Part 11
HOPE... Geen naam uitspreken. Denk aan de afspraak! (wrevelig)... Wat ’n mensch met karakter ben ik, hè? Als ’k ’r zoo iets uitflap, krijg ’k ’n gevoel van afkeer voor mezelf... (quasi-onverschillig)... Waar hadden we ’t over?... Over Ninette. Over den band, den heiligen band, zou dominee zeggen... Zondag heeft-ie ’r ’n boom over opgezet—over z’n „heiligen band”—dat de menschen uit ’t dorp met d’r oogleden knipperden... Alleen ìk niet... Ik weet te veel... Ons Gesticht is ’n te vinnige illustratie op de heiligheid.... Kinderen, kinderen, denk ’k zoo dikwijls, als ze d’r goddelijke spelletjes onder ons toezicht aan ’t strand spelen: jullie beseft je zegening niet, dat je in ’n bandeloos Gesticht opgroeit, langzaam mensch wordt, zonder de wrok van ’n thuis, als de kleine Ninette, zonder ’t stil gehuil van je moeder, zonder de drift om ’n kleinigheid van je vader..... Als ze in ’t zand om me heen stoeien, me gierend van ’t lachen begraven, me met z’n tien, twintig, dertig waarachtige broertjes en zusjes bestormen, krijg ’k soms de tranen in m’n oogen—voel ’k me in ’t prachtigst gezin van de wereld—’t gezin zooals ik ’t me verbeeld, dat ’t na eeuwen overal, overal zijn zal—elk kind door z’n geboorte ’t kind van ieder—van ieder—vaders bijzaak. (een stilte) ’k Ben blij dat de „mijne” me tot die gedachten gebracht heeft.... dat ik ’r geen heb....
ANNIE (glimlachend)... Hope, Hope—hoe kun je dat alles zoo akelig resoluut—haast zoo onvrouwelijk zeggen—terwijl Tilleke achter die deur slaapt....
HOPE... Onvrouwelijk?... Ik met m’n zestig kinderen!... (scherp)... Niet ieder kan... (zich inhoudend)... Neem me niet kwalijk, Ans... Ik ben vandaag geen opwekkend gezelschap... (luchtig)... Hou jij je aan den allerheiligsten band... van ’t geluk... (staat op, gaat naar den erker. De meid brengt het thee-gerei. Annie schenkt het water. Van dichtbij, benee, klinkt kindergejoel. Hope opent het venster, zwaait met den arm...) Dag jongens! Dag! Dag Fritsje! Wil jij me vandaag niet zien? (kinderstem: „Dag moeder!)... Dag Suus! Dag Suus! (Kinderstem: „Dag moeder!”)... Dag Henk! Heb je erge pijn, dat je zoo hinkt, kind?... (Kinderstem: „Nee, moeder! Dag moeder!”).... Foei, Foei, wat laten Toos en Marie de kinderen hollen! Daar valt ’r al een... (de handen als ’n roeper voor den mond)... Toos! Toos! Niet zoo dicht bij de sluizen! Hoor je? (Vrouwestem: „Joe-oe-oe!”) Meer bij de duinen! (Vrouwestem: „Joe-oe-oe!”).
ANNIE. Drink nu je thee—’t zal wel marcheeren!
HOPE. (naar de tafel). Zeldzaam zorgeloos die betaalde verpleegsters! En die sluizen, zoo dicht bij ’t Gesticht, hinderen me elken dag... Herinner jij je nog dien schippersjongen verleden jaar... Hoe-ie door de zuiging....
ANNIE... Natuurlijk... Nee geen détails... Afschuwelijk!
HOPE. Goed. (zit neer)... Van dat Fritsje hou ’k dol-veel. Dat is ’n schat van ’n bengel—’n dot—altijd ernstig—en ’n mondje! Als ’k voorbij z’n bed ga, móét ’k ’m pakken—en in z’n slaap slaat-ie nog z’n armen om m’n hals.
ANNIE. Is dat dat grappige broekmannetje, dat de eerste dagen om ’t geringste vlóékte?
HOPE. Hahaha! Ja: obberdorie, obberdomme—goed zeggen kan-ie ’t niet! De zusters maakten ’m in ’t begin telkens boos, om dat gebrabbel te hooren—en omdat ik toen z’n partij trok, zijn we de beste maatjes geworden. Smakelijk kopje, Ans. Gelukkig dat ’t ventje hiér is gekomen. Als je ’m vroeg, babbelde-ie: me moeder zit in de hemel en me vader is ’n obberdommesche dief. Van z’n grootvader geleerd. Fijngevoelig als-ie is! Moeder, zei-ie nog geen uur gelejen tegen me: ik hou van jou zooveel, zooveel, ik hou van jou duizend. Aardig, hè? Aardig als iemand duizend, duizend van je houdt....
VIJFDE TOONEEL.
De vorigen, Dolf.
DOLF. (in wit badkostuum met witte pet)... Hm!
ANNIE. (tegelijk met Hope verschrikt opstaand) Meneer, is dat ’n manier!
DOLF. Dames!... Mevrouw Linden... Juffrouw... De buitendeur stond aan... en... Laat ik u niet derangeeren... Gaat u zitten...
ANNIE.... We hadden u niet gehoord. Hoe komt u zoo uit de lucht vallen? Weet Jan dat u...
DOLF. Onwaarschijnlijk... (tot Hope)... Ik verjaag u hopelijk niet, juffrouw?
HOPE. Volstrekt niet, meneer—ik heb te werken...
ANNIE.... En je zei dat je...
HOPE.... Jawel. Maar niet te lang. Dag Ans. Dag meneer. (Hope af).
ZESDE TOONEEL.
Annie, Dolf.
DOLF. Ja, ja. Vogelverschrikker. Mag ik zoo vrij zijn?
ANNIE. Zóó vrij, ja.
DOLF. (neerzittend). Om te beginnen gefeliciteerd, mevrouw, voor de tweede maal—nu mondeling met jullie jongen...
ANNIE. (lachend)... Meisje.
DOLF... Meisje?... Heeft Jan zich zoo vergist?
ANNIE. (lachend)... Of Jàn zich vergist heeft?...
DOLF.... Dan ik—dan ik... Waar laat ’k die buiten-modelsche pet?... Excuseer dat ’k ’r mee binnen gekomen ben... Geef u geen moeite... (scheert haar in een hoek)... Da’s minder comme-il-faut dan makkelijk... Aardig huis hier. Suite èn suite—vijftien meter—heb ’k dat goed onthouden? Hahaha!
ANNIE. Uitstekend. Maar ’t is wel ’n tijd geleden, dat u in die vijftien meter was... En bedrieg ’k me—of droeg u vroeger géen lorgnet?
DOLF. Nee u heeft ’t correct onthouden.... Dag Jan! Dag ouwe kerel! Ja, ik ben ’t....
ZEVENDE TOONEEL.
De vorigen, Dr. Linden.
DOKTER. Dolf, jij?... Wat heb je voor zonderlinge ingeving, om hiér te verzeilen?
DOLF. Merci voor de buitengewoon-hartelijke begroeting, hahaha! Ik kom voor záken, na ’n lange reis als commis-voyageur door ’t noorden en ’t zuiden...
DOKTER... Bril jij?
DOLF. Lei ’k juist aan je vrouw uit!—Daar heb ’k de sensatie wéér, mevrouw, de óúwe, zóo als ik u zie, van dien fameuzen eersten steen van de Stichting, met den dominee-met-’t-wratje... Ja ik bril, Jantje, kerel, kind! Kreeg ’k ineens, zonder waarschuwing, in ’n Belgisch nest. ’t Las m’n krantje—en rutsch al de Reuter-telegrammen aan ’t zwemmen—collegaatje van je opgezocht—lorgnetje en niemendal gebeurd—de letters zwemmen niet meer, maar bij ’t zwemmen zelf—moet ’k oppassen geen botsing te krijgen—Voor de bain-mixtes deug ’k niet meer, hahaha! Kerel van harte met je dochter!... Maar aan me geschreven heeft-ie ’n zoon, mevrouw! Hindert jou wat?
DOKTER. Nou—iets hindert me. We hebben zooeven je neef Charles....
DOLF... Is Charltje hier?
DOKTER. Jawel. Met z’n vrouw. En ’t kindje is bij ons op de ziekenzaal....
DOLF. (plots ernstig)... Is Ninette....
DOKTER. Opgegeven.
DOLF. Dat meen je niet. Is de kleine Ninette... Wat scheelt ’r? Wat heeft ze?
DOKTER... Hopeloos. Móést ’r opereeren—hij wou Deen in consult, en ’t eenige wat Deen kòn verklaren, was dat m’n chirurgisch ingrijpen ùitstel van executie geweest—hij zou ’t zèlfde gedaan hebben.... Dolf, beste kerel, toen we met z’n tweeën in de wachtkamer kwamen—om ’m voorzichtig voor te bereiden—op de quaestie van ùren nog—toen liet-ie ons niet eens aan ’t woord komen, toen begon-ie zoo miserabel te snikken, zoo ineens oud en hoe zal ’k ’t zeggen, dat we ’r zelf door kapot werden....
ANNIE. (nerveus)... Jan, ik kan zulke dingen niet hooren....
DOKTER... En je verweet me dat ’k je buiten alles hou!...
DOLF. Waar logeert-ie?
DOKTER. In Royal.... Je ben toch niet van plan ’m dadelijk op te zoeken?
DOLF. Dat ben ’k zeker.
DOKTER... Doe ’t niet—niet nù... Die twee vijanden-van-mekaar hebben op ’t oogenblik nièmand noodig.
DOLF... Au fond spijt ’t me, dat ’k met ’m overhoop lig... Zou ’k vanavond?
DOKTER... Morgen—morgen... Ninette kan ’t nog ’n veertien dagen halen, naar menschelijke berekening—nee, vandaag ontraad ik ’t stellig.... Had jij ’n verschil met ’m?
DOLF... We zijn met advocaten bezig geweest—na mama’s dood—over ’t legaat voor de Stichting—diezelfde stichting waar nu z’n eigen kind.... Beroerd! Meer dan beroerd!
DOKTER... Jullie hebt toch sámen je toestemming gegeven—wat hebben dan advocaten....
DOLF... Nee nièt samen. Hij weigerde niet alleen, maar liet door z’n rechtsgeleerde dingen over mama’s geestestoestand schrijven, die ik ergerlijk—schwamm—streep door ’t gebeurde....
DOKTER... En de Stichting hééft ’t legaat. Dan heb jij ’t heelemaal voor jouw rekening genomen? En dat hooren we toevallig!
DOLF... Je had ’t nìet behoeven te hooren—en we praten ’r geen woord meer over—geen woord niet waar mevrouw?—geen woord, Jan?—Die tengere, intelligente Ninette... En toch.. En toch.. (down)... ’k zou met Charles willen over steken... Beter de plek van ’t grafje, dan....
DOKTER. (gebluft)... Dolf—zou jij ’ns wakker worden!... Ben jij ’t die daar....
DOLF. (valsch-vroolijk)... Ja!... Kun je zoo hebben. Beetje wormstekig—dagje ouder... ’n Mensch is ’n zonderling apparaatje... Wie vroeg en te vroeg lacht—jij de rest, Jantje!... ’k Begin aanleg voor hypogro... hypo... hahaha! ’k Ben blij, da’k mezelf weer ’ns hoor lachen! (opstaand) Jullie wonen hier machtig gezellig in je vijftien meter... (door het erker-venster kijkend) Ah! Goed weer in aantocht. De bommen en garnalenschuiten zeilen uit...
DOKTER. Hij heeft gelijk. Als die ’t ’r op wagen, krijgen we mogelijk zon...
DOLF. Wat is dat spektakel benee?
DOKTER. Van de sluizen. Nou spuien ze ’t water van ’t kanaal in zee—Ja, dat gaat met ’n vaartje. En dat mag zoolang ’r nog niet gebaad wordt... (weerklinkt kindergezang)... Onze kinderen... Je blijft eten, Dolf?
ANNIE... Jan—
DOKTER... Wat Jan?...
ANNIE. We hebben één ongelukkig boutje.... En Hope zou ook....
DOKTER. Dan telefoneer ’k naar ’t dorp...
DOLF. Nee Jantje—’k geloof niet dat ik.... De volgende week kom ’k mogelijk ’n paar weken....
DOKTER... Jawel!... Bekend!... Vlieg ’r niet op in... Jij komt hier voor záken, zei je.... Met ’n leege maag lukken geen zaken... Ik ga telefoneeren.... Eclipseer niet, Dolf—dan krijgen we beestig mot samen! (af).
ACHTSTE TOONEEL.
Annie, Dolf.
ANNIE. Mag ik terwijl ’n kopje thee?... We afternoonen af en toe... Ja, dat is ’t portret van mevrouw.
DOLF. (handen op den rug onbeweeglijk)... Ja.
ANNIE. In de récréatiezaal staat ’r buste.
DOLF. (onbewegelijk) Zoo—’r buste...
ANNIE. (schenkend)... En snoezig-attent, meneer, hoe de oudste meisjes op ’r geboortedag—die is ’r in gebeiteld—zonder dat iemand ’t wist, ’n trophee van groen en bloemen... Melk en suiker?.. (hij luistert niet)... Ik vraag of u melk en suiker...
DOLF. (zich driftig omdraaiend)... U moet me ’n dienst bewijzen, mevrouw.
ANNIE. Ik?
DOLF. Ik wil ’n onderhoud met Hope.
ANNIE. Wat kan ìk...
DOLF. U is ’r vriendin—en ’k overdrijf niet—’r vertrouwde geworden....
ANNIE... Ze is tè zelfstandig, om zich door iemand..
DOLF. Door u wel. (nerveus-snel)... Ik moet ’r—wil ’r... Als ik ’r aanklamp, ontloopt ze me, als toen ’k daar binnen kwam... Als ’k schrijf, antwoordt ze niet... Ik ben niet meer die ik ben, daar geef ik m’n woord op... Ik heb over ’n boel... Dat wil ’k ’t persoonlijk... Daarvoor heb ’k de reis gemaakt... Dat zijn mijn záken.... Straks met ’r aan een tafel zitten, doe ’k nièt, of....
ANNIE. (schellend)... Goed. Gaat u een seconde daar. (wijst naar rechtersuite)... ’t Meisje mag u niet zien. Maar: laten we mekaar goed begrijpen, meneer Van Walden—ìk blijf ’r buiten—en tegenover m’n bèste vriendin, gebruik ik geen omwegen...
DOLF... U kunt...
ANNIE... Weg! Weg! Weg! (Dolf af—dienstmeisje) Loop jij even naar de overzij, Kaatje, kind, en vraag zuster Hope of ze bij me wil komen—zeg ’r dat ik alléén ben. (Dienstmeisje af—zij wenkt Dolf)... Dat is de eenige onwaarheid. Meer jok ’k niet....
DOLF... Dank u voorloopig. Kan ’t hier?
ANNIE. Hier of hiernaast—àls ze wil...
DOLF. Dank u.
ANNIE. (terwijl hij gejaagd op en neer loopt) ’k Zou m’n thee niet koud laten worden, meneer—we hebben nog wel ’n paar minuten.
DOLF. (zonder te luisteren, onrustig van den eenen stoel naar den anderen verhuizend) Maanden en maanden, mevrouw, ben ’k ’n soort Ahasverus geweest—iemand met ’n tic—een die zichzelf ’n zonderling vond, ja, ja... (verzit)... Soms heb ’k getwijfeld of ’k hier recht snik was, of ’n leventje van... van... plezier—zich begon te wreken, zooals de brave, beste menschen, die karnemelk inplaats van bloed hebben, mekaar wijsmaken... (loopt nerveus heen en weer, zit over haar)... Ze kunnen je door altijd door op ’t zelfde te hameren, altijd door aan te houden de suggestie opdringen, dat je, dat je.... hè! hè!... dat je ’n, ’n schaduw naast je eigen schaduw ziet loopen... Als ’k verward praat, mevrouw, best mensch....
ANNIE... Zou u dat mevrouw nou niet ’ns eindelijk laten schieten?... Ik heet Annie.
DOLF... Mag dat?
ANNIE... Graag.
DOLF... Zegt u—zeg jij dan ook Dolf?
ANNIE... Als u—als jij ’r niets tegen heb: natuurlijk....
DOLF... Ik heb ’n boel beroerdheid gehad, Annie—wat doet ’t me ’n goed, dat ’k ’ns vertrouwelijk babbelen mag!—’n boel waarmee ’k in m’n eentje moest uitvechten—met m’n eenen ik, die m’n anderen ik uitlachte, voor de mal hield—met m’n eenen ik, die tegen m’n anderen ik zei: „je ben ’n zot, ’n kwast, ’n idioot”—met m’n eenen ik, die m’n anderen naar de tingeltangels dreef, naar vrinden, naar vrouwen—met m’n eenen ik, die spotte, vloekte, met geld smeet—me whiskey en soda liet drinken, als de andere te sentimenteel, te zwak, te willoos dee.... Van de eene hotelkamer ben ’k naar de andere getrokken, bediend, naar de oogen gekeken—grocjes slikkend, om te slapen, te slapen... Wakker liggen is ’t gemeenste, ’t vuilste dat je overkomen kan... Dat met m’n bril waarover ’k daarnet grapjes uithaalde—’k voel me zoo ouwerwetsch gezond als ’k ’t kàn, kàn—was niet ’t gevolg van minder-goede oogen—je kunt ’t ook door slappe zenuwtjes krijgen.... ’r Komt ’n leeftijd bij ’n man, dat-ie z’n draai zoekt, dat-ie z’n stuur onvast hanteert....
ANNIE. (opstaand)... Stil even—’k geloof... Ja.... Ga nog een oogenblik (wijst de rechtsche suite. Hij verlaat de kamer. Tot Hope, die eerst rondkijkt). Ik ben alleen.
NEGENDE TOONEEL.
Hope, Annie, Dokter.
HOPE... Is-ie vort?
ANNIE. Daar.
HOPE. Waarom laat je me dan—je weet toch...
ANNIE. Omdat... (Hope gebaart naar de deur).... Hope! Hope!... Als ’k je vriendin ben, je oprechtste, eerlijkste vriendin, die je beweert te vertrouwen—is dat dan de brééde manier?... Ik verras je niet, niet met trucs, niet met kleine listen—ik wou enkel ’n beroep op je verstand, op je vérstánd, doen, Hope—waar je hart....
HOPE... Zachtjes—hij kan je hooren...
ANNIE... Ik zeg je een ding, zonder verdere argumenten, zonder tusschenkomst die misplaatst is: je kunt tè hardnekkig in één gedachtengang doorhollen—je kunt gelijk hebben en toch dwaas doen.... Ik laat je alleen—nee, je gaat nièt gelijk met me de deur uit!—je blijft tien, tien, tien tellen, om ’n beslissing te nemen... (tot Dr. Linden, die binnen wil komen).... Nee, Jan—je moet nog in ’t dorp voor ’t diner bestellen... Nee, niet binnen!...
DOKTER. Waar is Dolf?
ANNIE. Dolf—Dolf wandelt ’n moment aan ’t strand om ’n luchtje te scheppen... Ik wou wat tafelbloemen laten komen en wat... Man, kijk niet zoo achterdochtig!.... Onder de tafel zit-ie niet... (tot Hope)... Als je dènkt, erg stevig dènkt, lieve meid, dènk dan zachtjes—vooral zachtjes—in diè kamer slaapt Tilleke, ’t eene kind—(fluisterend)... in de andere wacht ’t gróóte... (zich onderbrekend, tot Jan)... Wat luister je?
DOKTER... Ik luister niet—ik zie ’n rare witte pet...
ANNIE... Hij is in z’n bloote hoofd.... Blaas je ’t lichtje onder de thee uit, Hope... En zàchtjes voor Til?... (neemt Jan onder de arm—af).
TIENDE TOONEEL.
Dolf, Hope.
HOPE. (staat besluiteloos—hij opent haastig de deur)... U wou me...
DOLF... Spreken...
HOPE... Veel tijd heb ’k...
DOLF.... Niet—dat wist ’k. Willen we ’r bij gaan zitten? (een stilte)... ’k Zal beginnen—met te doen wat mevrouw—wat Annie u verzocht. (buigt naar de tafel, blaast het lichtje uit)... Zoo.
HOPE... Dus u luisterde?...
DOLF. Natuurlijk.—Als u geweigerd had, zou ik u nagewandeld zijn—(zwak-glimlachend).... desnoods ’n scène op straat of in ’t Gesticht gemaakt hebben....
HOPE... Zou u niet liever dadelijk zeggen....
DOLF. (met den ouwen glimlach).... Niet zoo hard—we zouen aan ’t kind... (een drukkende stilte. Hij neemt de pop in de handen, laat die een paar maal schommelen, legt haar weer op tafel. Buiten drie verwijderde stooten van een stoomboot. Hij herneemt houdingloos het gesprek)... Is dat ’n stoomboot?... Ja, dat is ’n boot—’k vraag naar den bekenden weg... ’n locomotief op de golfjes kan ’t moeilijk zijn... (een stilte—driftig staat hij op, loopt tot het venster, kijkt naar buiten, keert terug, zet zich opnieuw over haar)... Als ìk m’n mond hou—heeft u—heb jij—ik kan tegen jóú geen ú zeggen!—heb jij me dan niks...?... In geen zes maanden hebben we elkander....
HOPE. (koel)... Bij mij—bij mij is nièts veranderd..
DOLF... Bij mij zooveel te meer. Interesseert ’t je niet te hooren wat ’k al dien tijd uitgehaald heb?
HOPE. Nee meneer.
DOLF. (ingehouden)... Hope, ’t is meer gebeurd, dat mannen, ziek door ’t verlangen naar ’n vrouw, ’n krankzinnige daad... Waarom drijf jij me tot....
HOPE... (opstaand)... Doen we niet beter, meneer... Als u me voor dàt heeft laten roepen...
DOLF. (opstaand—heftig)... Je zàl hìèr blijven—je zàl luisteren!
HOPE. (uit de hoogte)... Dat zal ’k stellig niet—ik heb niet één reden... (stap naar de deur).
DOLF. (hartstochtelijk)... Ik wil dat je....
HOPE... ’t Kind....
DOLF... Je heb gelijk. ’k Span ’t paard achter den wagen—(met moeilijken glimlach)... Je moet, al lijkt jóú dat ongeloofelijk, omdat je me tóén m’n gezòndheid, m’n gezòndheid, m’n stevigheid verweet—je moet wat consideratie met me gebruiken, m’n drift door de vingers zien—Ik ben, dat heb ’k je vriendin al gezegd, niet meer die ik ben....
HOPE... Begrijp u niet....
DOLF... Vind me om af te ranselen, zoo weinig als ’k ’t zelf snap. Zouen we niet nog even kunnen zitten?... M’n prikkelbaarheid, m’n opvliegendheid, zal ’k geen tweede keer... (zij zit neer)... Je moet je wel verbazen, niet waar, dat ik ’t flirten, ’t hofmaken, ’t inpalmen van ’n vrouw al zoo verleerd schijn, dat ’k met ’n zotte onstuimigheid jóú, net jóú, probeer te overtuigen.... Hope, ik zit op ’t oogenblik zònder „supérieuren glimlach”—en àls-ie nog even terugkomt, moet je denken dat ’n vos wel z’n haar—niet z’n... (ongeduldig)... Ik bazel!... ’k Zou... (een stilte)... Ik ben aan ’t zoeken geweest...
HOPE. (verwonderd)... Aan ’t zoeken?
DOLF... Naar—naar die vroegere liaison—wat ’k mama beloofde.
HOPE. Zelf? Heeft je „detective”...?
DOLF... Ik heb ’t persoonlijk, persoonlijk—zonder hulp—gedaan. Heb je daarvoor geduld?
HOPE. Als ’k ’r u ’n genoegen....
DOLF.... Na je diepe, barre verontwaardiging, dien dag, ben ’k eerst woest op je geweest, heb ’n paar weken op de lamste manier tot laat in den nacht gefuifd—je krijgt alles, alles te hooren!—om me te „wreken”.... En als ’k katterig thuis kwam, liep ’k met de meest onzinnige gedachten, hoe ’k jou je caprices—je hoeft ’r niet op te antwoorden—’t antwoord geef ’k zelf!—hoe ik jou je caprices betaald zou zetten.... ’k Wou met Snip—pardon: Madame Lebeau trouwen—stel je voor, hahaha!—’t zou ’n pan zijn geworden, hahaha!—Madame Lebeau op den Burgerlijken Stand—om burgemeester Háán kippetjesvel te bezorgen—Hope krabbel niet achteruit in je stoel—ik kan me niet héélemaal... niet heelemaal in ’n andere huid steken—en omdat je daar even vriendelijk keek, kwam de ouwe natuur... Exit... Nou zal ’k elk woord beloeren... èlk ... Mag ’k ’n slokje nemen? ’k Heb dorst.
HOPE. Ga uw gang...
DOLF... Zoo. Nou heb jij ’t in je hand me bij slappe, kouwe thee te hóúden...
HOPE... Zou u... Jan en Annie kunnen... en ik...
DOLF... Ik wou ’t je betaald zetten, ’t je inpeperen—en toen—en toen, in ’n week dat ’k m’n kamer voor ’n zware verkoudheid moest bewonen, waarlijk bewonen, zat ’k weer in de belabberdste, beroerdste stemmingen, de historie wikkend, wegend... Ze háát je, redeneerde ’k: larie—ze haat jou, zooals jij ’r zèlf háát.....
HOPE... Ik heb nog niets van uw gezóék gehoord..
DOLF... Komt! Komt!... Je moet niet op de vervolgen van ’n feuilleton vooruit loopen...
HOPE... Telkens, telkens weer heeft u dien toon....
DOLF. (geprikkeld)... Dien heb ’k, heb ’k!—Laat me ’m warm houen zoolang ’k nog kan—Je heb geen begrip, geen flauw begrip, niet de minste voorstelling, hoe ’k door jou en mama uit m’n toon, m’n toon, m’n toon geraakt ben!... Je heb nog niets van m’n gezóék gehoord—m’n hopeloos... Nou komt ’t!... Ze zal buigen, buigen, nam ’k me voor... Ik heb geen andere schuld dan honderden, duizenden... ’k Heb niet beloofd te trouwen, daar niet aan gedacht—zou ’r om geschaterd hebben—zoo goed als Kreeftje zelf.—Ze heeft zich aangeboden—was met soupertjes en ’n Haagsch schouwburgje meer dan tevreden—was me niet trouw—scharrelde met anderen als ik met vacantie naar huis was... Die gril, die kuur, die bezetenheid van Hope—excuseer, dat was m’n beschouwing uit die dagen van ongesteldheid en slapte—die nonsens die ze duizend tegen een mama ingepraat heeft...
HOPE... Pardon...
DOLF... Je hoeft niets te beweren—je heb gelijk—ik vertel je m’n gewroet van tóén!—die gril krijg ’k ’r alleen uit, door te bewijzen, door ’r met de stukken in de hand te overtuigen—en dan kom ’k nog compleeter de belofte aan mama na—’n belofte die ieder gedaan zou hebben—ieder in dat geval... (een stilte. Hij neemt de pop van tafel speelt er mee, terwijl hij onrustig voortpraat). Zoo, Hope, ben ’k begonnen—zoo ben ’k niet geëindigd. Wat ’n spelletje leek, ’n pogen jou „klein” te krijgen—wat de eerste dagen ’n onderhoudend inspannen van de hersens werd—draaide op ’n maniakaal willen, ’n parforce-jacht, ’n openscheuren van—van alles, neer... De familie van dien marinier, met wien ’k—dat weet je—héb ’k uitgevonden—Z’n getrouwde zusters—z’n broers—over ’t heele land verspreid—hadden moeite niet te lachen bij m’n vragen over Kreeftje—met ’t rooie haar uit den handschoenenwinkel—De posterijen heb ’k nagerejen voor ’t recu van den aangeteekenden brief van papa—met de honderd gulden—op de minste klank ben ’k afgegaan—in Holland—België—De registers van de—van de bordeelen, wáar óok, in grootere en kleinere plaatsen, heb ’k... Verdwenen... Verdwenen... De vrouw met ’t kind, ’t kind waarvan die brief zoo zeker, zoo wanhopig-zeker, zoo pijndoend-zeker sprak....
HOPE... Pijndoend—pijndoend—Zegt ù pijndoend?
DOLF... Dat verbaast je—daar kijk je me bij aan.. Merk je dan niet, hoe de gedachte van mama en jou ’n obsessie... (bitter)... hoe ’k langzaam, als ’n slak zoo langzaam ben gaan voelen, dat àls dat kind nog leeft—en ’t kan leven—’t kan, kan!—dat dat meisje dan op ’t uur dat we hier met elkaar praten, zoo verloren is—als—als... (start voor zich uit)... Ja. Ja... Eens heeft Snip me in ’n hotel van vijfhonderd kamers gezocht, en ontmoette me niet, omdat ze enkel m’n voornaam wist. Dat was ’n puzzle, ’n goeie mop... Als je ’n brief ergens opgeborgen heb, zeker opgeborgen—en je vindt ’m niet, dan zoek je nijdig en zenuwachtig tot-ie na dagen en dagen vloeken vlak voor de hand ligt—zooals dien middag tusschen de sigaren... Maar dat levende menschen, levende, ’n vrouw en ’n meisje van achttien verdwijnen, zooals ’n steen ’t achter ons in ’t water, zou doen—en dat je ’r telkens over piekert, zonder resultaat da’s... da’s... (laat de pop vallen)... Jij heb toen gesproken van ’n radelooze zéé-van-menschen—dat was juist—de zee spoelt weg, spoelt niet terug... (verschrikt opkijkend)... Hope, huil je?... Waarom huil jìj, Hope?
HOPE... Omdat—omdat... Dat kan ’k nu niet zeggen.... Omdat... Willen we niet verder....
DOLF... Niet verder?
HOPE. Nù niet... Je heb me verbazend... verrast—ik dacht niet aan de mogelijkheid—dat jij—dat ù..
DOLF... Toe hou je an dat jij... Na de wandeling met de boschviooltjes, die je droogde—nee, nièt droogde!—heb je nog maar één keer je u’s vergeten—dien middag bij mij thuis... (haar z’n hand toestekend)... Weiger je nòg, Hope?
HOPE... Geef me den tijd, om—om te overleggen—je heb me zoo overrompeld...
DOLF... Om te overleggen... Moet je bij dàt overleggen... je verstand „raadplegen”?....