Chapter 1 of 23 · 3946 words · ~20 min read

Part 1

VERZAMELDE TOONEELSPELEN EN OPSTELLEN-OVER-TOONEEL

DOOR HERM. HEIJERMANS Jr.

EERSTE DEEL.

I. UITKOMST (1907).—II. VREEMDE JACHT (1907).

AMSTERDAM—S. L. VAN LOOY—1909.

Het recht van opvoering nadrukkelijk voorbehouden volgens de Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad No. 124).

VOORWOORD.

De noodig geworden herdrukken van verschillende Spelen, en de „voorraad” nieuwe, deed tot de uitgave in dezen vorm besluiten.

Achtereenvolgens, niet in chronologische orde, zullen in deze Bundels tooneelstukken en vroeger gepubliceerde opstellen-over-tooneel verschijnen, de laatste voornamelijk om tegenover uitnemend-malle tijdsverschijnselen de meening van iemand te stellen, die er van af zijne eerste kleine daad voor het Hollandsch tooneel op wees, dat het gekakel der velerlei stuurlieden-aan-den-wal, die dagelijks, wekelijks, maandelijks, met gezwollen strotjes en zelfgenoegzame gebaren, de wegen beduiden, die tot „verheffing van het tooneel” moeten voeren—dat het gezwam dezer wijzen over „technische” tooneel-inrichting, over de noodzakelijkheid van een „intiem tooneel”, over een „keurtroep”, over stuitende „tendenz”, over........ „nieuwe idealen”—en wat voorts het allegaartje van breede bepeinzing, mode en snobisme pleegt te baren—dat het waanwijs en potsierlijk betoog dezer scribenten, die in den grond op arbeid van anderen parasiteeren, in diepste mate belachelijk is.

Of men zich in het eigen land of daarbuiten bevindt: overal domineert de wet, dat kunst en kunstenaars afhankelijk zijn, dat eene op loondienst gebaseerde Gemeenschap in directe wisselwerking slechts dàt klasse-vermaak op den duur duldt, hetwelk zich aan haar in levensbeschouwing onderwerpt.

Deze maatschappij met haar verwelkte idealen, haar gemis aan respect voor eigen verleden zelfs, kàn geen ander plankenland hebben dan zij bezit.

Iedere poging, buiten maatschappelijke werking om, moge eenige jaren bijzonderen schijn wekken—zij is voor den ontleder van het verval een relletje.

De waarachtige hervorming van het tooneel, waarlijk bijzaak naast zooveel gewichtiger aangelegenheden, heeft eene gezonde gelukkige, sterke Gemeenschap noodig.

„Zullen?”, vroeg ’k in 1899 („Tooneel en Maatschappij”): „zullen dan al de gewichtigen, pedantjes en half-wetenden, die met kunst en nog eens met kunst sollen, nooit snappen, dat dezelfde fataliteitswet eene kommerciëele maatschappij en haar verschijnselen beheerscht?... Het verval van het tooneel is een camera-obscura-beeld van het verval der maatschappij...”

Het verval in Holland—het zij, bij het in gang zetten dezer Serie en tot besluit van een Voorwoord, dat in na te komen Opstellen behoorlijk gedocumenteerden weerklank vindt, opgemerkt—is niet zoo deerlijk als het verval in het buitenland.

Gewend als wij tam-nuchtere, betweterige Hollanders zijn, om alles wat we in de meerendeels duffe geledingen van ons openbaar leven opletten, met breeder geteem dan voor de beteekenis der zaak passend is, aan de voornaam-geestelijke spelingen onzer ik-jes te toetsen, willen we het dikwerf doen voorkomen, of wij in het zog van imponeerende buitenlandsche zeekasteelen loeven.

Dit is lak.

We behoeven ons zelven niet ontuchtiger voor te stellen, dan de grove ontucht der omstandigheden het bepaalt.

In alle landen der nog tierig-ongecultiveerde wereld, zwiept de maatschappelijke verwording tot bruuter, afstootender schouwburg-industrie, dan bij ons mógelijk is.

Wie ruimer ziet en zijne heroïsche theater-inzichten, niet tot de paar goedige Hollandsche tooneelgezelschapjes besnoeit, weet dat nergens het gekristalliseerd klassevermaak zoo schel bovendrijft als in de groote kunst-centra van Europa.

De heerschende klasse héérscht daar vet-lippig en met een gefatigeerden lach.

De theaterkas-bijdragen van het „schellinkje” kunnen er gemist worden.

De heele bouw van den schouwburg is eene verteedering tegenover duur-betalenden—’n lompe minachting tegenover het plebs, dat daar-boven nauwelijks zien kan en de kwalijke lucht van benee gul-weg geschonken krijgt.

In klein-burgerlijk Holland kan de theater-ondernemer den engelenbak finantieel niet uitschakelen. Bij de lauwe schouwburgrecettes heeft ’t schellinkje een zwakke stem in het kapittel.

Dat is een voorrecht.

Tot de ziekelijke decadentie van theater-luxe-doosjes (spot en hoon van alle gemeenschapskunst) zullen wij nimmer geraken.

Het intelligent, óók betalend schellinkje is in Hollandsche schouwburgen een „ballast”, dien het buitenland met zijn volslagen met-handen-en-voeten-overgeleverd zijn aan duurdere plaatsen niet kent.

Mij dunkt dat de herwonnen voeling met een deel van het publiek, tegen gindsche techniek en gindsche monteering ruimschoots opweegt.

De toekomst met haar onafwendbare gebeurtenissen is aan de proletarische levensbeschouwing—aan het proletariaat.

De eerste kunst-stappen dier toekomst lijken voor de kleine, afgezonderde, niet door de groot-industrie ook op dàt gebied dood-gemoorde landen weggelegd.

Men kan zich in de onderstelling vergissen: het gezond verstand en de feiten stutten het vermoeden naar alle zijden.

Noch in Denemarken, noch in Zweden, noch in Holland (om drie voorbeelden van politiek en economisch zwakke volkeren te geven) zal het vermaak zóó industrieel kunnen ontaarden als in steden met wereldrumoer.

Daarenboven hebben wij eene literatuur, rijper, rijker van basis, dan menig ander land, eene literatuur die—op mannen met gemeenschapsbegrip wacht.

Een volk naar zijn geestelijke zoekers schattend en niet naar zijn rampzalig geprots met oorlogsmateriaal en weelde, hebben wij in het begin dezer eeuw het verlof te glimlachen.

En het geblaas over het verval der kunsten ten onzent, het gekef der velen die van geen oorzaak en verband weten en hoera kermen bij het gedobber van een giorno-lampje in een donkeren stormnacht, mogen we als ondoordacht gedoe, gelijk iedere periode in onverschillig welken tijd, ’t te slikken kreeg, aanvaarden.

De kunstzinnige hervorming van het tooneel kan eerst na het herstel eener waarlijke maatschappelijke orde—door samenwerking der zusterkunsten, geschieden.

Van de spelers is thans niet meer te eischen dan de dictator Theaterkas [1] veroorlooft.

Deze hard-werkende lieden over het inzakken van hun vak te beschimpen, hen met hautaine woorden (op puur vermoeden van hoe u ’t achter uw inktpot zou willen hebben—u, hum!) de les te lezen, is ook daarom in verhouding tot het wurmend gerepeteer, het reizen, trekken en spelen dier menschen, zoo dom, laf en tergend-quasi, omdat er slechts een paar in Holland zijn, in staat een vakkundigen raad te geven.

En die paar zwijgen.

In tijden van infectie pijnigt en geeselt men liever geen geïnfecteerden—men tracht de infectie te verwijderen, infectie die op tooneelgebied in bijkomende mate in de schouwburgen zelf woekert.

En de tooneelstukken?

Wel, vrienden—we weten hoe laat het is....

Hoe sterk het verval zich ook hierin openbaart: het geblinddoekt ideaal, het ideaaltje dat in het verleden blijft scharrelen en het Komende niet zien wil—het ideaal dat met lodderende oogjens ’n fopspeen belurkt en zich als nieuw-verniste pagode bij het ongevaarlijk klasse-vermaak voegt—dat ideaal met ’n horrelvoet en ’n waterhoofd, vooral bang en pretentieus tegenover het eenig Ideaal-van-klassieke-vormen dat „in ’t Oosten daagt”—dat ideaal kan bezwaarlijk thàns nog in de tent der getuigenis worden toegelaten.

Voor ons, socialisten en „materialisten”, zij het een genot in een worstelenden overgangstijd tot ontwaking van derden bij te dragen.

Voor ons is deze periode van frissche ontroeringen—heeft éénige generatie zooveel meegemaakt?—eene in schoonheid groeiende werkelijkheid, waarvan elk nieuw gerucht de wilskracht versterkt.

Heeft de geestelijke arbeider meerder fossiel recht te „blijven leven” dan ontelbare andere arbeiders, die zich over de heele wereld voor nobele gemeenschapsbelangen offeren?

Is het al niet eene vreugde een klein dienaar der samenleving te zijn—reiken we mekaar niet van geslacht op geslacht de hand?

Is het geloof in de toekomst, waartoe men meê heeft getracht, niet overvoldoende om blijmoedig voort te gaan?

Al zou al je geschrevene tot verdorrend loof behooren—haha, wat deert het! Je hebt je tijd zoo kostelijk, zoo heerlijk-willend meegeleefd, zoo diep-hartstochtelijk, zoo met gebalde vuisten, zoo begaan, zoo in-afwachting, zoo met den teederen lach van genegenheid, dat je menschelijk-tevreden kan zijn....

HEIJERMANS.

Berlijn, Augustus 1909.

UITKOMST. SPEL-VAN-DROOM-EN-LEVEN

IN TWEE AFDEELINGEN

DOOR HERM. HEIJERMANS Jr.

Het recht van Opvoering nadrukkelijk voorbehouden volgens de wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad No. 124).

Voor de eerste maal opgevoerd en uitgefloten te Amsterdam, op 2 November 1907.

DRAMATIS PERSONAE.

Thijs Banes, een kruier. Bet, zijn vrouw. Jacob, scharenslijper, } Sien, fabrieksmeid, } zijn kinderen. Jan, } De Dokter. De Kapelaan. Rijksveldwachter. Lammersen, waschbaas. Aaltje, zijn vrouw. De Bakker. De Schoenlapper. Bonnet, bovenbuurman. Riesje, zijn dochtertje. De Zwaan. De Meneer-van-de-Bank. De Schele. Een menigte. (1ste, 2de, 3de, 4de, 5de stem).

Het Spel geschiedt te Amsterdam.

EERSTE AFDEELING.

(Het tooneel ver-beeldt het pothuis van een kruier, laag van verdieping, met een vervelooze binten-laag. In den haveloozen, gecementeerden achtermuur bevindt zich een langwerpig tuimelraam met vale gordijnen. In den hoek, rechts van achterwand en zijwand, een ombuigende trap met onderdeurtje, tot de straat toegang gevend. Tegen die trap aan, langs de rechterzijwand, twee bedsteden. Onder het tuimelraam een ijzeren ledikant. In den linker-hoek van achterwand en zijwand lijnen waaraan de wasch te drogen hangt: heel voor een slap gespannen beddelaken. De linkerwand, met een verschoten behang, toont naden van gespleten planken. In het derde plan van die wand de afvoer voor de gebarsten potkachel. Daarnaast, tweede plan, een ladenkastje met heiligebeeldjes. Tegen het beschot, éérste plan, een lompe tafel, waarboven een flauw-brandende petroleumlamp. Meer naar de zijde der bedsteden een kleinere withouten tafel, die voor werkbank dienst doet en door een eind kaars in een flesch belicht wordt. Aan de bovenbinten hangen eenige kleinere takels. Late Februari-middag. Zwakke schemer door de gordijnen van het tuimelraam).

EERSTE TOONEEL.

Thijs, Jacob, Sien.

THIJS (door het tuimelraam een hijschtouw vierend, dat Jacob langzaam bost). Meer van ’t bed van de jongen afhoue—al de smurrie valt op de deken...

JACOB (norsch). Droog zand. Vooruit maar! (bost een poos voort). Verroest, komt ’r geen end an?

THIJS (wiens voeten en broekspijpen alleen zichtbaar zijn). Zee je wat?

JACOB. Of d’r gedorie geen end an komt?

THIJS. ’k Zal maar ja zegge—anders krijg je ’t wéer op je heupe—’k versta geen woord...

SIEN (bij de tafel ’n kous stoppend, schel:) Of ’r geen end an komt, vader, vraagt-ie!...

JACOB. Of-ie ’t zoo niet gehoord het!...

THIJS (op de knieën, het hoofd door ’t raam stekend). Wat smoes jij toch? Denk je da’k luistere ken met die herrie op straat?... (tot Sien verwonderd). Jìj hier?

SIEN. Nee—’n ander!

THIJS. Werkt de febriek niet vedaag?

SIEN. De febriek jà—wìj niet, hahaha!

JACOB (tot Thijs). Blijf nou niet op de lijn legge, vader!

THIJS (opstaand, grommend). ’t Is ’n merakel, ’n gedonder van de andere wereld... Daar komt de takel! Pak an....

JACOB. ’k Ken ’r niet bij. Wacht! (stapt op ’t bed).

THIJS. Mot je met je vuile poote op de deken stappe! Is d’r geen trap?

JACOB. Je geeft ’m ommers hier an—en dan zàl d’r ’n deuk in weze—dan zàl-ie minder glad in z’n nest legge—ik leg wel vier maande voor hem op de grond, goddoome... (springt van het bed, smijt touw en takel in den hoek bij de trap).

SIEN. Toe maar! Mot de takel stuk?

THIJS (op de trap). En waarom ben jij niet na de febriek?

SIEN. Waarom?... Omdat we...

THIJS (ongeduldig). Omdat we!... Omdat we!... Is ’t alweer mis?

SIEN. As je ’t zoo wéét—wat vraag-ie dan?

THIJS. Ik waarschouw je às d’r wat gebeurd is!

SIEN (onverschillig). Hoor! De paar cente die ’k verdien—(even oplevend) wié het ’r in de laaste tijd alleen ingebracht?—worde me met ’n snauw afgenome! En as me met z’n alle ’n middag vrij neme om de koningin te zien rijje, krijg je ’t op je brood of je van de straat opgeraapt ben! Me zorg, hoor! Tot ’t me de keel uithangt...

THIJS. Bè-je met z’n àlle vortgebleve...?

SIEN. Dat zeg ’k toch...

THIJS. Zonder te vrage...?

SIEN. Laat-ie ’r wat tege doen!..

THIJS. ’t Is goeie ...

SIEN (opvliegend). Wat is d’r goeie? Mot ìk spelbreker zijn, as d’r tweehonderd gelijk de koningin wille zien...?

THIJS. ’t Is goeie! (gaat bij Jacob aan ’t werktafeltje zitten)... ’t Is goeie—maar de weerlicht zal je hale, as d’r mot van komt... De koningin zien rijje—de koningin zien rijje—As ze je niet an de dijk zette, houe ze ’n dag loon in! (wrokkig)... of we daarmee kenne smijte...

SIEN. Of ik ’t helpe ken, dat niemand anders verdient! Laat me niet alleen sappele!...

THIJS. ’t Is goeie.

SIEN. Alles vreet ’r van mee...

THIJS (dreigend-van-stem). Ik zeg dat ’t goeie is!

SIEN (Jacob bedoelend). Toe hij de kast in most, het-ie niet zooveel motte hoore as ik—om ’t minste geringste...

THIJS. Is ’t gedaan? Toe hij...

JACOB. Geef ’r geen asem ...

SIEN (de gestopte kous aantrekkend, den voet op den matten stoel). Nou mot diè ’n duit in ’t zakkie doen (nijdiger). Geef ’r geen asem... Da’s ook ’t eenige wat ’r te geven valt (bij den buurman opjoeling van vrouwen-gelach)... Die lache teminste... Die hebbe lol in d’r leven... Hier knies je je dood... Niet één van de meide op de febriek het zoo’n zuur bestaan... (de potkachel porrend). Ken mijn ’t schele!..

TWEEDE TOONEEL.

De vorigen, Lammersen.

LAMMERSEN (over de onderdeur). Hahaha! Hahaha! ’k Lach me ’n kriek, hahaha! Heb-ie de meide gehoord? Hahaha! (zich inhoudend)... Slaapt de jongen?

THIJS. Nee. Nee, kijk maar niet—leit ’r niet in—is met z’n moeder uit.

LAMMERSEN (de trap af strompelend). Uit?... Uit?... Is-ie zoo’n end op streek?... Verrek die beroerde trap... As ’k me daar niet grijp, leg ’k op me achterwerk, hahaha!... Werachtig de dolle rakker het ’m gesmeerd!... Loopt-ie op krukke?

THIJS. Nee—z’n moeder rijdt ’m in ’n wagen...

LAMMERSEN. Mocht dat voor de meester? (Thijs knikt)... Dan haalt-ie ’t ’r bovenop, Thijs, dat zeg ìk jou.

THIJS (het hoofd schuddend). Voor Jan groeit geen kruid meer—néé... (er wordt tegen de linkerwand gebonsd).

LAMMERSEN (schaterlachend). Hahaha! Hoor je ’r tekeergaan? (tegen het beschot pratend) Hou je gemak maar, schele! Nou heb ik de tijd, hahaha!...

SIEN (lachend). Zit ’r een opgesloten?

LAMMERSEN. Ja, hahaha! De schele! In ’t kolenhok, hahaha! Alles mot ze me vrouw overklappe, hahaha!—as ’k ’n bak met de meide opzet—(nieuw gebons)—ga maar op de turve zitte, hahaha!—nou heb ’k de sleutel in me zàk, hahaha!—Hoe is-ie?

THIJS. ’k Wou dat je mijn zorg had...

LAMMERSEN. Wat ben jij gul! Schiet ’r niks anders op over?... Vanmorrege hebbe de meide en ik ons ’n dubbele breuk gelache... Me hadde meeningsverschil—me vrouw en ik—over de duvel mag wete wat!—enne toe liep zij as ’n spin zoo nijdig de keuken in... „’k Ga eiere koke, kles maar toe!” zee ze. „Goed”, zee ik: „maar kook ze hàrd—dan hebbe me vijf menute rust!”... Hahaha! Hoe was-ie?...

SIEN (lachend). ’k Ken merke da-je vrouw niet thuis is!

LAMMERSEN. An me humeur?

SIEN. Dat de meide zoo tekeergaan...

LAMMERSEN (terwijl boven ’n winkelschel overgaat). De segarewinkel boven het ’n schel om te waarschouwe as ’r onraad is—ik vier, en de schele is vijf, meide, die lache en d’r bek niet kenne houe tòt ze onraad hoore, hahaha! Zóo as ’t hiernaast muisstil wordt, weet ik hoe laat ’t is! Ja, ja—as een van ons tweeën ’n oog dicht komt te doen—ga ìk met Toos, die de meidemutse opmaakt, trouwe....

SIEN. Dan zou ze je eerst motte—met je....

LAMMERSEN.... Sjeneer je niet... je manke poot, hahaha!... Denk jij da-ze op ’t stadhuis geen boterbriefie geve, zoolang je je twee voorvingers nog opsteke ken? Na je voete kijke ze niet, hahaha!—As je zoo’n buregerucht maakt, schele, zet ’k je op water en brood!—Da’s ’n sallemander—d’r eigen moeder zou ze verraje—én d’r eigen jongen—às ze d’r een met geld toe krijge kon!

SIEN. Jonges, jonges—zoo leelijk kè-je niet weze of an elleke vinger tien....

LAMMERSEN. Jij! Ja, jij! Jij an elke vinger ’n devisie!

SIEN. Hoeveel benne dat ’r?

LAMMERSEN. ’n Devisie op oorlogssterkte da’s....

DERDE TOONEEL.

De vorigen, vrouw Lammersen.

VROUW LAM. (bukkend bij ’t tuimelraam). Is ’t je in je kop geslage, om een van de meide in ’t kolenhok op te sluite!...

LAMMERSEN. Bliksems, ’k heb de stilte niet gehoord...

VROUW LAM. Toe, de sleutel, halve gare! Of d’r niet genoeg gedagdiefd wordt!

LAMMERSEN (mikkend). Daar komt-ie, patroon!

VROUW LAM. Dat mot je nou nog is uithale, halve gare—’n kind van ’n jaar doet wijzer! As je maar vortmaakt, verstaan! Je mot na de Prinsengracht! (af).

VIERDE TOONEEL.

Thijs, Jacob, Sien, Lammersen.

LAMMERSEN. Nee—nou is de lust ’r ’n beetje uit, om te zegge hoeveel d’r in ’n devisie op oorlogsterkte gaan, hahaha!

THIJS. An jou ken ’k nóóit merke, of je ’m om heb of niet....

LAMMERSEN. Da’s ’t voordeelige van ’n manke poot, hahaha! Ik schommel toejoer! Man, as je wist hoe goed láche is, da-je ’r de trane van in je ooge krijgt! Ik heb meer gehuild as juillie bij mekaar—van de bakke die ’k uitgehaald heb en van de beste moppe die ze me vertelde...

THIJS. De een dit, de ander dat—ik ben vedaag in ’n bui om me eeuwig te ergere....

LAMMERSEN. Om je eeuwig te ergere? As je niet getrouwd was—met ’n best wijf, da’s verdomd waar!—zou ’k zegge: haal je wat an!

THIJS. Nou! Nou! Je vrouw is in de grond ’n redelijk mensch....

LAMMERSEN. Ja, in de grond, hahaha!

THIJS. Dat lacht—dat het schik in z’n leven—bij God as ’k ’r dát van snap.... Ik heb me in geen jare en jare zoo oud gevoeld as de laaste twee maande. Alles ineens bij mekaar—(op Jacob wijzend)—dat met hém—schei d’r nou uit, jongen: je bederft je ooge bij die kaars!—dat met de wilde duvel van ’n Jan, die nooit meer ’n poot zal kenne verzette as-ie ’t ophaalt—dat met haar....

SIEN (vinnig). Wat met mijn! Wat nou met mijn!

THIJS (grommend). Niks met jou dan—niks—niks met de dienst op de Gracht die je uit most....

SIEN. ’n Dienst, ’n dienst—niet te vrete....

THIJS. Dan toch meer as hier....

SIEN. Niet te vrete—en ’n loon, ’n loon—dankie hoor!...

THIJS. Met weinig mot je overal beginne—as je geen begin maakt....

SIEN.... Nou zou ik...

THIJS. ’t Is goeie—hou je mond! Ik ben bezig... Vecht ’r tegen—nou is ze op de febriek—en as ’r moeder ’r niet af en toe lam slaat....

SIEN. Jewel! Jewel... To-’k ’t verdij...

THIJS.... Zou ze de jonges de woning in slépe...

SIEN.... Dat lieg-ie!

JACOB (dreigend). Is ’t gedaan?

SIEN. Laat ’m dan niet liege....

JACOB. Is ’t gedaan?...

THIJS. Lach jij daarbij!... Ik heb me vreugde opgekend. Bij de bakker, ho-maar. Bij de groenteman voor aarpels ho-maar. Me gróóte takels staan in de lommerd—as ’t met Mei in de verhuizinge loopt zit ’k ’r zonder. Sture ze je zoo’n baldadig kind met ’n kapotte ruggestreng thuis, dan sloof je je de eerste weke uit, om ’m op te kikkere, om ’m wat mee te brenge—maar na vier, vijf maande ellende, zonder ’n karwei van belang, zonder haast ’n brief of ’n boodschap—wordt ’t ’n kruis—begin je te verlange....

LAMMERSEN. Ho! Ho! Nièt uitspreke—daar zou je later spijt van hebbe... In ’t Gasthuis ha-je toch vrije behandeling...

THIJS. Daar wou z’n moeder niet an—die wou ’m in d’r éige arme late sterve—toe we dachte dat ’t ièder oogeblik gebeure kon... Vijf maande—vijf—de tweede October stong de brankaar voor de deur—vedaag houe we an de zevetiende Febrewari—vijf maande krom legge van zorg—stukkies vleesch en eiere voor versterking—en (Jacob bedoelend) hij op de grond om in de bedstee ruimte te make—en schuld, schuld overal... En dat om ’n onnoozele vlieger van twee cente, die zoo’n wilde rakker uit ’n boom wil hale. Denk ’r is na—om ’n vlieger van twee cente—en nog niet eens van z’n eigen...

LAMMERSEN. Ja, ’n ongeluk leit in ’n klein hoekie—en nou geloofde wij nog da-je de laatste dage ’n bonk duite met je brug na ’t ijs verdiend had.

THIJS. ’n Bonk!... Negen en tachentig kopere cente in twee dage... Gister ’n plasregen—straks is d’r ’n schuit doorgetrokke... ’k Ben me heele leven met alles te laat geweest...

LAMMERSEN. Net as ik—de eenige keer da’k te vróég was—was voor ’t stadhuis, hahaha! Kerel laat je kop niet hange!

THIJS. Jij het makkelijk klesse—jij laat je vrouw en de meide ’t werk doen ...

LAMMERSEN.... Ik trek de rente van me poot, hahaha! Reken is an wat ’n boffer: as me poot niet tusschen de mechien bekneld was geraakt en de krant me geen vijfhonderd guldes uit had gekeerd, zou ’k me patroon niet in d’r wasch- en strijkinrichting hebbe kenne koope... Voor twéé voete ha-’k duizend guldes gekrege—duizend, hahaha!—ha-’k nòg ’n zaak kenne overneme—’n bankierszaak, as an de overzij, hahaha!—kamerde ’k ’n juffrouw as de notaris-van-de-hoek; hahaha... Toe-’k uit ’t Gasthuis kwam, ha-’k de keus tusschen ’n waschinrichting—ansjeen mesjon weduwe Knolleboer—en ’n vlooie-theater—maar dáar most ’k niks van hebbe—want zóo as me d’r binne kwamme sprong de eerste artist op me over, hahaha!

SIEN (schaterend). Jessis, waar haalt-ie ’t vedaan!

LAMMERSEN. Verdomd—met zoo’n saltemurtale!

THIJS. Hahaha, gekke vent!...

JACOB. Hahaha... Die ha-je onder ’n stolpie motte beware...

LAMMERSEN. Zoo mag ’k juillie zien, hahaha! Da’s al-z’n-leven de eerste maal dat hij lacht na z’n luchtkuur in de nor...

JACOB. Daar hap je nog al lucht...

LAMMERSEN. Toe Aal ’t zoo op d’r longe te pakke had, dat ze d’r verstand haast uithoestte, zee de dokter: as d’r niet gauw warmte komt, mot ze àndere lucht hebbe. Goed, dokter, zee ik: as de lucht van zeep en loog niet voor d’r deugt, zalle me ’n káásnerinkie beginne—je had z’n gezicht motte zien, hahaha!

SIEN. Hahaha! Schei uit! ’k Krijg d’r pijn van in me zij...

JACOB. Wat ’n malle duvel... Hahaha!

VIJFDE TOONEEL.

De vorigen, Bet en Jan.

BET (boven aan de trap). Help-ie effe, Jacob?

LAMMERSEN. Wil ìk ’n handje?...

BET. Jij? Nee, hoor—daar komme ongelukke van op de trap (tot Jacob, die de onderdeur openstoot). Zal je zachies, jongen? Nee, niet zoo wild! Anders doe je ’m zeer. Laat ik je nou...

JACOB. Doe jij ’t of doe ik ’t?

BET. Leg je arme om z’n hals, Jan—zoetjes an—pas op de leuning...

JAN (op de trap pratend, druk van genot). Hè! Die was fijn, hoor, vader! Me hebbe de koningin gezien met viér knolle d’r voor... Au! Au! (huilerig). Jij douwt zoo verroest!...

BET (angstig). Kijk uit, Jacob...

JACOB. Hou dan je kop toe tot je in bed leit!

JAN. Nee—niet daalijk in bed...

BET. Nou niet je eigeste zin, Jan—je het leut genoeg gehad, watte? (tot Jacob). Nee, effe nog ophoue... ’t Kussen leit in de wagen...

SIEN (toeschietend). Blijf maar—daar komt ’t!

BET (moeilijk vangend). Maak ’r nou geen lolletje van... Kè-je ’t niet in me hande geve!... Strijk ’m Jacob. Zoo. Zit je goed? (z’n wangen streelend). God-nog-an-toe kind wat benne je koone heet. En mijn hande benne haast klompies ijs van ’t douwe... Dag Lammersen. ’k Dacht ’t wel buiten toe ’k ’t lache hoorde... Laat mijn ook maar is lache (verbaasd tot Sien). Ben ik zoo laat of ben jij zoo vroeg? Hoe ken ’t da-je al thuis ben?

THIJS. Kolder in de kop om de koningin te zien—al de meide van de febriek vortgebleve...

BET. Vortgebleve... Zonder de dirrekteur te vrage?...

SIEN. Wat zou ’t as me ’t met z’n alle...

BET. En je dagloon? (dreigend). En je dagloon?... Zou je zoo’n dier niet... Vooruit ga de wagen bij Nelisse werom brenge, vooruit of... (heft de hand op).

SIEN. ’k Ga toch al...

JAN. Moeder—me lintje leit ’r nog in...

BET. Wat voor lintje?

JAN. Me oranjestrikkie...

BET (aan de trap). Geef eerst z’n strikkie—lammenadige meid! Vortblijve! (tot Thijs) Hei-jij daar niks van gezeid?

THIJS. ’k Ken net zoo goed blaffe—doe ’r wat tegen!

BET. (het strikje vangend en het Jan op z’n kiel stekend). Daar—jij je strikkie... As die op de febriek gedaan krijgt—God-nog-an-toe, dan vraag ik jou!...

LAMMERSEN. Wou je ’n meid van achttien in ’n vloek en ’n zucht verstandig hebbe? Laat ze maar eerst trouwe—dan wordt ze vroeg genoeg, vroeg zat, wijs.... En hij ken toch niet al de meide gelijk na huis sture.... Van wie hei-je je strik, Jan?

JAN. Van de sigare-winkel, boven—’n pakkie van vijftig het-ie ’r voor losgemaakt—en strak krijge me blomme, waar moeder? (zij knikt).

THIJS. Wat motte me met blomme?

BET. Over van d’r kopere feest. Hij zou d’r door Riessie late anreike....

JAN. Hei jìj de koningin gezien, Jacob?

JACOB (grommend, weer aan ’t werk). Nee!

LAMMERSEN. Of rooie Jacob de koningin is weze zien, hahaha!