niet van zóó weinig beteekenis, dat zij ons niet noopt tot een bepaalde verklaring.
Ik vergeleek dien paardepoot met een stam, waar men alle takken heeft afgehouwen, namelijk alle andere teenen en teenwortels. Op een goed gladgemaakten boomstam zoude men echter de snoeiplaatsen nog als overblijfselen van stompjes herkennen. De griffelbeenderen van den paardepoot zitten nu juist daar, waar een zoodanig afgekapt overblijfsel van een „teentak” in stand zou hebben moeten blijven, als aan weerszijden naast den overgebleven „stamteen” een dergelijke tak zou zijn afgeknot. Zij bestaan uit één enkel lang stuk stift en vergezellen alleen den teenwortel, nu die behouden is gebleven: het zullen dus wel zelf ook alleen maar zulke overblijfselen van teenwortels zijn, geen teenstompjes zelf. Maar dat is reeds voldoende, om de zaak belangrijk te maken. Indien men nauwkeurig onderzoekt, hoe dat griffelbeen aan die onderlaag van den voetwortel zelf verbonden is, en iedere bijzonderheid overdenkt, dan wordt de zaak letterlijk absoluut zeker. Men heeft te doen met een geval van zoogenaamde „rudimentaire organen”, organen van een levend dier, die bij dat dier geen direct doel meer hebben voor het gebruik, maar die door de natuur nog steeds, hoewel in verkwijnden miniatuurvorm, in de groote inventaris van het lichaam worden medegevoerd, hetzij, omdat het de ontwikkeling nog niet is gelukt, ze geheel af te stroopen, hetzij (wat mij waarschijnlijker voorkomt), omdat zij (overdrachtelijk gesproken) als een soort van reserve worden medegesleept, om als het noodig mocht zijn desnoods weer snel te kunnen worden hersteld. Ons eigen menschelijk lichaam is vol van zoodanige overblijfselen, ik herinner slechts aan het beruchte wormvormige verlengstuk van onzen blinden darm, den zetel der ontsteking van den blinden darm, een gedeelte van de buik, die bij sommige zoogdieren een belangrijke afdeeling vormde van het darmkanaal, terwijl het bij ons niets anders is dan een verloren plekje, dat hoogstens somtijds de eigenschap heeft verwarring te stichten; de meeste rudimentaire organen hebben niet eens die eigenschap, zij blijven volharden in hun onverschillige rust.
Zoo dikwijls ergens een zoodanig verkwijnd orgaan wordt gevonden, heeft het, zooals reeds vroeger is medegedeeld, maar hier nog eens herhaald moge worden, voor ons begrip een gewichtige beteekenis. Het wijst namelijk op veranderingen in het verledene, op het opduiken van nieuwe organen van een andere soort en het op zijde treden van die organen, welke vroeger niet konden worden gemist, in één woord het wijst op ontwikkelingen, die hebben plaats gegrepen, op voorouders van het bedoelde schepsel, die een anderen bouw hadden. Zoo besluit men terecht uit de rudimentaire organen van ons menschelijk lichaam tot dierlijke voorouders van den mensch, daar die organen, die bij hem tegenwoordig buiten dienst zijn gesteld in afwachting dat zij misschien later weer in hun rol worden hersteld, en die alleen in rudimentairen toestand aanwezig zijn, bij bepaalde dieren nog in volle grootte en kracht worden aangetroffen.
Heeft ons paard dus in zijn beide griffelbeenderen aan iederen voet nog twee rudimentaire teenwortelbeenderen, dan zou dit bij hem moeten beteekenen, dat het oorspronkelijk moet zijn afgestamd van dieren, die, in plaats van één enkelen, drie zulke teenwortels bezaten. En daar bij drie teenwortels gemakkelijk drie teenen te denken zijn, moeten wij naar een stamvorm van het paard zoeken, die een voet bezat met drie teenen. En ook die laatste zaak wordt hierdoor zeker, dat af en toe wel eens onder het groote aantal onzer paarden abnormale gevallen voorkomen, waarbij aan zulke paardepooten niet alleen de griffelbeenderen ontwikkeld zijn, maar waarbij aan de ééne of andere griffel feitelijk ook nog werkelijk een overblijfsel van den teen hangt. Dit komt dan ook overeen met het somtijds waargenomen geval, dat een mensch een spitsoor of een uitwendig zichtbaren staart bezit, en dus enkele organen abnormaal nog eens in voltooiden toestand vertoont, die anders alleen nog maar in rudimentaire, verborgen aanwijzing bij het tegenwoordige menschengeslacht voortbestaan. Ja zelfs, er zijn gevallen bekend geworden, waar een dergelijke paardepoot zelfs een zóó volledig ontwikkelden bijteen droeg, dat ook nog de hoef daaraan zat, en dat ons dus een paard met twee echte hoeven (de abnormale was trouwens iets kleiner) aan denzelfden poot voor oogen werd geplaatst. Dergelijke merkwaardige paarden zijn reeds in vroegere tijden waargenomen. Men zegt, dat het beroemde rijpaard van Alexander den Grooten die eigenschap heeft bezeten. Ook Goethe kende dit feit en verklaarde het als een van tijd tot tijd naar voren treden van het type, dat oorspronkelijk aan alle zoogdieren meerdere teenen toekende, en dat ook daar, waar het zich tot één enkelen teen had laten terugbrengen, zijn ideëel voortbestaan gaarne nog eens in den vorm eener schijnbare abnormaliteit wilde aantoonen. Hebben wij hier ook werkelijk te doen met een ontwikkeling van één der beide normale griffelbeenderen en niet met een misgeboorte van den zich verdubbelenden hoofdteen (waartegen behalve andere redenen ook nog de ongelijkheid in grootte kan worden aangevoerd; tweelingen zijn gewoonlijk even groot), dan kan die geschiedenis werkelijk niet gemakkelijk duidelijker worden aangetoond. Daar in een dergelijk geval behalve dien ontwikkelden teen aan den bijhoef bovendien ook nog een griffelbeen bestond, wordt men hier verwezen naar een stamvorm met oorspronkelijk vier teenen.
Tusschen haakjes zij hierbij vermeld, dat meermalen vermoed is, dat ons paard zelfs in normalen toestand nog een laatste klein rudimentje vereeuwigd heeft van een voormaligen zijhoef in de bekende haarlooze en hoornachtige plekken in de nabijheid der vier voetwortels, die men de zwilwratten van den paardepoot noemt; de hoef van een verloren voortzetting van het griffelbeen zou dan hier, naar een eenigszins vreemde plek verdwaald, nog als een eeltplek oppervlakkig op de huid zijn gekleefd. Tegen deze meening is eigenlijk alles te zeggen, maar vooral ook dit, dat bij de zebra’s zoowel als bij de ezels, dus ook ongetwijfeld paarden en verwanten van paarden uit onze dagen, die zwilwratten aan de achterpooten eenvoudig ontbreken; als het hier een zoo belangrijk overoud rudiment der voorvaderen gold, dan zou het ongeloofelijk zijn, dat de taaiheid, waarmede het rudiment voortduurde, bij zóó verwante makkers zou schommelen tot aan een verdwijnen op bepaalde plekken. En inderdaad is men ook slechts op dat denkbeeld gekomen, omdat men tot op heden niet weet, wat die zwilwratten eigenlijk als actieve organen beteekenen. Misschien zijn het rudimenten van oude klieren. Wij hebben ze in ieder geval verder bij onze beschouwing niet noodig.
Voor onze beschouwing is alleen nog van belang, dat de ligging van den behouden gebleven paardeteen van onze dagen tusschen de beide evenwijdige griffelbeenderen aan weerszijden, zonder eenigen twijfel bewijst, dat die teen geen buitenste teen (dus in de beteekenis van onzen voet geen groote of kleine teen, in de beteekenis van onze hand geen duim of pink is), maar moet behoord hebben tot het middenstuk van den voormaligen waaier met de verschillende stralen als teenen. En de geheele anatomische toestand wijst er nog in meer beperkten zin op, dat die teen in de beteekenis van onze hand zelfs juist de middenstraal, de middenvinger is.
Hiermede zouden wij nu ongeveer gekomen zijn op het einde van datgene, wat de levende paardepoot van tegenwoordig ons kan leeren. Maar nu komen er juist op die plek een aantal werkelijk historische documenten bij, waarover, sedert zij bekend zijn geworden, bij de zoölogische theoretici van alle partijen twist en vreugde over de overwinning met elkander hebben afgewisseld—waarvan echter in ieder geval zóóveel vaststaat, dat zij bijzonder merkwaardig zijn.
Cuvier, met wien de wetenschappelijke kennis der uitgestorven dieren uit vroegere perioden van de geschiedenis der aarde haar eerste triomfen vierde,—Cuvier, die als theoreticus niet geloofde aan ontwikkeling, maar aan telkens zich herhalende moeilijk te begrijpen nieuwe scheppingen in den loop van de geschiedenis der aarde, wist nog niet, waar hij in het stelsel der levende dieren aan het levende paard zijn vaststaande plaats moest aanwijzen. Het moest voor hem natuurlijk buiten twijfel zijn, dat het een „hoefdier” was. Het was immers juist het grondtype van een hoefdier. Maar het ontging Cuvier niet, dat het begrip „hoefdier” bij de zoogdieren niet maar zoo onder een hoed kon worden gevangen. Een groote groep van die hoefdieren, de runderen, geiten, schapen, herten, kameelen, giraffen, hadden, behalve hun hoeven, nog de karakteristieke gewoonte van het herkauwen. Van daar dat hij die dieren, die inderdaad allen merkwaardig met elkander overeen kwamen, als orde der herkauwende dieren samenvatte. Nu bleven voor hem echter als rest der hoefdieren over: de olifanten, (juist door hem tot verbazing van alle vakgenooten hieronder gerangschikt) klipdassen, die de grootte hadden van konijnen, de zwijnen, de nijlpaarden, de neushoorns, de tapirs en eindelijk de paarden zelf. Het was zeker wel het ongelukkigste oogenblik bij de geheele systematiek der zoogdieren van Cuvier, toen hij voor die bonte reeks den titel „Pachydermen”, dikhuidigen uitvond. Dat woord spookt nog steeds in de hoofden, en in de natuurlijke geschiedenis van het volk is het een zóó gewone uitdrukking geworden, als geen tweede kunstmatige uitdrukking van het nieuwere stelsel. Ieder meende, dat hij daarbij iets kon denken, en toch kan men zich feitelijk bij een juiste systematiek wetenschappelijk niets daarbij voorstellen. Onder die groote onheilsrubriek maakt Cuvier ook nog een paar onderrubrieken, die niet veel gelukkiger waren. De olifanten en de klipdassen nam hij bij elkander, wat nog de beste zet was, de zwijnen echter bracht hij samen met tapir en neushoorn tot een werkelijken anatomischen Minotaurus, en de paarden liet hij weer als eenhoevige dieren geheel op zich zelf staan. Om het maar dadelijk te vermelden: bij de volgende poging tot systematiek is ten minste getracht, de paarden uit dien warwinkel weer uit te visschen, maar voorloopig wist men nog niet goed, waar ze heen te brengen. Als een mozaïek van zwijn, tapir, neushoorn, nijlpaard, klipdas en olifant heeft een afgesloten orde van hoefdieren nog voortgeleefd in de eerste drukken van Brehms „Leven der Dieren”, door welk werk de ongelukkige zaak nog wel het meest onder het volk is verspreid. Tegenwoordig is zij wetenschappelijk voor goed dood, en er kan niet genoeg op gewezen worden, dat het wenschelijk is, dat het woord „dikhuidigen” ook weer uit het spraakgebruik wordt uitgeroeid.
Dezelfde Cuvier (aan wiens onvergankelijke grootheid dergelijke dwalingen in de bijzonderheden volstrekt geen afbreuk doen) ontdekte aan het paard ten minste één geheel nieuwe zaak. Hij stelde uit versteende beenderen vast, dat er reeds in een tamelijk ver verleden van de geschiedenis der aarde dieren bestonden, die op paarden geleken. Reeds in de oudere tertiaire periode hadden dergelijke paarddieren, zooals men het Latijnsche woord „Equida” zou kunnen vertalen, in kudden rondgesprongen op den bodem van het tegenwoordige Frankrijk. Het moest reeds toen, onmiddellijk na zijn ontdekking, den indruk maken, dat over de paardenbeenderen uit de voorwereld een bijzonder gunstig gesternte had geschenen. Hetzij het een gevolg was van de groote hoeveelheid individuen bij die dieren, hetzij van hun samenblijven binnen een eng begrensd gebied, dat op dezelfde plek bij gelegenheid eener catastrofe geheele catacomben bijeen lagen, hetzij dat paardebeenderen een groot weerstandsvermogen bezaten—zeker is het, dat de oude aarde, die ons in haar eigenzinnigheid zooveel heeft onthouden, in dat geval bijzonder verkwistend was en bleef. Reeds in de eerste tientallen jaren na Cuvier werd het waarschijnlijk, dat wij meer zouden vernemen over het voorwereldlijke paard dan misschien over eenig ander zoogdier der oude tijden. Toen de ontzaglijke vindplaats van beenderen van tertiaire zoogdieren bij de pachthoeve Pikermi dicht bij Marathon—een in dubbele beteekenis classieke plek—ontbloot werd, kwamen daar zóó volledige overblijfselen van geheele exemplaren van tertiaire voorwereldlijke paarden voor den dag, dat in het museum te München het skelet van een zoodanig voorwereldlijk dier even gemakkelijk kan worden opgericht als van een tegenwoordig bestaand paard. De kroon werd daarop echter in lateren en zelfs in den laatsten tijd gezet in Amerika.
Theoretisch zou er niet gemakkelijk een plek op aarde kunnen gevonden worden, waar men minder naar overblijfselen van paarden zou moeten zoeken dan Amerika. Toen Columbus Amerika voor ons had ontdekt, en de Spaansche goudzoekers in een vreeselijk bloedbad de inheemsche Indiaansche beschaving van Mexico en Peru uitroeiden, waren de van Europa medegebrachte paarden een belangrijke factor voor het succes van hun ruw optreden. Geen bewoner van Mexico of Peru had tot nu toe een ruiter te paard gezien, evenmin als een vuurwapen. Het paard was, ten minste in symbiose met den cultuurmensch, in geheel Amerika in die dagen onbekend. Of het in wilden staat nog in enkele troepen daar ergens bestaan heeft in de dagen van Columbus en Cortez, is eerst in den laatsten tijd tot een onderwerp van debat geworden; wij zullen daarover nog spreken. Maar in ieder geval is dit punt eerst ter sprake gekomen, nadat men op het einde der negentiende eeuw het verwonderlijke feit had geconstateerd, dat geen land, van het hoogste noorden tot het laagste zuiden, zóó opgepropt vol lag met fossiele beenderen der meest verschillende soorten van paarden en paardachtige dieren, als Amerika.
In Amerika hebben twee dingen elkander voor de palaeontologie, de leer der voorwereldlijke schepselen, in de laatste tijden in de hand gewerkt. In de eerste plaats de omstandigheid, dat daar geheel aan de oppervlakte, dikwijls werkelijk voor het grijpen, voorwereldlijke dierenbeenderen in bijna ongeloofelijke massa bij elkander rusten. Maar bovendien de wijze van exploiteeren. Daar ginds wachten die schatten der wetenschap niet, totdat een industrieel, die voornemens is een steengroeve of een mijn te exploiteeren met het doel, daaruit winst te behalen, toevallig terloops daarop stoot. De palaeontologie is daar een sport. Millionairs, die reeds lang hun zaken aan kant hebben gedaan, werpen zich op dat vak, zooals zij zich op renpaarden of zeilwedstrijden werpen. Dit heeft een ontzaglijk materiaal geleverd. Al loopt er van tijd tot tijd wat reclame onder, om toch maar het record te slaan in het vinden van den „langsten sauriër”, of om alle voorgangers te overtreffen met een paar meters brontosaurus of diplodokus: toch blijft het waar en is het feitelijk van belang, dat de palaeontologie door die Amerikaansche millioenen een sprong vooruit heeft gedaan verder dan men tot nu toe had vermoed. De groote afgietsels van het kolossale skelet van den diplodokus, die tegenwoordig herhaaldelijk ook in onze Europeesche musea als geschenk van de overzijde worden opgenomen, steken uit als een uitwendig symbool. De beslissende en voornaamste beteekenis ligt echter in den detailarbeid, die er bij komt, nadat geschoolde geleerden het materiaal zorgvuldig hebben onderzocht. Onder dat soliede werk, dat als zoodanig niets meer te doen heeft met het sportvermaak, en dat dus niet deel neemt aan zijn stemmingen en goedmoedige overdrijvingen, staat nu de arbeid omtrent het paardengeheim bovenaan. En zoo is een eenvoudige keten van vaststaande gegevens voor den dag gekomen, die als zoodanig buiten elke theorie staan en door iedere partij bepaald moeten worden toegegeven.
In het diluviale tijdperk (dus ongeveer in de dagen der noordelijke groote glaciaire periode met haar warmere tusschenperioden, haar verbinding met steppenperioden en haar vervanging in zuidelijke streken door groote regenperioden en allerlei andere beroeringen op onze planeet) leefde in Noordamerika en (door landverhuizing) ook in Zuidamerika in groote hoeveelheden ons thans nog bestaand paard. Natuurlijk als wild paard, zooals het tegenwoordig nog in Centraalazië bestaat en eenigszins anders, als zebra, in het heete Afrika. Maar in het skelet reeds typisch de als paard aangeduide soort, dus met slechts één teenwortel en teen aan den voet en twee zwakke rudimentaire griffelbeenderen daarnaast.