Part 6
En nu heeft men ook hier de schoonste geleidelijke overgangen. Evenals bij het onderbeen, zoo hebben ook bij de tanden op zeer karakteristieke wijze de vospaardjes, dus de oudste echte equiden, eveneens nog bijna geheel den toestand der oorspronkelijke hoefdieren. Nog zijn alle tanden voltallig. Wel wordt de gaping, die reeds uiterst gering bij den Phenacodus begon, zichtbaar, maar nog is het alleen maar een enkel wijken der tanden, niet een ontbreken: de later verdwijnende eerste voorkies is nog duidelijk van boven zoowel als beneden aanwezig. Nog verschillen die voorkiezen van de gewone kiezen, nog hebben de kiezen geen cementplombeersel, nog dragen de ouderen onder die vospaardjes op ieder dier kiezen de zuiver gescheiden bulten. En dat alles toch, wel te verstaan, nog bij een typisch echten equide! Bij de jongere vospaardjes (die, welke aan den achterpoot reeds geen pinkaanhechtsel meedragen), beginnen er eerst bergjukken tusschen de bulttoppen te komen, en die toppen beginnen zich om te vormen tot eigenaardig haakvormig gebogen kammen. Dit gaat dan op de volgende trappen verder, als volgde men in een gebergte werkelijk wilde geologische verschuivingen en plooiingsprocessen. Bij de vroeger genoemde kwasthoevigen zijn de kiezen nog klein en van stevige wortels voorzien. Maar reeds begint de karakteristieke prismavorm van het echte paard door te breken. Terwijl in het relief van boven de middelste dier haakvormig gebogen kammen zich aanschuiven tegen de uiterste, ver tot aan den rand zich uitstrekkend, wordt de tusschenruimte, die vroeger open dal was tusschen bergtoppen, tot een rondom omsloten kraterholte, en in die holten zooals anders in de plooien begint zich plotseling cementmassa af te zetten. Te gelijker tijd merkt men ook, dat de voorste der voorste kiezen veranderlijk wordt, en de overige gaan hoe langer hoe meer op de kiezen gelijken. Bij onze pinkdieren groeit de kies echt tot een hooge zuil uit, waarbij de wortels verdwijnen. In een diepe inzinking liggen daar thans de kraterholten absoluut ingesloten, en steeds rijkelijker dringt overal als een taaie afgezette massa het cement in de bergplooien. De kammen om de kraters kronkelen zich als overoude verweeringsarabesken, de laatste nog uitstekende binnenste toppen beginnen in dien warwinkel van plooien in te vloeien. Van daar is het nog slechts een korte schrede tot het echte wilde paard. Niet gemakkelijk kunnen er twee dingen zijn, die meer van elkander verschillen dan de reusachtige prismatische kies van dat paard met haar verkwijnende wortels en haar cementlabyrint, en de fijne cementlooze gebulte tand met fijne, spitse wortels van den Phenacodus—en toch is er in de geheele lijn tusschen die beide geen enkele sprong, waar men zich verbazen zou over den plotselingen overgang, en de laatste overgang is nauwelijks meer dan het invloeien van een laatste overblijfsel van een inwendigen bult in de golvingen der plooien. Als een dergelijke tandvlakte, reusachtig vergroot, werkelijk een plek op onze aardkorst was met een krachtige bergformatie, waarop wij gedurende millioenen jaren steeds van tijd tot tijd weer neerzagen,—dan zou geen enkele geograaf de geleidelijke vervorming van dat gebergte, de omvorming van zijn oorspronkelijke kegelspitsen in een labyrint van bergjukken in de lengte en in de breedte en van gebarsten pieken, de uitdieping zijner zeeën, anders verklaren dan in de beteekenis van een consequent voortgezet formatieproces in de natuurlijke volgorde zonder eenig hiaat. En als wij nu telkens na even groote tusschenperioden neerzien op den tand in de kaak van een levende diersoort,—waarom zou dan het proces een geheel ander zijn?
Over het „hoe” van dergelijke vervormingen zijn er, zooals ik zeide, (en zullen er ook nog lang zijn) zeer van elkander afwijkende meeningen ook binnen de partij, die onfeilbaar gelooft aan natuurlijke ontwikkeling in het algemeen. Zoo is dan ook die geschiedenis van het paard een tijd lang de aanleiding geweest tot een zeer interessant debat, waarbij tegengestelde opvattingen omtrent het „hoe” scherp tot uitdrukking kwamen.
Ik heb medegedeeld, dat versteende beenderen van op paarden gelijkende dieren uit Fransche vindplaatsen het eerst door Cuvier zijn beschreven, lang voordat Amerika die bewonderenswaardige keten leverde, en dat ook in het vervolg Europeesch bewijsmateriaal niet ontbrak. Toen Darwins denkbeelden zich eerst aanhangers verwierven en Haeckel de eerste „stamboomen” van diergroepen ontwierp, kende men nog niets anders dan die Europeesche resultaten. Het scheen echter reeds met deze eenigszins mogelijk, een dergelijken „stamboom” van het paard te construeeren. Men had ook daar reeds onmiskenbare kwasthoevige dieren uit de latere tertiaire periode, en daarna driehoevige equiden uit oudere lagen (juist deze had Cuvier reeds herkend); later zijn er zelfs nog overblijfselen van vospaardjes en ook enkele zeldzame overblijfselen van het oorspronkelijke hoefdier Phenacodus gevonden. Al was het op verre na niet zoo nauwkeurig, toch schemerde de juiste grondlijn in ieder geval zóó door, dat men haar werkelijk kon vaststellen, en de eerste specialiteiten waren er niet weinig trotsch op, dat hun dit scheen te gelukken. Bij de zekerheid van het feit, dat toch het voortgekomen product, namelijk het tegenwoordige paard, als wild paard en wilde ezel, zij het niet meer tegenwoordig in Europa, dan toch in Afrika en Azië, dus in de oude wereld nog, in groote massa’s voortbestond, kon in dat eerste aanstormen der dingen eerst ook geen twijfel bestaan, of die stamboom liep alleen over vormen uit de oude wereld. Toen men hoorde van voormalige Amerikaansche paarden, scheen het even natuurlijk, dat men hier moest hebben te doen gehad met verstrooide landverhuizers uit Oud-Azië of Oud-Europa.
Maar daar kwamen slag op slag de Noordamerikaansche vondsten voor den dag met de geheele daar verkregen keten. De zaak werd moeilijk. En wel des te moeilijker, toen het volgende scheen voor den dag te komen. De Amerikaansche keten van de oorspronkelijke hoefdieren tot aan het echte, daar ten minste zeer laat nog aanwezige wilde paard was onberispelijk trap voor trap in zich zelf gesloten. In de meer algemeene grondtrekken: dat zij ten slotte wees op voorvaderen met vijf teenen, dat zij leidde langs een trap van driehoevige dieren, en een tusschentrap omvatte van de kwasthoevigen, kwam zij volkomen overeen met de reeds bekende Europeesche keten. Maar in bijzonderheden bleken er ongetwijfeld afwijkingen te zijn.
De Amerikaansche en de Europeesche vertegenwoordigers der driehoevige equiden wilden in de bijzonderheden volstrekt niet bij elkander passen. Voor de kwasthoevigen daar en hier werd dit ten minste bestreden. Daar op het oogenblik noch de Europeesche noch de Amerikaansche geleerden hun stamboom wilden prijsgeven, doch beide stamboomen verschillend waren, maar van den anderen kant het resultaat voor beide hetzelfde was, scheen er slechts één logische uitweg te zijn. Het paard moest zich als zoodanig twee maal hebben ontwikkeld in een overigens identieken eindvorm: bij ons in de oude wereld uit oorspronkelijke hoefdieren met vijf teenen langs de keten, die in Europa uit een geologisch oogpunt ten minste nog eenigszins is te volgen, daar ginds in Amerika uit de misschien nog gelijke oorspronkelijke hoefdieren langs de keten, die daar nog nauwkeurig is na te gaan. Beide ketens hadden verwante logische trekken, werden echter in bijzonderheden door tamelijk veel van elkander verschillende equidenvormen vertegenwoordigd. Enkele Duitsche onderzoekers, bij voorbeeld de oude Kämpe, die even handig in het debat en in zijn polemiek even zelfbewust als vreeselijk grof was, en de dikke Vogt traden op de meest fanatieke wijze voor die oplossing in het strijdperk, alsof het wel en het wee der geheele ontwikkelingsleer daarvan afhing. Doch het gold slechts een bepaalde opvatting van de inwendige wegen eener zoodanige ontwikkeling, maar in een in ieder geval interessanten vorm.
De vraag was opgeworpen, of een diersoort op onze aarde door natuurlijke ontwikkeling tweemaal in volkomen denzelfden vorm kan onstaan, en dat wel langs vormen van voorouders, die wel is waar in wezen niet volkomen ongelijk waren, maar toch ook volstrekt niet in zoölogischen zin gelijk waren. De bevestiging dier vraag moest natuurlijk van bijzonder groote draagwijdte zijn. Passen wij dit bij voorbeeld toe op den mensch, dan kan in een dergelijk geval dus de mensch op verschillende plaatsen van onze planeet zich hebben ontwikkeld uit diervormen, die van verschillende soort waren, al kwamen zij dan ook in bepaalde trekken overeen, een feit, dat op de splitsing der rassen van het begin af aan een ander licht zou werpen en den stamboom van den mensch oneindig veel gecompliceerder zou maken.
Nu is in de eerste plaats niet goed te loochenen, dat de mogelijkheid van twee onafhankelijke ontwikkelingen, die toch tot volkomen hetzelfde resultaat leiden, zuiver theoretisch moet worden toegegeven. Iedere ontwikkeling berust in den zin der moderne evolutieleer op natuurlijke oorzaken, en wat die oorzaken voorschrijven, moet zich daarin onveranderlijk voltrekken. Gelijke oorzaken hebben echter gelijke gevolgen,—dat is ook een onveranderlijke wereldwet. Indien dus tweemaal volkomen dezelfde oorzaken van ontwikkeling, waar ook op de wereld, zijn opgetreden, moeten er ook dezelfde resultaten uit zijn voortgevloeid.
Legt men het zwaartepunt bij het resultaat niet op volkomen „gelijkheid”, maar alleen op „overeenstemming”, dan zijn er voor dat beginsel voorbeelden in overvloed. Het vliegen is door de meest verschillende dierengroepen zeker volkomen onafhankelijk van elkander aangeleerd, en daarbij zijn op de meest verwijderde plaatsen zeer met elkander overeenkomende vliegorganen ontwikkeld; zoo hebben wij in het „Dierenboek” reeds medegedeeld, hoe zoowel de uitgestorven vliegende hagedissen alsook de (daarvan ver verwijderde en onafhankelijke) vleermuizen den vinger hebben gebruikt om de vlieghuid uit te spannen. De vermindering der hoefteenen ter wille van een gemakkelijker beweging, het steile opheffen van den middenvoet, de „verbeening” van dien voet, dus karakteristieke feiten uit het proces der paardwording, zijn in vormen, die in ieder geval met elkander overeenkomen, ook door andere hoefdieren: runderen, schapen, herten enz. volbracht. Bij een bijzonder merkwaardig uitgestorven hoefdier van Zuidamerika, dat behoorde tot een groep van hoefdieren, die zich daar in oude dagen hadden nedergezet, en dat zich daar volkomen had vervormd, het Thoatherium, is dat proces zelfs zóóver gevorderd, dat evenals bij het paard ook ten slotte alleen de middenteen is overgebleven; dat dier en zijn verwanten hadden daarbij anders volstrekt geen gelijkenis en geen betrekking tot het paard en den stamboom van het paard, zij waren alleen in dat ééne opzicht bij volkomen verschillende ontwikkeling onder den invloed van de werking van „gelijke oorzaken” gekomen. Nu was alleen de vraag, hoe ver dat woordje „gelijkenis” tot het begrip „gelijkheid” naderde. De gegeven voorbeelden zijn immers feitelijk alle nog ver daarvan verwijderd; de vliegende hagedis is geen vleermuis, het rund en zelfs het genoemde Thoatherium zijn geen paarden geworden. Zijn er meerdere van zulke complexen van gelijke voorwaarden, zoodat een geheele ontwikkeling zich zou kunnen herhalen totdat het geheele complex van een volkomen identieke diersoort zich zou kunnen herhalen?
Men kan beginnen met ook die vraag te beantwoorden door een analoog voorbeeld aan het oneindige heelal ontleend. Als wij ons een tweede wereldlichaam denken ergens in het heelal gelegen, dat bij eenzelfden stand ten opzichte van de zon uit dezelfde grondstoffen bestond als de aarde en dezelfde verhoudingen in grootte had, dan is het zeker, dat dit wereldlichaam, door gelijke oorzaken als onze aarde gebracht tot ontwikkeling van organisch leven, volkomen dezelfde planten- en diersoorten zou moeten voortbrengen en eindelijk ook door intelligente menschen moest worden bewoond. In dichtstukken is daarvan dikwijls gebruik gemaakt, maar het berust (bij de in het oogvallende overeenkomst van veel kosmische scheppingen, bij voorbeeld van veel vaste sterren met onze zon) op een veel strengeren grondslag dan de meeste menschen meenen. Eveneens is het volkomen zeker, dat indien heden onze aarde door de ééne of andere gewelddadige gebeurtenis weer in den toestand van een chaotische nevelvlek zou terugkeeren, zonder dat er anders iets veranderde aan haar stoffelijke samenstelling of haar astronomische betrekkingen, na een periode van zoo en zooveel millioenen jaren alles bij haar weer bij het oude zou zijn, dezelfde planten-, dieren- en menschenwereld in al haar individuen en hun lotgevallen weer aanwezig zou zijn, zóódanig, dat alle handelingen bij voorbeeld bij ons menschen, die na de catastrofe aanwezig zijn, zich, als ware er niets geschied, moesten aansluiten aan hetgeen vóór de catastrofe gebeurd was op het oogenblik, dat de aarde in denzelfden ontwikkelingstoestand verkeerde als thans.
Dit alles zijn dingen, die uit de ernstig opgevatte consequentie der levensontwikkeling noodzakelijk voortvloeien. De zaak wordt echter iets anders, wanneer wij een dergelijk geval nu op één en dezelfde planeet in eenzelfde periode van de geschiedenis der aarde moeten construeeren. Opdat het paard tweemaal, in Europa en Amerika, zou ontstaan, zouden in het verloop der tertiaire periode de omstandigheden in de grassteppen van dat Europa en Amerika absoluut gelijk moeten geweest zijn. Rijkdom en wijze van plantengroei, verhoudingen te land en te water, klimaat en aanvallende dieren, oorspronkelijk aantal individuen enz., dat alles moest gedurende millioenen jaren een absolute identiteit hebben gehandhaafd. Het is moeilijk zich dit te denken.
De zaak zou trouwens gemakkelijker verklaard kunnen worden, als men een keuze deed tusschen bepaalde theorieën van de noodzakelijkheid der ontwikkeling, en dan de meest geschikte uitzocht. De groote massa van hen, die aan de ontwikkeling gelooven, nemen tegenwoordig aan, dat iedere ontwikkeling in het bereik van het leven hoofdzakelijk tot stand komt door den dwang der uitwendige omstandigheden, die de soorten dwingt, zich te wijzigen in de lijn van bepaalde aanpassingen; voor hen is het paard in iedere vezel een prachtig bewijs van een dergelijke tot het hoogste punt opgevoerde aanpassing. De methode, waarop levende wezens het tot stand brengen, werkelijk op een dergelijken dwang te reageeren, zich op een voor het doel geschikte wijze tegenover de eischen te vervormen, zich „aan te passen”,—is dan weer een zaak van engere theorieën. Darwin denkt aan een voortdurend blind voortbrengen van varianten, waarbij de uitwendige eischen steeds de meest bruikbare varianten in stand doen houden. Over den aard en de kracht van die varianten wijken de meeningen van Hugo de Vries en van andere leerlingen van Darwin tegenwoordig van elkander af. Omgekeerd houden de voorstanders van Lamarck meer rekening met een meer actieve en directe geschiktheid tot aanpassing van de levende individuen, die dat proces der blinde teeltkeus met zijn ontzettende decimeeringen in meerdere of mindere mate onnoodig maakt. Bij beide wegen blijft echter de beslissende macht der uitvoerige eischen bestaan. Om tweemaal het paard op dezelfde wijze voort te brengen, zou zoowel voor de theorie van Darwin als voor die van Lamarck die absolute identiteit der uitwendige omstandigheden, van het Europeesche en het Amerikaansche milieu, gedurende een onmetelijke tijdsruimte noodig geweest zijn, dus iets wat niet gemakkelijk is te denken.
Om aan dien eisch tegemoet te komen, zou alleen een theorie dienst kunnen doen, die de beteekenis van dien dwang van het milieu op den achtergrond stelde ten gunste van een dwang tot ontwikkeling, die geheel van binnen uit en zelfstandig werkt in de levende wezens zelf. Ook dat denkbeeld heeft aanhangers, al heeft het tegenwoordig geen enkelen op den voorgrond tredenden vertegenwoordiger. Volgens dat denkbeeld moet de vaste ontwikkelingslijn van alle dieren en planten in hoofdzaak in hen zelf liggen. De buitenwereld zou zich tegenover die ontwikkeling slechts zóó gedragen als de broedwarmte tegenover het kippenei. Dit denkbeeld put al zijn kracht voor de stamgeschiedenis der soorten werkelijk uit de analogie met hetgeen in de kiem, in het ei of in de pop geschiedt. Een pop van een vlinder, behoorlijk rustig en warm gehouden, brengt denzelfden vlinder voort op grond van een inwendige, als een uurwerk loopende regelmatigheid, even goed ginds in Amerika, als, naar ons overgebracht, in Europa. Zoo zou het dan ook ongeveer met de oorspronkelijke hoefdieren geweest zijn. In de Amerikaansche, evenzeer als in de Europeesche prairie, zou, als maar voldoende tijd en rust gewaarborgd was, het inwendige, opgewonden uurwerk der ontwikkeling in een bepaald aantal generaties het paard moeten te voorschijn brengen, en wel het volkomen identieke paard. Die theorie is niet, zooals wel wordt beweerd, een onwetenschappelijke theorie zonder meer, want zij berust in ieder geval op een analogie, namelijk op het op zich zelf volkomen natuurlijke verloop der ontwikkeling in ei of pop. Alleen blijft zij volkomen het antwoord schuldig op twee vragen, die de zooeven genoemde andere vorm der ontwikkelingsidee spelend oplost. En wel in de eerste plaats, wie het uurwerk heeft opgewonden. In de geschiedenis der kiem, in het ei, is het naar de tegenwoordig gangbare opvatting juist de stamgeschiedenis zelf geweest. Voor de stamgeschiedenis bleef er dan een onbekende onderstelling open. Ten tweede, hoe het komt tot de duidelijk zichtbare „vooruit vaststaande” harmonie tusschen de resultaten van dat inwendige uurwerk en de eischen van aanpassing der buitenwereld. Waarom tikt het inwendige uurwerk het paard juist als een zoo voortreffelijke aanpassing aan de steppen naar buiten?
Het is niet de taak van dit boek, in het groote spel en tegenspel van dergelijke theorieën tegenwoordig scherpe beslissingen te nemen. Ik wilde den lezer daarop alleen wijzen, als de stof daaraan noodzakelijk raakt. Het geldt daarbij, zooals gezegd is, interessante vraagpunten binnen het kader der groote ontwikkelingsidee zelf, vraagpunten, die de inspanning van de besten en de edelsten ten volle waard zijn. Maar voor ons vraagstuk over het paard is er gelukkig een oplossing, waarbij wij die vraagstukken kunnen ter zijde laten ook zonder de noodzakelijkheid van een beslissende oplossing.
Bij die geheele zaak was er iets, wat ontwijfelbaar de verbazing moet opwekken. Indien op de ééne of andere van de verschillende theoretisch denkbare wegen ten slotte het paard twee maal als volkomen identieke vorm hier en ginds kon ontstaan: waarom waren dan de schakels der ontwikkelingsketen, die tot het paard leidden, niet eveneens in Europa en in Amerika volkomen identiek? Ik heb persoonlijk dit punt (juist dat punt, waardoor oorspronkelijk het geheele debat is aangekomen), nooit kunnen begrijpen. Als de ontwikkeling in beide gevallen bij voorbeeld bij den tienden trap der keten op hetzelfde paard kwam, waarom dan niet bij voorbeeld bij den zevenden trap op hetzelfde driehoevige dier? Als dat driehoevige dier in Europa wel op dat van Amerika geleek, maar er toch duidelijk van verschilde, dan eischte de eenvoudige logica, dat ook de „paarden” van hier en ginds, dat wil zeggen de eindelijk langs twee parallelle wegen veroverde eenhoevige dieren, wel op elkander geleken, maar toch ook verschillend bleven. Waarom de identiteit op het gedeelte tusschen driehoevig dier en paard plotseling in beide ketens moet binnen komen, is volstrekt niet in overeenstemming met het beginsel: gelijke oorzaken hebben gelijke gevolgen. Juist die verscheidenheid der oudere vormen heeft echter feitelijk den hefboom geleverd, om de zaak geheel en al omver te werpen en dat wel van het volgende, geheel verschillende standpunt uit.
Die beroemde Amerikaansche keten, waarvan wij de schakels als oorspronkelijke hoefdieren, vospaardjes, driehoevigen, kwasthoevigen, vingerdieren, zoo goed als het ging in Hollandsche namen hebben weergegeven, heeft natuurlijk ook haar vasten Latijnschen vaknaam. Gewoonlijk zijn zij voorbij de oorspronkelijke hoefdieren Euprotogonia en Phenacodus zelf reeds samengesteld met het Grieksche woord voor paard „hippos”. Van onderen naar boven vindt men daar tusschen den Phenacodus en den werkelijken hippos, het Amerikaansche wilde paard, na een Hyrakotherium (waarbij men een oogenblik zou kunnen denken aan den Hyrax, den klipdas) een equide Protorohippos (nog in de vospaardjes), een Epihippos, (Mesohippos, Miohippos, waarbij men de driehoevigen voorbijkomt), een Merychippos als typische trap van de kwasthoevigen, en eindelijk een Hippidion voor onze pinkhoevigen. Voor een deel zijn het moeilijk te vertalen namen, die op zich zelf weinig beteekenen, en die de zoöloog dan ook alleen gebruikt als een soort gildeteekens. Het belangrijkste is, dat men van al die stevig aan elkander sluitende schakels der keten duidelijke skeletten bezit, die juist hier den zoo goed als onbetwistbaren stamboom leveren. Nu zijn echter met die vaste aansluitingen de massa’s der Amerikaansche paardebeenderen uit de tertiaire periode nog volstrekt niet alle uitgeput. Men heeft daar uit dien overvloed aan rijkdom nog een groote hoeveelheid equiden weder kunnen samenstellen, die als het ware uitloopers, bijloopers der hoofdlijn, voorstellen. Dieren, die niet behoorden in de lijn, die consequent opsteeg naar het echte paard, maar van de verschillende stations van dien stam als zijtakken of wilde loten afweken.
Zij speelden als het ware met de voortbrengselen van dat station, dreven die in de breedte, deden allerlei varianten op die voortbrengselen ontstaan, maar stierven gewoonlijk zelf weer uit, als de hoofdstam een trap hooger steeg, zonder dat zij zelf het tot den één of anderen eigen nieuwen top brachten. Iedere dierlijke stamboom, dien wij, waar ook, een stuk ver kunnen vervolgen, laat dergelijke wilde loten zien, dit moet diep in het wezen van iedere organische ontwikkeling liggen, en vooral in de opvatting van Darwin, als de voortdurende schifting uit een groot aantal verschillende varianten, zou dit ook volkomen verklaarbaar zijn. Het latere duidelijke inzicht in het werkelijke verloop van den stam zelf wordt ons echter helaas zeer dikwijls moeilijk gemaakt door die voortdurend weer opborrelende massa van daarnaast loopende wilde takken en bijkomend kreupelhout. Het is als bij een werkelijken boom, waarbij men van verre alleen bladeren en takken ziet en niet den hoofdstam. Dergelijke bijvormen plegen in den tijd, die hun vergund is, een zeer buitengewone rol te spelen. Niet meer deelhebbend aan den eigenlijken vooruitgang, breiden zij zich oeverloos in de breedte uit. Zij beproeven alle mogelijke voordeelen van een veroverd station, alsof dat station hun definitieve ankerplaats was, zonder zich er over te bekommeren (overdrachtelijk gesproken) in wat voor uitersten en wat voor sloppen zij bij dat zich al te huiselijk inrichten mogen komen. Door de aanwezigheid van een ontzaglijk aantal individuen op een gunstig terrein kon een op een bepaald oogenblik bijzonder gelukkige variant zich zóó op den voorgrond dringen, dat in de versteende overblijfselen, waarin steeds toch gapingen voorkomen, later het echte type van dat station, dat tot verdere ontwikkeling is gekomen, gemakkelijk geheel voor den blik verloren gaat. Het groote aantal individuen dwingt dan dikwijls juist die ééne bijloot, zich verder uit te strekken als een rijk van knoppen voorziene tak; dat wil zeggen: de zich ophoopende individuen worden gedwongen het land te verlaten, zij verspreiden zich over wijde uitgestrektheden der aarde, en komen plotseling te voorschijn in geheel andere landen, waarheen juist de geologische verhoudingen van dien tijd een begaanbare brug hadden geslagen. Dit kan nu echter onder bepaalde omstandigheden veroorzaken, dat zij op plaatsen ver van de plaats van ontstaan en vervorming van hun oorspronkelijke stamlijn, toevluchtsoorden vinden, waar zij veel langer kunnen blijven bestaan dan in de oorspronkelijke woning zelf, schuilhoeken waar geen zeis hun al te weelderigen groei afmaait en het noodlot van het station waar zij ontstaan zijn, ze op de oude plek schijnt te hebben vergeten. Dan blijft zulk een verstrooide troep millioenen jaren voortduren, hoopt voortdurend nieuwe catacomben op van zijn beenderen en maakt daardoor de juiste waardeering hunner beteekenis moeilijk.
Zoo ook is het met de paardachtige dieren van Amerika. Overal, waar een groot keerpunt in hun ontwikkeling gelegen is, waar men, menschelijker wijze gesproken, den indruk heeft van een tijdelijken stilstand in den ontwikkelingsstroom, van een tot adem komen, een verzamelen van krachten, begint telkens ook het schieten van ranken in de breedte,—de uitloopers treden op naast de equiden, die het doel der ontwikkeling waren.
Dit begint reeds op den trap der vospaardjes. Een eerste hoogtepunt wordt bereikt op den trap der driehoevige equiden, dus daar waar de wetenschappelijke taal spreekt van Miohippos en Mesohippos. In die dagen vertakte zich een zeer eigenaardige variant in Noordamerika van den hoofdstam af in den vorm van een equide: het Anchitherium. De naam beteekent het „nauw verwante dier”. Wij vatten het hier op als nauw verwant aan het reeds meest volkomene van die driehoevige dieren van Amerika, die behooren tot de echte paardenreeks. Nauw verwant, maar niet gelijk, want het is een op zijde afwijkende, in den zin der hoofdontwikkeling onvruchtbare variant, die zich heeft vertakt, nadat de typische driehoevige equiden reeds als zoodanig volkomen voltooid waren.