Part 16
Het tweede belangrijke feit is ten slotte het binnendringen ook van het echte edele paard in de engere „oostersche” beteekenis, van het „Arabische” paard, in onze Europeesche paardenwereld, en wel beslissend in den meest noordwestelijken hoek. Het Babylonisch-Arabische edele dier, dat toppunt der geheele paardencultuur, die bereikt is in den oostelijken hoek van het gebied der Middellandsche zee en die duizenden jaren is veredeld, heeft zich ongetwijfeld eerst langzaam in westelijke richting in beweging gezet na den achteruitgang der Romeinsche beschaving in het gebied der Middellandsche zee, te gelijk met het opkomen van het nieuwe oostersche tijdperk der Arabieren zelf. Terwijl de van ouds beroemde paardenlanden van de classieke oudheid, het Russische oosten, den invloed daarvan in het geheel niet ondervonden, en bij hun slechter, oostersch, oud type bleven volharden, marcheerde het edele ros eerst op den noord-Afrikaanschen zoom der cultuur op Europa af. Het is mogelijk, al is het dan ook niet bewezen, dat het westelijk daar naar voren dringend het eerst is gestooten op een afzonderlijk oostersch ras, dat reeds lang getemd was uit inheemsche wilde paarden der noord-Afrikaansche kust, en daarmede kruisend, het tegenwoordige Berber-ras heeft voortgebracht, dat het Arabische bloed met een beslist vreemden trek heeft vermengd. Het heeft daarna, het eerst te gelijk met de Arabieren, Europa betredend op den meest onwaarschijnlijken uithoek, den zuidwestelijken, iets dergelijks gedaan met een eveneens nationaal fokras in Spanje, en zoo het typische Spaansche paard voortgebracht, dat daarna voor het eerst oostersch edel bloed ten minste als toevoegsel van den tweeden graad in het verdere beschaafde Europa (vooral in Oostenrijk) practisch heeft ingevoerd en voor het eerst een Europeesch heerenpaard heeft geschapen, dat ten minste eenigszins Arabische trekken vertoont. Toch bleek die geheele weg slechts een halve en flauwe stoot voorwaarts, evenals het op nieuw ontdekken van het centrum der echte edele paarden door de kruistochten in het bijna verloren gegane oosten. Beslissend werd eerst sedert de tweede helft der zeventiende eeuw het bewuste en voortaan steeds meer systematische ingrijpen en doortasten van de meest noordwestelijk gelegen Europeesche cultuurnatie, de Engelschen. Dat tijdvak stelt het grootste moment vast der geheele geschiedenis van het paard sedert het begin der oud-oostersche cultuur van het edele paard, en tevens het meest belangrijke moderne moment. Het betrof dezen keer niet een toevallige strooming der volksbeweging van oost naar west, maar het gold een bewust invoeren van iets wat op verre afstanden veroverd was, door een volk, dat een internationaal oog ontwikkelde, dat reikte over de geheele aarde met een slimme keuze van datgene, wat te huis het grootst mogelijke nut zou kunnen opleveren. De Engelschman haalde het beste en edelste Arabische materiaal naar zijn vaderland, zooals men dieren haalt voor een zoölogischen tuin, vermengde dat met een kleinen scheut inheemsch, Europeesch bloed, als het ware voor inwendig acclimatiseeren, en schiep als practisch zoöloog dat Engelsche slag van het oorspronkelijk Arabische ras, dat men met volle recht den veredelden Arabier zou kunnen noemen: het Engelsche volbloed-paard, den koning der renpaarden en het nieuwe ideale type der geheele Europeesche, ja zelfs internationale paardenfokkerij.
Op nieuw keerde men nu terug tot de opvatting, die het oude oosten reeds eenmaal had bezeten en practisch had bevestigd: dat dit type, zooals dit in hoofdkenmerken door het Arabische paard werd uitgedrukt, ook voor onze Europeesche cultuur het gegeven heeren- en sportpaard was, het aesthetische paard in tegenstelling met het zware werkdier, het karrepaard. Als men een oostersch ras wilde, dan moest het dit zijn. Zoo is in navolging van het Engelsche paard, al is het dan niet tot een zoo hyper-aristocratisch uiterste, of liever gezegd met een zoo hyper-sportdoel—het Duitsche edelste paard, de Trakehner, met dergelijk vreemd, doch specifiek edel bloed ingeënt, tot zijn tegenwoordigen evenzeer wereldberoemden glans gekomen. Ook het Hongaarsche paard is zoo veredeld, en welke geliefde soorten er nog meer zijn.
Wat oorspronkelijk in den rijkdom der plaatsen, waar het oostersche type oorspronkelijk gekweekt werd, naar onze opvatting niet het geval is geweest, dat is tegenwoordig, dank zij die latere bewuste handeling der cultuur, werkelijk een feit geworden: alle systematisch uitgeoefende en op een hoog doel gerichte Europeesche paardenfokkerij staat voor haar oostersch gebouwd type zonder eenigen twijfel onder den invloed van het oud-oostersche edele paard in de engere beteekenis, het Arabische paard. Als men van de menschheid niets wist, dan die laatste handelingen, waarbij zij zich het paard toegeëigend had, dan zou men daaruit met zekerheid de gevolgtrekking kunnen maken, hoezeer zich het bewustzijn harer beschaving, die individualiteit van haar cultuur als geheel, langzamerhand hoe langer hoe meer tot een organisch geheel heeft afgesloten. Wat eertijds meer of minder blind onderworpen was aan een heen- en weerstroomen van politieke machtsverhoudingen en volksverhuizingen, dat valt tegenwoordig binnen het gebied van het bewuste experiment, dat ten doel heeft de wijze van ontwikkeling en vooruitgang te leeren kennen onafhankelijk van alle geografische grenzen, of grenzen, die in ieder geval alleen in zóóverre in rekening komen, als bij voorbeeld het Arabische paard uit zijn oostersch milieu in het noorden eenig noordelijk bloed, met overleg toegemeten, moest verkrijgen als basis ter acclimatiseering.
Terwijl die triomf van het edele paard werd voorbereid, waren volkomen ongemerkt de werkelijke oorspronkelijke wilde paarden ook in Europa voor goed uitgestorven. De laatste exemplaren schijnen nog op Sardinië te hebben geleefd. Slechts hier en daar komt in de tegenwoordige getemde rassen nog weer eens een wilde troep tastbaar voor den dag, die herinnert aan de verdwenen rassen. Zoo duiken onder onze ponyachtige paarden (die over het algemeen volstrekt niet uitsluitend tot één type behooren) van tijd tot tijd nog bijna echte Przewalskipaarden op, juist met verschillende kenmerken van de Mongoolsche wilde vormen, die tegenwoordig nog in de woestijn van Gobi leven. De dichter Gerhart Hauptmann bezat voor eenigen tijd een dergelijken pony, die nog met zijn woestijngele Isabellakleur en zijn pikzwarte kousen steeds op de meest bedriegelijke wijze deed denken aan den Przewalskihengst van den Berlijnschen dierentuin. Zelfs de merkwaardige streep op den rug komt nog bij noordelijke cultuurpaarden voor. In het algemeen zal men bij alle in het oog loopend kleine rassen meer aan de wilde paarden worden herinnerd. Zij handhaven nog steeds trekken van de oorspronkelijke schepping van het paard, terwijl de reuzenvormen onder de paarden, onverschillig uit welken stam zij afkomstig zijn, absoluut zeker steeds het resultaat van menschelijke inmenging zijn.
Doch bij de allerkleinste soorten van pony’s heeft ongetwijfeld nog een andere factor zijn invloed uitgeoefend, een factor, die ons doet zien, hoe ook het paard, ver van dien eigenaardigen oorspronkelijken grooten ontwikkelingsweg, en zonder eenige medewerking van den mensch, onder den invloed is van een macht, die met onze tegenwoordige kennis volkomen onberekenbaar, ja zelfs absoluut niet te verklaren is. De eigenlijke dwergen onder de ponysoorten, die in hun soort tot een paardentype behooren, dat in ieder opzicht volkomen is afgewerkt, maar alleen op miniatuurmaten is gebouwd, zijn dieren, die alleen op eilanden worden gevonden. Zoogdieren, die op eilanden worden geïsoleerd, zijn echter van oudsher onderworpen aan een volkomen onwrikbare wet: zij worden dwergen. Reeds in voorwereldlijke tijden zijn de dieren, die oorspronkelijk door hun grootte tot de monsters onder de zoogdieren behoorden, het slachtoffer dier wet geworden: op het eiland Malta zijn de olifanten, op het eiland Cyprus het nijlpaard afgedaald tot olifanten- en nijlpaardpony’s. De plek op aarde die, wat het voortbrengen van de meest verschillende soorten van pony’s, tegenwoordig het beroemdst is, is het eiland Sardinië; daar zijn het damhert, zoowel als het edelhert, het wilde zwijn zoowel als het wilde schaap in miniatuurvormen overgegaan; de herten met korte pooten, die in den waren zin van het woord op die van een dashond gelijken, zien er echt bespottelijk uit. Men heeft dit merkwaardige verschijnsel gesteld op rekening van het steeds onderling paren in een beperkte ruimte. Ik voor mij geloof, dat wij eer staan tegenover een geografischen invloed, tegenover dien van de omgeving, den bodem en den streek, van welks geheimzinnige werking wij ook in andere opzichten in de plaatselijke dierenrassen dikwijls de sporen zien, zonder dat de ontwikkelingstheorie ten opzichte hiervan duidelijk stelling heeft kunnen nemen. Men heeft hier nog een bijzonder interessant veld voor de werkelijke uitbreiding dier leer. Een specialistisch onderzoek van de verschijnselen zelf is even noodzakelijk als een nieuwe en vruchtbare gedachte. Intusschen is het speciale raadsel der eilandenpony’s onder de paarden slechts een schakel in het probleem, dat in het algemeen nog zoo duister is.
Over het geheel genomen is het een feit, dat het wilde paard op onze planeet tegenwoordig overal een uitstervend geslacht is. Het deelt in dit opzicht het lot der meeste groote zoogdieren, wier opkomst en bloei het kenmerk was der tertiaire periode.
Indien het paard in weerwil daarvan in de laatste duizendtallen van jaren nog lichamelijk een hooge vlucht heeft genomen en zich bovendien geografisch heeft verbreid, en zelfs in de allerlaatste paar eeuwen in een snel wassend tempo, dan heeft het dit uitsluitend te danken aan de wijze, waarop het zich in symbiose heeft aangesloten aan dat geheel op zich zelf staande en eigenaardige schepsel uit die zoogdierenwereld, die parallel daarmede ontstaan is, maar dat zich sedert dien tijd onafgebroken van sport tot sport heeft opgeheven: wij bedoelen de verhouding van het paard tot den mensch.
De mensch is tegenwoordig in hoogeren zin het noodlot van het paard.
Moeilijk kan men daarbij de gedachte op zijde zetten, dat trouwens ook hier reeds in één richting het hoogste punt voor het paard als doel in de cultuur is overschreden. Het blijkt toch, dat het technische gebruik van het paard in onze cultuur aan het afnemen is. De strijd tusschen electriciteit en paardekracht is tegenwoordig reeds veel verder beslist dan zuiver theoretisch. De menschheid heeft op den duur veel te sterke natuurkrachten noodig als reuzen, die haar bij den arbeid ten dienste staan, om die fijne, van spieren voorziene, levende werktuigen met hun gemakkelijk te verstoren uurwerk, en die fijn georganiseerde beenderen, die immers breekbaar zijn als glas, nog evenzeer te waardeeren als vroeger het geval was. Het zijn de menschelijke hersenen, die het hoogste zijn, wat het leven heeft gesponnen. Als technische macht zijn die hersenen echter tegenwoordig tot een zóó hoogen trap gestegen, dat zij buiten zich zelf niets meer noodig hebben dan de allergrootste onmiddellijk ten dienste staande, natuurkundige beweegkrachten der planeet zelf; het overige, daartusschen gelegen leven, is voor die hersenen niet meer van zoo groot belang.
Anders is het daarentegen over een afzienbaren tijd gesteld met de aesthetische vraag, die in haar hoogere beteekenis ook de begrippen „weelde” en „sport” in zich sluiten.
Dat oude keerpunt van het veredelde paard in de geschiedenis van het oosten, toen het een heerlijk pronkstuk, het sieraad zijns meesters, een vreugde voor het oog werd, en niet hijgend den zwaar beladen wagen door de modder moest trekken, maar geroepen werd tot een hoogeren vorm van arbeid in de cultuur, dat een voorwerp van gejubel werd, als het, naar de woorden van den dichter van het boek Job, hinnikt „vroolijk in zijn kracht”—dat hoogste moment in de geheele geschiedenis van het paard, toen het oude ontwikkelingswerk der natuur als het ware in een kunstwerk werd omgetooverd, en verhoogd werd tot de onsterfelijkheid der ideale schoonheid—dat moment is voor ons nog steeds een waarborg voor de toekomst.
Het is niet de taak van dit boek, te onderzoeken of de wereld onzer beschaving steeds de tegenstelling zal behouden van heer en slaaf. Maar hoe die vraag ook ooit moge worden opgelost: een edele sport, die aesthetisch een hooger gebied van genot opent en zoo in ieder geval ook ethisch veredelt, zal in iedere cultuurwereld, die waard is om daarin te leven, behouden blijven. Daarin ligt de beslissing over het toekomstige lot van het paard. Ik voor mij ben van meening, dat wij niet alleen onze hoop moeten vestigen op een vooruitgang in de beschaving, die musea bouwt, om de marmeren paarden van Phidias, de marmeren menschen van Michel Angelo te behouden voor de eeuwigdurende bewondering der menschheid, maar op een vooruitgang, die ook het leven ademende kunstwerk, het product van den oneindigen strijd in de natuur blijvend weet te waardeeren: naast het naakte menschelijke lichaam het levende edele paard.
KORT OVERZICHT VAN DEN INHOUD.
Een dier in Symbiose met den mensch Blz. 1–11.
Het paard in het boek Job. Dieren, die niet konden worden getemd. Wat is een huisdier? Zijn huisdieren slaven? Het begrip Symbiose. Huisdier en dierenbescherming. Ouderdom der fokkerij van huisdieren. Het paard bestond reeds lang, toen deze begon. Overgang naar de geschiedenis van het wilde paard.
Het skelet van het paard als getuigenis van zijn verleden Blz. 11–32.
Skelet van het paard en van den mensch. De opvatting van Goethe omtrent de beteekenis van het skelet. De paardevoet van den duivel anatomisch verklaard. Een botje te veel aan het been. Hoe de voet het been verovert. En hoe de voet daarbij de gedaante van het been aanneemt. Het paard als technisch probleem. Het overwinnen der zwaartekracht. Het paard werkt met overmaat. Gevolgen voor de cultuursymbiose. Het verstand van het paard. Vóór en tegen het verstand. De zintuigen van het paard. De „Slimme Hans”. Het paard leert door middel van de pooten. De leer van Goethe omtrent het type. Darwins verbetering. De classieke plek voor de ontwikkelingsdenkbeelden van den paardepoot. Wat de griffelbeenderen leeren. Rudimentaire organen. Het paard moet vroeger eens drie teenen gehad hebben. Levende paarden met meerdere teenen. Een dwaling over de zwilwratten. De paardeteen van tegenwoordig is een middenteen. Zijn er werkelijke historische documenten over den paardepoot?
De stamboom van het paard geologisch gestaafd Blz. 32–67.
De plaats van het paard in het stelsel. Er bestaat geen orde van dikhuidige dieren. Cuvier beschrijft de eerste versteende beenderen van paardachtige dieren. Catacomben van paarden in Amerika. Amerikaansche werkzaamheid en overdrijving. Het uitsterven der diluviale wilde paarden in Amerika. De tertiaire periode. Paarden en paardachtige dieren. Equiden met een overblijfsel van den pink. Een stuk huid van een fossiel paard. Paardachtige dieren met kwasthoeven. Driehoevige equiden van de grootte van schapen. Equiden van de grootte van een vos. De pink wordt kwasthoef. Het te voorschijn komen van den kleinen teen. Vospaardjes met het begin van een duim. Het oorspronkelijke hoefdier Phenacodus. Vijf vingers aan de hand, vijf teenen aan den voet. De hoef krijgt den vorm van een klauw. Wij zijn in de wereld der dieren van Cernays. Waarom de paardepoot ten slotte op den menschenvoet gaat gelijken. Het oorspronkelijke hoefdier Euprotogonia. De zoolgang begint. De grootte daalt af tot die van konijnen. Verklaring dier geologische feiten uit de ontwikkelingsleer. De beteekenis van het geheele proces. Waartoe men niemand kan dwingen. Wat daarbij echter vaststaat. Een tweede schakel voor het bewijs in de beenderen van benedenarm en onderbeen. Een derde in de tanden. Het „berglandschap” der paardenkiezen en zijn trapsgewijze ontstaan.
Is het paard twee maal ontstaan? Blz. 67–90.
De stamboom eerst in Europa opgesteld. Tegenstrijdigheden in den Amerikaanschen stamboom. Zijn er onafhankelijke ontwikkelingen met hetzelfde resultaat? „Gelijke oorzaken hebben gelijke gevolgen” als wereldwet. Een zelfde milieu schept dezelfde aanpassingen. Bestaat er een vooruit vaststaande ontwikkelingswet? Tegenargumenten tegen de dubbele ontwikkeling. De Amerikaansche stamboom had een reeks bijloopers. Het Anchitherium. Het Hipparion. De Europeesche stamboom bestaat alleen uit dergelijke bijloopers van den Amerikaanschen. Mogelijkheid van Amerikaansche invallen. Een stuk oude aardrijkskunde. Eerst met het echte wilde paard komt de Amerikaansche hoofdstam ook in de oude wereld.
De tapir Blz. 90–104.
De sage van het Amerikaansche nijlpaard. De Amerikaansche en de Indische tapir. Waartoe behoort de tapir? Paarden met slurven. De tapirs en de oude vospaardjes. De tapir als overoud dier. Hij is een uitlooper van de voorouders der paarden in de eocene periode. Zijn physionomie als moerasdier in tegenstelling met het paard op de steppe. De kleur van den Schabrak-tapir. De tapir is tropendier gebleven. Verschillende soorten van tapirs.
De neushoorn Blz. 104–143.
Is er nog een dier in leven gebleven uit de groep der driehoevige oorspronkelijke paarden? De uitgestorven Palaeotheriën als uitloopers van dat station. De neushoorn als overlevende afgedwaalde driehoevige equide der voorwereld. De neushoorn als verpantserd paard. Wat is de hoorn van den neushoorn? De eelthuid. Uitgestorven waterneushoorns. Onze neushoorn in de steppe. De slijkbedekking. Vogels als waarschuwers. De pantoffelgang van den neushoorn. Sociale zin bij neushoorns. Met pels voorziene neushoorns der ijsperiode. Speciale stamboom van den neushoorn. Een neushoorn, die op weg was paard te worden. Neushoorns, die met hun slagtanden wortels uitgroeven. Neushoorns, die geen horens hadden. De mythische eenhoorn steekt misschien in den reuzenneushoorn Elasmotherium. Elasmotheriumjagers onder de Toengoezen? Levende dubbele neushoorns in Azië. De ruwoor-neushoorn in den dierentuin te Londen. De groote Indische neushoorn. Merkwaardige stand van het oog van den rhinoceros. Het pantser van den Javaanschen neushoorn. De Afrikaansche dubbelhoornige neushoorns. De Oost-Afrikaansche steppe. Een beeld der tertiaire periode. Aesthetica der neushoorns. Is de neushoorn intelligent? Een zijblik op de voorwereldlijke Titanotheriën. Neushefboom om takken af te breken. De roman van een potsierlijk vervormd voorwereldlijk dier. Overgang naar de overlevende echte wilde paarden.
De ezel als wild dier en als cultuurdier Blz. 143–155.
De Sivapaarden der tertiaire periode. Paard en ezel in één dier? De verbreidingsgordel der tegenwoordige wilde paarden volgt de steppe. De steppen in Somaliland als de woonplaats der wilde ezels. Uiterlijk der Afrikaansche wilde ezels. De verovering van die wilde ezels door de oud-Egyptische beschaving. Lof van den oosterschen ezel. Hoe de ezel tam werd. De Aziatische wilde ezels in mythe en in geschiedenis. De ezel op zijn hoogtepunt in den Aziatischen vorm als wilde ezel. Zijn verschillende geografische afzonderlijke soorten daar. Die Aziatische dieren physionomisch een afzonderlijke groep der paardachtige dieren. Aziatisch bloed in tamme ezels.
De zebra Blz. 155–170.
Het ongetemde Afrikaansche paard. De zebra’s geen ezels. Het raadsel der zebrateekening. Van de kleuren der zoogdieren. Aesthetica van den zebra. Het beginsel der „doorschijnendheid” in de teekening. Mimicry in de strepen van den zebra. Onmogelijkheid, alleen met die verklaring klaar te komen. De strijd om de verschillende zebratypen. Onmogelijkheid, reeds nu een beslissing te nemen. De Quagga. De tragedie van zijn ondergang. Kan nog maar alleen in het museum bestudeerd worden. Geheimzinnige kruisingen. De „tijgerpaarden”. Het uitgestorven Burschell’s tijgerpaard. Schoonheid van den Grevy-zebra. De berg-zebra. Hoe het met de tembaarheid van den zebra staat. De zebra steekt niet in onze cultuurrassen.
Het Aziatische wilde paard als eenig overlevend overblijfsel van den oorspronkelijken vorm van onze cultuurpaarden Blz. 170–213.
Is Azië de oorspronkelijke woonplaats van onze cultuurpaarden? Viktor Hehns standpunt. Het geheim van den Tarpan. De Tarpan geen echt wild paard. Brehms hypothese van den Koelan als voorvader van het cultuurpaard. Verandering van het beeld door de ontdekking van overblijfselen van diluviale wilde paarden in Europa. Paardenteekeningen uit de holenperiode. Hoe lang hebben wilde paarden in Europa geleefd? Vleesch van wilde paarden op de tafel in een klooster. Hoe de beteekenis duidelijk wordt van den „grimme Schelch” in het Nibelungenlied. Wilde stoeterijen in het oerwoud. De ontdekking van het Przewalskipaard als meest beslissend feit. De eerste Aziatische wilde paarden in onze dierentuinen. Kleur der Przewalskipaarden. Het winterkleed. Het begrip van het „oorspronkelijke wilde paard”. Aziatische wilde paarden op een Assyrische voorstelling van een jacht. Het Przewalskipaard en het Europeesche diluviale paard. Verschillende temmingscentra. Verschillende gebruikte wilde rassen. De fundamenteele tegenstelling van het westersche en het oostersche cultuurras. Het zware en het lichte paard. Karrepaard en Arabisch paard. Het ridderpaard. Ouderdom van het edele Arabische paard. Het oud-oostersche luxepaard. De afschuw van paardevleesch. Babylonische Przewalskipaarden met Arabischen kop. Het oostersche ras gaat niet uit van één enkel temmingsmiddelpunt. Het cultuurpaard in Afrika. Oostersche paarden in de paalwoningen van het bronzen tijdperk. Een noordelijke en een zuidelijke vorm van wilde paarden. De paarden der zuid-Russische steppe. Het Chineesche cultuurpaard. Paardenmelkers. Rendier- en paardentemming. De oorsprong van het paardrijden. De invallen van Aziatische ruitervolken in het westen. De mythe der Centauren. Waarom de oud-oostersche koningen geen ruiters waren. De oorsprong van het muildier. De verovering van het gebergte door het muildier. Het muildier als edel dier van Zuid-Amerika. Geleidelijke vermenging van alle rassen van het cultuurpaard. De toenemende overheersching van het oostersche ras. Begin der uitbreiding ook van het oud-oostersche edele ros naar het westen. De Berber-paarden. De oude Spaansche paarden. Het ingrijpen der Engelsche paarden. Het Arabische paard in verband met het Engelsche volbloedpaard. Het „aesthetische” paard. Het Trakehner paard. Het uitsterven der Europeesche wilde paarden. Het raadsel in den pony. De mensch als noodlot van het paard. Het op den achtergrond treden van het werkpaard. Duur van het sportpaard. Toekomstige beteekenis van de sport.
AANTEEKENINGEN
[1] Job, Hoofdstuk XXXIX.
[2] Het Dierenboek.
[3] Zie Dierenboek, De overlevenden van Cernays, blz. 166 env.
[4] Zie Dierenboek, De overlevenden van Cernays, blz. 166 env.