Chapter 23 of 23 · 723 words · ~4 min read

Part 23

DROOMELOT. (knielt bij hem, kust zijn handen). Jij heb gezegd... Jij heb gezegd op ’t allereerste blad... (spreekt, terwijl hij gretig elk woord met lippen-gemummel herhaalt). „De aarde ligt wel kostlijk voor ons uit, „Alsof ze zóó door ons te grijpen is, „Maar van haar vruchten zijn wij zelf niet rijp „Nog—en we moeten met een jongen lach, „Van dat het ochtendlicht naar schemer gaat, „Het onkruid wieden en gestadig voort „Aan d’ouwe akkers geven t nieuwe zaad, „’t Gouden zaad, dat zonnebloesems wekt! (hem vergetend is zij opgestaan—hij smakt achterover). „Al boom, die met te woeste hand geschud, „Werpt groene knoppen in ’t vertreden gras! „Wij tasten toe eerst met de volle kracht, „Als onze Macht zoo gaaf en sterk gestut, „Dat wij het Leven in zijn heerlijkheid, „Zijn groote, heil’ge onverwoestbaarheid, „Van al zijn leugens, zijn erbarmlijkheid, „Voor wat niet leeft, niet leven mòcht—bevrijd!” (kijkt verheugd-glimlachend om, ziet hem liggen, stort op hem toe). O, liefste God, wat is ’r vadertje? Je kijkt me aan en ziet—en ziet me niet! Je glimlacht, maar je mond die ademt niet! Slaap je, of ben je—dood?... Toe vadertje, Toe vadertje, zeg nog een enkel woord! (staat op wijkt achteruit, denkt na, maakt den ketting met ’t medaljon van haar hals los, legt dien in zijn handen, kust zijn voorhoofd). Dan moet ik verder, verder, als ’k beloofd En jij blijft bij me, waar ik reis en trek, Want dat heb jij me, vader, óók beloofd... (kust hem nog eens, raapt de sleutels van den grond, gaat heen).

ACHTSTE TOONEEL.

Regent, 2de Wachter, Regina.

REGENT. (treedt in Droomelot’s cel, ziet dat zij er niet meer is, roept de gang in). Verdoemd, verdoemd, waar zijn de wachters, hier? Vlug dan! Ze is ’r niet! Waar is ze heen?

2de WACHTER. U heeft ons zelf gelast, maar als u ’t wil...

REGENT. Vooruit en breng ’r met geweld terug! Nee! Nee!... Blijf hier! Jij raakt haar lijf niet aan!... Zoolang ’k haar vader heb, heb ik haar ook!

2de WACHTER. Z’n deur staat aan!

REGENT. Z’n deur staat aan! Verdoemd! (stort in Sero’s cel). ...Hij is ’r nog!

REGINA. (angstig bij het hoofdeinde)... Nee, hij is ’r niet meer... (ziet ketting en medaljon in de handen van den doode, knielt)... Nu durf ik met je dochter mee te gaan...

EINDE.

Berlijn, Juli/December 1909.

AANTEEKENINGEN

[1] „Wie er, zooals gebruikelijk is, ’n directeur op nawijst, dat hij op recettes tukt en „de belangen der kunst verwaarloost”, maakt den voozen indruk een verfijnd kunstkenner te zijn, terwijl-ie in waarheid den kiezentrekkenden charlatan de concurrentie aandoet die op ’n boerenkermis, bij ’t gebulk van lachende kinkels en tierende meiden, de breedbekkige verzekering schort, dat de in haar wortels geknapte, door bloed-gulp bestoven tand, ’r pijnloos uitscheurde. Het wreed, door niets gemotiveerd geraas, dat den hollandschen theaterkoopman van verschillende kunst-dandy’s—wier visie van kunst en maatschappij den Droomleven-zelfkant verschalkt—bespringt, is volkomen ongeoorloofd. De Theaterkas is dictator. Alleen zij. Er is bijna geen andere tak van kunst aan te wijzen, waar het dàdelijk-nijpend verband tot de bestaansvoorwaarden zich zóózeer openbaart, als bij ’t dobberend geworstel van een theater-ondernemer, die aan de eene zij slaaf is van den betalenden publieken smaak, aan de andere door ieder onwijs kunst-potentaatje geringeloord en à contant benadeeld wordt. De gezondste les voor de meeste dier heeren, die te over meestal vader van het een of ander dramatisch product zijn, dat geen plankenland kan beademen, ware ’n maand administratieve bezigheid in ’n theaterbureau”....

„Aanteekeningen over Tooneel”, XXste Eeuw, Januari 1906.

[2] Het is wenschelijk dat bij Jan’s laatste woorden in I ’t licht geleidelijk dooft, het tooneel even duister blijft en de droomhandeling vervolgens zonder pauzeering worde voortgezet. De bedoeling is een stuk zònder interruptie. Daar het te betwijfelen valt, of het tegenwoordig publiek deze proefneming verdraagt, mag men tusschen I en II pauzeeren, mits de zaak op de programma’s toegelicht worde.

Het geheele spel in II zij onwerkelijk en geschiedend als in de koortsige verbeelding van het kind.

De Zwaan moet door een kinderstem gezegd worden en bewege zorgvuldig mede.

4 Aug. 1907.

[3] Dit bedrijf werd na de vertooning een weinig geretoucheerd.

[4] In het bijzonder in het tweede en in het derde Bedrijf zijn veranderingen van beteekenis aangebracht, die in het Naschrift aangeduid en gemotiveerd worden.

[5] Genesis 1:28: ‏פְּרוּ וּרְבִוּ וּמִלְאוּ אֶת־הָאָרֶץ‎.—Bewerker.

[6] Rissches: aanstoot.