Chapter 9 of 23 · 3996 words · ~20 min read

Part 9

DOLF (beantwoordt dat, opent lachend de deur). Excuseer m’n overhemd, kerel... In twee seconden! (wil in z’n kamer terug—draait zich nog even om) Zeg, Jan, fluit dat deuntje geen tweede keer, asjeblief! ’k Wor straks meer dan me lief is, an m’n vervloekten studente-tijd herinnerd—De sigaren staan achter je—in die schedel... Tien tellen! (af—Linden neemt een sigaar, leest—telefoonschel—hij wil luisteren)... Ik ben op reis—op reis!....

DOKTER. Wie daar? Madame Lebeau?... Op reis... Pischt, waar ben je na toe?...

DOLF. Naar ’n sanatorium in Duitschland—overspannen!

DOKTER (in den toestel pratend)... Naar Duitschland (verwonderd)... Dank u wel—’k zal ’m telegrafeeren. (hangt toestel in haak)... Of ’k je positief zeggen wou, dat je ’n sale type, ’n cochon...

DOLF... Jawel, jawel—ken ’k droomen! (weer af).

DOKTER (van ’t schrijfbureau ’n paar maal iets opnemend, lacht, gaat opnieuw voor de tafel lezen). Morgen, morgen!

DOLF (z’n jas aanschietend)... Morgen!... Kerel ’k ben zoo verdraaid katterig!

DOKTER. Mooi zoo. En dat vandaag. Is dit de oorzaak?

DOLF. Haarspelden? Vond je die hier?... Nee, op m’n woord niet. In geen maanden ’n vrouw bij me gehad! Leg ze nou niet op de tafel! Haal geen grapjes uit! (werpt ze in de snippermand, naast schrijftafel). Dat zul je nu niet gelooven, Jan, maar die dingen vinden we met grossen—of ze jongen. Elk verleden begint bij ’n haarspeld....

DOKTER. ’t Verleden van die twee kan, zou ’k denken zoo ver niet zijn... Van je bureau opgepikt, haha!

DOLF. Attentie van dien smakker van ’n Jaap—is geestig op zijn manier!... Nee maar, Jan, vent, kind, hart—kijk me niet zoo guitig an—of je me half gelooft! ’k Wou dàt je gelijk had, wóú dat ’k je slimme schalksche oogjes verdiende! Ach! Ach! Nog ’n kwartier, nog ’n half uur—en ’k zit met m’n katterig gezicht—zie je ’t me an?—in bedrijf nummer zooveel van de allerdolste komedie. Geef me ’n lucifer, vent. Merci. Even ’n trekje. In presentie van m’n collectie dochters—vijf, zegge vijf, zijn op de annonce afgekomen—zal m’n vaderhart fatsoenshalve te actief werkzaam moeten zijn, om ’n Henry-Clay te kunnen rooken. Kind, wat ben ’k slap!

DOKTER. Hoe laat ben je thuis gekomen?

DOLF... Hoe vroeg! ’k Heb drie uur—nee, nou overdrijf ’k—vier uur gemaft (telefoonschel)... Zou je zoo’n créature... Je hoeft niet te twijfelen: Snipje, Snipje... ’k Schaf me telefoon af... Dat is vervloekt als je liaisons je nummer weten.... (telefoonschel).... Jawel, Jawel.... Dat hou ìk ’t langste uit... Is me verleden jaar gebeurd, dat-ie driemaal in ’t uur overging tegen kinderbedtijd, hahaha! Zeldzaam-zenuwachtige tijd! (telefoonschel)... Nou, nou, nou!... Dit volk is hardnekkig....’k Zal me stem veranderen... (praat in toestel)... Meneer is op reis—ik ben de huishoudster... (schrikkend). Excuse me, Hope, darling—ik had ’t zoo enorm druk—Over ’n kwartier.... Kom je zelf ook?... Je eerste bezoek op m’n kamer!... Je zal als ’n koningin ontvangen worden! Hoeft dat niet? Daar door de telefoon ’n kus... Moet ’k uitscheiden met m’n gekheid?... Ze krijgt ’r ’n kleur van, Jan! Hahaha!... Ja, Linden zit bij me—hoofdcontroleur!... Eén oogenblikje nog, darling! Moeten die vijf dochters van me—’k wil ze àllemaal ongezien adopteeren, om van de last af te zijn!—moeten die op ’t een of ander getrakteerd worden? Chocolade, anijsmelk... Wat?... Wat dan?... (hangt gehoorbuis op)... Laat me staan... Is ’r van door, hahaha!... (schelt electrische knop boven de tafel). Daar had ’k bijna ’n blunder begaan, hè? (geeuwt)... Excuseer! ’k Zou ’r zoo ’n paar uur onder kunnen kruipen....

DOKTER... Ik wacht geduldig, om te hooren wat je uitgehaald heb....

DOLF. Uitgehaald?... Eerst met Beelaart, na ’t diner, ’n partij geschaakt—remise, na ’n zit van negen tot eenen... Ja! (tot Jaap)... Haal jij ’ns vlug ’n bouquet witte rozen....

DERDE TOONEEL.

De vorigen, Jaap.

JAAP. Jawel meneer.

DOLF. Jaapje—nou nòg eens: lach met meer overleg! (tot Linden). ’k Heb ’m de vorige week, voor moed, beleid—vooral beleid!—en trouw ’n nieuw gebit cadeau gegeven, omdat ’k z’n ruine om esthetische overwegingen niet zien kon—en nou lacht dat schaap telkens met z’n tanden óver mekaar!... Schiet op!... De mooiste theerozen, die je krijgen kan! Nou?

JAAP (met bedwongen grijns)... D’r zit benejen ’n juffrouw....

DOLF. Wat voor ’n juffrouw?

JAAP. Van ’n advertentie—met de moeder d’r bij...

DOLF. Zoo. Wachten (geprikkeld)... Wat sta je met je hand? Moet je boksen?

JAAP (de gehandschoende hand openen). Me duim is ’r door....

DOLF. Zoo—je duim ’r door? Marsch! En vlug!

VIERDE TOONEEL.

Dolf, Dokter.

DOKTER. Hahaha! Heeft-ie z’n witte handschoenen voor de gelegenheid aangetrokken!

DOLF.. Zoo’n kaffer! Informeer ’k nou nièt, dan loopt-ie den heelen dag of-ie ’n misvormde knuist heeft! Wat was ’k bezig te vertellen? De partij schaak. Juist. Bij half twee, van plan bijtijds in bed te eenzamen—voor de belangwekkende conferentie!—ontmoet ’k Bannema, Kareltje, en état de désespoir—driekwart zelfmoord-ideejen—aan de beurs gedobbeld—Jantje, wat ’k zeg is vertrouwelijk!

DOKTER. Natuurlijk....

DOLF. Gedobbeld, om den staat van z’n vrouw bij te houden. Had ’t al met ’n open gaskraan geprobeerd—niet gelukt—kan ’k niemand aanraden: de weduwe krijgt de gasrekening!—liep gewoon te huilen—’n gat van ’n halve ton, en ’n vermogen naar de weerlicht, als de baisse aanhoudt!—’n Vrouw, die huilt, doet me verbazend weinig—kwestie van gewoonte—’n màn—en wat ’n door en door braaf ventje!—maakt me ondersteboven. Heb ’m geholpen.

DOKTER. Zoo maar?

DOLF. Ruineeren zal ’t me niet. Mama’s aandeel—de goeie ziel: dat is nou net drie maanden geleden!—heb ’k voor veertien dagen met m’n nobelen neef geschikt—et zut!—Je had z’n blijdschap moeten zien! ’k Moest met ’m mee—naar z’n huis—en daar hebben we allebei tot vijf uur zitten pimpelen, de eene flesch Rijnwijn na de andere. ’k Heb ’m ’n tikje om gekregen—hahaha!

DOKTER. Dolf, Dolf—ik heb geen enkel recht je raad te geven—maar ’t lijkt me toch zacht gesproken onverantwoordelijk ’n dobbelaar, zonder eenig verder onderzoek te steunen—en voor dàt bedrag....

DOLF. Jan, nuchtere kerel, ik ben te katterig, om je ongelijk te geven—maar m’n woord is m’n woord en m’n handteekening m’n handteekening—de cheque is binnen—en de kinderen hebben Kareltje in ’n prachtig humeur gezien, als-ie ook niet te katterig is!

DOKTER. De kinderen?

DOLF. Vier. Ja vier! Hij heeft ’t verder gebracht dan jij... Vannacht om bij half vijf, toen ’k die smerige zaken in orde gebracht had, zei-ie: loop even op je teenen mee, dan zal ’k je de kinder-slaapkamer laten kijken. Ik verzeker je, Jantje—en zonder groote woorden!—dat ik die slapende kopjes niet zal vergeten—zulke hoofdjes—en zulke mondjes—en.... Hahaha! Goud waard! Goud waard! Stel je voor—tegen ’t afscheid staat Kareltje onzeker op, zet nog ’n zes, zeven wijnglazen op de tafel, giet ’r scheutjes in! Wat voer je uit vraag ik.... Ik ben bang, zegt-ie—goddelijk, pyramidaal!—dat me vrouw of de meisjes twéé glazen bij ’n half dozijn leege flesschen zullen zien! Hahaha! Hoe is-ie? ’t Modernste préservatif voor getrouwde mannen, die ’n buitensporigheid doen!.... Ja. Ja.... Binnen!

VIJFDE TOONEEL.

De vorigen, Jaap.

JAAP. Asjeblief meneer—de rozen.

DOLF. Netjes. Daar in de vaas.

JAAP. D’r zijn d’r al drie, meneer.

DOLF. Allemaal met moeders?

JAAP. Nee, meneer—alleen de eerste. En dan is ’r die detective, die al ’n paar maal geweest is.

DOLF. Die met....

JAAP. Ja meneer.

DOLF. Wat nou ja meneer? Wat heb ’k bedoeld?

JAAP. Dat weet ’k niet—ik dacht....

DOLF. Lach niet!... Lach niet!... ’k waarschuw je: ’k neem ’t weer af!... Laat die met—waarvan jij dàcht... laat die boven komen.

JAAP. Ja meneer (af).

ZESDE TOONEEL.

Dolf, Dokter.

DOKTER. Is dat de man die aan ’t snorren geweest is?

DOLF. Ja-ja, ’n Gladekker, first class, door den chargé-d’affaires van de goeie ziel, ergens bij de politie opgeduikeld, ’n gewezen inspecteur, gesjeesd omdat-ie te handig voor z’n supérieuren werd! (plukt een knop uit den bouquet, steekt die in z’n knoopsgat). Jan, voortreffelijke kerel, Jan, ouwe boemelaar—als ’t vandaag niet lukt—als geen van de vijf m’n—’t kriewelt in m’n keel, als ’k ’t fatale woord uitspreek!—geen van de vijf m’n dòch-ter blijkt, ga ’k in ’n klooster, om Hope d’r oogen, d’r prachtige oogen te ontloopen... Had je ook niet voor drie maanden kunnen denken, dat ik, ik, door ’n menschje, dat om ’n haverklap m’n uitstekend humeur bederft, dat ’k bij tijden gewoon niet zetten kan—schrikkelijke individuën, die hyper-moderne wijfjes!—dat ìk door zóo een aan ’n zijden draadje rond word geleid!... Als de goeie ziel ’t vodje van ’n brief niet bewaard had—en dien avond van ’r dood niet de obsessie van de Stichting en ’t kinderen-asyl, die groteske belofte.... Entrez! Ga zitten. Steek ’n sigaar op.

ZEVENDE TOONEEL.

De vorigen, Schmidt.

SCHMIDT (nadat Jaap de deur gesloten heeft)... Ze zijn ’r. Kan ’k praten waar meneer bij is?

DOLF. Sans gêne! Dokter Linden—ook uit dien tijd—rechercheur Schmidt.

SCHMIDT. Detective, als ’t u ’t zelfde is.

DOLF. Je mag je precies noemen zooals je wil, als je ’r maar heb! ’t Zit me tot hier!

SCHMIDT. Over mij heeft u geen reden van klagen! ’t Onmogelijkste, ’t bijna bovenmenschelijke, heb ’k gedaan. Voor niet één zaak moest zoo gesnuffeld worden—niet één was zoo ingewikkeld. Dat behoef ’k zeker niet te resumeeren!....

DOLF. Resumeer gerust—laat m’n vriend, den dokter meesmuilen—die denkt honderd tegen een, dat we stil hebben gezeten! Moordenaarswerk! In ’n woestijn vind je iemand makkelijker, dan in de zoogenaamde geordende samenleving! ’n Schande, ’n schande.... Niet rooken?....

SCHMIDT. ’k Steek ’m liever bij me. Dank u. Dokter, die vrouwspersoon is met of zonder ’r kind radikaal, spoorloos verdwenen—spoorloos. Toen de zaakgelastigde van wijlen mevrouw me bij zich ontbood, zonder te zeggen wat ’r aan ’t handje was, zei ’k, zoo zeker als van ’t uur van m’n dood, dat ’t bagatel—’t bagatel: ’k had lastiger zaakjes uitgepluisd—binnen ’n week afgehandeld zou worden. Dat kon ’k beloven, kon ’k, omdat we aan de kleine strafzaak tegen meneer houvast hadden, dat van....

DOLF. Jawel jawel—meneer is me zelf met nòg wat vrienden met ’n tweespan aan de gevangenis komen afhalen, hahaha! Herinner je je, Jantje?

DOKTER. Hahaha, en hoe!

SCHMIDT. De dossiers heb ’k nageslagen—vond den naam van den koloniaal—werkte den Burgerlijken Stand ’89, ’90, ’91 af, zag dat de koloniaal in ’94 in Atjeh stierf—geen zuster ingeschreven—niet één zuster....

DOKTER. Hoe is dat mogelijk? Hij trok toch voor z’n zùster partij!

DOLF. Val nou niet in de rede, Jantje, kind! Je hoort toch de feiten! Natuurlijk ’n uit z’n duim gezogen zuster, om zelf geen straf op te loopen—we hebben allebei legio zusters in die dagen gehad!

SCHMIDT. Toen zat ’k vast. De brief aan mevrouw, dien ’k in ’t begin niet lezen mocht, was met Sofie onderteekend—en meneer had ’r nooit anders dan, dan....

DOLF. Dan kreeftje genoemd—omdat ze zulk magnifiek rood haar had—en gek met kreeft was—één avond twee heele bussen....

SCHMIDT. Toch erg onverstandig, als ik ’t opmerken mag—’n verhouding zonder vàn....

DOLF. Gebeurt me ook nooit meer. Kreeftje, Puckje, Snipje—’k moet ’t me afwennen.

SCHMIDT. ’n Volle maand ben ’k bezig geweest—de sigarenwinkel was verdwenen—de handschoenenwinkel sinds jaren op de flesch. De college-vrienden van meneer, die ’k zoo voorzichtig mogelijk en met de wanhopigste tact polsen wou, hadden niet zooveel geheugen meer—getrouwde menschen mèt posities—alleen ’n ongetrouwd lid van de Rechtbank sprak óók van Kreeftje....

DOLF. Hahaha! Plums! Herinner je je Plums nog—Plums met z’n museum schelknoppen en andere gemoerde dingen! En vertel ’ns van je bezoek aan Baars, Schmidt—Kostelijk! Kostelijk!

SCHMIDT. Mr. Plums zei dat Dominee Baars ’r mogelijk ook gekend kon hebben—mógelijk. Die was juist naar ’t Noorden beroepen. Die vroeg ’k met ’n niet te beschrijven tact, dokter—’k zette overal ’t gesprek in, of ’n erfenis losgekomen was—of hij Kreeftje.... Net kwam z’n vrouw de studeerkamer in. Dominee keek me niet bepaald aangenaam aan, liet me tot an de deur uit, sméét die achter me toe—met ’n bons....

DOKTER. Vermakelijk!

DOLF. ’k Had er bij willen zijn!

SCHMIDT. Op de registers van den Burgerlijken Stand van die jaren heb ’k gezweet, dokter—ben ’t monnikenwerk begonnen na te gaan welke juffrouwen met den voornaam Sophie—aan Kreeftje had ’k bijzonder weinig—verhuisd of.... bevallen.... of gestorven waren. Hielp niemendal. Een Sophie, dochter van ’n slager, was naar Antwerpen vertrokken—een, dat was onder de onechte geboorten, had ’n tweeling gekregen....

DOLF. De hemel beware me!

SCHMIDT.... Later getrouwd met ’n aannemer—geen sprake van ’n bijnaam Kreeftje.... Drie waren ’r gestorven, dochters van bekende ingezetenen—een was in ’n bordeel beland, stond in de ouwe politieregisters geboekt met zwàrt haar. Ik verzeker u, dat ik ’r nachten voor opgezeten heb—en namen overgeslagen, in die kleine universiteitsstad, behoort tot de wetenschappelijke onmogelijkheden, zou ’k durven beweren. Jammer dat mevrouw destijds dien allereersten dreigbrief mèt ’t goeie adres verscheurd heeft—dan waren we ’r geweest.

DOKTER. En waar haalt u dan die vijf meisjes, die beneden wachten, vandaan?

SCHMIDT. Waar? Als niets je meer helpt—je niet ’t minste, geringste spoor vindt—de jonge dames die zich met studenten afgeven, zijn dikwijls overdag fatsoenlijk in betrekking....

DOLF. Zij ook—in die handschoenenwinkel......

SCHMIDT.... Op de flesch en zonder adres vertrokken—voor schulden—Als je uitgepraat ben, kun je nog enkel aanhoudend adverteeren....

DOKTER. Gezocht ’n juffrouw met rood haar, die in ’90 den bijnaam Kreeftje had?

SCHMIDT. Nee, dokter.

DOLF. Heb ik je de kranten nog niet laten zien?

DOKTER. Jij mij? Wanneer?

DOLF. Heeft Hope je niet ingelicht?

DOKTER. Hope? Die wordt al stil en gesloten als ze je náám hoort!

DOLF (pakket van de schrijftafel nemend). Dossier van de... verloren dochter. Die blauwe potloodhalen! Je hoeft ’r maar een te lezen—allemaal ’t zelfde! Ach, ach, wat ’n fumisterie, om m’n woord tegenover de goeie, geëxalteerde ziel te houden!

DOKTER (lezend). „Erfgenaam opgeroepen”? Is ’t dat?

SCHMIDT. Natuurlijk. Om met tact—met tact—achter de waarheid te raken, moet je ’n gevatten aanloop zoeken....

DOLF. Wou jij soms liever, dat ik annonceerde: Adolf van Walden, zoekt de dochter van ’n zekere Sofie, bijgenaamd Kreeftje, aan wie hij in ’90 (korzelig)... alle duivels, de historie hangt me de keel uit!... De nonsens, om iemand zoo’n absurditeit op te dringen....

DOKTER. „Erfgenaam opgeroepen”. Dat zijn advertenties, die ’r inhakken! (lezend). „De exécuteur-testamentair van wijlen kapiteìn Van Reessen”... Ben jij dat?

DOLF. Doe me ’t genoegen en lees zachtjes!

DOKTER. Veel te merkwaardig, om in je eentje te genieten!... „van wijlen kapitein Van Reessen, bij leven gezagvoerder ter koopvaardij, heeft in opdracht een belangrijk legaat uit te keeren, aan de dochter van zekere juffrouw Sofie, achternaam onbekend, dewelke dochter einde 1890 of begin 1891 geboren werd, vader onbekend”. Dat is niet bijzonder duidelijk!

DOLF. Zeg, zou jij ’r de zegen niet van af willen nemen?... De vijf komen toch niet uit de lucht vallen!

DOKTER. En àls—áls—’t gelúk je meeloopt: wat dan?... Wat doe je dan met zoo’n meisje?

DOLF. Ik doe niets—kapitein Van Reessen, oud-gezagvoerder doet. ’n Betamelijk jaargeld—’n centje om te trouwen—’n... Als mama me zoo in de klem zag, zou ze meelijden met me hebben!... In geen drie maanden rust, om ’n caprice! Heb jij—die daar zoo genoegelijk zit te grunneken—makkelijk lachen van ’n ander z’n pech!—heb jij zekerheid, dat ’r niet ergens ’n Lindentje zwerft? Dat kleine rooie Kreeftje—nee kwaad mag ’k niet van ’r spreken—’t was ’n aardig ding.... Als ’k ’n enkele, dood-enkele keer op m’n kamer zat te zwóégen, zwerend dat ’k niet naar de kroeg zou gaan, dan kon je zoo zachies in de straat (imiteert het signaal van daareven) hooren fluiten—en als je dan je kop door ’t raam stak, zag je de leuke rooie pruik... Dan smeet je de sleutel naar beneden—en dan—dan leien je gedrochtelijke boeken ’s morgens net zoo eender—Jammer toch—jammer—verdomd jammer van de meìd—heeft nooit geld van mìj willen aannemen—Plums, Baars moesten dubbel betalen.... Nou, Schmidt—waar wachten we op?

ACHTSTE TOONEEL.

De vorigen, Hope.

HOPE (door de bibliotheek binnentredend). Goeien morgen, heeren.

DOLF. Was jij daar al làng?

HOPE. Pardon. Ik kom zoo juist binnen—stoor toch niet?—Dag dokter—dat is charmant van u....

DOLF. Heeft die ezel van ’n Jaap je den weg niet gewezen?

HOPE. Jawel—zou u me even....

DOKTER. Meneer Schmidt, detective—zuster Hope.

HOPE (na wederzijdsche buiging). Jawel zeker heeft ie den weg naar de wachtkamer gewezen. Hij dacht dat ik ook....

DOLF. Hahaha! Onbetaalbaar!.... Buitengewoon!

HOPE. Toe meneer—we zijn niet „onder ons”.

DOLF. ’k Zie ’t ’m zoo doen met dat gebit, dat-ie nog ’ns inslikt, als-ie strooppannekoeken eet—en met z’n gedistingeerden duim, hahaha!... Hope, wat kijk je weer als ’t laatste kwartier achter ’n wolk! Mag ik je even ontlasten?

HOPE. Nee meneer—ik hou liever alles aan.

DOLF. Ook je hoed?

HOPE. Ook m’n hoed.

DOLF (haar de rozen presenteerend). Met m’n eerbiedigst welkom bij je eerste bezoek—en als souvenir aan de plechtige gebeurtenis van vandaag....

HOPE (koeltjes). Dank u wel. En mogen die meisjes nu boven komen? ’n Bijzonder genoegen voor ze..

DOLF. Wat bedoel je?

HOPE. Ik bedoel—nee niets. Of ja! Waarom zou ’k ’t niet?.... Héél kiesch lijkt ’t niet, meneer, vijf in elkander’s tegenwoordigheid te brengen die nu van mekaar wéten dat ze onechte kinderen zijn.....

DOKTER. Kom, vindt u dat zoo erg....

HOPE. Ik ja—Als kind heb ’k dat óók erg gevoeld....

DOLF. Hope—we zijn niet alléén....

HOPE. Nee—dat zei ’k juist zelf. Meneer—meneer....

SCHMIDT. Schmidt....

HOPE. Meneer Schmidt blijft voor ’t..... kruisverhoor?

DOLF. Schmidt is opzettelijk gekomen, om met de stukken te verifieeren of de identiteit kan worden....

HOPE... Vastgesteld?

DOLF. Jà, Hope!... Of moet ìk in ’n vloek en ’n zucht pà van ’n anderman’s pa-lóós kind worden?

HOPE. Op weg hier na toe, dacht ’k, dat ik als vróúw—als eenige vrouw met de zaak bekend—de aangewezen ondervraagster van die meisjes kon zijn—uw mama zou ’t beslist hebben gedaan, als ze nog leefde....

SCHMIDT. Pardon, zuster—en neem me niet kwalijk, als ik me in ’t gesprek meng—ik geef in overweging, dat uitsluitend ik en niemand anders de noodige vragen stel. U heeft den ondergrond van ’t geval in uw gedachten—zij weten niet beter dan voor ’n erfenis, ’n èrfenis, opgeroepen te zijn. En zelfs als een van de vijf de meest frappante antwoorden geeft, dienen we nog gereserveerd te blijven—moet ’t aan mij worden overgelaten de laatste informaties in te winnen op ’t bevolkingsregister, bij buren en zoo voort....

HOPE. Dus dan ben ìk niet noodig?

SCHMIDT. Direct nee!—Noodig zijn meneer Van Walden en misschien de dokter, die Kreeftje—pardon juffrouw Sofie—’n paar maal gezien meent te hebben....

HOPE. Dan wensch ’k de heeren veel succes....

DOLF. Is dat ernst, Hope? We staan ’r op, Jan Linden en ik—wat Jan?—dat je de vertooning van a tot z volgt....

HOPE. Ik houd niet van dat soort vertooningen.....

DOLF. Val je weer over ’n woord, hahaha!...

DOKTER. Zuster, heel, heel erg verkeerd! Gesteld dat we slagen—begint dan niet uw taak?...

HOPE. Nee, de zijne.

DOKTER. (haar in een fauteuil neerdrukkend) Stribbel niet verder tegen!—Uw opmerking straks was niet onjuist—wij kunnen den raad van ’n zuivervoelende vrouw uitnemend gebruiken—’t spijt me dat ’k m’n eigen Annie niet meebrengen mocht....

DOLF. Diplomaat! (schelt) Nu exécuteur-testamentair van wijlen kapitein Van Reesen—in positie asjeblief! (tot Jaap in de deur) Opdienen! Die met ’r móéder ’t allerlaatst.... Ze weer uitlaten als ’k schel—’n nieuwe bovenlaten als ’k voor de tweede maal roep. En avant. Den heelen middag spendeeren we ’r nièt aan.... (telefoonschel—tot Linden, met angstige stem)... Wil jij even, Jantje—of nee: jij gaat ’r te onstuimig mee om! (vraagt met veranderde stem) Wie daar?... Hallo? (opnieuw gewoon) Ben jij ’t Bannema?... Kerel, ’k ben gekookt!... Nee, geen dankjes!... ’t Eenige wat ’k je kwalijk neem, is dat je me zoolang onder de wijn heb gehouen! Geen vier uur getukt! Goed, goed—maar op ’t oogenblik heb ’k belet. Adieu! Tot vanmiddag! (tot het meisje dat de laatste woorden gehoord heeft, en bij de deur verlegen lacht). Ben jij?... Pardon—ik zou m’n mond houden! Laat ’r gaan zitten, meneer Schmidt.

NEGENDE TOONEEL.

De vorigen, Grete Donker.

SCHMIDT. Hoe heet u?

GRETE. Grete Donker....

SCHMIDT. (in portefeuille snuffelend) Juist—u heeft op de advertentie geantwoord—en ik heb u verzocht om een uur bij meneer Van Walden te komen met uw papieren. Heeft u die meegebracht?

GRETE (verlegen)... Da’s te zegge, meneer—me geboortebewijs hè-’k—en me getuigschrifte van me laaste betrekking....

SCHMIDT. (het geboortebewijs inkijkend) Bij wie dient u?

GRETE. In de winkel van Sannes, as....

SCHMIDT. (nauwelijks luisterend). Geboren 5 December ’90....

DOLF. 5 December—Sinterklaasavond....

GRETE. (verlegen) Ja. Hèhèhè!....

SCHMIDT. Waar woonde uw moéder—uw vader, heeft u die gekend?....

GRETE. (giftig). Nee, die smeerlap het me moeder voor alles alléén late opdraaie, toen-ie voor de Oost teekende....

SCHMIDT. Waar woonde uw moeder, toen u geboren werd?

GRETE. Weet ik dat!....

SCHMIDT. Ik bedoel geen naam van ’n straat—de plaats—de stad....

GRETE. Dat staat toch in ’t geboortebewijs....

DOLF. Jongen, Schmidt—da’s niet listig van je!

SCHMIDT. (’n tikje geergerd). Ik heb daar m’n reden voor, meneer. (tot Grete). Dus dan is u zéker in Amsterdam geboren—en daar woonde uw moeder al vóór dien tijd?

GRETE. Me benne d’r nooit vedaan geweest. Me moeder is d’r gebore en gestorreve.

SCHMIDT. Nog één vraag, meisje—dan weet ik voorloopig genoeg, tenzij een van de andere heeren nog iets wil weten—welke kleur haar had uw moeder?

GRETE. Bruin—maar ’t laaste jaar in ’t gasthuis wit.

SCHMIDT. Dank u. Ik geloof nièt, juffrouw Donker, dat u in aanmerking zal komen—maar in ieder geval hoort u nader van me.

GRETE. As ’k maar ’n klèin beetje krijg—’k ha-d’r zoo op gevlast....

DOLF. Daar zullen we over denken—iets schiet ’r altijd op over. Dus uw vader kan nooit ’n student zijn geweest....?

GRETE. ’n Stedent? ’n Stedent? Nee, daar had moeder de smoor an, omdat ze in ’t gasthuis zoo om d’r bed zworreve....

DOLF. Dan kan ze gaan, hè? Dag juffrouw. (schelt).

GRETE. Dag heere—dag zuster. (af).

DOLF. Da’s één niet uit de loterij. (schelt) Nummer twee! (tot Hope welke bij de laatste vragen op is gestaan—bij den doorgang naar de bibliotheek boeken uit de rekken nemend). Blameer me niet—’r zijn ’r geen zes opengesnejen—allemaal mise-en-scène!—geleerdheidspatserij!—en die wèl in handen geweest zijn, kunnen ’n luchtje hebben!.. (Hope glimlacht pijnlijk, zit weer in den fauteuil) Weet je, Jantje, dat ’k vannacht, voor ’k eindelijk insliep, ontdekt heb, dat de vrouw ’t heelal regeert? Mathematisch bewijs?... Vox populi vox Dei: de stem van ’t volk is de stem van God. Dat is een. En ’t nòg bekender: Ce que femme veut, Dieu veut: Wat de vrouw wil, wil God. Ergo de stem van God is de stem van de vrouw.... De stem van de vrouw is de stem van... Binnen!

TIENDE TOONEEL.

Dolf, Dokter, Hope, Schmidt, Suze Meier.

SCHMIDT. Hoe heet u?

SUZE. Suus....

SCHMIDT. Verder?

SUZE. Meier.

DOLF. Ga d’r bij zitten, Suze.

SCHMIDT. Ik heb u geschreven...

SUZE. Asjeblief. ’k Hè de pepiere in ’n pakkie bij mekaar. Me moeder hiet Sefie Meier, ha zellef meegekomme as ze geen mankement an d’r been ha gehad—van ’t water.... D’r fotegrawie leit d’r tussche, toe ze zoo oud as ik was—me vader hiette Cornelis van der Vliet—en ha femilie die Van Reesum hiette—en ha geen tijd met me moeder te trouwe, omdat-ie sjecheerder bij de Spoor was en in negetig overreeje wier vlak voor ze anteekene zoue... Nou da’s geen schande voor mijn. En me moeder ken d’r ook niks an doen. En de naam Reesum het ze meer as eens hoore noeme—die was toe stuurman op de paketdienst....

SCHMIDT. Ho! Ho!... Niet zoo doorslaan, juffrouw Meier...

SUZE. Me vader....

SCHMIDT. Suscht!.. Even inkijken. (leest de papieren, die hij in de hand gehouden heeft)

DOLF. Geef u mij ’t portret, meneer Schmidt. (bekijkt het) Nee. Nooit gezien. Onmogelijk. (droog)... En ’t is natuurlijk onwaarschijnlijk, dat uw moeder in ’90 den bijnaam Kreeftje had?

SUZE. Kreefie?... Hèhèhè!... Kreefie... Da’s me ook ’n verneukerij!... Wie hiet ’r Kreefie?...

SCHMIDT. Ik heb van mijn kant niets meer te vragen, meneer...

DOLF. Ik evenmin, geachte exécuteur-testamentair!

SCHMIDT. Dan wordt u wel bedankt, juffrouw.

SUZE. Gossie—is ’t al afgeloope?—U het me pepiere haast niet ingekeke... De brieve van me vader an me moeder, toe-ie nog vree... In die eene met de inktveeg d’r op zeit-ie dat z’n oome Reesum....

SCHMIDT. Ik zal u morgen bericht geven en op vergoeding van de reiskosten kan u rekenen....