Chapter 6 of 23 · 3973 words · ~20 min read

Part 6

RIESJE. D’r komt geen end an.... Of ze de koningin wachte!... Hei-je je strikkie nog, Jan?... Nog meer! Nog meer! Wat ’n vollek! Wat ’n vollek!... Da’s ’n huzaar met spore.... Da’s de vleeschhouwer.... Da’s de teef van de lantaarnopsteker.... Zelle me gaan kijke, Sien?...

SIEN (nijdig). Nee!

RIESJE. Me magge toch?

SIEN. ’k Hei geen trek!

RIESJE. Jij dan, Jan?

JAN. Ik ben zoo moei in me kop....

RIESJE. Wat hindert dat?

JAN. Me voete en me hande slape....

RIESJE (angstig). Slape?... Doe is zóó! (heft de knie).

JAN. Ken ’k niet.... D’r houdt iemand me voete vast.

RIESJE. Doe is zóo (heft de twee handen).

JAN. Ken ’k niet.... Ken ’k niet.... D’r hange gewichte an me polse.... Daarnet hè ’k toch nog alles gedaan...

RIESJE. Hoe ken dat dan?

DE ZWAAN. Van de schrik dat de zon de lichies in de la uit het geblaze....

JAN. Je mot me moeder gaan roepe, staat bij de deur....

RIESJE. En dan kijk ’k meteen.... ’k Zie d’r niet. ’k Zel d’r zoeke (af).

TIENDE TOONEEL.

De Zwaan, Jan, Sien, Bakker.

DE ZWAAN (tot Sien, die op de tafel toegaat). Sien—bezondig je niet....

SIEN. Mo’k ’t gordijn weer toetrekke, lam beest!

DE ZWAAN. Je het ’r af te blijve, zeg ’k....

SIEN. Hindert ’t jóu as ’k d’r na kìjk?....

DE ZWAAN. Ze benne van Jàn....

SIEN. Van Jan! Van Jan! Hoor haar!.... Je het ze zellef gestole! Hei-jij d’r geve over? (rukt de la open).

JAN. Sien, Sien, blijf d’r af....

SIEN. Kles maar!

JAN (smartelijk, als in versteening). Sien—ik ken me niet bewege—me hande benne vastgegroeid—ik mot ze voor móéder beware (er wordt buiten gefloten). O!... O!...

DE ZWAAN. Oppasse Jan!.. Jezis, Jan, da’s de meeldief!..

JAN. Sien, Sien neem ze d’r niet uit! Sien, ik ben an de stoel vastgespijkerd! Sien, me ooge benne blind van me trane....

SIEN. Wat grien je nou schaap—’k kìjk toch enkel!...

BAKKER (naast de zwaan). Me drie en zestig brooje werom en me vier-vijf-en-negetig en me vier goudvissche! Ik breek jou je nek, bliksemsche aap! ’k Sla alles kort en klein! D’r uit! Mee na ’t bero!....

JAN (onbewegelijk). Me voete slape en me hande slape, bakker....

BAKKER. Dat lieg-ie!

SIEN (de zwak-glimmende sterren in haar voorschoot ladend). Venacht as ze weer brande, zelle me betale....

JAN. Sien, doe ’t nou niet....

BAKKER. Mee na ’t bero! Mee na ’t bero!...

SIEN. Ik mot me boetes betale—de baas van de febriek het aldeur de smoor an me.... Jij de helft, bakker? Jij de helft?

DE ZWAAN. Sìen is ’n dief en de bakker is ’n dief... Zel ’k de heele dag in me vijver legge schreeuwe!...

SIEN. ’k Waarschouw je!

BAKKER. Dat mo-je nou nog is zegge!

DE ZWAAN. Sien het gestole en jij het gestole....

BAKKER. Ik draai je je nek om!...

DE ZWAAN. Sien het de sterre uit de la gemoerd.... Sien is ’n dief en jij stopt krijt in je meel!... Sien het de sterre in d’r schort!...

SIEN. ’t Benne geen sterre! (verbergt ze).

DE ZWAAN. Hoe meer je ze wegdouwt, hoe sterker ze lichte. (Sien’s toegeknoopt voorschoot laat zwakken schijn door). Zie je ’t Jan?...

SIEN. Sla ’m dood met je stok, bakker! Sla ’m dood—sla ’m dood!... Hij zel ons verraje!... Me rake in de kast!...

BAKKER. ’k Weet beter! ’k Weet beter! (grijpt den nek van de zwaan). Geef ’t touw dat daar leit! Vlug dan! Vlug dan! Hij wringt as ’n aal!...

JAN. Moord!... Moord!... Moeder!... Moord!

SIEN. As je je mond niet houdt!...

BAKKER. Blauw wordt-ie d’r van...

DE ZWAAN. Hullep! Hullep, Jan!... Hij keelt me, de meeldief!...

JAN. Moord!... Moord!...

BAKKER. Hou vast jouw eind!... ’k Leg ’n lus! Hou vast!... Trekke!... Anhale!...

JAN. Moeder!... Moeder!... Ze vermoorde me zwaan!

DE ZWAAN. Hullep! Hullep!...

SIEN. Hij schreeuwt de bure bij mekaar! Sla d’r op met je stok!

BAKKER. (z’n voet op het gespannen touw zettend). Knap as-die piept! (heft den stok). Nou kè-je d’r van luste, smeerlap! (slaat dat het dreunt).

JAN. Moord!... Moeder!... Moeder!...

BAKKER. As je niet stil ben jij—krijg je ook ’n lus om je nek, bliksemsche aap, ’n dubbele lus da-je geen asem meer haalt! (dreunt met den stok). Da’s voor me goudvissche! Da’s.... Da’s.... Da’s.... (dreunt).

JAN (hartstochtelijk-schreiend). Ik kè-je niet hellepe!... Moord!... Me beene benne dood!... Moord!... Sla ’m zoo niet!... Sla ’m zoo niet!... Moord!...

SIEN (terugwijkend). Hij is kapot.... Late me d’r vandeurgaan.... D’r zit bloed an me hande.... D’r zit bloed an jouw hande.... God, God, ze zelle me met me lichies zien loope.... Wat motte me doen? Wat motte me doen?...

BAKKER. De trap op! De trap op!... Haast je!

SIEN (de trap opstormend). Draag jij ze! Draag jij ze! O! O!.... Ze brande me goed door!... Ze springe na de hemel terug! (af met bakker. De zwaan ligt met bloedenden nek).

ELFDE TOONEEL.

Jan, De Zwaan, later Thijs, Bet, Jacob en gebukt voor het raam, naast de doode zwaan: De Dokter, Lammersen, Aaltje, Schoenlapper, Bonnet, Riesje, De Schele, Meisje van Bierman en meerderen.

JAN (onbewegelijk). Zwaan! (angstiger roepend). Zwaan! Zwaan dan!... Je kijkt me an en je praat niet!... O, je bloed loopt op me bed!... ’k Zel ’t an Jacob vertelle.... Jacob zel ’m met z’n mes doodsteke.... Hullep!... Hullep!...

JACOB (van rechts op de trap met kaas en ham). Wat is d’r, Jan?

JAN. Me zwaan is dood....

THIJS (met een tulband). Dood?...

BET (met een wijnflesch in iedere hand). Hei-jij zoo geroepe, Jan, me lieve jongen? (buiten verdringen zich de bukkende hoofden naast de zwaan, in elk der handen etenswaren, ’n groot brood, ’n mand groenten, ’n petroleumkan, ’n worst).

JAN. Me hande slape—me voete slàpe—me sterre benne gestole, gestole, gestole—me zwaan is vermoord, vermoord, vermoord... Moeder! (het tooneel wordt plots geheel donker). Moeder!... Hullep!... Moederlief!... Hullep!...

SLOT.

BET (in het donker). Roep-ie, Jan?

JAN. Moederlief! Moederlief!...

BET. Ik kom al.... ’k Vin de lucifers niet....

JAN. Me zwaan is vermoord, vermoord....

BET. God-nog-an-toe, kind, wat ga je te keer (zij strijkt een lucifer aan, die uittocht, neemt een tweede en in haar bevende handen begint de lamp te lichten).

TWAALFDE TOONEEL.

Het tooneel is weer geheel als in het Eerste Bedrijf. De gordijnen zijn voor het raam geschoven. Sien ligt in de achterste bedstee, Thijs in de voorste, Jacob op den grond.

Jan, Thijs, Bet, Sien, Jacob.

JAN. Moederlief, hullep! Hullep! Me zwaan hebbe de bakker en Sien.... ’t Bloed loopt op me bed—’t bloed loopt op me bed!...

BET (schril-angstig). Thijs!... Thijs!... Sta dan op Thijs! (schreiend). De jongen is zoo naar!...

THIJS (uit de bedstee springend). Wat is ’r dan? Wat is ’r dan?

JAN (wild met de armen zwaaiend). ’t Bloed loopt uit z’n bek—z’n veere zien d’r rood van.... Ze hebbe me zwaan—me zwaan....

BET. Toe Jan, me lieve jongen! Wat doe je vreemd, kind.... Wij benne toch bij je.

JAN (krijschend). Me sterre benne gestole.... D’r leit ’r niet een meer!...

THIJS. Nou!... Nou!... Je schreeuwt de bovenbure wakker....

BET. De dokter!... De dokter!... Hij sterft onder me hande!... Zie je dat niet?...

JAN. Ze legge ’n lus om me hals!... Help me dan moeder!... Moeder!

THIJS (op het wekkertje kijkend). Hallef vier!... As-ie maar mee wil.... ’t Is al tweemaal voor niks geweest (af).

JACOB (norsch). Hei-je pijn, Jan?... Jan!... Kom nou Jan! (belicht het bed met de lamp).

SIEN (in de bedstee). Ken ’k soms hellepe, moeder?

JAN (wild z’n moeder wegstootend). Moord!... Moord!... Ik ken geen asem meer krijge... Mijn doen ze ’t ook!.. Ik.... Ik.... Ik....

BET. Toe me jongen—kom tot je zellef—d’r doet je niemand wat.... Jantje.... Jantje!.... Ik ben ’t... Ik!... Za’k ’n kouwe doek op je hoofie legge?... Wat?... Wat?...

JAN (zich opheffend, kijkt naar de raamgordijnen, gebaart er heen, smakt achterover).

BET (met water en ’n doek, wijkt terug, laat alles vallen, stort op het bed toe. Jacob schoorvoet naar het hoofdeinde, neemt aarzelend ’n afgezakte hand). O! O! O!

THIJS (boven aan de trap). Hij komt in ’n kwartier....

JACOB. Niet meer noodig.... (trekt het laken over ’t hoofdje). Nou moeder—de stumper is uit z’n lijje.... het uitkomst.... uitkomst, mo-je denke....

Einde.

Scheveningen, Juli–September 1907.

VREEMDE JACHT. EEN SPEL IN DRIE BEDRIJVEN

DOOR HERM. HEIJERMANS JR.

Het recht van Opvoering nadrukkelijk voorbehouden volgens de wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad No. 124).

Voor de eerste maal opgevoerd te Amsterdam, op 24 December 1907.

DRAMATIS PERSONAE:

Mevr. de Douairière Van Walden. Dolf, haar zoon. Charles, haar kleinzoon. Hope, verpleegster. Dokter Jan Linden. Annie, zijn vrouw. Schmidt, detective. Jaap, bediende bij Dolf. Grete Donker. Suze Meier. Sofie Delange. Agnes Delange. Een hotelier. Een kelner. Een dienstmeisje.

Het Spel geschiedt in Holland.

EERSTE BEDRIJF.

(De rijk-gemeubileerde zitkamer van een hotel, aan zee gelegen. In den achtergrond eene draperie van gordijnen met schuifdeuren, als afsluiting voor een slaapkamer met statig bed, marmeren toilettafel, lavabeau etc. Eerste en tweede plan, rechts, balkondeuren naar de zeezijde—derde plan, dito, toegangsdeur. In het midden van den voorgrond een notenhouten luxe-tafel, waaromheen causeuses en waarboven een electrische kroon. Eerste en tweede plan, links, een schrijf-nécessaire met staande electrische lamp. Derde plan, dito, toegangsdeur. De linkerhelft der draperie, het hoofdeinde van het bed maskeerend, hangt neer. Avondschemer).

EERSTE TOONEEL.

Hope, de kelner.

KELNER (na een paar maal geklopt te hebben, treedt van rechts binnen, zet een presenteerblad met schalen op een zijtafeltje naast de deur, spreidt op de groote tafel een servet, legt daarop bord, mes, vork, lepel, kijkt Hope, die met een boek in de hand, in een leunstoel bij de balkondeuren ingeslapen is, driest aan). Hum!... Hum!... (Hope beweegt niet. Hij loert in de achter-slaapkamer, verlaat het vertrek door dezelfde deur, keert besluiteloos terug, beklopt de deur luider aan de binnenzij).

HOPE (wakkerschrikkend, het boek op tafel neerleggend). Wie daar?

KELNER. Ik, juffrouw—ik por maar wat harder—de boel wordt koud.

HOPE (snel op de kamer toegaand en luisterend). Heb ’k niet verzocht zoo zacht mogelijk te kloppen?... U weet toch dat ’r ’n zieke ligt!

KELNER. Nou snap ’k niemeer waar ’k me an mot houen!... Toen ’k vanmorgen tè stil binnen kwam, kreeg ’k ’n uitbrander, omdat u in uw onderlijfie stond....

HOPE. Zeg ’ns—jij zal me ’n groot pleizier doen je afstand te bewaren—dat ’s de derde waarschuwing... Je kan gaan....

KELNER. Sivoeplee... Alleen...

HOPE. Heb u me verstaan?

KELNER. Sivoeplee... (bij de deur). De wijnkaart ligt naast de servet van de juffrouw... Une fois c’est pour moi!... Pour moi.... (af).

TWEEDE TOONEEL.

Hope, Dokter, Hotelier.

HOPE (na nog eens achter de draperie gekeken te hebben, zit wederom in den leunstoel bij het balkon, droogt zich de oogen. Een bescheiden getik). Binnen... (staat op). Dag dokter.... Dank u wel—gaat u zitten: ze slaapt—dat u zoo hartelijk is voor de tweede maal....

DOKTER.... Is u ’n paar uurtjes gaan liggen, zooals ’k u gezegd heb?

HOPE. ’k Heb in den stoel voor ’t raam....

DOKTER. Noemt u dat liggen?.... U zult uzelf kapot maken. Dat houdt u vannacht niet uit. Mag ’k licht opsteken?...

HOPE. Een oogenblikje... (laat de portière geheel zakken, gaat op den knop bij de deur toe, ontsteekt de kroon). Alsjeblief dokter.

DOKTER. Zoo zien we mekaar tenminste. De eerste regel bij ziekenoppassen, zuster, is ’t zichzelf in acht nemen.... Charité bien ordonnée....

HOPE.... Commence par soi-mème.... Zal ’k ’r wekken?

DOKTER. Zijn de benauwdheden terug gekomen?...

HOPE. Om zes uur nog even, maar gelukkig niet làng... Wie daar (tot den Hotelier). Ik kan u nu niet ontvangen. U ziet dat ik belet heb....

HOTELIER. Pardon—als ik dérangeer, zuster—’t is juist om den dokter....

HOPE (uit de hoogte). Dien kunt u straks....

HOTELIER. Pardon—ik moet zoo dadelijk de deur uit... Als u ’t permiteert wou ’k dokter één seconde lastig vallen, één seconde....

DOKTER. Ik zal onmiddellijk op uw kantoor....

HOTELIER. De zaak is... (op een ongeduldig gebaar van Hope). Pardon.... U moet toch ’n beetje consideratie met ons hotel gebruiken.... Als mevrouw overlijdt....

HOPE. Zachter asjeblief....

HOTELIER. Als, als, zeg ik—worden de families van twee- en drie-en-zestìg enorm gecontrarieerd... zullen andere families onmiddellijk vertrekken—we zijn midden in ’t seizoen.... U weet, dokter, hoe de menschen zijn.... Ik ben niet onbillijk.... Niet één logeergast zal in de komende weken de appartementen willen betrekken.... Als we hadden kunnen voorzien....

HOPE. Voorzien?... Als wìj hadden kunnen voorzien—zouden we in de laatste plaats van ùw gastvrijheid geprofiteerd hebben.... Heeft u méer de gewoonte logées lastig te vallen?...

DOKTER. Suscht! Suscht!... We gaan naar de conversatiezaal, meneer....

HOTELIER (retireerend). U heeft gelijk en ongelijk.... Maar....

DOKTER.... Geen verdere maren.... Ik kom bij u....

HOTELIER. ’t Gasthuis—’t Hopital Wallon—is telephonisch verbonden—heeft ’n magnifieke auto om zieken te vervoeren.

DOKTER. Onder géén omstandigheden! Onder géén. ’k Zal ’t u beneden uitleggen—hier niet (af met Hotelier).

DERDE TOONEEL.

Hope, Charles, Kelner.

HOPE (verdwijnt even achter de portières).

CHARLES (jonge man, ongeveer 24, scherp gelaat, zonder snor, modieuze gekleede jas, hooge hoed—komt door linkerdeur op: tot kelner). Is ’t hier?

KELNER. Ja, meneer.

CHARLES. Een en zestig?

KELNER. Ja, meneer.

CHARLES. ’k Zie niemand.

KELNER. De dames zullen daar zijn.

HOPE (tusschen de portières, legt een vinger op den mond. Kelner af. Zij schuift voorzichtig de deuren der slaapkamer toe). Zoo. ’k Ben blij dat ù tenminste gekomen is.

CHARLES. Is ’t zóó ernstig?

HOPE. Heel, heel ernstig.

CHARLES. Sinds wanneer?

HOPE. Sinds eergistermorgen—na ’n bezoek aan de Stichting.

CHARLES. Wéér aan ’t hart? (zij knikt). De vorige keer dachten we ook....

HOPE. Driemaal is ze bewusteloos geweest—de dokter heeft ’r ’n kamfer-injectie gegeven....

CHARLES. Ja ja.... Heb jij ons getelegrafeerd?

HOPE. Op advies van den dokter.

CHARLES. Wat zegt-ie?

HOPE. Wat u ongeveer denken kan—’n vrouw op leeftijd....

CHARLES. Spijt me, dat je telegram nageseind moest worden. ’k Was eergister niet in Trouville....

HOPE. Nièt in Trouville.... En mevrouw met ’t kindje... zijn die meegekomen?

CHARLES (ongeduldig). Nee, nee, nee! Ik was ’n dag—voor zaken—naar Parijs... ’k Kon nog net den middagtrein pakken.... De familie is in Trouville gebleven.... Denk ’k tenminste.... En oom Dolf?

HOPE. Is ’r nog niet. ’k Ben bang dat-ie mevrouw.... Ze verlangt zoo naar ’m....

CHARLES. ’k Heb niet ’t flauwst vermoeden, waar-ie uithangt.... In geen maanden bericht van ’m gehad. Is-ie met ’t jacht?...

HOPE. Nee meneer. Z’n laatste brief—aan uw mama—aan uw grootmama—was uit Zwitserland—uit Châtelard, meen ’k. ’t Zou de grootste ellende zijn, als—als-ie te laat kwam.... Gister heb ’k voor de tweede maal geseind.... Geen antwoord....

CHARLES. Eén kan z’n adres zéker weten—die—die...

HOPE.... Die hebben we—de dokter en ik—vandaag óók ’n telegram gezonden....

CHARLES (verwonderd). Wist jìj van die liaison?

HOPE (rustig-glimlachend). Waarom zou ik ’r niet van weten?.... ’n Publiek geheim is geen bepaald geheim meer....

CHARLES. Afficheert-ie zich nog?.... Enfin, ’t regardeert me niet.... ’n Man, die m’n vader kon zijn.... (gewild over iets anders pratend). Is dat ’t kostuum van de Stichting?.... Niet positief chic. Flatteert je minder.

HOPE. Denkt u, dat zieke kinderen ’r profijt van hebben òf ’t kostuum.... Wees u ’ns stil! (luistert). Nee...

CHARLES. Mag ’k ’r zien?

HOPE. Misschien. In elk geval met de noodige voorbereiding. Ze zou kunnen begrijpen, dàt ’r gewaarschuwd is....

CHARLES. Ik stoor je toch niet in je diner?

HOPE (mat). ’k Heb gegeten.

CHARLES. Jij ben scherper in je gezicht geworden, Hope. Je ziet ’r zoo heelemaal anders uit—of ligt ’t an de kroon?

HOPE. Dat kan. ’k Heb in geen twee nachten geslapen....

VIERDE TOONEEL.

Hope, Charles, Dokter.

DOKTER.... ’n Vlegel eerste klas.... Pardon....

HOPE. De kleinzoon van mevrouw, meneer Charles van Walden—dokter Linden.

CHARLES. Heel aangenaam, dokter.

DOKTER. Is u zoo pas gearriveerd?

CHARLES. Nog geen uur geleden. Nauwelijks den tijd gehad ’n andere jas aan te schieten.... Ik hoor dat de toestand van grootmama....

DOKTER. Bijzonder zorgwekkend is.... Ik geloof, tenzij ’n wonder gebeurt, dat de familie zich op ’t ergste zal dienen....

CHARLES.... Ja, ja. Dat begreep ’k, toen ’t telegram kwam.... (een stilte).

DOKTER (driftig).... En die vlegel beneden—’k heb ’m te woord gestaan—wou per se de auto van Wallon bestellen. Doe dat, meneer, heb ’k ’m gezegd: doe jij dat—dan schrijf ik morgen ’n ingezonden stuk in den Courrier, om de badgasten te laten zien wat ’n humaan gérant jij ben.... Daar scheen-ie respect voor te hebben.... Stel je voor!.... ’n Doodzieke gaan transporteeren uit vrees voor ’t egoïsme van andere logées.... Laat je je eten staan, zuster?

HOPE. Nee, nee.... Mag meneer mevrouw zien?

DOKTER. We zullen ons overtuigen.... Blijf u hier.... Heeft ze champagne gedronken?

HOPE (de portières hechtend). Met tegenzin een enkel glas....

DOKTER. Niet voldoende—niet voldoende.... Blijf nu maar—blijven—blijven... (af in slaapkamer).

CHARLES. ’k Zal maar wat liegen, niet?... Dat ik toevallig voor dringende aangelegenheden overgewipt ben... Als ’k me niet zoo gehaast had, zou ’k wat hebben meegebracht....

HOPE. Als ’k ’t zeggen mag....

CHARLES. Ja?

HOPE. ’t Zal voor mevrouw ’n teleurstelling zijn, dat u zonder uw vrouw en vooral zonder Ninette—’r eenig achterkleinkind—is....

CHARLES.... Zoo’n baby van drie jaar.... En dan ik zei je toch al, dat ’k niet direct van Trouville kom.... En dan—m’n vrouw houdt niet—hoe zal ’k dat.... (ongeduldig). Wat vraag je naar den bekenden weg?... Je weet dat ’r telkens verschil van meening is.... Grootmama met ’r geweldig-overdreven....

HOPE. Toe meneer Charles!... ’t Zijn nù juist niet de omstandigheden.... Roept u, dokter?...

DOKTER (onzichtbaar). Zuster....

HOPE (gaat achter de gordijnen—hij loopt heen en weer—staat stil voor den spiegel boven de nécessaire, neemt ’n kleerborstel, schuiert zich de jas—gladt zich het haar). Hier ben ’k weer. (Zij bedrukt den knop der electrische schel aan de kroon).

CHARLES. Toch niet sérieuzer.

HOPE. Goddank nee. Ze voelt zich minder beklemd, krijgt een tweede injectie.... Nee, vooral niet binnen gaan!... (tot den kelner). ’n Flesch champagne.... Versta je niet?... ’n Flesch champagne... (af).

VIJFDE TOONEEL.

Charles, Kelner.

KELNER (onbewogen). Frappé?...

CHARLES (ongeduldig). Frappé—niet frappé—als ’t maar vlug komt!

KELNER. Moët et Chandon—Irroy Carte Blanche—Pol Roger Medium-dry—Pommery—Heidsieck—wil meneer zoo beleefd zijn...? De wijnkaart ligt op tafel....

CHARLES. Je m’en fiche....

KELNER (droog). Dàt merk hebben we niet....

CHARLES. Maak jij grapjes?... Ben ’k niet van gediend. (kijkt de kaart in). Moët....

KELNER. Demi-sec of White Star-sec?

CHARLES. Loop naar de... Demi-sec!... En beneden ontkurken.... En voor mij ’n kop koffie....

KELNER. Een Moët White Star—un café noir... (af).

ZESDE TOONEEL.

Charles, Dokter, Hope.

DOKTER (duwt de schuifdeuren dicht). Dat is voor u ’n heele reis geweest, meneer Van Walden....

CHARLES. Ja, ja—gelooft u nòg, dat grootmama...?

DOKTER. Alles is mogelijk.—’t Is zulk ’n verbazend krasse vrouw, dat ik me na de tweede injectie aan geen voorspellingen wagen durf.... Ze praat met ’n bedriegelijke opgewektheid.... Maar... Maar.... Als ze ’r deze keer bovenop komt, blijft de toestand bijzonder précair—bijzonder. De geringste complicatie, de kleinste stoornis, niet waar?... In ieder geval is ’t uitnemend dat u er tenminste is. En ’k zou willen adviseeren de eerste dagen in de directe nabijheid te blijven....

CHARLES. Als ik dus wel begrijp is ’t ergste gevaar geweken?

DOKTER. Nee—volstrekt niet—in de verste verte niet. Bij ’n hartaandoening van dien aard en op dien leeftijd en met zulke ontrustende aanvallen van bewusteloosheid, is ’t de plicht van de naaste familieleden op hun qui-vive te zijn. Toen we u seinden, was ’t mijn innige overtuiging, dat u telaat zou komen (met verheffing). Dolf handelt—als ik ’t....

CHARLES. Dolf?... Kènt u....

DOKTER. Of ’k Dolf ken?... Hahaha!—hij heeft me helpen ontgroenen....

CHARLES. Ontgroenen?...

DOKTER. Weet u niet, dat uw oom—hij is toch uw óóm?...

CHARLES. Natuurlijk.

DOKTER. Dat-ie vier, vijf jaar college geloopen heeft—dat wil zeggen: had behooren te loopen—’k taxeer ’m op nog geen vòlgeschreven dictaatcahier! Toen ik van ’t gymnasium kwam, had Dolf al minstens vier jaar ge—ge—ja wat feitelijk ge—ge...? Gedit, gedat, gefuifd, gekroegjoold, ge...

CHARLES.... Boemeld....

DOKTER. Geboemeld, ’t juiste woord in volgorde—letterlijk alles had-ie als corpslid ge—ge—gedaan—alleen niet gestudeerd. Toen-ie gesjeesd werd....

CHARLES (na zacht geklop). Binnen! (tot den kelner, die enkel koffie brengt). En de Moët?

KELNER. En deux secondes monsieur.... J’ai....

DOKTER. Spreek jij geen Hollandsch, vrindje?

KELNER. Oui monsieur....

DOKTER. Doe dat dan—flauwe kunsten!

KELNER. De champagne wordt koel gemaakt.

DOKTER. Heelemaal niet noodig.... We wachten ’r op (Kelner af). Dat’s nou misschien ’n jongen uit (imiteert Fransch) uit Leeuwarden, uit Hontenissen, hahaha!... Waar was ’k gebleven? Wat wou ’k....

CHARLES. Toen oom gesjeesd werd, zei u.... Drinkt u ’n kop mee, dokter?

DOKTER. Dank u.... Toen—vertel ’ns ’n historie zonder ’n dozijn toen’s!—toen-ie gesjeesd werd—om ’n dolle geschiedenis—’n schandaaltje, als je ’t zoo noemen wil....

CHARLES (rustig drinkend). Om ’n vrouw natuurlijk!

DOKTER. Spreekt van zelf.... Als ’k me goed herinner—’t geheugen is m’n forte niet—alweer zoo’n Fransch woord!—had-ie ’n vechtpartij op klaarlichten dag met den een of anderen kerel, ’n koloniaal of zoo iets, dien-ie behoorlijk toetakelde.... Met groote moeite werd ’t gesust—’n sisser van ’n week of twee brommen—en ’n paar honderd gulden fooi....

CHARLES. Daar wist ik hoegenaamd niets van (glimlachend). Verwonderen doet ’t me niet.... Hoe is ’t mogelijk—op klaarlichten dag—en met ’n koloniaal—met ’n koloniaal!... Zóó iemand kàn je toch niet beleedigen....

DOKTER. Iets met ’t meisje of de zuster van dien kerel—’t ware weet ’k niet—is hijzelf waarschijnlijk glad vergeten.... Wanneer kan ’t geweest zijn?... Negentig.... Een-en-negentig.... Om en om vijftien, zestien, zeventien jaar—’k kan ’r geen slag in slaan.... Doet ’r ook niet toe.... Hij werd van de corpslijst geschrapt.... Misschien studeerde-ie anders nog, hahaha!... Ja, Dolf en ik hebben mekaar in die dagen meer dan goed gekend—later ook nog wel, maar nooit meer zóó, zoo heerlijk, onbezorgd.... Jammer van den vent.... ’n Hart van goud—’n wilde rakker—’n bandiet.... Als-ie niet zoo vroeg z’n vader verloren had, niet zoo vlug de beschikking over z’n erfdeel gekregen, zou-ie iémand—iémand geworden zijn.... Zeldzame kop.... ’t Was toen—alweer toen—’n lust om ’m te hooren, als-ie op dreef was.... ’n Vernuft, ’n géést.... En nou!... En nou!... ’k Zou ’m z’n mantel kunnen uitvegen, dat-ie met geen drie, vier telegrammen te bereiken is, dat-ie geen adres achterlaat, terwijl z’n moeder doorloopend ziekelijk is.—Tot zelfs die eerste-klasse-dame van ’m hebben we geseind.... Valt me verbazend tegen. Verbazend. ’r Eenige zoon in leven.... Uw papa is betrekkelijk vroeg gestorven, niet waar?...

CHARLES. Toen ik twee was....

DOKTER. Dan zult u wel geen voorraad herinneringen aan ’m hebben?...

CHARLES (koel). Nee—in geen enkel opzicht.

DOKTER. En uw mama?

CHARLES.... Kort na de kraam (gewild). Rookt u ’n sigaret mee—de balkondeuren staan open.... Of heeft u er bezwaar tegen?

DOKTER. Bezwaar, nee—als u bij ’t balkon blijft. Pardon, ik zal ’r geen gebruik van maken....

CHARLES. Bijzondere avond.... Geen rimpel op zee.... ’n Idylle.... ’k Zou ’t persoonlijk geen week aan zee uithouden.... Parijs.... London.... De groote steden à la bonne heure.... Dat eeuwige water vind ’k assommant!

DOKTER (na een drukkende stilte). Ik heb in de twee maanden, dat ik het genoegen heb over de Stichting van uw grootmama te gaan, buitengewoon respect voor haar gekregen....

CHARLES. Ja—ja....

DOKTER. En u houdt zeker véel van haar—me dunkt ’n vrouw met dàt hart moet meer dan vader en moeder sámen voor u geweest zijn?...

CHARLES. Natuurlijk. Natuurlijk.

DOKTER. Ze dweept met kinderen. Ieder bezoek aan de Stichting is ’n feest! (een stilte). Had u geen idee te studeeren?

CHARLES. Heelemaal niet—twee jaar na de kostschool ben ’k getrouwd....

DOKTER. Zoo jong?

CHARLES. Zoo jong. ’k Zal den kelner nog eens schellen. Dat is ’n ongemeene bediening. (Gelijk verschijnt de kelner met de flesch in een koelemmer). Móést dat zoo lang duren?... De dokter zei toch dat afkoelen niet noodig was?

KELNER. De gewoonte van ’t huis, meneer—niet gefrapeerd....

CHARLES.... ’t Is goed—hou je mond (hem belettend in te schenken). Dicht laten.... Doen we zelf (kelner af). De ezel!... Een, twee, drie glazen—of ’r gespeecht zal worden.... Laat me u helpen, dokter.... Draagt u ’t alleen?

DOKTER. Gaat best. Als u de deuren even zacht openschuift—schuiven—niet duwen. Merci.

ZEVENDE TOONEEL.

Charles, Dolf.