Part 20
KOMMANDANT (tot Wachter). Dit heerschap krijgt een week lang brood met watersaus, omdat-ie schoonmaakt als-ie in den bijbel leest en in een hoek wat heeft gevonden, dat in een hoek niet deugt! Hé! Halt! Neem mee z’n inkt en z’n papier en breng ’m voor verzet en tijdverdrijf ’n baal met erwten! En als-ie weer wat in een hoek vindt, dat zoo zeldzaam stinkt, of als je je door hem laat paaien en besmoezen, zooals je kameraad, die ook door hem is aangestoken, ook van z’n wijsheid heeft geleerd, haha!—dan vlieg je ’r als de weerlicht uit! Verstaan? (Tweede wachter tikt aan z’n pet) Water en brood en laten kletsen—geen woord terug! Verstaan? (Tweede Wachter slaat nog eens aan) Laat zien wat je daar heb! (Tweede wachter geeft hem de van de tafel genomen papieren—hij leest terwijl Sero zitten gaat) Wat is dat voor gezwets?... Wat wil jij van de zon—den dageraad?... O, moet ’t rijmwerk zijn? (betikt z’n voorhoofd) Jawel!... (Tweede wachter buiten bij deur). ’k Heb zoo ’n heelen stapel van ’n dief, die in de twééde week al gek geworden is! (leest) „De zon kijkt lachend...” Ha-ha-ha, ’n zon die lacht! ’n Zon die kijkt! Bravo!... „De zon kijkt lachend aan den einder—het wordt een nieuwe dageraad—een jonge reus komt aangetogen—bravo! bravo!—en strooit in akkers wonderzaad”... Wonderzaad?... Ha-ha-ha! Ik weet voor jou ’n wonderzaad, boonen en erwten, om keurig te sorteeren!... Daar mag jij dan, als jóú dat lust, je moois bij zingen, grappenmaker!
SERO. Dat wil ’k daadlijk wel, meneer!... ’t Zijn nieuwe woorden op ’n ouwe wijs... (zingt op de melodie van het vrijheidslied): „De zon kijkt lachend aan den einder—het wordt een nieuwe dageraad.”... (tijdens het gezang verschijnt Droomelot uit de linker-slaapstee).
KOMMANDANT. (schaterend van ’t lachen, omdat de Wachter Sero kwaadaardig in den nek grijpt) Ha-ha-ha, daar heb je al je reus! Laat ’m maar los! ’t Kan geen kwaad! De steenen en de balken zijn geduldig luistervolk! Eer jij, sinjeur, die nieuwe woorden en die ouwe wijs, of ouwe wijs met nieuwe woorden, aan ’t gepeupel zegt of zingt, eer jij weer buiten strooit je wonderzaad, eer jij je vrijheid krijgt terug—nou we je eenmaal hebben—hebben achter slot en grendel, heer!—zal aan den einder menig keer jouw zon met loensche oogjes kijken! (tot Wachter) ’t Wordt geen week, maar veertien dagen brood met ’s morgens vroeg wat water! En als-ie weer z’n ouwe wijs durft zingen, sluit je ’m in boeien, dag en nacht! Vooruit. En stevig opgelet! En ooren toe!
DERDE TOONEEL.
Sero, Droomelot, Tweede Wachter.
SERO (hij loopt onrustig van kijkgat naar schouw op en neer, terwijl Droomelot de lamp uitblaast, daarna voor zich henen staart. Tweede wachter draagt baal met erwten, rooster en tobbe binnen). Ik dank u wel. Het was den derden dag, avond en morgen, dat God gewassen deed ontspruiten... (laat telkens handen met erwten in den zak terugslieren)... kruid dat zaad geeft naar de soort deszelfs, boomen met vruchten en weer zaad daar in... Wat moet God denken, nieuwe kameraad, als-ie in elken kerker menschen op den zèsden dag geschapen, gestraft ziet met het ziften van den schoonen overvloed des dèrden dags? Ha-ha-ha!... „Het zij tot spijze u!”... Tot spijze... Zou u me willen zeggen hoe de Staat de klassescheiding hier verlangt?
2de WACHTER. Jij neemt de groote en de dikke ’t allereerst—kijk toe!—en dan de kleine, slecht-gedroogde en de schriele! De stuk-gebarsten, die met wormen, en ’t vuil dat overschiet, smijt je op zij!... Gezien?... Gesnapt?
SERO (knikt). ’k Zal als de Hemelsche Genade de grooten, vetten, dikken laten bovendrijven—en wat te klein, mismaakt, wormstekig of kapot, smijten bij ’t vuil...
2de WACHTER. Begin en bek gehouen!
SERO. Hier heb je proletariërs—zakken vanzelf en ruimschoots door de gaten van de zeef. Weg bij ’t vuil! Daar zijn wij tweeën, meen ’k, bij...
2de WACHTER. Wij twee! Wij twee! Vergeet jij, pooier, dat ik draag ’n koninklijke uniform! Dat ik jouw meerdre ben!
SERO. Mijn meerdere in knoopen-met-’n-wapen kameraad!
2de WACHTER. Ik ben jouw kameraad niet, vlerk!
SERO. Vandaag nog niet—maar morgen wel. En jij niet—dan je zoon... (sorteert). ’k Heb meer gestaan voor jongens uit ’t volk, die me den eersten dag met drek en steenen smeten—’k heb meer gestaan voor jongens uit ’t volk, die net als jij met booze oogen keken... (De wachter gaat onhoorbaar heen), die vuisten duwden bij m’n neus en met z’n allen trapten op m’n hielen tot ik ’t dorp uit was... ’k Was in ’t begin de vijand overal, met weinig, weinig makkers—’t eene zaad, herinner je de Schrift, valt bij den weg en wordt vertreden en door de vogels heengesleurd—’t andre valt op rots, verdort—’t derde wordt door doornen neergehaald—’t vierde, dat in aarde wortel schiet, draagt honderdvoudig vrucht.. Ieder mijn kameraad, heeft ooren om te hooren... (kijkt glimlachend op, ziet dat hij alleen is) behalve jij naar ’t schijnt, ha-ha-ha! Mogen je oogen ook zoo luttel zien! (schuift de tafel, na de zeef op den stoel te hebben geplaatst, onder de schouw, bestapt den bijbel, schuift den val omhoog, werpt een paar erwten door de smalle spleet. Droomelot schrikt op, wijkt achteruit).
VIERDE TOONEEL.
Droomelot, Sero.
DROOMELOT. O, lieve God!...
SERO. Pischt! Pischt!
DROOMELOT. O, lieve Hemel, doe me niets!
SERO. Ik jóú wat doen? Herken je me dan niet?
DROOMELOT (angstig). Nee, nee! ’k Zie enkel vingers, die geen vingers zijn! Als jij de Duivel ben...
SERO. De duivel—ik, ha-ha-ha! Wel, àlle duivels met en zonder hinkepoot, wiè heeft dat zotte woord jou in je mond gegeven? Ik ben... Kom dichterbij!... Pischt!... Pischt!... Waar steek je nou?... Als ik nog harder schreeuw (kijkt onrustig naar kijkgat) kraait straks de wachter onraad door de gangen!... Ik ben ’t... Ik!
DROOMELOT. (tegen den muur) Ach toe, ’k heb niet zoo véél misdaan...
SERO. Misdaan? Jij wat misdaan? ’k Begrijp je niet m’n kind! En als je je zoo schuil houdt in dien hoek, en door je dwaze angst roet in ’t eten werpt, dan maak je dat wij samen... Antwoord dan, Droomelot!... Of ben je heengegaan!...
DROOMELOT. Nee, nee, meneer...
SERO. Meneer? Meneer! Ken je mijn stem niet meer—of klinkt ze zoo—zoo anders in die steenen fuik? Wat weerga, moet ’k door die spleet mijn kop en schoeren wringen, om jou te zeggen wié ik ben...?
DROOMELOT. (ontzet op de knieën vallend) O, satan, satan, ’k heb wel veel gezondigd, maar ’k hield zoo van ’r—en ze is m’n moeder toch!
SERO. Daar sta ’k bij te draaien op m’n sokkel! Ha-ha-ha! O, Droomelot, m’n kind—als ik ’n satan ben, dan word ik door den bijbel zelf gesteund op ’t oogenblik! Was jij mijn stem zoo gauw vergeten? De stem die voor je zong als je niet slapen kon, toen je nog bang was voor ’t avonddonker en voor den stóúten wind en voor de maan, als ze zoo rood en dik langs ’t dak van d’overbuurman kroop... De stem, m’n kind, die bij je bedje boog en je deed luistren naar ’t spel van hoe ’n vader ook ’n moeder wilde zijn... De stem, m’n Droomelot, die later weer voor iedre vraag van jou ’n antwoord had—en met je sprak van god en menschjes—en van de menschen en ’n kleinen god...? Nou lacht je mondje weer, ’t mondje dat daar straks zoo klagend heeft geroepen! Moet ’k nou nóg vragen wie ik ben?
DROOMELOT. Jij ben—je ben m’n lieve vader. Ik dacht: nee, nee—dat zeg ’k niet... Ben je weer buiten, vader?
SERO. Buiten?
DROOMELOT. En mag ik met je mee?
SERO. Als ’t kon, dan zei ’k ja! Maar ’t heeft bezwaren, kind... Nee, buiten is ’t niet! Eer allerveiligst-binnen! ’k Heb hier náást jou—is dat niet machtig-leuk?... ’n kamer als een prins, een vorstlijk bed met peluw en matrassen—(den bijbel bedoelend) een boekerij, die eeuwenoud—(het rekje met kom bedoelend) een kast met kostbaar porcelein (de drinkkan bedoelend)—een waterbekken en (de tobbe bedoelend) een antiek bad—en dan—en dan: ik ben gezegend met een voorraad vruchten als ’k in geen zomer en geen winter heb geteld! En jij? Dat ’s keurig hier! Je heb een kamer meer dan ik! Wel, wel, je wordt verwend!
DROOMELOT. O, lieve vader, ’k heb dáár al die nachten zoo’n vreeselijken angst doorstaan!
SERO Voor wie? Voor wat?
DROOMELOT. Voor... Voor... (houdt zich in)
SERO. Ha-ha-ha! Voor dieven soms? Hier wordt niet ingebroken... Ze breken uit—als ’t kan.
DROOMELOT (angstig starend bij ’t kloppen boven) Hoor je dat tikken, dat wel midden in den nacht!...
SERO. Ja, ja—dat is ’n moordenaar..
DROOMELOT. ’n Moordenaar! ’n Moordenaar!
SERO. Is dat zoo schrikkelijk? Heb ik je niet geleerd, dat iedre moordenaar ’n mènsch is, die met zieke oogen ziet? M’n Droomelot, m’n kind, m’n liefste dochter, kom tot jezelf! ’r Zijn geen spoken hier en niet hierbuiten en nergens op de wereld, waar dan ook!...
DROOMELOT. Ik heb geen uur geslapen...
SERO. Waarom, waarom dan, niet?
DROOMELOT. Ik dacht aan jou—hoe door mijn schuld—mijn liegen dat ’k maar ééns bij moeder was...
SERO. Jij ben de schuld van niets... Van niets, m’n kind... Als je daarom geen zeven nachten heb geslapen, doe dan vannacht gerust je moeie oogjes toe! En als ’t niet lukt, dan zet je ook je tafel en dat dikke boek hier onder—en we praten met ons tweeën duizend uit of jij ’n kleuter ben en ik ’n wijze man, die weet van alles, alles heeft, ha-ha-ha! (een stilte—zij staart gejaagd voor zich henen) Lach je niet mee?... Is ’r wat anders nog?.... Heb je nog meer geheimen dan dat van moeder en dien eenen keer?
DROOMELOT. De pater zegt...
SERO. De pater? Welke pater?
DROOMELOT. De pater die hier komt...
SERO. Oho, ’k begrijp... Je heb geknield en dacht dat ik de looze, list’ge Satan was... (een stilte—hij glimlacht smartelijk) Zijn ’r nog meer, m’n kind die hier mijn plaats innemen? (zij schudt starend het hoofd). Of helpen andren óók? (zij schrikt—ontkent). Je keek me vroeger aan, als je ’n antwoord gaf... (zij blijft staren). Ik dwing je niet. Heb ik dat ooit gedaan? Eer nieuwe vogels nieuwe nestjes bouwen, kies jij je eigen, vrijen weg—en ik blijf achter.
DROOMELOT. En—jij blijft achter!
SERO. Ik heb—’t is niet de eerste maal, dat je ’t hoort—mijn vader aan een galg zien hangen, omdat-ie tot z’n laatste prachtig uur—de waarheid sprak, de waarheid die zoo simpel is en klaar en als ’t zonnelicht doorzichtig—de waarheid dat een menscherug in zòrg gebogen de Schepping hóónt—de waarheid dat er niet gedood mag worden de vreugde die een elk aan groen en lucht en licht en blij-uit droomen heeft! Ik heb mijn vader aan een galg zien hangen, toen ik jouw jaren had—twee lange dagen tot de sneeuw een lijkwa om z’n schoudren spon en alle kinders naar die vreemde sneeuwpop keken, waarlangs de raven vlogen op en neer. Toen, Droomelot, heb ik mijn vingers opgestoken. Nou komt de beurt aan jou. Want ’t leven is een gaan van graf naar graf en altijd verder—en altijd opgewekt... Ik blijf hier in-gesloten, om wat ik erfde van m’n vader. Als jij den draad laat glippen, en met den vijand, d’ouwen vijand heult—heb ik misschien voor niets geleefd... (zij kijkt hem lachend aan) Versta je kind?
DROOMELOT. (monter) ’k Versta alleen, dat we weer sámen door de wereld trekken,—jij èn ik...
SERO. Nee, nee—ik wacht nog meen’ge oogst van erwten die uit peulen doppen...
DROOMELOT. Als we weer samen zijn, vraag ’k jou hoe ’t moet—hoe ’t is—hoe ’t worden zal—en als ’k niet durf, als ’k telkens omkijk...
SERO... Bang voor schaduwen en kloppen in den nacht...
DROOMELOT. Dan stap ik met jou mee, wáárheen je wil!
SERO. Ik wil zooveel, maar ’k zit hier vast.
DROOMELOT. Ik maak je los!
SERO. Maak andren los—en eerst jezelf, m’n kind...
DROOMELOT. Ik zal.... Ik zal.... (verstart bij sleutelgerinkel bij de deur).
SERO. Je mond—je mond gehouen! (springt van de tafel omlaag, zet zich vlug op den stoel met de zeef op zijn schoot, sorteert, terwijl hij naar deurgat loert).
VIJFDE TOONEEL.
Droomelot, Sero, Pater, 2de Wachter.
PATER (wordt door wachter binnengelaten). Liep je te praten met jezelf, m’n kind?
DROOMELOT. Jawel, meneer...
PATER. Ik ben geen heer!
2de WACHTER. Dat weet jij toch!
DROOMELOT. Jawel—Eerwaarde...
2de WACHTER. As je ’t dan weet, wat zeg je dan voor stommiteiten! Geef an den stoel—den stoel. En doe dat uit je eigen!—Eerwaarde heeft maar op de deur te kloppen: ik hou hier dienst op deze gang! (neemt lamp mee, sluit deur).
PATER (voor stoel dankend). Ik dank je wel, en ga ’r zelf op zitten. Ik loop ’n eindje op en neer. Heb je vandaag gebeden?
DROOMELOT. Nog niet—ik heb geen tijd gehad.
PATER. Geen tijd? Geen tijd?.... Voor bidden nog geen tijd? Dan doe je ’t nu—en zoo dat ik ’t hoor! Of ben je ’t Onze-Vader wéér vergeten? Vouw je handen en wat snel! (De wachter treedt bij Sero binnen, bekijkt de tobbe, loopt stug heen en weer).
DROOMELOT... Onze Vader, die in de heemlen zijt...
PATER. Waar zoek jij nu dien hemel? Is die daar (gebaar naar grond) of daar? (gebaar omhoog). Moet ik jou alles leeren?
DROOMELOT. Mijn vader zegt, dat aan den andren kant van d’aarde, die rond moet zijn, de grootste hemel is...
PATER. Jouw vader is een gek en weet van God en hemel niemendal! Je kijkt dáárheen als ieder mensch met goeie hersens... Vooruit!
DROOMELOT... Die in de heemlen zijt—geheiligd zij uw naam. Laat toekomen uw Rijk! Uw wil geschiede in den hemel... (stokt).
PATER. (haar helpend). En op aarde!
DROOMELOT. En op aarde... En geef ons heden ’t daaglijksch brood....
PATER. Wat lach je nu! Men lacht niet als men bidt!
DROOMELOT. Ik lach, omdat hiér onze Vader ’t daaglijksch brood vanzelve schenkt—en buiten, thuis, is ’t wel ’ns weggebleven...
PATER. Je mag niet lachen en niet babb’len en vooral niet denken, als je bidt!... Vooruit!
DROOMELOT. En geef ons—geef ons heden ’t daaglijksch brood... (staart droomend voor zich uit).
PATER. Nu! Nu!
DROOMELOT. Ik dacht...
PATER. ’k Zeg je nog eens—en nu voor ’t laatst—men denkt niet met gevouwen handen!
DROOMELOT. ’k Heb eens ’n brood zien stelen, pater—en die man...
PATER. Die man, dat was ’n dief!... ’t Onze-Vader! En geen verder praten!
DROOMELOT. En geef ons heden ’t daaglijksch brood! En vergeef ons (stokt luisterend bij geklop boven)—en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij—gelijk ook wij vergeven... Dat is ’n moordenaar... Wat moet ’t vreeslijk zijn, Eerwaarde... (hij beklapt ongeduldig de tafel)... Gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren... Amen!
PATER. Nee, nog niet amen! Hoe is ’t slot? En leidt... En leidt...
DROOMELOT. En leidt ons niet in de verzoeking...
PATER. (haar helpend) Maar verlos ons...
DROOMELOT. Maar verlos ons van de kwade menschen...
PATER. Van den Kwadè! (het geklop stopt)
DROOMELOT. En van den kwade. Amen! (bij het slot is Sero, al dien tijd door den wachter, die voor de geopende deur heen-en-weer wandelde, in bedwang gehouden, op de tafel gewipt, nu de wachter de deur sluit.)
PATER. Amen! En nu de katechismus, kind. Waar is ’t boek, dat ik heb meegebracht?
DROOMELOT. Ligt op m’n bed.
PATER. Haal ’t hier—en leg dien ketting af—dien ketting met die vrouwspersoon! Dat is je zesmaal al gezeid!
DROOMELOT. (aarzelend den ketting loshakend) ’t Is... ’t Is...
PATER. ’t Is ’n lichtekooi—en lichtekooien zijn verdoemd!
DROOMELOT. (af in slaapstee, keert met katechismus en zonder ketting terug) Wat is ’n lichtekooi, Eerwaarde?
PATER. ’n Lichtekooi—’n lichtekooi—dat is ’n vrouw, die zóó gezondigd heeft, zoo diep gezondigd, dat hel en vagevuur ’r wachten...
DROOMELOT. Gezondigd, hoe?
PATER. Hoe! Hoe! Met vleeschelijk begeeren! Wat zegt ’t zesde der Geboden?
DROOMELOT. Eert uwen vader en uw moeder, opdat gij lang moogt leven...
SERO. (zacht) Mis! Mìs! Dat is ’t vierde...
PATER. (staat driftig op). Daar zou zelfs Job, toen hij melaatsch werd en zijn wonden op den mesthoop met een potscherf krabde, van ongeduld bij zieden! Zijn dan de tien geboden niet in je hoofd te stampen?... ’t Zesde is: gij zult geen overspel bedrijven! En overspel is ’t werk van alle lichtekooien—niet ’t werk, maar ’t te lui zijn, om te werken—want wie wil werken wordt geen lichtekooi!... Sla op je boek! Zul jij nooit wakker worden? Ik kan m’n tijd met jou niet heelemaal verdoen!
DROOMELOT. (bladerend) Wanneer m’n moeder is ’n—lichtekooi—en ze voor eeuwig is verdoemd—hoe moet ’t dan, Eerwaarde, met dat andere gebod, dat ik verkeerd genummerd heb, en dat zoo stellig zegt: eert uwen vader en uw moeder, opdat gij lang moogt leven... Ik wil graag heel lang leven...
PATER. Jóúw vader en jóúw moeder hèb je niet te eeren!... Eer kerk en overheid!
DROOMELOT. Waarom m’n lieven vader niet?
SERO. Heel juist! Héél juist!
PATER. Omdat, omdat... Dat kun je op je vingers tellen. Omdat... Omdat...
SERO. (z’n vingers spreidend) Ik sta al klaar.
PATER. Omdat jouw vader kent geen God (Sero telt achtereenvolgens z’n vingers af)—omdat-ie niet den Sabbath heiligt—omdat-ie in den grond, als vijand van de Kerk en van den Staat, roof, moord en diefstal predikt, waar-ie kan!—omdat-ie valsch getuigt van óns, zijn meerderen en naasten—omdat-ie andren leert ’t schaamteloos begeeren van huis en land en os en ezel!
SERO. Nee, nee, we willen minder ossen, minder ezels, ha-ha-ha!
PATER. Heb jij dat ook gehoord? Dat lachen, boven of hier-naast?
DROOMELOT. (angstig) Nee, nee.
PATER. Sla op je boek! En als je ooit gelijkt je moeder, waar je ’t voorbeeld heb van Jozef in ’t huis van Putiphar, van Judith die den wreeden Holofernis doodde, van Susanna, de vrouw van Joakim, die—die wàt?—die wàt?—laat je mij alles zeggen?
DROOMELOT. M’n vader heeft me nooit daarvan verteld!
PATER. Jouw vader moest gehangen worden!
SERO. Gehangen ook? Dat wordt ’n erfelijke ziekte—’k ben zwaar belast! (luistert verschrikt naar geluid op de gang, wipt van den bijbel, hervat het sorteeren)
DROOMELOT. (Is schreiend bij de tafel gaan zitten) Moet hij—moet hij gehangen worden? Is-ie zóó slecht?
PATER. Of-ie zoo slecht is? Nog tienmaal slechter en doortrapter dan je moeder! ’t Zijn allebei, maar hij ’t willigst en ’t gehoorzaamst: slaven des Duivels, die op den oordeelsdag, wanneer de Heer verschijnt, om levenden en dooden saam te richten, in eeuw’ge straffen zullen ondergaan. En jij? Denk aan ’t uur, als heel de wereld in vuur en vlammen zal verdwijnen!
DROOMELOT. (angstig) In vuur en vlammen?
PATER. Ook jij ben in de macht des Duivels, van Beëlzebub!
DROOMELOT. ’k Heb zooveel nachten niet geslapen uit angst voor wat u me gezegd—van God en Dood—en van den Satan—en wat Hier-namaals komt...
PATER. Dat is je slecht geweten!
DROOMELOT. Wie is dan God—en wáár is-ie, Eerwaarde?
PATER. Dat leer ik je, als je in òns gelooft! Sla op je boek... De zesde les was van...
DROOMELOT. De zonde die men erft...
PATER. Heel goed! Heb je de zevende geleerd? (zij knikt). Wanneer, wanneer kwam de Verlosser? (Sero is, na door ’t deurgat gekeken te hebben, wederom op de tafel gesprongen).
DROOMELOT. Dat weet ik niet...
PATER. Weet je dat niet! Weet je dat niet? Lees op en weet ’t morgen wel!
DROOMELOT. „Omstreeks vier duizend jaar na Adam’s zonde is hij gekomen”...
PATER. Wie?
DROOMELOT. Onze Verlosser...
PATER. (legt de hand op ’t boek, om haar het lezen te beletten). Kon dan de mensch zichzelven niet verlossen?
DROOMELOT. (aarzelend)... Vader zegt ja...
PATER. Domine ne statuas illis hoc peccatum! Reken hun deze zonden niet toe! (heftig). Ik vraag niet wat ’n loochenaar van God, die van geen zieleheil wil weten, jou in z’n domheid zegt! (stapt driftig naar de deur, beklopt die) En als je morgen weer te droomen en te slapen zit, draag ik je voor voor straf! (heftiger) Al moet ’t met geweld, geweld: je zult je buigen voor de heil’ge leer, want buiten ons is ’r geen zaligheid!
2de WACHTER. Heeft u geklopt, eerwaarde pater?
PATER. (verwoed op en neer loopend—tot Wachter) Dat heb ik, ja! Zij blijft den heelen dag den katechismus leeren!
2de WACHTER. En ’t half uur loopen op de plaats? ’t Is juist ’r tijd van luchten!
PATER. Ze leert den katechismus, zònder frissche lucht! En jij, jij let ’r op! (glijdt uit) Wat is dat op den grond? Dat scheelt geen haar! Moet ik m’n hals hier breken!
2de WACHTER. (bukkend) ’n Erwt? ’n Erwt! En daar nog een! En daar... Hoe kan?... Wie heeft?...
PATER. Naar drie en veertig! Links of rechts?
2de WACHTER. Boven, Eerwaarde—deze zij—’k loop met u mee.
ZESDE TOONEEL.
Droomelot, Sero.
SERO. Ziezoo! Pischt! Pischt! De muizen piepen als de poes aan ’t wand’len is! Pischt! Pischt! De baan is vrij van wakken en van scheuren! Hoor je me niet? Ha-ha-ha, de dochter leest den katechismus en de vader groene erwten... M’n kind, wat zit je stil!
DROOMELOT. Waarom heb je me niets geleerd van dat?
SERO. Van wàt, m’n kind?
DROOMELOT. Van ’t uur als heel de wereld in vuur en vlammen zal vergaan, als op den oordeelsdag de Heer verschijnt...?
SERO. De oordeelsdag—de dag des oordeels, kind—gesteld hij kwam!—kan geen van óns, die eeuwen lasten droegen, den last van ’t juk bezwaren—en als ’n Heer verschijnt—gesteld hij kwam!—dan zullen duizenden dien oordeelsdag hem zonder deemoed vragen... waarom zoo laat, waarom eerst nu: ’r is zooveel, zoo schand’lijk veel gebeurd!
DROOMELOT. ’k Ben bang geworden hier, m’n vadertje! ’k Was vroeger zoo gelukkig in ’t huisje bij ’t bosch—en nou—en nou... (hartstochtelijk) Wat is ’r, vader, nà den dood! Is ’r ’n straf, ’n hel?
SERO. Nièt nà den dood, m’n kind!
DROOMELOT. Wat is de dood dan, vadertje?
SERO. M’n Droomelot, m’n liefste, liefste dochter—’r is geen dood...
DROOMELOT. Geen dood?
SERO. Dat heb je zelf gezien bij ’t grafje van je zuster, waar de dood—dien jij nu als iets vrééslijks voelt—levende bloemen, varens, mossen, zwammen en dat altijd knikkend parelgras—herinner je!—bij ’t hoofd- en bij ’t voeteneinde plantte! Je zei me toen: „Hoe komen die ’r op? ’t Was voor’n maand nog alles zwart en onbegroeid!”.. Ik zei—herinner je!—dat heeft de blijde dood gedaan. De dood brengt leven—en ’t leven lijkt weer dood te gaan, zoo maat’loos om en om, in zooveel vormen en gestalten, dat niemand weet en niemand weten kan, wat dood, wat levend is, en wat verschrikken mag. Als ik eens sterf—daar hoef je niet zoo smartlijk bij te kijken: zou ’t leven dieper, schooner zijn, als er géén grens bestond, geen ruimte voor vernieuwing?—als ik eens ga (men gaat niet heen!)—en in de aarde rust (er rust daar nièts!)—dan keer ik weer, m’n kind, in ’t groen van struiken en in ’t koele water, in voorjaarsgeur die van de landen adem is—en als dan ’s nachts een vogel roept of blaren suizen, de kleuters in ’t nest de jonge veeren pluizen—of in ’n eenzaam uur de regen zucht en slaat, ’lijk in ’t stille donker iemand fluistrend praat—dan zie jij mij—en ik zie jou en iedereen, omdat de dood niet denkbaar en niet móóglijk is—’t leven wel!
DROOMELOT. Ik zou zoo graag in God gelooven!
SERO. Ik óók, m’n kind.
DROOMELOT. (dringend en klein-angstig) Hoe moet ik dan?
SERO. Doe zelf ’n keus—ik dwing je nièt!
DROOMELOT. Hij zegt: jij kent geen God!
SERO. Kent hij ’m wel—heeft hij ’m óóit gekend?
DROOMELOT. (dringender) Als onze Lieve Heer ’n teeken gaf...
SERO. (triestig) ...Zooals in ouwe tijden...
DROOMELOT. (gretig) Zooals in ouwe tijden, ja!
SERO. Als-ie dat dee—gesteld dat-ie ’t eens gedaan!—zou ’t niet ellendig en wanhopig wezen? Zijn we niet dom en slaafsch genoeg, ook zonder hemelteekens?
DROOMELOT. (moeilijk) Ik durf alléén niet denken vader!
SERO. Dat moet je toch!
DROOMELOT. (uitbarstend) Is ’r—ìs ’r ’n God? (hij schudt ontkennend het hoofd) Je antwoordt niet! Ziet onze Lieve Heer ons niet?
SERO. Dat heb je driemaal in je leven me gevraagd.
DROOMELOT. Nee, nee, vandaag voor ’t eerst!