Part 15
Dit is echter uit een historisch oogpunt beschouwd uitzondering, geen regel. Voor alle overige reusachtige Europeesche en Aziatische streken hebben wij daarentegen geen enkelen steun voor de meening, dat zij hun oude paarden met hun oostersche trekken eerst zouden hebben verkregen langs den omweg van het fokken van Arabische paarden. Hoe oud de inval wel zou moeten zijn, blijkt het duidelijkst uit het feit, dat reeds in de latere Zwitsersche paalwoningen paardenbeenderen voorkomen, die hiertoe behooren en niet tot het noordelijke paard met zijn langen kop. Wij kunnen de paalwoningen uit die periode terugbrengen tot het bronzen tijdperk. Het is echter absoluut niet te begrijpen, waarom die Zwitsersche cultuur uit het bronzen tijdperk haar huispaard zou hebben ingevoerd uit ontzettend ver afgelegen landen, terwijl toch in de onmiddellijke nabijheid in hun eigen werelddeel paarden werden getemd, en wel die westersche dikneuzige paarden, die nooit in het oosten zijn gekomen. Het ligt toch veel meer voor de hand, dat die „oostersche” variëteit van het oorspronkelijke wilde paard, waaruit in Babylon het oostersche edele ros is ontstaan, in die dagen veel verder verbreid was, en naast de andere, de meer plompe variant, evenzeer tot in Europa voorkwam. Zij loste dan ook in Europa reeds vroeg op in daar onafhankelijk getemde cultuurrassen, die daardoor van het begin af een zeker „oostersch” type verkregen, zonder toch in oudere dagen ergens in dat gebied op te klimmen tot een hoogte, die maar eenigszins kan vergeleken worden met het edele dier der echt oostersche cultuur. Men zou zich kunnen voorstellen, dat de locale behoefte een rol gespeeld heeft bij de beslissing, welk Europeesch wild ras van de twee de voorkeur zou hebben: in het noorden en westen over het algemeen meer de plompe, zware vorm, in het gebied der Middellandsche zee tot in het gebied der genoemde paalwoningen en in het zuid-oosten, meer de lichte, fijne vorm. Ook is het wel mogelijk, dat reeds de geografische verbreiding dier Europeesche wilde paarden te gemoet kwam aan die behoefte, die men zich afhankelijk zou voorstellen van het locale milieu, en die als het ware reeds van nature met het landschap in overeenstemming is. Het komt mij voor, dat er een aantal gronden voor spreken, dat het zware, diluviale wilde paard met zijn langen kop oorspronkelijk meer de geografische vorm geweest is van die gedeelten van Europa, die uitzien op den Atlantischen oceaan en de Noord- en Oostzee, terwijl de fijnere vorm steeds bleef in de richting der Middellandsche zee, ten zuiden van de Alpen en Karpathen bleef en door middel van Zuid-Rusland te gelijk aansloot aan de steppe van Centraal-Azië en aan het oostersche verbreidingsgebied. De Atlantisch-noordelijke variant, die in die beteekenis meer het wilde paard zou geweest zijn der steppe, die vrijkwam na de gletschervormingen der ijsperiode, zou zich omgekeerd veel noordelijker tot Azië hebben voortgezet, en wel door Siberië, en ten slotte ook tot in de nabijheid van het overlevende Przewalskipaard. De beenderen der diluviale wilde paarden, die men hoog in het noordelijke Siberië vindt, komen ook daarmede overeen,—zij zijn absoluut niet „op oostersche” leest geschoeid. De tegenwoordige Przewalskipaarden der woestijn van Gobi zouden echter juist daar behouden zijn gebleven, waar aan de uiterste oostersche plek de beide geografische gordels elkander raakten. Op dit geheele onmetelijke dubbelgebied zouden wij historisch de mogelijkheid hebben van onafhankelijke temmingscentra, die naar gelang van hun ligging ten opzichte der groote scheidingslijn „westersche” of „oostersche” gefokte rassen voortbrachten. Dat daarbij zulke westersche paarden in hoofdzaak alleen in het werkelijke westen, namelijk aan den Europeeschen westhoek van het bovenste gebied blijvend schenen gefokt te zijn, terwijl over den geheelen anderen gordel van de Middellandsche zee tot in China overal oostersche fokdieren van oudsher verspreid zijn, kan voldoende verklaard worden uit het overwicht der menschelijke cultuur in dien zuidelijken gordel tegenover het Aziatisch-Europeesche noorden, dat het uitsluitend aan den westhoek in noordelijk Europa gebracht heeft tot een groot, werkelijk autochthoon cultuurcentrum. Het moet hierbij een volkomen open vraagstuk blijven, hoeveel verschillende temmingscentra op dien rijken zuidelijken gordel hebben kunnen liggen. Of bij voorbeeld het geheele Europeesche gebied der Middellandsche zee oorspronkelijk het fijnere ras uit één en dezelfde bron heeft betrokken, is een vraag, die bijna even ingewikkeld is als de vraag omtrent de eenheid van oorsprong der geheele cultuur der Middellandsche zee van de alleroudste tijden af, een vraagstuk, waarbij tegenwoordig alles in beweging en beroering is. Reeds in de antieke literatuur uit den tijd der Homerische gezangen heeft de noordoosthoek van het gebied in de nabijheid van Thracië steeds een groote rol gespeeld als van ouds beroemde kweekplaats voor de paardenfokkerij, dus op karakteristieke wijze niet de eigenlijk oostersche hoek, die naar Babylon wijst, maar de aanrakingsplaats met den onafzienbaren horizon der Zuid-Russische steppe, die zeker een oud eldorado van den eersten rang was voor de oude wilde paarden. Als in den twijfelachtigen Russischen Tarpan werkelijk nog een overblijfsel aanwezig was van het oude oorspronkelijke wilde bloed tot op onze dagen, dan zou dat nog een nagalm geweest zijn van die plaats, die voor de geschiedenis van het paard der cultuur van de Middellandsche Zee in eenig opzicht van belang was: de schedel van den Tarpan wordt beschreven als oostersch, maar met westersche bijmengsels; juist die vermenging wijst echter niet op echt wild bloed in dat dier, maar op het feit, dat wij hier te doen hebben met een weer verwilderd cultuurpaard van een reeds ver gevorderde latere kruising van het ras.
Zeker zal het oude China een oud middelpunt voor het temmen en fokken gevormd hebben, dat in geen verband stond met het westelijke. Voor zoover mij bekend is, is het Chineesche cultuurpaard van oudsher een oostersch ras, waarvan echter in weerwil der overoude cultuur niet veel is terecht gekomen. Voor de fijnere Chineesche opvatting van cultuur schijnt het paard steeds een zachten trek van barbaarschheid te hebben behouden, iets als een herinnering aan ruwere en meer primitieve toestanden. Daartoe heeft in ieder geval bijgedragen, dat de Chineesche cultuur van alle op aarde de eenige is geweest, die op haar buitengebied werkelijk nog tot in onze dagen als het ware nog den barbaarschen oorspronkelijken trap der paardencultuur voortdurend voor oogen heeft gehad. Op de grens van den engeren zoom der Mongoolsche cultuur begint nog tegenwoordig in de richting naar Azië een beeld van volkeren, waar de paardencultuur als het ware nog in wording is. Het schijnt haast niet zonder inwendigen grond te zijn, dat juist hier nog een oorspronkelijk wild paard zelf voort leeft. Het is, alsof de paardencultuur tot heden toe hier niet de volle kracht ontwikkelt, die in andere streken ontwikkeld wordt.
Hier zien wij nog trappen van paardenbehandeling, die reeds voor den mensch der oudheid een mythisch barbaarsch karakter vertoonden. Het paard wordt gemolken, als moest het overgebracht worden naar een geheel andere categorie van huisdieren, en wel in die, welke gericht is op de veeteelt in engeren zin, die welke dienstbaar is aan de voeding. Bij arme steppenvolken met karige voeding is die bestemming meestal een overgangstoestand geweest, die eerst op den achtergrond geraakte, toen het paard kwam bij welvarende herdersstammen met een rijke veeteelt, zooals in het oude beschaafde oosten. Oorspronkelijk was het paard als wild paard zuiver jachtdier. Daarbij volgde de periode, dat merries en veulens nu en dan bij de jacht gevangen werden. In dezen eersten tijd lieten zich alleen de merries met haar instinct van onderworpenheid en aanhankelijkheid aan een leider temmen. Kudden, uitsluitend uit merries bestaande, leidden dan gemakkelijk tot het gebruik maken van de paardenmelk. Het kan ook zijn, dat nu en dan het plotselinge verlies van andere huisdieren geleid heeft tot het gebruiken van het paard als noodhulp. Dit geldt echter reeds niet meer uitsluitend het gebruiken van de melk, maar het kan onder bepaalde omstandigheden onmiddellijk een eerste oorzaak geweest zijn, dat men zich met paardenfokken en paardentemmen in het algemeen heeft beziggehouden.
Dergelijke overgangen, al is het dan ook al niet meer met het werkelijk opnieuw beginnen der paardentemming van beneden af, kan men tegenwoordig ook nog waarnemen bij de Toengoezenstammen aan den Amoer; als zij hun van ouds in gebruik zijnd huisdier, dat bij hen werkelijk op ieder gebied dienst doet, het rendier, door verwoestende epidemieën verliezen, dan gaan zij door den nood gedrongen tot paardenfokkerij over, en worden zij „paarden-Toengoezen”. Onwillekeurig moet men daarbij aan onze Europeesche oudste voorvaderen denken, voor wie juist het rendier bij het allereerste begin van hun cultuur minstens éénmaal als gewichtigst jachtdier een werkelijk beslissende rol heeft gespeeld, doch die daarna de post-diluviale afwisseling van klimaat moesten beleven, die met de Toendra, de mossteppe, ook dat rendier bijna uit geheel westelijk en noordelijk Europa verdreef. Als men zich mocht voorstellen, dat met het rendier misschien reeds door dergelijke diluviale jagersstammen bij ons de eerste pogingen zijn in het werk gesteld en proefnemingen zijn verricht, om huisdieren te kweeken, dan zou men bijzonder goed begrijpen, hoe juist in het oude Europa later, toen de toenemende hitte de aanwezige inheemsche rendieren onverwachts wegrukte (misschien ook wel langs den indirecten weg van verwoestende epidemieën), reeds in het grijs verleden zich een uitgebreid en krachtig centrum van paardenfokkerij kon ontwikkelen uit de behoefte, dit huisdier door een ander te vervangen.
Voor die noord-Aziatische jagersstammen van onze dagen is hun getemd rendier bovenal onontbeerlijk als voertuig, hulpdier, transportdier bij hun onafgebroken zwerversleven, dat bepaald wordt door klimaat en zorg voor de voeding. Als men op de praehistorische teekeningen op de muren der holen in Frankrijk de tenten ziet, die reeds in die dagen door de jagers werden opgeslagen, blijkbaar bij hun jachttochten op mammouth en wisent, dan begrijpt men, hoe vroeg reeds dat vraagstuk van het transport een brandend vraagstuk moet zijn geworden. Hier echter is nu weer interessant, dat bij die rendier-Mongolen het rendier van tijd tot tijd ook reeds als rijdier werd gebruikt. In ieder geval is voor de geheele paardenfokkerij in de binnen-Aziatische steppen de mogelijkheid, dat ook het paard bereden kon worden, van oudsher een gewichtige factor geweest. Weer schijnt zich daarin een behoefte af te spiegelen, die door het landschap wordt bepaald: de oneindige steppenvlakte, die onder bepaalde omstandigheden zoo snel mogelijk moest worden doorkruist, mijl na mijl in taaie volharding. Hier was niet de beslissende eisch, zooals bij het Europeesche ridderpaard, een kolossaal paard, dat gemakkelijk het zware gewicht van den berijder kon dragen; niet zooals bij het Assyrische strijd- en pronkpaard de veerkrachtige, zenuwrijke bestormer op een bepaald oogenblik, die met het lichte strijd- of jachtwagentje indrukwekkend op het doelwit losstormde. Maar hier gold het den schijnbaar armzaligen, maar taaien draver, die het ontzaglijk lang kon volhouden, een klein paard behoorende bij kleine menschen zonder veel ballast, dat het echter met dit al den ruiter mogelijk maakte, wat eertijds in de steppen der tertiaire periode de kleine wereldveroveraars, de Hipparions, hadden kunnen volbrengen: het doorkruisen van een ontzaglijk uitgebreid werelddeel tot in andere werelddeelen. Met die taaie Mongoolsche paarden is het mogelijk geweest, die ontzaglijke tochten te volbrengen, waarbij Aziatische volkeren in vliegende vaart met een snelheid als van den stormwind vlogen midden door de Europeesche cultuur, als had er een inval plaats van potsierlijke monsters van een andere planeet. Voor mij ligt over die ontzaglijke invallen historisch nog altijd iets raadselachtigs, iets wat in hun innerlijk wezen voor ons nog niet tastbaar is. Men heeft slechts één analogie daarvoor: de even vlugge tochten van troepen van bepaalde vogels over een even groote uitgestrektheid. Juist op dezelfde wijze als eertijds die Aziatische ruiters, zoo zijn in onze dagen herhaaldelijk geheel onverwachts millioenen exemplaren van het sierlijke zandkleurige steppenhoen, als waren zij meegesleept door een niet te weerhouden natuurkracht, in een rechte lijn uit de Centraal-Aziatische zoutsteppen tot bij ons naar Europa gekomen; tallooze dieren hebben den dood gevonden door aan te vliegen tegen onze telegraafdraden, andere zijn neergeschoten, geen enkele is weer teruggekeerd. Het motief, dat die vogels bezielt, is even onbegrijpelijk als dat der voortdurend in westelijke richting jagende ruiters. De vogel had daarbij de hulp van zijn vleugels. Den mensch zou het nooit mogelijk zijn geworden, als niet de ontwikkeling voorafgegaan was van dien onvermoeid volhardenden ruimtebedwinger, eenig in zijn soort, den paardevoet.
Juist dergelijke reuzenritten doen ons echter ook de werkelijke mogelijkheid zien, hoe, in weerwil van zoo verschillende, ver van elkander verwijderde, lokale temmingscentra vermengingen en invloeden konden ontstaan, die men volgens de rustige hoofdrichting der cultuurgeschiedenis nooit denkbaar geacht zou hebben. Men heeft er op gewezen, dat in de antieke mythe der centauren, de mythe omtrent de fabelachtige wezens met het benedenlichaam van een paard en het bovenlichaam van een mensch, een herinnering kon steken aan zulk een plotseling invallenden en weder verdwijnenden stormvloed van vreemdsoortige barbaarsche ruiters, die vastgegroeid schenen aan hun ruwe paardjes. Het is een zaak, die niet onwaarschijnlijk lijkt en waarover moeilijk kan worden gestreden. Ik geloof echter, dat de centauren (het woord wordt ook in de Indische mythologie teruggevonden), veel te duidelijk behooren tot die wereld van algemeene fantastische stileeringen en combinaties, waaruit tevens het gevleugelde paard Pegasus, de vogel Grijp met de klauwen van een zoogdier, de sirene met het lichaam van een meisje en de pooten van een vogel, de veelkoppige helhond Cerberus en de stierkoppige Minotaurus zijn ontsproten, en waarvan de centrale woonplaats naar alle waarschijnlijkheid in Phoenicië en Babylon was gelegen. Waarom zou juist het paardmensch berusten op een historische herinnering, die toch geen sterveling zal te voorschijn roepen voor zijn makkers uit dienzelfden hoek, de vischmenschen, vogelpaarden en stiermenschen?
Aan de centaurenhypothese zijn dan verdere vermoedens vastgeknoopt: dat het plotselinge opduiken van zulke „verschrikkelijke ruiters” in de westelijke landen het paard zou hebben omgeven met een „bijgeloovigen schrik” (dit zijn de woorden van den onderzoeker der huisdieren Eduard Hahn) en de oostersch-Europeesche cultuur van het paardrijden had afgewend naar het eenzijdige gebruik van het paard uitsluitend als trekdier vóór den wagen. Of ook omgekeerd, dat juist dergelijke invallen der Aziatische steppenruiters het rijden eerst zelf verbreid hadden tot diep in het westen. De laatste meening zou misschien nog het best voor discussie vatbaar zijn, maar ten opzichte van het oostersch-oudgrieksche cultuurgebied schijnt zij mij volkomen onjuist toe. Het oostersche edele ros is, zooals ik reeds heb besproken, van het begin af pronk- en luxepaard geweest, het dier der koningen en edellieden, en niet, zooals bij de Tartaren, een noodzakelijk attribuut in den moeilijken levensstrijd. Het kwam als luxedier veel meer uit vóór den prachtigen wagen, en in den slag voerde het vóór den wagen den aanzienlijken strijder mede, die gewoon was, steeds ten minste één volgeling ter zijde te hebben, die dienst deed hem de speer aan te reiken, het schild te dragen of op andere wijze hulp te bieden, als ware deze op een kleinen burcht geplaatst. Men moet niet uit het oog verliezen, hoe nog in de Ilias eigenlijk alleen heeren- en koningsgevechten geschetst worden. Ik geloof niet, dat men hier een zeker afgrijzen gehad heeft van het paardrijden als van iets spookachtigs, maar dat een edele uit die dagen het veeleer zou hebben beneden zich geacht als iets plebejisch; hij zou gezegd hebben, dat een koning geen stapel koolen was, die men op den rug van een dier laadde. De kunst van het rijden op dat edele paard is eerst na het verval van het oude oosten ontwikkeld, toen het in handen viel van oostersche tent- en woestijnbewoners—maar die ontwikkeling was toen dan ook een bepaalde, door den aard van het land beheerschte ontwikkeling, die volstrekt niet onder den invloed behoefde te staan van vreemde factoren.
Men heeft nog een bijkomend resultaat der paardenfokkerij, en wel van een blijkbaar zeer oude fokkerij uit die invallen der midden-Aziatische steppenruiters willen verklaren: en wel het ontstaan van het muildier. Het muildier, het prachtige product van een mannelijken ezel en van een vrouwelijk paard, is ongetwijfeld ook reeds een oude en waardevolle bezitting der cultuur. Als onze getemde ezel geheel of voornamelijk uit Afrika is gekomen, dan is de kring, waarover hij verspreid was, in beginsel gegeven. Hahn heeft nu geschetst, hoe bij volkeren, die oorspronkelijk alleen ezels bezaten, zulke Tartaarsche ruitervolken het land doorgevlogen zijn en paarden hebben achtergelaten. Het zouden echter alleen merries geweest zijn, waarbij herinnerd wordt aan de tegenwoordige gebruiken in Arabië en andere landen, steeds uitsluitend merries als rijpaarden te gebruiken. Men zou vervolgens getracht hebben, het paard in de ezellanden iets meer tot den ezel te doen naderen, door het te kruisen met den reeds langer bekenden ezel, en daar men alleen merries der paarden tot zijn beschikking had, werd het muildier geschapen. Dat klinkt zeer fraai, maar stelt eigenlijk een ingewikkelden roman in de plaats van een zaak, die men zich veel gemakkelijker kan voorstellen, een algemeen feit, dat plaats heeft zonder invallen van Tartaren. Waar men den ezel reeds voor goed had als cultuurdier, maar met het temmen van inheemsche paarden eerst een begin maakte, zooals bij voorbeeld in het oude Babylon, daar kwam iederen keer weer die eerste tusschenregeering der paardenfokkerij in aanmerking: het eenzijdige begin der proef met paardenmerries. Onmiddellijk op dien aanvangstrap lag het toen reeds genoeg voor de hand, dat tamme ezels de opgekweekte paardenmerries dekten. De overgang zal gemakkelijker gemaakt zijn door dat, wat nog tegenwoordig bij het fokken van alle muildieren een groote rol speelt. Men had een enkelen keer veulens van jonge paarden alleen gevangen (zooals wij vroeger omtrent Hagenbeck bespraken) en liet die, nu hun eigen moeders ontbraken, door zoogende ezelinnen groot brengen. Het zoogen van jonge paarden door ezels levert ook thans nog geen bijzondere moeite op, maar heeft steeds een zeer bepaald resultaat: het zoo groot gebrachte pleegkind heeft volstrekt geen afkeer van een liefdebond met het volk zijner zoogmoeder. Als het paard niet door een ezelin is gezoogd, schuwt, ten minste in den regel, de paardenmerrie den mannelijken ezel, terwijl de laatste volstrekt niet kieskeurig is. Als nu oorspronkelijk op die wijze toevallig een enkelen keer de ban was verbroken, en een jong muildier gelukkig ter wereld kwam, zal waarschijnlijk in het begin alleen reeds de merkwaardigheid der zaak de belangstelling hebben opgewekt. Tot op onze dagen heeft alles, wat samenhangt met het ontstaan van het muildier, voor het groote publiek iets geheimzinnigs aan zich; daaraan knoopt zich alle mogelijke bijgeloof vast, dat een enkelen keer zelfs heeft ingewerkt tot in de wetenschappelijke zoölogie en haar opvattingen omtrent dergelijke bastaardvormingen. Later moet de practijk op zich zelf echter spoedig het nut van dat „monster” hebben aangetoond. Het muildier is een dier, dat alle goede eigenschappen heeft van het karakter van den ezel, gebracht op de grootte en de gestalte van het paard. Dit is het geheim van zijn succes. Hij is het product van de poging, het paard zuiver op te vatten als een middel ter verbetering van den ezel. Een enkele schakel van die poging zal zich overal in de geschiedenis van het paard ingevoegd hebben, waar men den ezel reeds had en van oudsher hoogschatte, maar waar men met het paard nog eerst stond in het stadium der nog onzekere proefnemingen.
Zijn eigenlijken triomf heeft het muildier daarna gevierd als het dier, dat „in den nevel zijn weg zoekt”, en wel in het hooggebergte. Daar is hem bij zijn volle paardekracht en een zekeren paardemoed de smalle hoef van den ezel te stade gekomen. Men kan zoo goed zien, wat het begrip „monster” in de natuur eigenlijk beteekent: alles komt ten slotte neer op de geschikte gelegenheid, dan wordt het monster een genie. Uit een aardrijkskundig oogpunt heeft de mulus (mulus is het Latijnsche woord voor muildier, hinnus dat voor den in ieder opzicht minder belangrijken muilezel, waar dus de moeder een ezelin is),—en wel voor een deel op grond van die speciale gave—ten slotte dat land veroverd als het gewichtigste, in dat land wel het edelste cultuurdier, dat in oude dagen reeds eenmaal het doel is geweest van een zoo grooten inval van paarden: Zuid-Amerika. Zoo jaagt het noodlot steeds rusteloos weder voort.
In ieder geval echter zullen die invallen uit de Aziatische steppe, die, naar het schijnt uitsluitend plaats hadden met oostersche ruwe paarden, hun deel hebben bijgedragen tot de belangrijkste gebeurtenis der geheele latere geschiedenis van het paard: namelijk de dooreenmenging van het algemeen oostersche met het specifiek westersche foktype, terwijl gelijktijdig alle lokaal van elkander afwijkende door fokken ontstane producten van het oostersche grondtype met elkander werden vermengd. Men behoeft zich slechts een paar haltplaatsen te herinneren in de ontwikkeling van de cultuur der oude wereld in de laatste tweeduizend jaren, om te begrijpen, hoe noodzakelijk het was, dat dit mengproces plaats had door de verplaatsingen der cultuurvolken, in wier hand het paard was. De Romeinen doen een tijd lang het geheele gebied van Engeland, Frankrijk en Zuid-Duitschland tot aan de oude streken der beschaving van het oosten tot één enkele beschavingseenheid samensmelten. De volksverhuizing drijft Germanen tot naar het noordelijke deel van Afrika. Het wereldrijk der Arabieren maakt Spanje tot een provincie van het oosten. Er wordt een eindeloos voortdurende poging gedaan, om uit Duitschland en Italië, uit Duitschland en Spanje een blijvende eenheid te vormen. Het westen dringt tijdens de kruistochten in het oosten in, het oosten met de Turken in het westen. Het wereldrijk der Engelschen, uitgaande hoog van den noordwestelijken uithoek van het gebied, begint de verste zuidelijke kusten en oostelijke landen te omvatten. Op al die tochten heen en weer, in alle richtingen, trekt het paard echter mede. Twee fundamenteele resultaten komen tegenwoordig voor Europa voor den dag met de werking van dit proces.
Aan den éénen kant het meer naar voren dringen van het oostersche paardentype in het algemeen ook binnen het oude gebied van het westersche ras, dus ook naar West- en Noordduitschland. De zware achterblijvers van dat westersche ras staan tegenwoordig overal waar zij behouden zijn gebleven, meestal tusschen oostersch invalmateriaal, zij zijn daardoor omringd en uit een geografisch oogpunt tot zelfs in Engeland reeds lang omsloten. Hun eigen bloed is in de meerderheid der gevallen reeds doortrokken met een scheut vreemd westersch bloed. In ieder geval zal dat ras blijven voortduren, zoolang onze cultuur reusachtige Engelsche brouwerspaarden en gemakzuchtige Fransche postpaarden noodig heeft, zoolang de electrische tram nog niet geheel den omnibus en de paardetram heeft verdrongen. Zoolang wij een industrie hebben, waarvoor het paard als trekkracht ten minste op korte afstanden nog steeds de goedkoopste machine vertegenwoordigt, zoolang wij het paard Bayard nog als het ware kunnen gebruiken als den olifant onzer noordelijke cultuur, al is het dan ook niet voor het dragen van vier romantische helden.