Part 4
Dat dit echte Amerikaansche wilde paard reeds vóór de ontdekking van Amerika weer geheel is te gronde gegaan, terwijl zijn makkers in Azië en Afrika tot heden toe in stand gebleven zijn, moge merkwaardig schijnen, maar het feit staat als zoodanig niet op zich zelf. Ook de mastodonten en mammouths, die in die dagen Noordamerika bevolkten, zijn eveneens absoluut verdwenen. Dezelfde redenen, hoewel die ons tot heden toe niet volkomen duidelijk zijn, zouden even goed de wilde paarden in Amerika kunnen uitgeroeid hebben als de mastodonten en mammouths. Als een aanwijzing, hoe een talrijk verbreid groot wild ook zonder verandering van klimaat of van voedingsplanten en zonder menschenhand somtijds tot op de grens van totale vernietiging kan worden gedecimeerd, kunnen beschrijvingen dienen van het verdwijnen der reusachtige wilde buffels in Duitsch- en Britsch-Oostafrika in de laatste vijf en twintig jaar. In het jaar 1887 schoot (zooals Schillings bericht) Graaf Teleki aan den Nguaso-Niyuki in drie maanden nog vijf en twintig buffels neer. Richard Böhm ontmoette kudden van honderden van die buffels, zoodat men herinnerd werd aan de bisons van Noordamerika. Die bisons zijn door de vuurwapenen verdelgd. De Amerikaansche buffel werd daarentegen in 1890 overvallen door de runderpest, die door het tamme vee werd overgebracht. Een Engelsch ambtenaar vond op één dag ongeveer honderd besmette, stervende dieren. Tegenwoordig ligt de steppe vol met gebleekte schedels. De buffels zijn bijna geheel uitgeroeid. Wie kan dus na zooveel tijd nog raden, wat voor toevallige processen en vermeerderingen in het rijk der protozoën, die leidden tot het ontzettend toenemen van den een of anderen doodelijken ziekteverwekker, in de dagen vóór Columbus ook over Noordamerika kunnen zijn heengetrokken? In dergelijke gevallen heeft er een natuurlijke schifting plaats, die niemand in de verste verte kan berekenen. De ééne diersoort blijkt minder vatbaar te zijn voor een epidemische ziekte, als deze verwoestend over het land heentrekt, de andere diersoort is daarentegen vatbaarder. Het zou kunnen zijn, dat de Amerikaansche wilde paarden het slachtoffer zijn geworden van een Tsetse-vlieg, die de smetstof in hen inentte, zooals sommige muggen ons de malaria inenten, terwijl de bison en de gaffelantilope derzelfde prairie toen bleven voortbestaan, om veel later echter weer even onverbiddellijk in de vizierlijn van het schietgeweer van den cultuurmensch te vallen, waartegen ook het immuun zijn tegen epidemische ziekten niets meer helpt. Zooals gezegd is, is zelfs de juistheid van het feit zelf tegenwoordig in twijfel getrokken. Het paard zou wel is waar in Mexico en Peru onbekend geweest zijn, maar niet absoluut over het geheele werelddeel uitgeroeid, en het zou eerst werkelijk verdwenen zijn, toen het zich vreedzaam vermengde met de snel verwilderde, door onze cultuur ingevoerde paarden, waarbij het versche bloed der laatsten in enkele geslachten de kleine eigenaardigheden der wilde paarden spoorloos zou hebben doen verdwijnen. Een interessant nog open vraagstuk, dat echter nog niet met vaststaande feiten kan worden opgelost.
Laat ons thans den wijzer van het geologische uurwerk iets achteruit zetten. Tot voorbij de schommelende grens van de diluviale periode tot aan de geologisch zoo bekende tertiaire periode. Wij herhalen nog eens, dat die tertiaire periode een tijdsruimte van minstens verscheidene millioenen jaren omvat. Zij vormt het stuk aardgeschiedenis, dat den overgang vormt tusschen de periode der groote sauriërs en den diluvialen en nieuwen tijd. In die periode wordt de hooge vlucht der hoogere zoogdieren voltooid aan gene zijde van die groep van Cernays, [3] waarvan zij uitgingen. In overeenstemming met de groote spanne tijds, die ook nog die periode omvat, wisselen daarin nog herhaaldelijk de grenzen van land en water af, geweldige gebergten, zooals de Alpen, het Himalayagebergte, de Cordillera’s rijzen eerst binnen den duur dier periode op door plooiingen in de aardkorst, een wisseling van het klimaat heeft in haar tweede helft plaats, een wisseling, die Europa en Noordamerika slechts zeer geleidelijk uit een bijna tropisch klimaat voert; die periode is het schouwtooneel ook van verwoestende locale catastrofes, zooals kolossale uitstroomingen van bazalt, die als gloeiende lava uitgestrekte streken op aarde bedekken. Naar oud gebruik, dat echter slechts in ruwe trekken natuurlijke hoofdstukken in de geschiedenis der aarde kan begrenzen, verdeelt men die periode in drie of, nog later, in vier afdeelingen in onze geologische tabellen: van beneden naar boven de eocene, oligocene, miocene en pliocene periode. Aan gene zijde der diluviale periode komen wij dus het eerst op het laatste gedeelte der tertiaire periode, dat het dichtst bij onzen tijd gelegen is: de pliocene periode. Uit die pliocene periode zijn ons in Noord- en Zuidamerika niet te miskennen duidelijke afzettingen overgeleverd, waarin na dien tijd niets meer van beteekenis is veranderd of later bijgevoegd is, en waarvan de ingesloten beenderen dus afkomstig moeten zijn van een niet meer diluviale, maar iets oudere, een pliocene dierenwereld. De verschillende afzettingen verschillen weder onderling iets in leeftijd, terwijl enkele uit het oudere, andere uit het jongere gedeelte der pliocene periode afkomstig zijn. Ook dit kan nog zeer goed worden gedetermineerd.
In beide lagen liggen nu weer ondubbelzinnig beenderen van paardachtige dieren zoowel weer in Noord- als in Zuidamerika. Zij leveren het volgende beeld.
In de bovenste, nieuwe laag, de pliocene periode, die het dichtst ligt bij het diluvium, wemelde het over het geheele werelddeel aan de overzijde reeds van talrijke echte wilde paarden der diluviale soort. Doch daartusschen vertoonden zich groote hoeveelheden eener diersoort, die ieder volgens haar geheelen bouw reeds van verre zou hebben gehouden voor een dergelijk wild paard, alleen wat korter van pooten, wat kleiner en plomper. Men moet zich in het algemeen die echte diluviale wilde paarden niet denken als trotsche Arabische renpaarden, maar men houdt zich voor den gedachtengang het best aan de bekende omtrekken der kleinere zebra’s of nog juister der Aziatische Przewalski-wilde paarden, zooals zij in den laatsten tijd in onze dierentuinen gevonden worden. Tusschen deze forsche, lage en grootkoppige dieren, die de grootte hadden van stevige ponie’s, waren dus nog iets steviger en meer ineen gedrongen wezens gemengd als van een ras, waarbij die kenmerken sterker op den voorgrond traden. Maar één blik op het eigenaardige kenmerk van het paardenlichaam zou voldoende geweest zijn, om onze verbazing op te wekken. De kortheid der pooten ontstond bij die eigenaardige wezens hoofdzakelijk door iets meerdere kortheid van dat beenachtige bot in hun vier middenvoeten. Daarentegen waren echter de griffelbeenderen, dus dat stuk, dat tegenwoordig zoo weinig beteekent, in verhouding een heel stuk langer dan bij de echte wilde paarden. En nu het vreemdste: aan den buitenkant der voorpooten zat zelfs nog naast het griffelbeen aan dien kant een heel klein stompje van een derde griffelbeen. Die kleine stompjes hadden hier nog een spoor van een rudiment van den aangrenzenden vinger aan dien kant. Als de groote algemeene paardenvinger de middenvinger was en dus het binnenste griffelbeen het overblijfsel van den wortel van den wijsvinger, en het buitenste griffelbeen in overeenstemming daarmede dat van den ringvinger, dan hadden die zonderlinge dieren hier ten minste aan den voorpoot, menschelijk gesproken aan hun hand, ook nog een wortelstompje van den pink. En wel bezaten zij die abnormale beentjes niet als individueele, slechts een enkelen keer voorkomende misvormingen, zooals bij ons de zoo even besproken paarden, die wel eens individueel een afwijking vertoonen, maar stuk voor stuk vertoonden zij alle diezelfde verandering.
Dat zou nu niet meer beschouwd worden als een klein rassen- of soortkenmerk, immers zóózeer wijkt tegenwoordig geen tam of wild paard, geen zebra, zelfs geen egel van het normale type af. Die pliocene Amerikanen met een paardenvorm, maar toch niet meer met volkomen nauwkeurige paardepooten moesten gerekend worden tot een nieuwe soort van paardachtige dieren. Toch bleven het, zooals de vakuitdrukking luidt, echte equiden, of vertaald „paardachtigen”.
Evenals de echte diluviale wilde paarden reeds overal voorkomen in het allerlaatste gedeelte der tertiaire periode, zoo is het overigens wel mogelijk, dat ook die equiden met hun merkwaardige overblijfselen van een pink, op enkele plaatsen in Amerika zelf ook nog geleefd hebben tot in de diluviale periode. In dat vroeger beschreven wonderbare Patagonische hol, dat ons nog met haren voorziene stukken huid van reuzenluiaards heeft geleverd, is ook een paardepoot voor den dag gekomen, die nog hierbij schijnt te behooren. Ook hij draagt nog een ring van verbleekt geel rood vel. Ouder als diluviaal kan hij werkelijk niet goed zijn. De verdedigers der meening echter, dat het geheim van dit hol eigenlijk hierin bestaat, dat de overblijfselen, die daarin gevonden zijn, afkomstig waren van dieren, die tegenwoordig nog in het binnenland een onbekend en tot nu toe niet onderzocht leven leidden, zouden zelfs van oordeel moeten zijn, dat ook allerlaatste achteraankomers van die pliocene dikpooten nog tot in onze dagen rondzwierven in het donkerste Patagonië; waarschijnlijk is dit echter helaas al te boud gesproken, hoewel het natuurlijk nog interessanter was dan alleen het voortleven van echte Amerikaansche wilde paarden tot in den historischen tijd of in mengsels van rassen, tot zelfs in onze dagen.
Doch hoe dit ook moge zijn: het zuiver historische onderzoek der oude echt-tertiaire beender-voorraadschuren leert ons, als wij nog verder terugzoeken, iets nieuws kennen.
In de oudere afzettingen der pliocene periode zijn er in Amerika geen beenderen meer van echte wilde paarden. Die wilde paarden bestonden toen nog niet. „Nog niet” in de historische rij van beneden naar boven. Wel daarentegen waren er die merkwaardige wezens met dat veel beteekenende verlengstukje van den pink en die lange griffelbeenderen, ja zelfs zij beheerschten tegen dien tijd volkomen alleen den toestand over het geheele onmetelijke werelddeel.
Nu komt de miocene periode. In het laatste gedeelte dier periode leven reeds diezelfde „pinkdieren”. Maar daartusschen is thans nog in de overgangsperiode van plioceen een nogmaals nieuwe soort van equiden gemengd. Dieren, die naar hun vorm volmaakte paarden zijn, al zijn zij ook in het oog vallend klein, meestal niet grooter dan onze kleinere ezels. Dieren echter, die weer een anderen paardepoot vertoonen. Wel hebben zij eveneens het overblijfsel van den pink, zoodat zij in dit opzicht dus in zekeren zin de „pinkdieren” omvatten. Maar de beide zijdelingsche griffelbeenderen zijn van voren en van achteren niet meer alleen bijna even lang als de middenstam, maar aan ieder van die zijtakjes hangt nog iets vast. Wel niet iets, dat evenals het hoefstuk van den voetstam nog tot op den bodem reikt. Maar een verlengstuk, dat aan weerszijden slechts als een kleine kwast of een vrucht daaraan heen en weer bungelt. Het steeltje van die vrucht is echter, nauwkeurig bezien, niets anders dan een echte miniatuurteen of een miniatuurvinger, een teen met drie leden juist zooals de grootste middenste paardeteen. En de vrucht zelf is aan weerszijden een echte kleine hoef, die op het onderste lid van den teen zit als een hoedje. Als ons dier liep, dan liep het feitelijk ook zoo nog altijd op den grooten hoef van den middenteen of den middenvinger als een echt paard, want, zooals gezegd is, die was de eenige, die op den bodem kwam; maar te gelijker tijd hingen ongebruikt rechts en links als echte kwasten die voor de sierlijkheid waren aangebracht, de beide luxevingertjes met hun hoefjes naar beneden, de wijsvinger en de ringvinger, die er wel waren, maar die niets te doen hadden.
Zonder dat eenige twijfel mogelijk is, was hier in blijvenden toestand bij een geheel, in ontelbare hoeveelheden over de uitgestrekte steppen der nieuwe wereld rennend equidenvolk, datgene aanwezig, wat die enkele misgeboorten bij onze levende paarden vertoonden. Al die „kwasthoevigen” geleken (en zelfs aan beide zijden) op het paard van Alexander den Grooten en op het paard, zooals Goethe het zich als het oorspronkelijke type voorstelde.
Hoe dieper wij afdalen in de miocene lagen en wij haar equiden-kerkhoven bloot leggen (de beenderen dier equiden zijn als het ware de fossielen, die de richting en het karakter van die geheele geologische laag bepalen, die overal naar voren dringt), des te duidelijker wordt de eigenlijke heerschappij van die kwasthoevige dieren voor die geheele lange periode der aardgeschiedenis. De pinkdieren treden geleidelijk ook volkomen terug, hun tijd schijnt, zoodra men een stuk naar beneden gaat in de miocene periode, nog in het geheel niet te zijn aangebroken. De kwasthoevigen daarentegen beheerschen in allerlei bijzondere vormen ten slotte het geheele terrein—gedurende een tijdsruimte, die men zeker niet te kort taxeert op een millioen jaar.
Nu nog eens de gordijn naar beneden gehaald, en een stuk wereldgeschiedenis terug. De miocene periode wordt voorafgegaan door de oligocene, een soort van overgang of tusschenbedrijf tusschen de beide innerlijk meest van elkander verschillende afdeelingen der groote tertiaire periode. De profeet echter verzamelt weer zijn beenderen in het museum en laat een dierenwereld verrijzen.
Verdwenen is de geheele heerlijkheid der kwasthoevigen. Over het land wemelt het vóór en na van equiden. Maar zij zijn nog maar zoo groot als schapen. Hoezeer zij in hun geheele houding nog steeds „paard” zijn, het is toch nauwelijks meer mogelijk van een paardepoot bij hen te spreken. De kwastteenen met hun in de lucht zwevende hoeven hebben zich namelijk te gelijk vergroot en uitgerekt. Met de uiterste hoeken raken zij dus reeds onmiddellijk den grond. Men heeft één der meest zeldzame vormen van voet voor oogen, die denkbaar is: een voet, die als het ware voor tweeërlei gebruik afwisselt. Op een volkomen hard, vlak terrein kan een dergelijk paardje alleen met den middenhoef nog maar den grond stampen en galoppeeren als een paard uit onze dagen, dat aan iederen poot slechts één hoef heeft. Op een week terrein, op den drassen bodem van het woud of op een moerasgrond daarentegen zal de poot zóó diep inzinken, dat hij reeds op alle drie hoefvlakken, die in grootte volstrekt niet meer zooveel van elkander verschillen, stevig aandrukt en dus daarmede in uitgespreiden toestand het lichaam draagt. Een dergelijke dubbele functie vindt men in enkele zeldzame gevallen ook bij andere zoogdieren. Onze zwijnen bij voorbeeld hebben iets van dien aard. Hun voet is trouwens reeds in beginsel anders gebouwd, maar in het gebruik bezit hij ook die mogelijkheid: op den vasten bodem drukt hij slechts met een stam, die uit twee hoefteenen bestaat, in het moeras daarentegen kan hij er nog twee hulpteenen bij achteraan trekken. Naar gelang van de omstandigheden mag men in verband met het gebruik ook onzen oligocenen equide nog een éénhoevig of reeds een driehoevig dier noemen. Uit een zuiver anatomisch oogpunt zal echter de naam „driehoevig” dier als de eenig juiste moeten worden gekenschetst.
Een moeilijk te begrijpen zaak: een driehoevig paard. Men zou kunnen vragen, wat aan dat dier dan nog eigenlijk paard is. Maar aan het overige gedeelte van het skelet is er geen enkele reden te ontdekken, waarom het dier op een andere plaats in het stelsel zou thuis behooren, dan onder de „equiden”, de echte paardachtige dieren. Om de merkwaardigheid echter volledig te maken, nemen wij ook bij die driehoevige paardjes ter grootte van een schaap een verschil waar tusschen voorpoot (hand) en achterpoot. De handpoot heeft ook hier, behalve zijn drie van hoeven voorziene volledige vingers, nog dat worteloverblijfsel van den pink, dat wij nu reeds bij de beide het eerst besproken equiden vonden. Maar dezen keer begint ook deze zich werkelijk met ernst in te voegen in het totale beeld. Hij is langer geworden,—hij begint een echt griffelbeen te vormen. Drie hoefvingers (de wijsvinger, de middenvinger en de pink) zijn voltooid, en een vierde vinger, de kleine, ten minste als griffelbeen in aanleg,—hoe lang zal dat zoo voortgaan, eer wij hoe langer hoe kleinere paardjes hebben met hoe langer hoe meer op menschenhanden gelijkende handen! Maar tevens zijn de vingerwortels voortdurend korter geworden, terwijl zij onderling ongeveer even lang werden, het steile optrekken van hand en voet en arm en been, dat zoo karakteristiek was voor ons paard, schijnt zich eveneens heel zacht te vervluchtigen.
Wij komen nu in de eocene lagen, de eerste en oudste afdeeling der tertiaire periode. Het morgenrood van den nieuwen tijd, zoo heb ik vroeger al eens het woord vertaald. Maar zeker is het, dat dit morgenrood heel ver van ons verwijderd straalde. Maar nog steeds werpen die lagen paardenbeenderen naar ons toe. Bijna reeds paardebotjes.
De problematische driehoevige paarden zijn uit geheel Amerika verdwenen. In hun plaats: equiden nog slechts ter grootte van een vos. De eerste blik doet zien, dat die vospaardjes nu consequent zoowel van achteren als van voren steeds op drie hoefteenen moeten loopen, waarvan de zijdelingsche alleen nog maar in de dikte van de middelste verschillen. Maar tevens is aan den voorpoot dat griffelbeen van den pink even duidelijk in het stadium van den kwasthoef gekomen. Het heeft den hoef en alle drie leden van den vinger ontwikkeld, maar hangt, daar het nog niet voldoende gerekt is, nu nog evenzeer terug tegenover de drie voornaamste hoefvingers, als bij de kwasthoevige dieren de beide zijdelingsche voornaamste vingers dat deden tegenover den middenstam.
De eocene periode op zich zelf is echter weer geweldig lang. Ontelbare geslachten van dergelijke vospaardjes volgen elkander daarin op. In het begin (van boven af gerekend) zijn zij uitsluitend driehoevigen met kwastjes. Dan, verder in die periode, zijn er vospaardjes onder gemengd met nog eenigszins andere pooten. Van achteren, aan den eigenlijken voet, komt plotseling een in wording zijnd griffelbeentje thans ook van den kleinen teen te voorschijn. Wat van voren reeds kwastje is, vertoont zich daar voor het eerst in het stadium van griffelbeentje. Een tijd lang beheerschen die griffelvosjes den toestand. Maar dan vindt men bij geslachten, die nog een stuk ouder zijn, weer een kleine, maar toch uiterst karakteristieke nieuwigheid.
Aan den voorpoot, dus aan de hand van die vosjes, groeit tegenover het pinkkwastje ook een griffelbeentje in eerst juist merkbaren aanleg. Er is geen twijfel aan: hier zien wij den duim in het stadium van griffelbeen. Wij hebben dus aan de hand, van nu af aan in aanleg, overgang en voltooiing, als griffelaanleg, kwastgriffelbeentje of voltooiden hoefvinger, alle vijf vingers van onze hand aangeduid; en van achteren, aan den voet, op dezelfde wijze minstens vier teenen. Te gelijker tijd is bij die vospaardjes hoe langer hoe meer de totale lengte en de steilte der hand- en voetbeenderen verminderd. De „verbeening” der pooten in de uiteinden is verlaten, de stam van den voet van ons paard heeft zich hoe langer hoe duidelijker vertakt. Hadden de vospaardjes niet voor en na in hun geheele skelet de ondubbelzinnigste karaktertrekken van het paard, dan zou men aan hun poot het paardenkarakter ten slotte nog maar alleen van de blijvende dikte en zwaarte van stap van den middelsten teen kunnen aflezen.
Doch ook onder de paardenkenmerken in het overige lichaam hebben zich reeds allerlei afwijkingen en bijzonderheden vermengd, die reeds openlijk beginnen af te buigen van het paard. Men heeft het zekere gevoel, dat als dat nog een enkelen trap zoo verder ging, men ook bij het geheele skelet niet meer van echte equiden zou kunnen spreken.
De gordijn valt voor den laatsten keer. Wij staan in de oudste eocene laag van Noordamerika. Er is nog geen enkel vospaardje. Maar op dezelfde plek dolen door de grasvlakte bij het kreupelbosch die schepsels, waarvan een vertegenwoordiger, Phenacodus genaamd, op de laatste plaat van het vroeger genoemde „Dierenboek” in zijn gecompleteerden ruwen omtrek is weergegeven. Die weergave kon zonder veel bijmengselen der fantasie gelukken, daar juist van dat dier de volledigste skeletten zijn overgeleverd.
De vier pooten van die diersoort hebben, eerst op zich zelf beschouwd, daar wij tot nu toe nog altijd op het onderzoek der voeten uit zijn, nog een onmiskenbare overeenkomst met die van onze vospaardjes der volgende periode. Ook hier rust het lichaam zoowel bij de hand als bij den echten voet met zijn grootste zwaarte op drie stevige hoefteenen, waarvan de middelste nog steeds, volgens het model der paarden, de stevigste en langste is. In de deelen, die bij onze vospaardjes als kwastjes en griffelbeenaanzetsels optraden, is trouwens één gedeelte weer wat meer ontwikkeld in dien zin, dat het meer nadert tot onze menschenhand en onzen menschenvoet. Van voren, aan de eigenlijke handen, is de pink zóó ver voorbij zijn stadium van kwastje, dat hij op ieder eenigszins week terrein in elk geval nog goed meewerkt, zoodat op zulke oogenblikken de hand hier zonder twijfel op vier vingers steunt. Doch te gelijker tijd is ook de duim het stadium van griffelbeen voorbij, en is bij het loopende dier in het stadium van kwastje. En in overeenstemming daarmede is aan den achtervoet de kleine teen volkomen als hulpsteun voor bijzondere omstandigheden, de groote teen, die bij de vospaardjes nog in iederen vorm ontbrak, als kwastje ontwikkeld. Men zou kunnen zeggen, dat er bij dien voet een kleine sprong vooruit is in vergelijking met het vospaardje: men zou zich een tusschenvorm kunnen denken, die daar eerst den kleinen teen als volkomen griffelbeen of kwastje vertoonde, den grooten als begin van het griffelbeen. Het lijkt alsof er een tusschenvorm was als nauwere verbindingsterm, welke vorm hier echter verloren is gegaan. Intusschen is die sprong in beginsel toch weinig belangrijk. De voor oogen liggende haltplaats is nog steeds onmiskenbaar in de hoofdlijn gelegen. Evenzeer kan het nauwelijks verbazen, dat de vinger- en teenwortels nu reeds in het geheel niet langer meer zijn dan de vingers en teenen zelf, wanneer men zag, hoe reeds bij de oudere equiden de oorspronkelijke tegenstelling van het paard hier voortdurend meer verloren ging, totdat volkomen de afmetingen der hand bereikt werden.
Slechts één enkele omstandigheid schijnt werkelijk anders te zijn en voorbij al het vroegere te wijzen op een absoluut nieuwe richting. De eindleden der half- of volkomen ongebruikte gebleven zijvingers en zijteenen zijn zóó eigenaardig samengedrukt, dat men daarin in het geheel geen breeden hoef meer ziet. Zij schijnen veel meer overeen te komen met een spitsen, op een scheede gelijkenden klauw. En heffen wij nu in eens onzen blik op tot het geheele skelet, dan wordt het ons plotseling duidelijk: bij die vier equidenpooten, die reeds op de uiterste grens staan, maar die wij toch nog in hun belangrijkste kenmerken daarvoor moesten houden, behoort een lichaam, dat in de meeste van zijn kenmerken nu niet meer aan een echten equide behoort.
Een dier is te voorschijn getreden, dat met kenmerken van hoefdieren, paarden, op de meest in het oog vallende wijze ook kenmerken vereenigt van oorspronkelijke roofdieren, zelfs halfapen,—een zoogdier, dat in ieder geval nog een zeer primitieve mengvorm is op den drempel der hoogere zoogdieren.
Waartoe veel woorden?... Wij zijn zóó diep afgedaald in de reeks der hoe langer hoe oudere tertiaire lagen van Amerika, dat wij thans in de nabijheid der oudste eocene lagen, eenvoudig midden in die dierenwereld gekomen zijn, die bij ons in Europa hoofdzakelijk in Cernays bij Reims, maar buiten Europa in de eerste plaats in Nieuw-Mexico haar karakteristieke beenderen heeft achtergelaten—beenderen van een menggroep aan den drempel der ontwikkeling van alle hoogste groepen der zoogdieren, waartoe ons onze beschouwing vroeger steeds weer gebracht heeft, van beneden opklimmend. [4]
Als de onmiddellijk overlevenden uit die groep hadden wij de insecteneters (egel, mol en consorten) begroet. Onder hun uitgestorven vormen hadden wij zóódanige waargenomen, die reeds iets naar boven wezen naar de halfapen en latere apen tot aan den mensch; andere, die het levende type van het roofdier reeds juist begonnen aan te wijzen; en ten slotte zoodanige, die reeds blijkbaar losstuurden op het hoefdier. Die laatste deelgenooten van die merkwaardige oorspronkelijke en gemengde troep noemden wij met een in de nieuwere systematiek ingeburgerden weinig handelbaren naam: Condylarthren; in plaats van een onmogelijke, werkelijke vertaling van dat anatomische speciale woord zullen wij ze oorspronkelijke hoefdieren noemen.