Part 5
Met alle vertegenwoordigers der groep van Cernays vertoonden die oorspronkelijke hoefdieren nog de oorspronkelijke vijfvingerige hand en den oorspronkelijken voet met vijf teenen van de oudste zoogdieren. Dit is alles vroeger uitvoerig verhaald. Uit den bouw dier groep van Cernays hebben de apen en met hen wij menschen tot op den huidigen dag onze vijf vingers en vijf teenen behouden. Maar in dien ouden tijd zelf bezaten ook die oorspronkelijke hoefdieren in de groep hetzelfde aantal aan hand en voet. Dit maakt duidelijk, waarom, toen wij bij ons zoeken naar het paard met onze het laatst geschetste schepsels onverwacht in die groep binnenkwamen, hand en voet op eens zoo ontzettend veel overeenkomst hadden met die van den mensch, met uitzondering alleen van de ook hier nog aanwezige hoeven.
Intusschen hebben wij vroeger medegedeeld, hoe ook de hoef zelf bij deze oorspronkelijke hoefdieren als het ware begint weg te nevelen. Die hoef is historisch een product, een ontwikkelingstoestand van den klauw. Het is dus niet te verwonderen, dat in de reeks dier oorspronkelijke hoefdieren nog allerlei overgangsvormen, waarbij klauw en hoef en ook de derde vorm, de nagel, die toen eerst langzaam als uit de moederloog uit kristalliseerde, en die aap en mensch zoo stevig hebben bewaard, nog meer of minder in elkander overgaan. En dit is het nu weer, wat wij ook bij ons oorspronkelijk hoefdier bij zijn paardachtigen poot opmerkten, dat zijn zijvingers en zijteenen, die bij het loopen minder gedrukt waren, plotseling een neiging vertoonden tot klauwachtige of nagelachtige scheppingen. En juist dien trek kunnen wij zelfs binnen verschillende soorten van die oorspronkelijke hoefdieren met op paarden gelijkende voeten nog een eind vervolgen.
De op de laatste plaat van het „Dierenboek” gereconstrueerde vertegenwoordiger, dien de Amerikaansche geoloog Cope zijn geestelijke tweede vader, op grond der vondst van de beenderen „Phenacodus” heeft gedoopt, had historisch in Amerika op die plek nog een voorganger, die door dienzelfden Cope „Euprotogonia” genoemd werd. In zijn geheelen bouw reeds bijna geheel gelijk aan den Phenacodus, had hij toch aan den voorvoet zoowel als aan den achtervoet: duim en pink, grooten en kleinen teen, die nog alle volkomen buiten het stadium van het half of geheel ongebruikte kwastje lagen,—al die toppen van vingers en teenen raakten evenzeer reeds met hun uiteinden bij het loopen den bodem, als de drie oorspronkelijke, van voren en van achteren, in het midden. Maar tevens waren bij die van nu af aan ondubbelzinnig vijfvingerige dieren,—wier middenvinger en middenteen zelfs niet dikker meer waren dan hun naastliggende makkers en nog slechts zóó weinig langer als in onze menschenhand de middelste vinger,—alle tien toppen van alle tien vingers en teenen nog slechts bekleed met de besproken mengvormen van klauw en hoef—zoodat van nu af aan, evenals de laatste flauwe weerschijn van den equidenaard, zoo ook in het algemeen het echt karakeristieke der hoefdieren scheen te verduisteren en te verdwijnen als afzonderlijke soort, die het stelsel bepaalde.
Onder de verdere makkers der Euprotogonia waren er te gelijker tijd gestalten van dergelijke „verdwijnende hoefdieren” (verdwijnend in de beteekenis van een oplossing in een volkomen gegeneraliseerden oorspronkelijken grondstam), die hun voet met vijf teenen en hun daarmede overeenstemmende hand niet meer alleen met de toppen van teenen en vingers neerzetten, maar die zich bij het loopen evenals een beer of een loopend mensch geheel en al op de platte zool lieten vallen, met de hak te beginnen,—zoodat zij daardoor ook in dit punt het laatste doel en de laatste beteekenis van het hoefdier aflegden ter wille van die oudste en meest oorspronkelijke methode van loopen bij de zoogdieren, waarvan wij vroeger reeds bij de algemeene beschouwing van den hoef in het „Dierenboek” uitvoerig gesproken hebben.
En eindelijk moet hier nog aan worden toegevoegd, dat, evenals de echte equiden ten slotte reeds samenschrompelden tot schepsels van de grootte van vossen, onder die alleroorspronkelijkste eocene wezens nu werkelijk vormen voor den dag komen, die in hun grootte zelfs afdaalden tot die maten, die wij van een „hoefdier” nooit zouden mogelijk achten, als ons niet nog tegenwoordig in dien in het „Dierenboek” geschetsten klipdas feitelijk een echte, zij het dan ook een ouderwetsche hoevendrager voor oogen stond, die nog slechts de grootte heeft van een konijn. De beschreven en in beeld weergegeven Phenacodus had nog vertegenwoordigers van zijn soort, die het tot de afmetingen van een tapir brachten, naast andere, die, trouwens volkomen in overeenstemming met de vospaardjes, niet grooter waren dan honden en vossen. Andere soorten van dat gilde daalden echter ook toen reeds af tot de maat der klipdassen, en daarmede bevestigden zij het beginsel, dat die merkwaardige achteraanblijver uit onze dagen, ons zoo al niet de onmiddellijke physionomie der oorspronkelijke hoefdieren in alles voor oogen tooverde, toch in zijn grootte van een konijn nog een stuk der alleroudste geschiedenis der hoogere zoogdieren in het algemeen, en van de hoefdieren in het bijzonder, levend vertoonde.
Ik heb die geheele keten van opvolgende beelden, te beginnen met de Amerikaansche wilde paarden tot aan de eocene Euprotogonia tot nu toe opzettelijk doen voorbijgaan in de beteekenis van een zuiver historische reeks, waar telkens het ééne beeld op het andere volgt, zonder veel commentaren er aan toe te voegen. Hij die buitengewoon voorzichtig zou willen onderrichten, zou hier het boek sluiten en zeggen: verder geeft de wetenschap er niets meer bij, en wat gij er u nog zoudt willen bijdenken, is een subjectieve geloofsbelijdenis en bespiegelende natuurfilosofie, die den exacten natuuronderzoeker niets aangaan.
De eenvoudige logica, die toch ten slotte de grondslag van alle juiste natuuronderzoek is en moet blijven, laat zich echter niet zoo afschepen. Van het oogenblik af, dat het denkbeeld bestaat in de wereld der gedachte, dat er een voortdurende ontwikkeling in de dierenwereld kon zijn, een ontwikkeling, die reeds gedurende millioenen jaren van de ontwikkeling der aarde voortduurt, die reeds ontelbare rijen van geslachten omvat en binnen die samenhangende keten van geslachten in langzame omvorming groote en in het oog vallende veranderingen te voorschijn brengt,—van dat oogenblik af moet zich ook een logische waarschijnlijkheid aan ons opdringen, dat in die geschiedenis van den paardepoot een bijzonder aanschouwelijk voorbeeld van een dergelijke ontwikkeling voor oogen wordt gevoerd.
Wij zijn met onze beschouwing die ontwikkelingslijn in tegengestelden zin te gemoet gegaan. Doch als werkelijk historisch proces moet de lijn van beneden naar boven gestegen zijn. De beteekenis dier lijn was de omzetting, vervorming van een voet, die oorspronkelijk vijf teenen had en van een hand met vijf vingers, in vorm overeenkomende met onze tegenwoordig nog bestaande menschelijke hand bij een klein zoogdier, zooltreder en op klauwen loopend, en van zeer ouderwetsche vorming—, welke vervorming door een aantal langzaam zich wijzigende overgangsvormen voortging tot het merkwaardige eenteenige, steile en in het been opgetrokken, van een hoef voorziene bewegingsapparaat der vier paardepooten aan het lichaam van een groot, geweldig zwaar dier, dat echter, wat de wijze van zijn voortbewegen betreft, is geholpen op een wijze, die onder zijn omstandigheden als het ware een ideaal is. Van station tot station zien wij, doch nu van beneden naar boven, de keten nog eens overziende, hoe de hoeven en de steile stand zich van handen en voeten meester maken, zien wij, hoe het lichaam, dat door die ledematen gedragen wordt, hoe langer hoe grooter en zwaarder wordt, zien wij, hoe de overtollige vingers en teenen stuk voor stuk eerst dienst doen als reservestutten, daarna tot kwastjes, die al geen waarde meer hebben, eindelijk tot griffelbeenderen en griffelaanhechtsels overgaan, totdat zij eindelijk ten minste voor een deel absoluut verdwijnen, terwijl de ééne middenteen van den paardepoot, die in volle stevigheid overblijft, ten slotte de geheele kracht van het geheel in zich vereenigt en alleen handhaaft.
Hoe wij ons ook de drijvende krachten, de wegen, waarlangs dergelijke omvorming en ontwikkeling heeft plaats gegrepen, mogen denken—en er zijn werkelijk binnen de ontwikkelingsidee ongetwijfeld verschillende logische mogelijkheden, die ruimte laten tot discussie en bespreking (Darwin toch had in de bijzonderheden niet dezelfde meeningen hierover als Cope, de man, die met het gunstigste resultaat de zuiver geologische feiten juist op dit gebied heeft ontraadseld, en nog anderen hebben daarover weer andere meeningen),—toch zullen hierin toch alle partijen binnen de ontwikkelingsidee eenstemmig denken, dat hier een ontwikkeling voor oogen wordt gesteld, waarvan de engere beteekenis nog gelegen is in de vervorming van een orgaan door een zeer bepaalde behoefte voor het gebruik.
De levenswijze van het tegenwoordige paard is in beginsel nog altijd de verklaring van het eerste begin. Op een uitgestrekte, harde vlakte, waar het lichaam niet inzakt, en het dus zijn teenen niet behoeft uit te spreiden, om niet in het moeras te blijven steken, wordt het beginsel in de hand gewerkt, den vierteenigen voet op het middenstuk te concentreeren, en met één enkelen stoot der elastische middenhoeven den harden grond te stampen. In het begin helpt dit kleine dieren op de vlucht, bij het trekken over de stevig dragende grasvlakte beter voort, zoodat het zich op de ééne of andere wijze in hare organisatie als „aanpassing” afdrukt. Als dit kenmerk er eenmaal is, maakt het ook aan grootere, zwaardere vormen die levenswijze mogelijk, maakt het mogelijk, dat het dier zwaarder wordt zonder dat zijn beweeglijkheid daarbij vermindert, en daarbij dat de kracht veel meer wordt geconcentreerd. Maar voortdurend, hoe zwaarder het dier wordt binnen de perken van de eischen aan de beweging gesteld, moet het bewegingsapparaat in de eenmaal ingeslagen richting verder verbeterd en verfijnd worden. De middenteen wordt ten slotte alles. Wat nog een tijd lang als reserve wordt meegevoerd, zooals de kwastteenen, dat wordt eindelijk als ballast ook over boord geworpen, opdat het groote schip zal kunnen zeilen. Totdat ten slotte na zooveel duizenden jaren, na zooveel ontwikkelingstrappen, de eischen der functie zich een toestel hebben geschapen van een zóó bewonderenswaardige sierlijkheid, en zóó tot in het uiterste verfijnd, als wij dien tegenwoordig in den paardepoot vóór ons hebben.
Dit ongeveer is het, wat naar mijn meening door iedere engere ontwikkelingstheorie in onze dagen als de „grondbeteekenis” van het geheele proces zal worden toegegeven. Van den eersten dag af dat, oorspronkelijk nog zeer onvolkomen, die geologie van den paardepoot in Amerika te voorschijn kwam, is er dan ook voor de aanhangers eener ontwikkelingsidee in alle legerkampen geen twijfel geweest, dat er niet licht een duidelijker voorbeeld kon worden gegeven van de werkelijke wijze, waarop een ontwikkeling plaats had, en van het doel dier ontwikkeling, dan bij het hier gegeven voorbeeld van het paard.
Men moet hierbij echter in het oog houden,—en dit is ook van toepassing voor hen, die twijfelen,—dat ook bij dit voorbeeld moet gelden: men kan niemand dwingen tot het aannemen van het ontwikkelingsdenkbeeld op zichzelf. Hij die haar eenvoudige grondgedachten niet ontleent aan de gevolgtrekkingen, de logica en de wetten van het meest alledaagsche leven en gebeuren, zooals wij die bij ons zelf beleven en ervaren, zooals wij die in iedere courant lezen, zooals zij ons geheele openbare en particuliere leven onafgebroken beheerschen,—hij die niet van daaruit de groote logische analogie en denkmogelijkheid medebrengt tot in het leven der dieren en planten van thans en eertijds,—hij die niet bij dat leven van planten en dieren de eenvoudige fundamenteele opvattingen meebrengt, die bij voorbeeld iedere rechter ten grondslag legt bij ieder menschelijk proces, dat namelijk de dingen zich naar hun logische juistheid en natuurlijke consequentie hebben ontwikkeld en de loop van het misdrijf of van de onschuld niet plotseling wordt gekruist door een bovennatuurlijk wonder,— —hij, die, zeg ik, van die beteekenis niet reeds de grondgedachte in zich omdraagt om ze nog maar alleen te toetsen aan de mogelijkheid, dat zij verder doorwerkt en vruchten draagt: die kan niet overtuigd worden, en vooral niet door de meest voortreffelijke geologische bewijzen. Hij die de grondidee der ontwikkeling als zoodanig niet wil erkennen en alle middelen der fantasie laat medespelen, om daarnaast een anderen uitweg te zoeken voor zijn gedachten, kan ook tusschen twee logische stations van een dergelijke ontwikkeling van den paardepoot, hoe mooi die ook mogen wezen, een bovennatuurlijk ingrijpen aannemen, het wandelen van een geest, die geen geologische voetstappen achterliet. Hij heeft daar tijd genoeg voor, en niemand heeft werkelijk het veranderingsproces direct gezien, zooals steeds het geval is bij alle geologische dingen, die steeds voor ons berusten op louter aanwijzingen, hoe het tijdens het leven geweest is. Ten slotte zou zelfs dat met eigen oogen zien nog niet voldoende zijn, immers het bovennatuurlijke tusschen twee processen zou zóó snel kunnen gaan, zóó in het verborgen kunnen geschieden, dat iedere controle van onze grove zintuigen ophield. Hij die aanneemt, dat in de geschiedenis der menschelijke kiem in den moederschoot alles zóó toegaat in een trapsgewijze ontwikkelingsreeks, als onze embryologen het ons leeren, maar dat toch op de ééne of andere bepaalde plek door een bliksemsnelle en niet te controleeren daad de individueele ziel met haar erfzonde en mogelijkheid van verlossing er ingeblazen wordt, in plaats dat de enkel langs natuurlijken weg ontwikkelde zielswerkzaamheid voortschrijdt, die kan rustig ook al die feiten der geologische beeldenreeks van den paardepoot toegeven, en toch er bij kunnen blijven volharden, dat tusschen twee opvolgende beelden telkens één, misschien wel honderden bovennatuurlijke scheppingsdaden liggen.
Ik geloof, dat men daarover niet kan disputeeren. Maar het is niet te dulden, dat nu de vertegenwoordigers van die opvattingen tegenwoordig gaarne de meening verkondigen, dat ook voor hem, die principieel een ontwikkelingsidee, die een organisch geheel vormt, niet afgebroken door wonderen, erkent als de „meest waarschijnlijke denkmogelijkheid” ook voor dergelijke geologische processen, een keten van feiten als die wij hier zoo objectief mogelijk omtrent den paardepoot hebben medegedeeld, geen wezenlijken zin en geen bewijskracht zou hebben. Hier komt thans niet meer, zooals daar, de fundamenteele meening, maar de eerlijkheid van iedere logische gevolgtrekking in aanmerking, nadat men zijn geloof heeft uitgedrukt aan het onbeperkt heerschen van een zoodanige logica. Hij die aan de geologie logica toekent, moet naar mijne meening hier het hoofd buigen.
Voor den leek is de groote moeilijkheid, dat die draden tegenwoordig alle door elkander heen loopen. Vertegenwoordigers van die wereldopvatting buiten alle doorloopende natuurlogica (die, zooals gezegd is, aan niemand kan worden opgedrongen maar ook niet kan worden ontnomen bij de vrijheid van het subjectieve denken, die een zoo groote verovering is van onze cultuur), treden de kampplaats der ontwikkelingsgeschiedenis binnen en spelen daar hun sceptische opvattingen tegen de feiten uit. Om tot steun dier twijfelzucht te dienen, wordt een grenzelooze fantasie ontplooid, hoe de dingen anders zouden kunnen zijn—terwijl toch het eenvoudige schrift der natuur hier zóó ondubbelzinnig is, dat er niets ondubbelzinnigers bij mogelijkheid kan gedacht worden. Het zal echter gaan als altijd. Ten slotte zal het eenvoudigste toch wel zijn weg vinden, en dan zal men eindelijk ook inzien, dat het zelf innerlijk rijker en dieper is dan al de praal der fantasie, die daartegen is verzonnen. Hij die onder den logischen eenvoud van de ontwikkelingsgedachte banaliteit en oppervlakkigheid verstaat, heeft trouwens zelf het echte vaandel verlaten.
De geheele prachtige keten is ons nu niet uitsluitend in de pooten van het paard overgeleverd. Als proef op de som dient, dat men die keten naar verkiezing in vooruit- of achteruitgaande richting ook kan doorloopen bij andere deelen van het skelet, om even aanschouwelijke beelden eener volkomen consequente ontwikkeling te verkrijgen.
Aan het been zelf is nog het been van het onderbeen of den benedenarm bijzonder leerrijk. Zooals wij reeds eenmaal hebben medegedeeld, is het bij ons paard niet meer in dien zin een dubbelbeen als bij ons (ellebeen en spaakbeen in den arm, scheenbeen en kuitbeen in het been). Daar het onderbeen van het paard, wat plaats en functie betreft, eigenlijk tot bovenbeen bevorderd is, maar het bovenbeen (en ook de bovenarm) naar het oorspronkelijke type van alle dieren, die van armen en beenen voorzien zijn, steeds uitsluitend bestaat uit één enkelen, op zich zelf één geheel vormenden, solieden en onbeweeglijken beenen stam, lag het uit een werktuigkundig oogpunt weer voor de hand, dit onderbeen van het paard ook zelf stevig te maken op de wijze van het bovenbeen. Dit is nu ook zóó geschied, dat aan den voorpoot van het paard de ellepijp in verkwijnden toestand met het spaakbeen stevig vergroeit, maar dat aan den achterpoot van het paard van het geheele kuitbeen, uitwendig zichtbaar alleen een fragment van het bovenste stuk als griffelbeen behouden blijft. In beginsel en voor het gebruik valt dus het tweede been daar zoowel als hier eenvoudig weg, en het onderbeen vormt een enkelen stam in de beteekenis van een werkelijk bovenbeen.
Dat tot bovenbeen worden van het onderbeen kan nu in de keten volkomen evenwijdig met het tot onderbeen worden van den voet eveneens historisch worden gevolgd als iets dat langzamerhand „geworden” is. De oorspronkelijke hoefdieren, Euprotogonia en Phenacodus, bezitten nog ellepijp en kuitbeen als even lange, vrij beweeglijke beenderen naast spaakbeen en scheenbeen, volkomen op dezelfde wijze als wij menschen, die ook hier trouwer gebleven zijn aan het oorspronkelijke type. Ook bij de vospaardjes, dus reeds bij de oudste echte equiden, is de zaak nog eveneens. Op de volgende geschetste equidentrappen ziet men dan absoluut duidelijk, hoe van voren de ellepijp zich hoe langer hoe meer vastlegt tegen het spaakbeen, zich eerst wat de plaats betreft daarmede vereenzelvigt, zooals twee menschen, die elkander stevig omarmen, maar hoe zij daarna werkelijk vergroeit; terwijl tevens van achteren het kuitbeen dun wordt, zich eindelijk van onder op de dunste plek losrukt en in het blijvende boveneinde tot een hoe langer hoe korter griffelbeen wordt. De kwasthoevige dieren van de grootte van een egel hadden reeds ellepijp en spaakbeen vast aaneen verbonden en hadden als kuitbeen reeds een dun spits griffelbeen.
Een andere proef op de som leveren de tanden.
Ons paard heeft een zeer eigenaardig gebit. De snijtanden zijn voltallig en stevig, de kiezen bepaald kolossaal. Doch verkwijnd is het gebit op de plaats, waar de roofdieren de krachtige tanden hebben, om die in te slaan in het vleesch en dat te verscheuren, dat is bij de hoektanden en de voorste kiezen. De hoektanden zijn bij het vrouwelijke paard reeds geheel verdwenen, en eveneens bij beide geslachten de voorste kies zelf. In den gapenden muil vindt men hier een groote leege ruimte. Daarentegen hebben de echte kiezen als het ware het geheele overgebleven gedeelte der voorste kiezen voor zich veroverd, en de grootte en den vorm daarvan overgenomen. Die vorm der kiezen is dan zeer karakteristiek; het zijn lange en hooge vierhoekige prisma’s op verkwijnende wortels, met sterk gekronkelde emailplooien op de kroonvlakte van die beenderige stof, die anders bij de tanden der zoogdieren de verborgen deelen bedekt, het zoogenaamde tandcement. Die gedeeltelijk gecemente kroonvlakte vertoont een zeer wonderlijk, geplooid, moeilijk te beschrijven bergrelief. Bij dit alles is dit gebit in zijn „roeping” gemakkelijker te doorgronden dan eenig ander gebit. De snijtanden met hun eigenaardige ligging zijn sterke afplukkers, ja zelfs op hun manier reeds kauwers; de geheele, één geheel uitmakende kiezenmolen, aan weerszijden zes boven en zes beneden, is dan een uitstekend maal- druk- en verbrijzeltoestel, een kauwmolen van den eersten rang. Dit gebit behoort aan een reus, die zijn zwaar lichaam met buitengewone hoeveelheden voedsel moet voederen. Hij is echter geen wezen, dat bij den aanval bijt, en op vleeschkost uitgaat, maar een vluchtige draver, wien de steppe met haar eindelooze plantenkoloniën een onuitputtelijke stof biedt. Niet eens heeft hij een afwisselende voeding noodig als noodhulp, zooals een kleiner dier, dat aan een bepaalde plek gebonden is. Zijn schitterend bewegingsmechanisme is tegen zijn gewicht toch in ieder opzicht ruimschoots opgewassen. Dit maakt hem tot vrijen meester van alle gezellig levende steppenplanten van horizon tot horizon. De eentonigheid dier grassteppe spiegelt zich af in het eenvoudige en eenzijdige pluk- en kauwapparaat van zijn gebit. Zooals overal, vertoont het paard ook in zijn tandenbouw een zeer geprononceerde, maar groote en in zijn voltooiing toch weer eenvoudige lijn. Het is alles bijzonder eenzijdig ontwikkeld, maar het beheerscht dan ook zijn gebied als een koning met volkomen meesterschap.
Dit gebit van het paard uit onze dagen is nu echter niet het oorspronkelijke gebit der hoogere zoogdieren, dit is ook onmiddellijk duidelijk. Het is een gebit, zooals het bij dien uiterst ontwikkelden paardevoet en dat paardebeen van tegenwoordig behoort, die eveneens reeds lang niet meer in overeenstemming zijn met die der oorspronkelijke hoefdieren. En wij zouden ons ook zijn geleidelijke ontwikkeling niet schooner kunnen voorstellen dan de werkelijke geologische keten, die ons de ontwikkeling van dat bewegingapparaat heeft onthuld, en dat wel hier in werkelijk bestaande beelden heeft onthuld.
De Euprotogonia en Phenacodus aan het begin der keten, oorspronkelijke hoefdieren zooals zij werkelijk nog zijn, vertoonen dan ook werkelijk nog dit oorspronkelijke zoogdierengebit in den schoonsten vorm, waarover wij vroeger zoo dikwijls hebben gesproken, en zooals het weer ten minste tot op een bepaalde hoogte ook bij ons menschen tot heden toe prachtig is bewaard gebleven ten aanschouwe van iedereen. Alle soorten van tanden zijn daar voorhanden, en dat wel zeer goed te onderscheiden. Hun rij is van boven en beneden tot één geheel aaneengesloten, ten minste zonder groote tusschenruimten. De hoektanden zijn nog volkomen duidelijk ontwikkeld, hoewel niet overdreven vooruitstekend. Alle vier voorkiezen zijn aanwezig, maar zij handhaven tevens hun verschil met de drie echte kiezen, daar zij in de eerste plaats aanzienlijk kleiner zijn. En die kiezen zijn aan hun werkzaam bovengedeelte kort, maar in de kaak vast ingeslagen met groote spitse wortels. Zij missen nog volledig het cementplombeersel in de diepten van hun kauwvlakte. Die hoogten en laagten in het vlak zelf verschillen in hun eenvoud nog ontzettend veel van het werkelijk angstwekkend geplooide profiel der hooge prisma’s aan de kiezen van ons levend paard. Wel ziet men, dat het ook hier reeds geldt den meer specialen tak der dieren van Cernays, die op de hoefdieren wijst, die dus geen punten op de kiezen draagt zooals de roofdieren, maar de echte kiezen reeds op gemengd voedsel heeft ingericht. In hun breedte is de tandkroon daarachter alleen met een paar eenvoudige vlakke bulten voorzien. Van onderen zijn het slechts vier, van boven, door twee tusschenbultjes, zijn er zes. Wil men den toestand werkelijk eens geografisch beschrijven als tegenover een gebergte, dat men uit vogelperspectief ziet, dan heeft men bij een dergelijke kies uit de bovenkaak een mooie kleine hoogvlakte vóór zich met zes goed geproportionneerde en duidelijk gescheiden bergkegels. Dat is de typische kies van den omnivoor (allesetend), die trouwens in hoofdzaak toch reeds de voorkeur geeft aan plantenkost, maar dan ook in groote afwisseling. De zwijnen hebben ook een dergelijke kies. In tegenstelling daarmede ziet het berglandschap van de paardekies er uit als een gedeelte van de oppervlakte der maan met de meest grillige lijnen van gekartelde kraterwallen, met ingesloten bekkens en allerlei daardoor heen loopende verweeringen.