Chapter 14 of 16 · 3616 words · ~18 min read

Part 14

Het schoone paartje van den Berlijnschen dierentuin doet bijzonder goed de tegenstelling zien met de verschillende Aziatische wilde ezels, die daar in de nabijheid zijn gehuisvest. Niet gemakkelijk zal men dieren vinden, die meer van elkander verschillen, niemand zal ze meer van elkander willen afleiden. Op het eerste gezicht meent men, dat de rollen omgekeerd zijn; de Koelan lijkt het groote, hooge, slanke paard, het wilde paard lijkt de kleine dikke ezel. Een nadere blik doet dan in het kleine dier toch de lijnen van het paard zien, maar eenigszins als caricatuur. Een zwaar, massief paard met dikke pooten, alsof het samengedrongen was, en klein en laag was gehouden. En daarbij ziet men als speling de pooten van den zebra. Leelijke, maar merkwaardige dieren. Wilde, krachtige loopers over de steppen, wie men reeds kan aanzien wat men nooit in den zebra zou zoeken: dat zij, vergroot, onvermoeide karrepaarden, last- en trekdieren zouden kunnen leveren. Vooral de jonge dieren hebben zóó lange, onbehouwen koppen, dat zij er met hun uitgerekt gezicht tusschen beide uitzien als een slecht uitgevoerde photografie, waarbij de kop door een verkeerd perspectief te groot is genomen tegenover het meer naar achteren staande lichaam. De dikke wangen trekken steeds bijzonder de aandacht. De hoofdkleur komt overeen met die der woestijn, daarin komen zij volkomen overeen met de Koelans, en er zijn maar weinig gevallen, waar twee zoo geheel van elkander afwijkende diervormen op een afstand toch weer zoo overeenstemmen, daar zij beide het product zijn van eenzelfde milieu: ook hier die roodachtige Isabellakleur met een wit toevoegsel, dat ik vroeger heb gekenschetst als een wolkje melk in de koffie. En hoe rijper van kleur de Berlijnsche hengst is geworden, des te zuiverder zijn die kleuren der woestijn afgezet, b.v. de snuit verblindend wit tegen den meer rooden kop. Volkomen als van een wilden ezel ziet er ook de fijne donkere ruggestreep uit, die scherp, als ware het met inkt geschied, voortloopt tot in den staartwortel. Welke beteekenis die streep bij al die bleeke kinderen der woestijn wel mag hebben? Is het een laatste schuilhoek als reserve, waaruit, als het noodig is, op een bepaald oogenblik een soort weer de oude strepen der voorouders zou kunnen te voorschijn roepen.

Maar dan komt er van onderen aan het lichaam van het wilde paard iets, dat hem even duidelijk ook in de kleur onderscheidt van de Aziatische wilde ezels. De Koelans en Dziggetais worden van onderen zóó helder over hun geheele oppervlakte, dat hun pooten formeel verdwijnen, en niets maakt ze zóó licht, zóó zwevend voor het oog als die eigenschap. De kleine, zware armzalige Isabellapaarden staan daarentegen stevig aan den grond vast als op vier dikke koolzwarte stutten. Zij dragen aan het voetbeen over de hoeven echte zwarte kousen. Bij den hengst met zijn veel levendiger kleur loopt de kleur van voren tot over het handgewricht (schijnbaar het armgewricht) en is even ebbenhoutzwart als de beste zwarte kous. En bij die donkere pooten, die de aandacht van hem die het dier beschouwt, concentreeren op het ondergedeelte en dubbel zwaar maken voor het uiterlijk, komt nog als vijfde donkere massa het paardestaartachtige gedeelte van den staart, dat bij den hengst zoo trotsch en donker mogelijk tot op den grond reikt, als kon het van onderen niet duidelijk genoeg den indruk vestigen van den echten paardestaart, terwijl toch aan den woestijnkleurigen gelen wortel nog voor een deel het karakter van den zebra en den ezel onmiskenbaar blijft voortbestaan. In de heldere zoutwoestijn moeten die „kousenpaarden” er uitzien, alsof zij allen juist het moeras waren doorgetrokken.

Terwijl zij des zomers er uitzien als waren zij geschoren, wapenen de Przewalskipaarden zich tegen den tijd van hun steppenwinter met een meer kroesharigen, wollen pels, die vooral van de kin van den hengst als dikke bossen afhangt, en dus een echten boksbaard vormt. Juist dat gebaard zijn van een paard leidt echter weer terug tot onze groote strijdvraag.

In den Berlijnschen zoölogischen tuin is het paar bekend onder den naam van „oorspronkelijke wilde paarden.” Die naam draagt rekening met de tegenwoordig wel algemeen erkende stelling, dat van alle levende wilde eenhoevige dieren tegenwoordig alleen nog het Przewalskipaard voor onze cultuurrassen in aanmerking zou kunnen komen als een oorspronkelijke vorm. Intusschen is er nog een meer uitgebreide beschouwing noodig, om aan dat begrip zijn volle draagwijdte te geven. De verrassende ontdekking van dit Centraal-Aziatische wilde paard moest den blik eerst weer geheel naar Azië richten, maar beperkte dien tevens voor het levende dier daar tot een betrekkelijk nauw gebied. Zooveel als kan worden afgeleid uit verschillen in kleur, bewonen de Przewalskipaarden tegenwoordig in twee variëteiten hun Mongoolsche woonplaats, de wat donkerder soorten het Tarinbekken, een zeer lichte soort daarentegen de woestijn Gobi. Doch het zou in ieder geval een beperkte kring zijn, als dit van oudsher het geval was geweest—het zou de plaats, waar de paarden getemd zijn, historisch vaststellen op een volkomen bepaalde en tamelijk ongeschikte plaats, indien in de Przewalskipaarden werkelijk de eenige en echte oorspronkelijke vorm moet steken. Men kan nu echter aantoonen, dat die tegenwoordige geografische isoleering blijkbaar zelf niets anders is dan een later toeval. Die oorspronkelijke wilde paarden zijn tegenwoordig alleen in het leven gebleven in het gebied der woestijn Gobi, die zoo ver is afgebleven van de cultuur; in een ouderen bloeitijd waren zij daarentegen feitelijk over een onvergelijkelijk veel grooter gebied der aarde verspreid. Nadat men ze nu eenmaal levend op die ééne plek heeft leeren kennen, heeft men ze later, wat de hoofdtrekken betreft, kunnen identifieeren.

In de eerste plaats heeft men kunnen aantoonen, dat Przewalskipaarden nog in de eerste duizend jaren vóór de geboorte van Christus wild in Mesopotamië voorkwamen en daar werden gejaagd. In het Britsch museum te Londen vindt men een marmeren plaat met een in relief aangebrachte voorstelling, die afkomstig is uit het paleis van Sardanapalus in Kujundschik, dus een Assyrisch kunstwerk ongeveer van het jaar 650 vóór Christus, en wel een kunstwerk van den eersten rang. Men ziet daarop twee meesterlijk uitgevoerde kleine paarden in de snelste vlucht, terwijl een derde, blijkbaar een jong dier, een veulen, juist door twee Assyriërs is gevangen. Hij heeft een lasso om den hals, de mannen houden de beide uiteinden vast, terwijl het paard zich nog woest tegen zijn boeien verzet. Dus juist het tooneel als bij de Przewalskipaarden van Hagenbeck! En dat wij hier met geen ander dier kunnen te doen hebben, blijkt onbedriegelijk uit den absoluut onmiskenbaren, wondervol gekarakteriseerden paardekop met de stijve manen en den echten staart van het Przewalskipaard, waar op de halve lengte eerst de echte paardestaart begint. Het tegenwoordig in het verre Mongolië gelocaliseerde dier strekte zich toen nog even ver westelijk uit als tegenwoordig de Aziatische wilde ezels.

Maar in veel vroeger dagen moet het dier zich nog heel wat verder hebben uitgestrekt. In de vroeger vermelde praehistorische tijden van Europa strekten die wilde ezels zich nog uit tot over Zwitserland en Noord-Duitschland. Beenderen van den Dziggetai, zijn bij voorbeeld bij Schaffhausen gevonden. Maar ook hier heeft het Przewalskipaard die dieren vergezeld. Die dierenteekeningen van praehistorische menschen, waarop onmiskenbaar wilde paarden zijn voorgesteld, vertoonen namelijk even onmiskenbaar een type van het Przewalskipaard. Men ziet daar inderdaad zijn langen, dikken kop, zijn borstelige manen, de dikke wangen, den gedrongen lichaamsbouw met dikke buik en krachtige pooten, en bovenal zijn dikken winterbaard onder de kin. Een teekening uit het hol van Combarelles in Dordogne (Frankrijk) stelt den tegenwoordigen bewoner der Chineesche woestijn Gobi zoo onovertroffen juist voor, dat een modern teekenaar zich al bijzonder goed moest hebben geoefend op het weergeven der speciale karakteristiek der dieren, om zoo juist te kunnen treffen. En tevens zijn juist zulke paardenteekeningen der praehistorische kunst gedeeltelijk reeds ontdekt en weergegeven in tijden, lang vóór de ontdekking van het levende Przewalskipaard—men had het dier dus eigenlijk reeds praehistorisch voor Europa, voordat men het levend uit Centraal-Azië kon identifieeren.

Indien echter juist die paardenvorm eertijds bestaan heeft van Schaffhausen af tot aan Babylon en zelfs tot de Chineesche woestijn Gobi, dan lag het waarlijk wel voor de hand, dat hij als werkelijke oorspronkelijke vorm gestaan heeft achter het geheele cultuurpaard—hij en geen ander, waar wij ons ook willen denken, dat bij het paard de symbiose der cultuur begint, hetzij in Europa, of in het centrum van het oosten der oude beschaving of nog verder tot China terug. Aan den anderen kant is het, als dit oorspronkelijke wilde paard eens gelijktijdig ter beschikking gestaan heeft op een zoo ontzaglijk gebied der aarde, even waarschijnlijk, dat juist daarom de temming niet alleen op één plaats en alleen bij één volk van dit uitgestrekte gebied heeft plaats gehad. Het zou kunnen zijn, al is het dan ook op grond van eenzelfden grondvorm, dat de temming onafhankelijk op verschillende plaatsen is gevolgd: in het oude Europa zoowel als bij voorbeeld in den lichtkring der oudste Babylonische cultuur.

Doch in geen geval zou men zich hierbij mogen voorstellen, dat een diersoort, die zich uitstrekte van den Rijn tot de grenzen van China, niet reeds in wilden toestand gesplitst zou zijn in verschillende plaatselijke variëteiten. Immers wij zien tegenwoordig, hoe op dat kleine Chineesche gedeelte twee van die variëteiten van het Przewalskipaard met elkander afwisselen. Evenals de Onagers, Kiangs, Dziggetais bij de tegenwoordige wilde ezels, zoo zullen ook onder die oude Przewalskipaarden talrijke en afzonderlijke vormen zijn voorgekomen, die in beginsel wel allen Przewalskipaarden waren, maar toch in bijzonderheden van elkander afweken. En uit zoodanige verschillende locale rassen zoude nu ook bij dat temmen op verschillende plaatsen uit den aard der zaak het materiaal moeten zijn geput. En dat verklaart ons weer, hoe van het begin af ook in die gefokte rassen, in weerwil van hun aanknooping aan een in hoofdzaken gelijk soort van wilde paarden, locale verschillen zijn te voorschijn getreden.

Het heeft reeds sedert langen tijd de aandacht getrokken van allen, die een diepe studie gemaakt hebben van onze tamme paardenrassen, dat daarin blijkbaar bepaalde anatomische tegenstellingen steken. Men behoeft dit nu wel niet te overdrijven, en daaruit zes of acht scherp gescheiden typen van skelet af te zonderen. Maar men kan het niet ontgaan, bepaalde verschillen of tegenstellingen te zien, die wijzen op het eene of andere diepe geheim bij het ontstaan.

Juist in de hoogste voltooiing, die onze moderne paardenfokkerij heeft bereikt, komt een dergelijke tegenstelling aan het licht. Van oudsher is in de noordelijke, middelste, westelijke gedeelten van Europa een andere soort van paarden gefokt dan in het oosten. Hier lompe, zware dieren met een grof beenderenstelsel en reusachtigen groven en meestal opgevuld gewelfden neus. Daarginds een fijne, zenuwrijke soort met korten, sierlijken neus, waarvan het rechte profiel met zijn lichte uitholling de schoonste lijn voortbrengt, op stevige, maar toch ook sierlijke ledematen. Om ze in hun wezen goed te onderscheiden, zou men die twee grondvormen kunnen definieeren als het karrepaard en het luxepaard, het paard, dat onder alle zweepslagen zijn phlegma behoudt, en het paard, welks vuur met moeite wordt bedwongen, het leelijke, maar brave werkpaard en het edele ros, dat voor den mensch als aesthetisch dier hooge beteekenis heeft gekregen, het paard met spierkracht voor den arbeid en het paard met een hoog ontwikkeld zenuwstelsel. In die beide soorten schijnen twee verschillende vormen van landschap en van een cultuur, die zich aan elk dier landschappen aansluit, naar voren te komen. De ééne soort doet zich voor als het paard uit een ruw, onvruchtbaar land, waar een langzaam zich naar boven werkende cultuur met geringe middelen een ontzaglijken, taaien arbeid tegen haar zin had te verrichten. Onwillekeurig moet men denken aan een landschap in het noorden, waar de regen neerstroomt, en waar een zoodanig zwaar en lomp paard zich, met modder en vuil bedekt, en hijgend voor een zwaar beladen wagen door de natte klei heenwerkt, waarin de raderen ieder oogenblik dreigen in te zakken. Bij dat andere paard ziet men de vrije vlakte vóór zich, met een schitterenden sterrenhemel boven zich, en luchtige tenten: de vlakte, waarover lichte, gespierde ruiters met hun fladderende kleeren heenvliegen, die als het ware met hun paard samengegroeid schijnen, in plaats van boerenknechts, die met de zweep in de hand scheldend achter het paard aanloopen; men vermoedt daarin het luxepaard, dat gevierd en bewonderd wordt, welks naam zich voortplant als dat van een held en dat door de dichters van het volk wordt bezongen.

Karrepaard en Arabisch paard! Ongetwijfeld steken in die tegenstelling werkelijk historische lotgevallen van ver van elkander verwijderde centra der beschaving. Het westersche paard, zooals men de zware, dikneuzige soort heeft genoemd, is lang het beslissende product geweest van de behoeften der eigen Europeesche cultuur. Het was het paard der Noormannen, het typische paard, dat thuis behoorde over de geheele Noordzee-kust; maar ook het bergpaard uit Stiermarken en Tirol, het oud-Fransche en het oud-Engelsche paard. Van werkpaard van den landbouwer tot oorlogspaard gemaakt, is dat zware dier het typische ridderpaard geworden, ook als rijpaard hier bovenal een paard, dat een zwaren last op den rug kan dragen, dat ruiter met wapenrusting en harnas kan voortsleepen en zelf bovendien nog een harnas droeg als een soort van kunstmatigen rhinoceros der cultuur. Dat is het oorlogsros, dat door de sage vergroot is tot het ontzagwekkende paard Bayard, op welks rug alle vier Heemskinderen te gelijk op avonturen uittrekken, het godenpaard van Wotan, dat men gaarne een hoef meer zou hebben toegedicht, om den grootst mogelijken last te dragen, waarbij de fantasie onwillekeurig weer terugkeerde tot de werkelijke oude natuurlijke wegen der neushoorns en Anchitheriën. Tot op zekere hoogte leeft dat oude bloed nog in al onze koude soorten, in al onze voortdurend ook door de moderne arbeidscultuur verder verlangde trek- en sleeppaarden. Het zuiverst is dat bloed misschien nog in het paard uit Tirol en Stiermarken, en in het Pinzgauerras, en betrekkelijk zuiver in de zware Belgische paarden, de Percherons, de Noord-Sleeswijksche „Deensche” paarden, en ook ten slotte als oud reuzenbloed in de reuzen der Engelsche karrepaarden. Geen van die levende rassen is immers tegenwoordig meer zonder gemengd bloed, sommige zelfs zóó, dat juist het gezicht niet meer met het oorspronkelijke overeenkomt. Maar toch is de oude inleg ongetwijfeld nog overheerschend.

Omgekeerd steekt in het echt „oostersche paard”, waarbij wij tegenwoordig in zijn eigenlijke woonplaats aan het „Arabische paard” denken, het oorspronkelijke oude cultuurpaard der geheele edele oostersche cultuur van Babylon af. Het begrip „Arabisch paard” is daarbij uit een historisch oogpunt veel te eng, daar toch ten slotte tegenwoordig de edele paarden van dat type volstrekt niet uit Arabië afkomstig zijn. Op de oude Assyrische beeldhouwwerken zien wij reeds onmiskenbaar het schoone paard met het „droge gezicht”, een ras, zóó voornaam, dat men kan zeggen, dat het Arabische paard eigenlijk reeds toen, en dus reeds zeer vroeg, in zijn geheelen aanleg gereed was.

Als het voorname, edele dier treedt het paard hier de geschiedenis binnen in tegenstelling met de werkdieren, ook uit dat oosten afkomstig, den ezel, het rund, den kameel. Het paard is de geleider naar de groote gebeurtenissen in het menschelijke leven: de feesten, de jacht, het gevecht. Duidelijk blijkt het, dat ook bij het paard in de opleiding tot de cultuur een lange periode is voorafgegaan, waar het niet zoozeer de rol van rijpaard vervulde, waar het evenals thans reeds den wagen trok, maar het trok toen niet den langzaam voortgaanden, krakenden wagen, maar trok den zwevend lichten strijdwagen achter zich voort of den sierlijken luxewagen. In dien vorm komt het paard nog voor in de cultuurperiode, die in de Homerische gezangen wordt geschetst.

In landen, waar het paard nooit zelf getemd was, maar eerst van buiten als edelpaard werd ingevoerd, zooals dit ongetwijfeld in het oude Egypte het geval is geweest, heeft men nog in versterkte mate den indruk, dat het langen tijd een zuiver luxedier is geweest, een kostbaar bezit der koningen en grooten in het land, waaraan de mindere man hun grootheid en macht kon herkennen. Misschien ligt juist in die oorspronkelijke hooge waarde van het paard als oostersch edelras de reden van den merkwaardigen tegenzin tegen het eten van paardevleesch, die reeds door de geheele oudheid heen uit het oosten afkomstig is. Wel leest men, dat het verbod van het gebruik van paardevleesch eerst een voortbrengsel is van het Christendom, dat optrad tegen heidensche offermalen. Dit mag plaatselijk het geval geweest zijn, maar dan gold het alleen noordelijke volksstammen, met wie de wereld van de Middellandsche zee en het oosten voor het eerst in den vorm van het Christendom in aanraking kwam. De afkeer tegen paardevleesch is echter heel wat ouder dan het geheele Christendom.

Hoeveel kringen van beschaving en hoeveel volkeren sedert die dagen der Assyrische paardenteekenaars over het oosten zijn heengetrokken, den wondervollen schat van zijn edel paard heeft hij zich nooit meer laten ontrukken, nooit meer laten begraven onder den zandstorm der geschiedenis. In al de dertig eeuwen tot den tegenwoordigen tijd is daar blijkbaar voortdurend verder gefokt aan het hoogste en edelste type der oostersche paarden, en is dat type voortdurend verbeterd, totdat het ideaal van het tegenwoordige Arabische paard is bereikt. Toen de westersche beschaving later het engere oosten weer op nieuw „ontdekte” op den weg harer eigen verdere ontwikkeling, kwam dit product van de liefde van meerdere duizenden jaren haar niet te gemoet als een oude bouwval, versleten en waardeloos als een oude munt, maar juist in stralende schoonheid te midden van zooveel vervallen grootheid.

Het is nu in hooge mate interessant, dat men nog tegenwoordig kan aantoonen, hoe naar alle waarschijnlijkheid juist in die beide uiterste afzonderlijke fokkerijen, de zware oud-Europeesche en de edele oostersche, in beide gevallen reeds oorspronkelijk verschillende afzonderlijke rassen van het gebruikte oorspronkelijke wilde paard zelf hebben ingewerkt.

In het westersche, ramneuzige, zware en lompe ras steekt ongetwijfeld nog steeds het bloed dier lompe, oud-Europeesche wilde paarden met lange schedels en dikke neuzen, waarvan het beeld ons bewaard is gebleven in de praehistorische teekeningen in de holen. Met absolute duidelijkheid sluiten hier ook de diluviale beenderenoverblijfselen nog aan de skeletten der meest typische rassen van onzen tijd aan.

Omgekeerd bestaat bij het volkomen tegengestelde uiteinde der lijn, waar het oude oostersche edele ros geplaatst is, een in ieder geval zeer groote waarschijnlijkheid, dat daarbij reeds van het begin af gebruik is gemaakt van een meer sierlijk, wild Przewalskipaard met fijner profiel en „droger gezicht”. De voortreffelijke onderzoeker der huisdieren, Konrad Keller uit Zürich, heeft bij zijn beschrijving der zooeven vermelde Assyrische voorstelling van een jacht op wilde paarden, er het eerst de aandacht op gevestigd, dat de overigens niet te miskennen Przewalskipaarden van die teekening toch ook reeds zeer in het oog vallende koppen van Arabische paarden in den veredelden zin vertoonen. Het jachttooneel is zóó uitnemend karakteristiek weergegeven, dat de gedachte nauwelijks geloofwaardig schijnt, dat de kunstenaar hier het wilde dier reeds heeft gestileerd naar het aanwezige tamme ras. In ieder opzicht ligt het meer voor de hand, dat in die dagen in het gebied van den Euphraat nog een wild ras ronddoolde, dat reeds een meer concaaf profiel en andere kleine trekken der Arabische paarden medebracht. Doch dan ligt weer voor de hand, dat dit wilde ras ook van het begin af zelf het materiaal heeft geleverd voor dat oud-oostersche cultuurpaard, dat tot op onzen tijd in het Arabische dier voortleeft.

Ik geloof echter tevens, dat ook de temming uit die beide oorspronkelijke varianten, de lompe met den langen schedel en die met het fijnere gelaat, niet uitsluitend beperkt mag worden gedacht tot een nauw begrensd gebied en tot één enkele historische daad. Ten minste, wat de oorspronkelijk oostersche variante betreft, kan ik mij de zaken niet anders verklaren, dan dat zij behalve in Babylon, waar zij speciaal in den edelen „Arabischen” vorm is overgegaan, ook nog op de meest verschillende andere plaatsen het uitgangspunt is geweest van zelfstandige temmingen. Niet echte Arabische paarden, maar wel cultuurpaarden, die wat hun schedelbouw en hun geheele houding betreft, onmiskenbaar aansloten aan het oostersche ras, zijn onweerlegbaar reeds van oudsher verspreid geweest over een onmetelijk gebied der oude wereld. Als oude grondvorm gaan zij door het ras der Europeesche landen aan het oostelijke gedeelte der Middellandsche zee en van het geheele reuzengebied van den Caucasus tot Hongarije en Rusland. Zij beheerschen China en Indië en kunnen nog vervolgd worden tot in de ponyvormen op Java en in Japan.

Men zou een oogenblik geneigd zijn te meenen, dat dit alles ook reeds van oudere tijden af kan worden teruggevoerd uitsluitend tot den invloed van het groote cultuurcentrum in dien engeren oosterschen hoek, dus ten slotte van uit Babylon. Naast dat zelfstandige noord-Europeesche „karrepaardcentrum” zou dan ten minste voor die geheele lijn Viktor Hehns lievelingshypothese juist zijn van een werkelijk één geheel vormenden oosterschen inval voor elk ander cultuurgebied van het paard in de oude wereld. Voor een bepaalde hemelstreek zou dit juist kunnen zijn, en wel voor alles, wat van cultuurrassen over het gebied der Roode Zee historisch naar Afrika is binnengedrongen. Het oude Egypte uit den cultuurtijd heeft, zooals wij reeds verhaalden, zijn tam paard naar alle waarschijnlijkheid eerst laat en reeds als gereed cultuurras van het Aziatische beschaafde oosten weggenomen, en wel werkelijk het reeds meer of minder ver gevorderde Babylonische edele paard, den lateren „Arabier”. Oost-Afrika heeft het dan ook niet verder gebracht dan het fokken dier Arabische paarden. In het Somaligebied, dat uit een natuurhistorisch oogpunt zoo interessant is, waar de oude wilde ezel samenkomt met het onafhankelijke Afrikaansche wilde paard, den zebra, is het tamme paard uitsluitend binnengetreden als het iets grovere Arabische paard, dat ontslagen was uit de onvermengde fokkerij. Nog in onze dagen noemen de Somali- en Gallastammen het met het Arabische woord „faras”, terwijl zij het woord huispaard in hun taal niet kennen. En zoo is het ook verder naar Zuid-Afrika toe.