Part 12
HOPE... Je heb beloofd niet meer op te vliegen—Dolf! (legt haar hand over tafel op de zijne)... Eens—laat me dat zeggen, zonder de intentie bijna vergeten dingen levend te maken—eens trapte je m’n groote, vreeselijk-groote genegenheid—door je ruwe overval in m’n slaapkamer—dood—toen, in den nacht dat we samen bij ’t sterfbed van je mama, in die hotelkamer waakten, had ’k ’n nièuwe vurige hoop—en we gingen voor de tweede maal van mekaar. Hij houdt z’n belofte aan mevrouw niet, dacht ’k—hij bréékt ’r niet: hij spot over alles heen—’t wordt geen dáád—geen dáád...—toen heb ik me iets heiligs, plechtigs voorgenomen: jou onder géén, géén omstandigheden te trouwen—mezelf aan de kinderen hier te geven... Stuif niet op Dolf... Ineens die belofte vergeten, zònder overgang voor de dèrde maal ’n heerlijk vertrouwen in—in jóú vastgrijpen—dat durf ’k nog niet aan. We zitten, door ’n wonder, door ’n wònder, beter, oprechter tegenover elkander, als we ’t ooit, ooit.... Nee doe nu niet brusk, niet meer zoo hartstochtelijk als vroeger... Van af de jaren dat ik als kind, zonder ouders—gedacht, maar vooral gewrokt en gehaat heb—heb ’k verlangd, niet te zeggen hoe innig verlangd... ’n eigen kind in achting voor mezelf—en m’n man groot te brengen... Dwing me op ’t oogenblik niets met je oogen af—ik zeg niet nee—niet ja—ik vraag uitstel....
DOLF. (geprikkeld)... Uitstel?... Nog eens uitstel...
HOPE... Ik ben bang dat wij—u en ik—(haastig) jij en ik....
DOLF.... Dat wij wat?...
HOPE. (moeilijk)... Dat we bij mekaar niet meer dat—dat geluk zullen vinden.
DOLF. (hartstochtelijk)... Onwaar!... Onwaar!... Jij voelt dat zelf anders...
HOPE... Misschien, misschien hèb je gelijk—laat me overleggen!—We hebben mekaar in zoo’n tijd niet gezien—in geen maanden en maanden—Als jij veranderd ben, ben ik ’t mogelijk ook....
DOLF... Met andere woorden: voor de derde maal de bons?... Verlang je nog meer, nòg meer van me!
HOPE... Nee... Maar je moet ’t me met mezelf laten uitvechten.... We zijn allebei ’n dagje ouder geworden.... (met moeite).... En ’k had ’t me al zoo afgeleerd aan jou te denken—in de bezigheden van elken dag hier....
DOLF... Dus...
HOPE... Stil!... ’t Lijkt me... (gejoel en geroep buiten).... Daar is iets.... (gaat snel op het erkervenster toe).... Allemachtigste God!
DOLF. (naast haar)... Is ’r ’n ongeluk gebeurd?
HOPE. (tot ’n man buiten)... Is een van de kinderen? Hoor je niet!.... Is een van de kinderen?... (Stem buiten: „Een van de jongens, zuster!”).
HOPE. Groote God—een van de kinderen in de sluis terwijl ’k ze zoo gewaarschuwd heb!... Groote God—met de sluisdeuren open, als toen, als toen.... (wijkt angstig van het raam).
DOLF... Steekt dan niemand van die lummels ’n poot uit!....
HOPE. (als in versteening)... Is niet te redden—is niet te redden—met die strooming naar zee...
DOLF. (driftig en glimlachend)... Dat zullen we zien!
HOPE. (wakkerschrikkend)... Blijf hier! Blijf hier! Is één leven niet genoeg!
DOLF. (met star-lichtende oogen)... Als ’k jou dàt kind in je armen terugbreng—overleg jij dan nog?
HOPE. (heftig) Dolf, Dolf—bega geen krankzinnigheid!... Als, als ’t te redden was, zouen die daar, de visschers en schippers...
DOLF... Ik zie ’t nog drijven—zie ’t—zie ’t! Bij m’n andere dollemans-jacht, zag ’k niets, niets!.... (naar de deur). Jij wou ’n daad, ’n daad...! Je zult je daad hebben....
HOPE. (heftig)... Dolf, ik smeek je, smeek je—doe ’t niet....
DOLF... Al zou je nou op je knieën—al zou je God en de engelen zelf.... (af).
HOPE... Dolf, Dolf....
ELFDE TOONEEL.
Hope, Dokter.
DOKTER... Wat is ’r?... Waar holt-ie heen?
HOPE... Hou ’m terug, Jan. Hou ’m terug! Een van de kinderen is in de sluis gevallen, drijft naar zee... Vraag niet verder... Hou ’m terug!... Ik, ik, ik jaag ’m den dood in... (Dokter af).
TWAALFDE TOONEEL.
Annie, Hope.
ANNIE. (snel door rechtersuite)... Hope! Hope!... Weet je ’t?... Weet je dat Fritsje....
HOPE... (hartstochtelijk)... Fritsje?... Fritsje!... De ellendelingen! (zakt op ’n stoel).
ANNIE... Toen Toos omkeek wou-ie... Wat doe je?
HOPE. (wild op het erkervenster toestortend, kijkt, geeft ’n gil). O!... O!... Dat Jan ’m niet tegengehouden heeft!... Dolf!... Dolf!... (zit bewusteloos-starend neer).
ANNIE. (door het venster verschrikt kijkend). Moeder Maria... Moeder Maria...
HOPE... Mijn schuld... Mijn schuld...
ANNIE... Ze brengen ’n boot uit... Laten we...
HOPE... Ik kan niet....
ANNIE... We zijn ’r in tien tellen....
HOPE... Ik kan niet....
ANNIE... Dan ga ik...
HOPE... (zacht smeekend)... Hier blijven... Hier blijven... Ik ben zoo bang—durf niet naar buiten kijken.... O lieve God in de hemelen, God in de hemelen, God in de hemelen!... Ik hou zoo waanzinnig, zoo waanzinnig-veel van ’m.... O lieve God in de hemelen, maak me niet gek, niet gek!...
ANNIE... (angstig)... Is-ie hier vandaan—hier uit de kamer....?
HOPE... Ik weet ’t niet, weet niets, niets!... (de armen om Annie heen slaand). Kijk niet! Kijk niet!... Bij ’t leven van je Tilleke kijk niet!... Ik heb ’m vermoord... Als ’k m’n mond op zijn mond gedrukt had, zoo als ’k ’t wóú, zooals ’k ’t ieder uur van den nacht, ieder uur van den dag droomde, droomde, droomde, zou-ie me niet voor altijd alleen hebben gelaten, voor ’n kind dat hèm niet angaat, mìj niet angaat, nièmand angaat....
ANNIE.... Hope, in Godsnaam, kom tot jezelf!.... Misschien heeft de boot ’m.... (wil naar ’t raam).
HOPE. (hartstochtelijk het koord van het gordijn stuktrekkend, zoo dat het voor het venster neerflapt)....... Niet kijken.... Niet kijken.... Ik zie ’m nooit meer terug!... (zakt met het hoofd in de armen op de tafel).
ANNIE... Hope!... Hope... (buigt angstig-aarzelend ’t gevallen gordijn ’n weinig om, staart door den kier, gaat diep-ontzet op den anderen erkerstoel zitten).
HOPE. (die de laatste bewegingen opgelet heeft, richt zich op).... Kijk je niet meer? (een stilte). Blijf je zitten?... (een stilte)... Zeg je nièts....?
DERTIENDE TOONEEL.
De vorigen, Dokter.
DOKTER. (dompt verslagen op den stoel bij de deur....) Da’s vreeselijk, vreeselijk....
HOPE. (ziet hem aan, barst los)... Mijn schuld! Mijn schuld!... Ik heb ’m tot ’t laatst voorgelogen.... En om dat kind, dat vreemde kind, heeft-ie mìj, mìj... (zakt ineen. Annie en Jan schieten toe).
EINDE.
Berlijn/Scheveningen, December ’07.
VERZAMELDE TOONEELSPELEN EN OPSTELLEN-OVER-TOONEEL
DOOR HERM. HEIJERMANS Jr.
TWEEDE DEEL.
I. GHETTO (1898).—II. DE SCHOONE SLAAPSTER (1909).
AMSTERDAM—S. L. VAN LOOY—1911.
Het recht van opvoering nadrukkelijk voorbehouden volgens de Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad No. 124).
GHETTO.
TOONEELSPEL IN DRIE BEDRIJVEN
GEHEEL HERZIENE 5DE DRUK
DOOR HERMAN HEIJERMANS.
Het recht van Opvoering nadrukkelijk voorbehouden volgens de wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad No. 124).
Voor de eerste maal in den ouden vorm te Amsterdam op 24 December 1898, opgevoerd.
DRAMATIS PERSONAE.
Sachel. Rafaël, zijn zoon. Esther, zijn zuster. Aaron. Rebecca, zijn dochter. Rebbe Haëzer. Rose. Een Jood.
EERSTE BEDRIJF. [4]
(De bedompte uitdragerswinkel van Sachel. Het is avond. Er brandt een kleine olielamp).
EERSTE TOONEEL.
Sachel. Rose. Een jood.
EEN JOOD. Goeienavond..... (knoopt een pak los). Warm. Om ’r bij neer te vallen. Is Esther ’r niet?
SACHEL. Esther is uit.
EEN JOOD. Hoe wou ù dan helpen?
SACHEL. Geef ’t maar hier. Ik zie beter met mijn handen as jullie met je oogen! (het goed betastend). Niks. Geen cent waard. Heelemaal niks. Prullen.
EEN JOOD. Geen cent waard? En Esther heit ’r me de vorige keer twee gulden op gegeven!
SACHEL. Twee gulden? Twee gulden! Daar had ik bij motten wezen! As ’k tien stuiver geef is ’t mooi. Allemaal versleten goed....
EEN JOOD. As je kinderen ’r maar nooit gebrek an zullen hebben! Noem je die jas versleten? Noem je die broek versleten? Ken merken dat u ’r geen kijk op heit.
SACHEL. Ik vergis me niet. M’n vingers zién. Die zién voor zes. De knoopsgaten zijn heelemaal uitgerafeld en wat heb ’k an ’n broek met afgetrapte randen?
EEN JOOD. Noem u dat uitgerafeld? Noem u dat afgetrapt? Was uw zuster maar hier! Wat doe ’k met die redeneering!
SACHEL. Rose—kom hier. Bekijk die jas is bij de lamp. Heb ’k recht as ’k zeg dat-ie versleten is?
ROSE (de jas bekijkend). Mooi is-ie niet. Maar zoo erg versleten, zoo héel erg...
SACHEL (nijdig). Wat niet versleten! Ben jij blind? Houen jullie me voor de gek! Had ik me óógen, dan had ik jou niet noodig, jou niet, niemand niet! Is ’t niet ongelukkig genoeg dat ’k blind ben? An me vijanden ben ik overgeleverd. Nou staan ze mekaar an te kijken of ’k ’t zoo zie! Dievetuig! Maar bestelen laat ik me niet! Nog niet voor ’n cent! Geef hier die jas! (betastend). De knoopsgaten zijn kapot.... Hier is ’n plek waar de wol ’r af is... En de voering.... de voering.... kijk die gescheurde voering!.... En zoo’n stomme os ziet niks, wil niet zien!.... Geven we je daarvoor te vréten dat je mijn in me zak liegt!
ROSE. Ik lieg niet....
SACHEL. Jij liegt! Jullie liegt allemaal!
EEN JOOD. Wat doe ’k met dat geklets! Maakt Esther zoo’n spiktakel? Geef me honderdvijftig centen....
SACHEL. ’n Daalder? ’n Cent ’n kwaje dag meer as vier kwartjes.
EEN JOOD. Vier kwartjes? Dank je! Dan pak ’k ’t weer in.
SACHEL. Ga je gang! Ik zal me geld in ’t water gooien! Kom ’r ook niet met stelen an....
EEN JOOD. Nou, laten we zeggen vijf kwartjes. Ik heb ’t noodig—me vrouw is ziek. Anders kreeg je ’t nog voor geen drie....
SACHEL. Al was je heele familie ziek—ik geef niemeer as vier kwartjes. Vodden! Vuiligheid! Voor mijn part neem je ’t mee. Zal me zorg zijn! Vraag wat ’t mijn hindert. Nògh, wat begin ik nou!
EEN JOOD. Ik heb al m’n levensdagen nog nooit zoo’n hond gezien—weigert ’n kwartje meer voor ’n zieke vrouw (inpakkend). Dan breng ’k ’t na Levi! Die heit nog ’n pietsie meelijden met ’n ongelukkig mensch!
SACHEL. Me zorg. Laat Levi z’n heil d’r in zien. Zoo’n dalles zal me afgestoten worden!
EEN JOOD. In Godsnaam! Og wat ’n uitzuiger!
TWEEDE TOONEEL.
Sachel. Rose.
SACHEL (snauwend). Haast je da-je klaar komt! Stommeling! Te beroerd om voor de duvel te dansen! Je had toch kennen hèlpen met te zeggen dat ’t niks waard was! Je vreet ’r toch van mee! As ik ’n jódenmeid had—die—die zou léeper zijn.
ROSE (schuw). As ’k ’n jodin was, had ’k ook motten zeggen dat de jas zoo slecht niet was.
SACHEL. Wàt motten? Wie vraagt je? Wie, hè? Hè?
ROSE. Ik lieg niet.... Dat doe ’k niet....
SACHEL. Hou je bek! As jij tien jaar bij me ben, begrijp je nòg niks! ’t Zit niet in jùllie kop. Is er niet in te giéten. Wat draai je nou? Je heb niet in die hoek noodig.... Wat scharrel je?
ROSE. Ik veeg ’t vuil bij mekaar.
SACHEL. Jij veegt? Jij veegt? Luilakken doe je, tijd vermorsen, dagdieven!—’n Goeie jas, ’n kostelijke jas.—Ongeluk brengen jullie an. Geen haar zegen. Schiet op! Sta me niet an te kijken! (Stilzwijgen). Was jij op van nacht?
ROSE. Nee!
SACHEL. Waarom schrik je?
ROSE. Ik schrik niet.
SACHEL. Leugen! Leugen! Wàt dee je op?
ROSE. Ik ben niet op geweest.
SACHEL. Ik heb ’t gehoord. De klok had geslagen. Je liep op je kousen, op de trap, in de gang.
ROSE (schuw). Niet waar.... Ik heb geslapen, ben me bed niet uit geweest.
SACHEL. Je liegt! Ik heb hóóren loopen.
ROSE. Ik niet.... Ik niet....
SACHEL. Je deur heeft gekraakt—je ben in de gang geweest en de trap af tot an de deur van de winkel.—Die was op slot. Die was op slot! Wat wou je? Ik laat me niet bestelen. As ’k iets mis al is ’t de knop van ’n speld, dan, dàn, dàn ben je ’r bij, dan ben j’r voor jàren bij—versta je....
ROSE.... Ik bèn niet op geweest.
SACHEL. Kom hier! Heelemaal hier. Dichter bij. Nog dichter. Waar is je hand? Zoo. Zeg ’t nou nòg is!
ROSE (angstig). Ik ben niet op geweest! Waarachtig niet. Geen oogenblik. Ik heb...
SACHEL. Je liegt! Je hand beeft! Tuig! Tuig! Maar ik lèt op je. Geen beweging maak je, of ’k zie ’t. En as ’k je snap, laat ’k je ’r uit slépen of ’k zal geen gezond uur meer hebben!
ROSE (voortwerkend). Ik zou niet weten, waarom ik op zou staan—wàt ’k in de winkel noodig zou hebben.
SACHEL. Jij zou niet weten! Jij! Bij tijjen willen jullie me doen gelooven, dat ’k gek ben, hiet je liegen wat m’n óoren zien! Dat God jullie straffe met mijn straf, dat jullie oogen wegkwijnen zooas de mijne weggekwijnd zijn, dat jullie zoeken in die verdoemde nacht, zooas ik zoek elk uur, elken dag! ’t Is om te huilen! ’t Is om je handen te heffen tegen God—altijd nacht en vijanden om je heen, vijanden die je niet zièt, vijanden die zich niet hoeven te verbergen, vijanden die spotten zonder dat je d’r spot ziet, vijanden die lachen zonder dat je d’r lach ziet, vijanden die je vóélt, hier, daar, overal, vijanden met stemmen, waarin de leugen vastgevreten ligt...
ROSE.... Ik ben geen vijand.
SACHEL. Ik ken jou niet, weet niet wie je ben. Nooit zag ik je gezicht, nooit je oogen. Pas heb je tegen me samen gespannen met die kleeren, misschien wel wat van ’m angenomen! Je stond zoo dicht bij ’m...
ROSE. Nee! Niewaar!
SACHEL. En vannacht heb ’k je hóóren loopen. Wat dee je? Wat wou je? Je hàd niet op te zijn. Wat dee je op de trap en benejen? Daar denk ik over, daar tob ’k over òmdat je liegt. Nòu zit ’r wat achter. As je gezeid had: ik wàs op, ik was ziek—dan—had ’k je geloofd, was ’t uit geweest, heelemaal uit. Maar je wil me wijsmaken dat ’k niks heb gehoord! Ik niks hooren! Ik, die op m’n ooren leef!
ROSE (aarzelend). Ik was ziek—vannacht.
SACHEL. Dus je wàs op.
ROSE. Ik was....
SACHEL. Waaróm zeg je dat noù pas?
ROSE. Weet ’t niet. Ik was bang.
SACHEL. Bang voor wàt?
ROSE. Bang voor.... Bang voor.... Ik kan me niet bewegen of ’k wor afgesnauwd.... Ik durf niks meer zeggen.... Ik was bang—omdat ’k dacht je wakker gemaakt te hebben.
SACHEL. Zoo. Zoo. Maar de tràp. Wat dee je op de trap?
ROSE. Dat herinner ’k me niet....
SACHEL. Ik vertrouw jou niet.... Jij ben ’s nachts nooit ziek.... En je liegen, je verdomde liegen... Je kon wel ’n ànder plan hebben gehad....
ROSE. ’n Plan?...
SACHEL. Praat niet zoo onnoozel! Wie zegt me dat je niet stelen wou? (Stilzwijgen). Nou? Zeg je niks?
ROSE. Wàt mot ’k zeggen?
SACHEL. Zoo. Zoo. Ze houdt d’r mond. Dan weet ze dat ’k héélemaal in ’t donker zit.—Nou? Nou?
ROSE. Ik heb niks te zeggen. ’t Is te geméén om zoo iets te denken.
SACHEL. Te gemeen? Te gemeen! Gemeen is ’n ouwe man bedriegen en beliegen.
ROSE. Dat heb ’k nooit gedaan.
SACHEL. Ik vertrouw jullie niet, me zuster niet, me zoon niet, niemand niet! Tuig, allemaal tuig!
DERDE TOONEEL.
Sachel. Rose. Esther.
ESTHER. Wat schreeuwt-ie weer? Je ben op ’n uur afstand te hooren. De buren motten wat van ons denken....
SACHEL. De buren! De buren! Wat gaan mijn de buren an!
ESTHER. Wat hem de buren angaan? Nee, wat zeg je me daàr van? Wat hèm de buren angaan?... ’k Zou zegge dat ze je niks angaan! Og, is me dàt ’n spiktakel! Lastige ouwe! ’t Verstand komt ook niet met je jaren!
SACHEL. Jullie zijn me haast kwijt. Je heb zoo lang niet meer last van me!
ESTHER. Wie legt je wat in de weg! Wie doet je wat? Jij schreeuwt maar. Jij schreeuwt ’t heele huis bij mekaar. As je dan schreeuwt, schreeuw dan met reden.
SACHEL. Met réden? Dùizende reden heb ’k. Was daar niet ’n koopman met ’n partijtje negotie hier en jaagt zoo’n stomme meid ’m de deur niet uit? Blijf jij daar kalm bij. Zeg jij niks!
ESTHER. Wat heit ze d’r van noodig?
SACHEL. As ’k ’r vraag om ’t bij de lamp te bekijken, zeit ze dat ’t zoo slecht niet is—as ze pas heit hooren zeggen dat de franje ’r bij hangt.
ROSE. Ik wist niet beter.
ESTHER. En às ze ’t gedaan heit, lastige ouwe, dee ze ’t toch niet met opzet? Wor je arm van eén partijtje? In gosnaam stràkkies wat anders! Hóe ken ’n blinde zich zóo de sappel maken? Wat schiet je ’r mee op?
SACHEL... Smoezen jullie maar... Ik voel wat ik voel. Ik heb ’t bij mekaar geschraapt uit hoeken en gaten. Krom heb ’k gelegen voor die paar centen. Me vrouw zaliger, dié, dié, heit me gehòlpen tot an d’r sterfbed. Jùllie verstaan de handel niet. ’n Zoon die nooit bij de affaire is, ’n zuster die àlles te duur inkoopt, as ik ’r niet bij zit, as ik niet elke rooie duit met tàngen vasthou! Bloed zweet ’k!
ESTHER. Zweet wat anders! Hij zweet bloed! Zweet geen bloed, nar! Alles komt terecht as je maar niet lastig ben—Doe de luiken voor de ramen, Roos.
SACHEL. Zij niet. Dat mot jij doen of Rafaël. Zij verstaat ’t niet.
ESTHER. Verstaat zij ’t niet? Doet ze ’t niet èlke avond? Wat mankeert jou toch? Ga je gang, Roos.
SACHEL. Zij niet! Zij niet! As ze de pennen vergeet!
ESTHER. Die vergeet ze toch nooit.
SACHEL. Stoor je niet an me! Groot gelijk. Tot ’t te laat is.
ESTHER. God allemachtig—wat heit die man ’t van avond op z’n heupen! (Rose doet de luiken voor). D’r komt zeker onweer los met die warmte. Ik heb ’t hòndswarm. Zouen we niet beter doen voor de deur ’n luch-ie te scheppen?
SACHEL. Dank jou voor je luchie. Ik heb ijskouwe voeten.
ESTHER. IJskouwe voeten? Hoe is ’t mogelijk? Hoe komt iemand an ijskouwe voeten? D’r hangt ’n lucht om te stikken. Ik zweet me dood! (gaat bij de onderdeur zitten).
SACHEL. Heb je gekeken of de pennen....
ESTHER. Maak je niet ongerust! Alles komt in orde.
SACHEL. Op ’t linkerraam zit-ie nog niet.
ESTHER. Ze zal ’m ’r wel opdoen....
SACHEL. Ben je bij Abram geweest?
ESTHER. ’n Loop voor niks! Had de heele boel verkocht. Vanmiddag al.
SACHEL. Was Rafaël ’r dan niet geweest?
ESTHER. Rafaël? Rafaël? As-diè wat belooft, komt ’r eerst zeker niks van! Was ’r heelemaal niet geweest! Je mot ’t van je kinderen hebben. Geeft me wonder dat-ie nog thuis eet! ’k Zal z’n koffie op de stoep zetten, dan hoeft-ie niet binnen te kommen.
SACHEL. Had ’r zelf heengegaan van morgen!... ’n Heele partij goed na de maan!
ESTHER. Og, wat zal ’k antwoord geven op jouw gezanik! Mot ìk jóuw zoon achterna loopen? ’k Heb niet genog te doen! Ken ik helpe dat-ie te lui is om ’n poot te verzetten? Zoo’n leeglooper! As-die eenmaal belooft bij Abram an te gaan, ken ik dan ruike dat-ie niet gaat? ’k Zal ’m an ’n handje nemen! ’k Zal ’m op me arm d’r na toe dragen! Wat zeg je me daàr van!
SACHEL. Met al jouw gesmoes—de pen is niet op ’t raam....
ESTHER. Wat wil die man toch van avond van de pen! Ze halen hier niks weg. En mijn zeker niet: ik eet te veel. En as ze jou stelen, brengen ze je over ’n uur terug. Je ben te lastig. Klaar, Roos?
ROSE. Alles is klaar. Heb u mij nog noodig?
ESTHER. Zet water op voor de koffie. En kom ook ’n luchie scheppen. ’t Is om te bezwijken. En... en... geef me broer ’n heete stoof voor z’n kouwe voeten!
SACHEL. Spot maar! Spot met ’n blind man! Ik ben nog niet genoeg bezocht!
ESTHER. Daar heb je me waarachtig Aaron! Wat doe jij hier?
VIERDE TOONEEL.
Aaron. Esther. Sachel. Rose.
AARON. Wat ik hier doe? Beetje handel!
ESTHER. Mot je daarvoor zoo laat kommen? ’t Is kinderen-bedtijd.
AARON. Kinderen-bedtijd? Noem je negen uur kinderen-bedtijd? Voor handel is ’t nooit te laat. Al wou ’k in de nacht kommen! Wat jij, Sachel? Zal ’t nooit vergeten, toen we jong waren, dreven we in ’t hartje van de nacht nòg handel. En wat ’n gezegende tijd. Weet je Sachel met die verkooping van de marine, hoe we om vier uur ’s morgens opzaten met Jozef en Meijer? Toen konden we zeggen: we hebben ’n paar droge centen verdiend—kwamen we met ’n stuk geld thuis. Nou is de handel gedaan. Ze weten nie-meer wat handel is! ’t Wordt dalles troef.
ESTHER. Beklaag je! Klagers hebben geen nood. Je ken nog ’n boel van je vet verliezen vóor je mager wordt.
AARON. Waar staat geschreven dat ik me vet mot verliezen? (tot Sachel) ’k Heb ’n partijtje afval van wol.
SACHEL. Afval van wol? Niks voor mijn.
AARON. Niks voor jou? Hij weet nog niet eens wat ’t is! Heb ’n monstertje meegebracht. Laat zich aardig fijn voelen.
SACHEL. Niks voor mijn. D’r loopt ’n katoenen draad door! Hoor hoe ’t kraakt as je ’t scheurt.
AARON. Maak mijn wat wijs. Geen krummel katoenen draad! Wat zeg jij, Esther?
ESTHER. Geen katoenen draad? Noem je dàt wol? En dat?
AARON. Is dat katoen? Je heb ’r geen verstand van! Dat noemt zij katoen! Kijk hoe ’t brandt! Ruikt dat na wol of na katoen? Je zel mijn wat opdringen! Nog geen pietsie zit ’r in! De fijnste wol! Over de heele wereld vin je zoo’n fijne wol niet!
SACHEL. Hij maakt zich druk! Over wie maak jij je druk? Toen ’k ’n kind van twee jaar was, wist ’k ’t onderscheid! Engelsch laken, anders niks!
AARON. Engelsch laken? Zoo zal jij gelukkig blijven en ik ’n goeie week hebben, as dat Engelsch laken is.
ESTHER. Heb je niks anders....?
AARON. Is dàt dan niks? Heb ’r ’n heele partij van—over de twintig pakken. Pracht van ’n goed. Reusachtig.
SACHEL. Niks voor mijn.
(Rose op met koffie).
ESTHER. Bakkie koffie, Aaron?
AARON. Geef me ’n kommetje.
ESTHER. Boterkoekie? Eigen gebak.
AARON. Geef me ’n brokkie.
(Rose gaat bij de open deur zitten).
ESTHER. Smaakt ze? Heb ’r anderhalf pond boter in.
AARON. Z’is ook aardig fijn. ’t Is of me dochter Rebecca ’r geen slag van krijgen kan. Je heb ’n goeie hand van suiker. Rebecca maakt ze te zoet of heelemaal geen suiker. En altijd half gaar. Nooit zal ze zoo knappen as jouw kiks.—Nou, hoe is ’t, kennen me handelen?
SACHEL. Hoeveel mot je ’r voor?
AARON. Zeg wat ze jou waard is.
SACHEL. Ik doe geen bod. Jij ken beter vragen as ik biejen.
ESTHER. Ach, wat motten wij ’r mee doen? Wat heb je ’r an?—Is je dochter Rebecca al beter?
AARON. Zoo gezond as ’n visch. Mankeert niks meer. Rafaël niet thuis?
SACHEL. Natuurlijk bij de weg.
AARON. Heit-ie ongelijk? Wat heit-ie hier? Wat mot zoo’n jonge jongen altijd thuis zitten?
SACHEL. Wat had ìk toen ’k jong was? Wat had jìj toen je jong was? Op ’n klein kamertje woonde ’k met vijf broertjes en zussies en me ouwers en me grootmoeder. Gebrek en honger heb ’k gelejen. Gevòchten hebben we om ’n korst brood. Op ’n morgen ben ’k wakker geworden—met z’n vieren sliepen we op de grond—en—en ’n zussie lag dood naast me. Zal ’t nooit vergeten—pakte d’r hand—ijskoud. Voel ’k nòg! Van gebrek is me grootmoeder gestorven. In één jaar zijn ’r drié kinderen begraven. Ik heb wat meegemaakt. ’t Is ’n wonder dat ’k nog léef, dat Esther nog leeft.... Wat heit zich mijn zoon te beklàgen? Die kent geen gebrek. Die kent geen zorg. De tijd is veranderd. Zoo vrij as ’n christen loopt-ie door de stad, komt op allemaal plaatsen waarvan ik nooit gedroomd heb, waar wij joden, vroeger, ons niet konden vertoonen. ’n Halve christen is-ie geworden. Ik beleef niet veel vreugd an ’m.... Soms lijkt ’t of ’k geen kind heb.
AARON. Je mot ’t zoo zwaar niet opnemen. Jeugd, niks as jeugd. As-ie maar eenmaal ’n meissie heit.
ESTHER. Zeg ’k zoo dikwels. Maar hij kijkt niet na meissies.
AARON. Dan motten júllie voor hèm kijken.—Nou, doen me handel? Wat is ’t je waard?