Chapter 15 of 23 · 3941 words · ~20 min read

Part 15

HAËZER. Legt ze je iets in den weg, gekje! Moet je voor die geen andere nemen? Praat nou ’s over iets anders—wees wat opgewekter. Ik begrijp wel dat je ongeluk je—somber maakt. Maar de Eeuwige, onze God, wil wat hij wil en in alles is zijn heerlijkheid en zijn grootheid....

SACHEL. Grootheid.... Grootheid.... ’t Is moeilijk God gróot te denken as je door je ooren en je vingertoppen mot zien....

HAËZER. La-la-la.... Niet zoo doorslaan....

SACHEL. Maar met die meid is ’t wat ànders. ’r Gebeuren dingen onder me dak—dingen—ze bedriegen me.—’k Heb ’r gehoord—laat in de nacht—en—en....

ZESDE TOONEEL.

Sachel. Haëzer. Esther. Rafaël.

ESTHER. Zoo. Nou kennen me knuf-knuf praten.

HAËZER. Dag Rafaël, dag bèste jongen.

RAFAËL (begrijpend). O....—’k Heb u in làng niet gezien.

HAËZER. In lang niet, nee.—Ja, heel graag: ik wil nog ’n kopje.—Wel, wel, wel, je krijgt ’n héélen baard.—Nee, geen melk.—Schuif wat bij, Sachel.—Zoek nou over de heele wereld, over de heele, hééle wereld—en nèrgens vin je die goeie, prettige, joodsche huiselijkheid. Die vin je alleen bij óns. De christenen verstaan ’t niet. Die kennen geen Sjabbesavond, die wéten niet wat fámilie is. Waar of niet? Bij ’n Christen ben je niet op je gemak. Al ga je jaar in, jaar uit met ze om, ’t blijft vreemd. Elke jood is ’n stuk van je familie—en ’n jood begrijpt je, die voelt met je mee, daar vin je iets in van je eigen huis.—Dat ’s ’n héél fijne kiks—kan òok alleen maar ’n joodsche vrouw.—En wat is ’r zoo voor nieuws op de wereld?—de wereld is groot....

SACHEL. ’k Wou dat u sprak met m’n zoon—’k heb u verteld....

HAËZER. Ja-ja-ja—Zóo gewichtig is dat niet! Strakjes. Strakjes. Niewaar Rafaël, wij vliegen mekaar niet in ’t haar. Bij mij heb je geen houvast meer! Hahaha! Tja-tja.—Smakelijk lachen is alles. Daar frisch je zoo heelemaal van op. Slaat daar niet ’n deur?

ESTHER. Dat ’s de meid die na Meijer gaat....

RAFAËL. O! O ja juist. Ja, nou zijn we alleen.

SACHEL. ’k Heb gesproken over Rebecca....

HAËZER. La-la-la. Gekje wat maak je ’t je toch moeilijk! Alles komt op z’n pootjes terecht. Alles. Niet zoo doordrijven. Niet zoo haastig gebakerd. Jij heb ’n wil en je zoon heeft ’n wil—en voor de wil van je zoon moet je respect hebben. Je mag Rafaël niet behandelen als ’n kind. Je kent ’m nog altijd van toen die zoo kléin was. Je heb ’m niet groot zien worden. Als Rafaël redenen heeft, bezwaren heeft om met Rebecca te trouwen, dan moet je luisteren, dan moet je redeneeren. Want per slot van rekening trouwt Rafaël en trouw jij niet, gekje.

ESTHER. Dat zeg ik ook. Hij praat asof hij de bruigom is. Nar!

HAËZER. Z’n hart is jong genoeg! Hahaha! Niewaar Sachel? Oók ’n joodsche eigenschap. Zoek ’t bij de christenen! ’n Jood drinkt niet, ’n jood is matig, ’n jood brengt ’t tot hoogen ouderdom. Zouen we anders, na zóóveel vervolging, geworden zijn wie we zijn? Wat zeg jij, Rafaël? Zeg ook ’s wat. Je moet niet zoo ernstig zijn op joùw leeftijd. Neem ’n voorbeeld an mij. Zou je zeggen dat ’k diep in de zestig ben—maar je moet niet na m’n haar kijken. Hahaha!

ESTHER. Drink is uit, meneer de rebbe.

HAËZER. Nee. Nee. ’k Ben voorzien. En nou over die kleine kwestie—och, ze vallen zoo dikwijls voor en je hoeft ’r mekaar niet minder lief om te hebben—die kwestie, wàt was ’t ook weer?

SACHEL. M’n zoon....

HAËZER. La-la-la—’k weet ’t al—hij wou graag wat van de wereld zien en nog niet trouwen.—nog niet trouwen. Wel, wel, wel..... En hoe zit dat zoo, Rafaël?...... Je vader is ’n gekje en jij ben ’n gekje. Jullie zijn twéé gekjes bij mekaar. Waarom zul je ’t elkander moeilijk maken? En jij—jij met je gezonde oogen—jij die ’t licht ziet—en de hééle wereld—hoe kom je op de kinderachtige inval om wèg te willen? Weg—wat is wèg? Kijk je vader eens an! Zie ’m zitten. Kan-ie ’n stàp alleen?—Weg, wat is weg? Wèg, dat is zijn bij andere menschen. Gekje, gekje, vin je óóit weer ’n huis, waarvan je elk meubeltje ken, élk hoekje, èlke balk, èlke schaduw? Kijk is rond. Je jeugd vergeet je nooit. Ben je opgegroeid bij die kast, bij die klok, bij die tafel, bij, bij, bij wat je maar wil? Weg, dat is breken, breken met de scheur in die balk, met de stoelen waar je over klauterde toen je ’n kléine dreumes was.—En onder die lamp hebben we samen gezeten. Weet je nog de twéé-en-twintig letters, de vijf lange, de vijf korte klinkers... hahaha! En dan viel de snuif uit m’n neus op ’t gebedenboek—dat heb je me làter verteld—en je moeder zat dáár—die luisterde—die lachte omdat jij niet gelooven wou dat de staf van Aaron, die aan ’t huis Levi toebehoorde—in de tent-der-getuigenis ’n bloem had gekregen—weet je nog? Wat wil je gekje? Wat krijg je in de plaats als je weg gaat? Vreemden. Kom je bij andere joden en zit je an de Sjabbestafel dan denk je an de Sjabbestafel thuis, an je blinden vader die zelf brooge moet maken, zelf benchen.—En kom je bij chrístenen en is ’t Vrijdagavond dan verlang je naar je soepje èn je pudding—èn naar de kast—èn naar de lamp—èn naar de klok. Zooals ’n klok thuis tikt, tikt ze nergens. Hoor!—En geef me nou nog ’n kopje.

ESTHER. Zie je—nou lacht-ie zelf.—Malle jongen. Jij trouwt Rebecca—en ik dans op de bruiloft.

RAFAËL. Goeie ouwe rebbe, God gaf dat ’t anders zijn kòn. Maar ’t kan niet. Nou niet. Later niet.

SACHEL. Daar heb je ’m wéér! ’k Begin ’r genoeg van te krijgen.

HAËZER. La-la! La-la-la.—Geen herrie. Met krakeelen bereik je niets. Ik vraag alleen: waàrom niet, Rafaël? Waàrom niet? De leeftijd van grillen ben je te boven. Nooit heb ik ’t je lastig gemaakt. Dat wéét je. Je ben ’n heele tijd niet in de Schoel geweest—’k heb je niets gevraagd—ik dwing niet.—Maar noù, maar nóu....

RAFAËL. Vraag ’t m’n vader....

SACHEL. Hij wil wèg—hij wil weg—om—om—om ’n kwestie van hàndel—om—om—nooit heb ’k handel ànders voor me gezien.... Maar hij liégt—ik héb toegegeven, àlles toegegeven—en hij wil niet....

HAËZER. Zoo. En nou jij—gekje?

RAFAËL. Hij heeft gelijk.

HAËZER. Wat hoeven we dan nog te praten?

RAFAËL. Als ’k—als ’k àlles vergeet wat ’k hier—wat ’k hier—van hàndel gezien heb, dan nog kàn ’k niet, wil ’k niet—want handel en bezit—werken alléén om bezit—werken van ’s morgens tot ’s avonds om géld na je toe te halen, géld, géld—dat zou ’k niet kunnen, dat is spótten met ’t leven, dat is bestaan op kosten van anderen—èn—èn—o, goeie rebbe—waarom zeg je ’t niet in de kerk—dat strijdt tegen de wetten van Mozes....

HAËZER. Wéér ’n profeet! In geen tijden hebben we zóóveel profeten gehad. Handel—bezit—in strijd met de wetten van Mozes. Wel, wel. Dat wordt ’n theologisch gesprek. Maar dat mag ’k wel. Daar kan ik van leeren. Als ’t geen Sjabbes was, zou ’k ’r ’n pijp bij opsteken. Hahaha! Tja-tja, we worden in ’n hoekje gezet! Zoó. Laat nou is hooren. ’k Zit er voor...

RAFAËL. Waartoe zou ’t dienen? Met ’t oprakelen van ouwe dingen, veranderen we ’t tegenwoordige niet....

HAËZER. Heel, héél handig!—Maar zóó laat ik je niet los. Je heb a gezegd—zeg nou ook b. En als jij b zegt, zeg ik c en zóó kom je in de val. Hahaha! We zitten gezellig, niewaar—we hebben allen tijd. En zoo volgen we ’t goeie wegje om jou radikaal van je malle ideetjes te genezen. Kom, gekje!

RAFAËL. Wil je? Goed. Kijk—op ’n dag kwam ’k ’n—’n—làmme tegen. Hij kon zich niet bewegen, niet loopen, niet staan. Hij zat. Hij zat altijd op dezelfde plek, dreef handel. Want hij sprák en hij dácht....

SACHEL. Zeg maar ’n blinde....

RAFAËL. .... Hij kende alleen ’t genot van geld en koopwaar. Lang dacht ’k over die ongelukkige na, begreep ’m niet. Hij was geloovig...

HAËZER. Ja—ja—maar daar zou je ’t niet over hebben.....

RAFAËL. .... Hij was geloovig. Ik las de boeken van Mozes om te weten. Ik las van ’n volk dat groot was geweest in kracht en in moed en in krijgsroem. Ik las van ’n volk dat tabernakels gebouwd had en grond verdeeld voor een ieder gelijk. Ik las dat geen renten zouden opgeleid worden aan den arme.... dat het zévende jaar ’t land en de wijngaard braak zouden liggen om de behoeftigen te steunen—dat landerijen niet voor àltijd zouden verkocht worden—„want Mijn is het land en gij zijt slechts vreemdelingen bij Mij”—dat ’r ’n jubeljaar zijn zou en ’n lossing....

HAËZER. Heel goed. Heel goed. Dat heb ik je zèlf geleerd....

RAFAËL. En zooveel meer!...

HAËZER. En de hàndel, gekje?

RAFAËL. Handel? Was handel niet veracht? Hoe sprak Jacob van Issachar?

HAËZER. Heel goed. Heel goed. ... Een sterk gebeende ezel, niewaar? Hahaha! Aardig beeld. Vin je ergens mooiere beelden dan in ons wetboek?.... Maar, gekje, je had ’t onder leiding moeten lezen. Nou heb je hiér wat opgevangen en daar wat en ’t rèchte weet je niet.

RAFAËL. Meer dan ’k weet, wil ’k niet weten.

HAËZER. La-la-la. Daar ken ik je beter voor. Jij ben niet met ’n déél tevreden.

RAFAËL. Welke leéring is ’r te trekken uit wat niet meer leeft?

HAËZER. Niet meer leeft, gekje?

RAFAËL. Heb ’k niet bij ’t lezen gevoeld dat ’k was in ’n dóóden tijd? Is ’n kerkhof ’n wandelweg voor levenden?

HAËZER. Woorden, woorden, gekje. De geest, niet de letter maakt ’n godsdienst levend. Met letters kun je vechten, met letters kun je goochelen. Met letters bewijs je dat groen geel en geel rood is. Met letters.... Dreef David handel? Dreef Salomo handel? Ja! Getuigt niet Abraham’s dienstknecht dat de Eeuwige zijn heer heeft gezegend met schapen, runderen, zilver, goud, knechten en dienstmaagden, kemelen en ezelen? Gèèn bezit? Getuigt Mozes niet van Gad’s ruime grenzen? Geèn bezit? Met letters.... De géést.... De géést alleen—de jóódsche geest... We gaan niet achteruit. We gaan vóóruit. Stel dat Mozes terug kon komen en God’s wetten opnieuw schrijven—dan zou-die—dan zou-die—wat-ie zou wèten we niet—maar dan zou-die, en dát kun je wel voor zeker aannemen—dan zou-die heel wat òngeschreven kunnen laten wat goed was voor een nomadenvolk dat zich vestigde en niet meer zoo héélemaal goed voor.... voor ’n volk dat vrij leeft in ’n christenmaatschappij.... Maar ’t lévende, ’t lévende deel—de joodsche geest.... de jóódsche geest.... zou die ònveranderd—ik zeg ònveranderd laten.... En dat is de groote fout, gekje, als leeken snuffelen in wijze boeken. Die zien ’t oppervlak, de huid, ’t uiterlijke—en—en—’t goddelijke voelen ze niet......

RAFAËL. Ik voel ’t goddelijke van mijn tijd, ’t goede ’t schoone, ’t slechte.... Ik voel dat elk begrip van God zich verplaatst, èlke eeuw ànders wordt, ànders door—door—hoe zal ’k ’t jullie zeggen?—door ’n maatschappij die zich verandert. Ik voel dat de geest waarvan ù spreekt vast gebonden is aan ons volk in zijn opkomst—ik voel dat we ons ghetto moeten verbreken.

HAËZER. Ghetto? Ghetto? Hahaha! Hóóren jullie dat? Waar is dat ghetto? We leven niet meer in ghetto’s, gekje!

ESTHER. Hij praat as ’n kind. Allemaal schtos! Hij praat as, as ’n risschesmaker—de joden maken tegenswoordig de grootste rissches zèlf.... [6]

HAËZER. Ghetto? Waar vin je ’n ghetto in ons land? Mag je niet komen waar je wil? Ben je niet net zoo goed burger als ieder ander? Heb je geen joden in de aanzienlijkste betrekkingen? (met climax) Wordt Eleazar niet aan ’t Hof ontvangen met éérbewijzen? Wat wil je met je ghetto?

SACHEL. Zoo kommen we niet verder. Laten we over Rebecca spreken.—Aaron kan hier zijn, elk oogenblik....

HAËZER. Prachtig gaat ’t. Prachtig. Niet doordrijven. Eérst over ’t ghetto.... En nou jij weer.—Nee, ’k blijf bij één kopje....

RAFAËL. Ghetto? Dat ik ’t aan ’n rebbe zeggen moet! Ghetto? Hebben jullie me niet groot gebracht in léúgens van ras en geloof?....

HAËZER. Leugens? Dat pàst je niet!

SACHEL. Leugens?.... Leugens?

RAFAËL. Mocht ’k eten bij ’n christen? Mocht ’k op Vrijdagavond ’t vuur aanraken, de lamp opsteken, ’n brief openscheuren? Had je daar geen christen-dienstmeid voor? Gaf je me àndere vrienden—toen ’k ’n kind was—dan joden? Ben ’k niet ’n tijd op ’n jodenschool geweest? Werd God me niet geleerd, God, God—door ’n jóód?....2

HAËZER. Laat ’m uìtspreken....

RAFAËL. Ghetto?.... De poorten zijn neergehaald, de muren zijn gesloopt—de grachten zijn gebleven—de grachten van ònze en hùn haat....

HAËZER. Hùn haat! Zij hebben vervolgd door alle eeuwen. Wij niet!

RAFAËL. Onze haat! Onze haat! Ontken ’t niet, rebbe Haëzer! Ze hebben ons uit de ghetto’s gelaten—we zijn tóch bij elkander gebleven. We hebben elkaar opgezocht. We hebben ons uitverkoren gevoeld—nee, schud je hoofd niet—stràks heb je ’t zelf gezeid.—We hebben ze als vréémden beschouwd, als vréémden behandeld. Hùn vrouwen hebben we... hebben we betááld—de onze getrouwd!3

HAËZER. Dat is ’n leugen!

RAFAËL. God hoort me getuigen!

HAËZER. Gelogen! Driedubbel gelogen!

RAFAËL. Waarom ben je nou kwaad, rebbe Haëzer? Waarom lach je niet meer?

HAËZER. Omdat je van ’n onbeschaamdheid ben die iemand ’t laatste geduld doet verliezen! Omdat....

ESTHER. Schaam je! Ben jij ’n jóód?

RAFAËL. Nee. Nièt meer.

HAËZER. Rafaël, Rafaël bezin wat je zegt! Je wil je blinden vader verlaten—je weigert als ’n goed zoon te trouwen—je beschimpt ons volk—je staat in opstand tegen onzen God, den God van Israël, die genade bewijst tot in duizenden geslachten, maar die wráakzúchtig is!... „Gij zult.... Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben!”

RAFAËL. Goden?.... Goden? Hebben we ooit anders dan gòden gekend? (Slaat het raam open). O, de benauwenis, de benauwenis! Hoe komen we ’r uit!

HAËZER. Jij ben gek—jij ben gèk!

RAFAËL. Gek? Hahaha! Gek? Kijk: aan de overzij heb je huizen, huizen met kamers. En ginder. En verder. En nòg verder. Telkens weer huizen met kamers en menschen. Overal menschen met gòden. Hahaha! Hahaha! Zie dan neer, God, door dit gat. Zoo is ’t op je hééle wereld. Zoo zitten ze overal, elkander plagend, elkander ophitsend, elkander beliegend. Zoo verdorren ze tusschen vier wanden, bij hun lampen, bij hun kleine gepraat over uw grootheid! Zoo sluiten ze zich op, verdeeld in uw naam, vervolgend in uw naam, vervloekend in uw naam! O, die kamers, die benauwde, heete, wanhopige kamertjes, waar geen frischheid binnenstroomt, waar ’t groen van de blaeren geel wordt, waar de longen hijgen! Laat me spreken, rebbe Haëzer, nou hinder je me niet langer met je spot! Nou ben ik de prediker, ik die geen jood ben, geen jood en geen christen, ik die God voel in het licht van de zon, in de geuren van den zomer, in den dauw van ’t veld, in het glanzen van het water, in, in—de bloemen op ’t graf van mijn moeder.—Neergesmeten heb je ze, vader. Neergesmeten bij ’t stof van je vodden!—O, ’k heb meelij met jullie, meelij met je kleine getob, meelij met je ghetto’s, met jùllie ghetto, met hùn ghetto, meelij met de kamer hier en de kamers rondom, meelij met al de goden die geen goden zijn—want de wàre God moet nog komen, de God van de nieuwe gemeenschap, de gemeenschap zònder goden, zònder slaven....

SACHEL. Dus—dus—as ’k begrijp—as ’k begrijp—’t vlamt in ’t donker van m’n hoofd—as ’k begrijp—dan wil jij heen—dan—dan trouw jij Rebecca niet....

RAFAËL. Hier was ze straks—en ’k heb ’r geweigerd. Ik kàn niet anders.

HAËZER. Rafaël.... Rafaël....

SACHEL. Sust! ... Sust! Laat mijn spreken... ’k Heb zoolang gezwegen.... Je heb ’r geweigerd..... Ze was hiér ... .... Dan heit die meid gelogen.... die meid.... dan... dan.... heit die meid gelogen, wèèr gelogen.... dan... dan.... Wát is ’r tusschen jou... en die meid... tusschen jou en die slet?....

RAFAËL. Die slet!....

SACHEL. Je ben samen op geweest eergisternacht—’k heb je gehoord.—En straks—straks—(staat woest op met gebalde vuisten).

ESTHER. Sachel!... In Godsnaam!

SACHEL (ineenzakkend). Vloek! Vloek over m’n ouwen dag!

RAFAËL. ’t Is waar. Ik ontken ’t niet. Lang gelejen zou ’k ’t gezegd hebben. Ik aarzelde: dienzelfden dag zou je haar uit je deur getrapt hebben, háár—mijn vrouw.. Nou weet je ’t vader, dat ’t zijn móét.

(af).

ZEVENDE TOONEEL.

Haëzer. Esther. Sachel.

SACHEL. Vloek, vloek, dat ’k dat alles mot ondergaan! Vloek!

HAËZER. Sachel! Sachel!

SACHEL. Lag-ie begraven bij z’n moeder!

(EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.)

DERDE BEDRIJF.

(Een slop in de jodenbuurt. Aan de achterzijde een gracht met verweerde pakhuizen. Schemering. Voor den uitdragerswinkel zitten Esther en Sachel.)

EERSTE TOONEEL.

Sachel. Esther.

SACHEL. Staat ’r niemand in de poort?.....

ESTHER. Nee.....

SACHEL. Hóór ’k dan niks?

ESTHER. Je hoort kinderen in de straat spelen. Hij zal de meid achterop wezen. Jouw zoon..... jouw zóón godbeter!

SACHEL. Is naastan niemand thuis?

ESTHER. Wat vraag je ’n boel! Néé. Levi en z’n vrouw zijn over Sjabbes bij d’r dochter. We hebben ’t rijk alleen. En maar goed ook. Anders wist morgen de heele kille wat voorgevallen is.

SACHEL. Asof ze ’t morgen toch niet weten—van—de rebbe—en van hem—en van die meid!—Die meid! Waar blijft die meid?

ESTHER. Begrijp je niet dat-ie ’r tegemoet is geloopen, d’r alles gezeid heit, dat ze niet meer durft. ’k Zou d’r oogen uit d’r kop kenne krabbe! As ’k maar kon. Jouw zóón die zich afgeeft met zoo’n del! Jòuw zoon onder jòuw dak! ’t Hoogste woord heb je ’m laten voeren. Heb je ooit naar ’n gezond woord geluisterd, jij, jij? Heb ’k je niet honderdmaal gewaarschouwd, as-ie uitbleef, as-ie ons alleen liet sappelen? Nou krijg je ’t met rente terug. Met woekerrente. Nou oogst je! ’n Zoon die zich vergooit, ’n zoon die de rabbijn as ’n kwajongen behandelt! De snotneus! Opstaan tegen ’t geloof van z’n vaderen. Weet-ie ’r veul van! En wat ’n huwelijk had-ie kennen doen! ’n Engel, ’n huisvrouw uit duizenden, ’n vrouw die de negotie verstaat—heit ze ’t niet bij d’r vader geleerd tot in de nagels van d’r duimen?—’n rechtschapen meissie—die smijt-ie weg voor oud-vuil om zoo’n lellebel die nog geen aardappel schillen ken, die geen hemd an d’r lijf heit, die van handel zooveul weet as de rat die daar gaat....

SACHEL. Ging ’r ’n ràt? .....

ESTHER. Schrik je van ’n rat, nar? Daar gaat-ie—’t water in. Afgeloopen.—Dat serpent! Overmorgen verwijt z’m z’n geloof, scheldt z’m voor jood! Jood en Chris gáát niet samen. Z’n vróúw! Og! Trouwen! Og! Die jongen is niet wijs, die mot opgesloten worden.—Je zel ’r van beleven! ’t Is om je dood te ergeren. En jij, jij die altijd zoo’n praas heb—jij—dat je nóú niks zeit, hè?

SACHEL. Laat me met rust—Ik ben kapot—Ik ben op.

ESTHER. ’t Most mijn zoon wezen. ’k Zou ’m leeren. As ’k ’r an denk! Laat ze is om d’r goed kommen, d’r armeluisrommel! Geen korrel geef ’k af. Geen zaddoek. Wie heit ’m slecht gemaakt? Wie heit ’m angehaald? Keek-ie ooit na ’n vrouw? Heb je ’m zien scharrelen as de jongens van Ruth en van Bram? Wie heit ’m met d’r streken ingepalmd? Kreeg ze voor mijn part, kreeg ze ’n ziekte, dat ze morgen krepeerde!

SACHEL. Schreeuw zoo niet.... Denk an de buren....

ESTHER. Buren! Buren! Is ’r iemand thuis? En làten ze ’t hooren! Zal d’r me één ongelijk geven? Nou heb je je zin—As ìk wat zei wer ’k afgesnauwd. As ìk wat zei kreeg ’k ’n groote bek. En hij? Hoeveel keer heit-ie me niet ’t bloed uit me vingers gezogen. ’t Komt je toe.

SACHEL. Hou op. M’n kop staat ’r niet na.

ESTHER. De schande—de schande in de kille.

SACHEL. Ik weet ’t. Je hoeft me niet op te warmen.

ESTHER. Dat gezicht dat ’k zoo vertrouwd heb!..... Dat pestgezicht!..... Gister gaf ’k ’r nog ’n afgedragen japon. Hoe kom ’k zoo gek! Maar ze neemt ’m nièt mee. Niks geef ’k af.

SACHEL. Daar is iemand.....

ESTHER. Nee. Je maakt me zenuwachtig. Laten we naar binnen gaan. ’t Wordt donker.

SACHEL. Ik blijf hier. Binnen heb ik geen rust. As-die nou is niet terugkwam—wegbleef—voorgóéd wegbleef......

ESTHER. Groot verlies! Liever geen zoon—asoo een.....

SACHEL. Jij—jij ken dat zeggen—màkkelijk zeggen—jij heb nooit ’n kind gehad. Wat heb ik voor vreugde—voor afleiding—as.....

ESTHER (verbaasd)..... Huil je, Sachel? Sachel? Jij?

SACHEL. Nee, wie praat van huilen! Ik zeg dat z’n stem...... Maar dat begrijp je niet—dat ken jij niet begrijpen—Wàt begrijp jij wel? Steek de lamp an! Nou dan!

ESTHER. Goddank. Je ben weer gezond. ’k Had me haast ongerust gemaakt. (af).

TWEEDE TOONEEL.

Sachel. Aaron.

AARON. Zit je daar Sachel?

SACHEL. Wat mot je?

AARON. ’t Is wat scheins......

SACHEL. Wat is ’r scheins?

AARON. Dat met je zóón.......

SACHEL. Gaat jou dat an?

AARON. Vraagt na de bekende weg! Wat ’t mijn angaat? Reusachtig zou ’k denken. Og, wat ’t mijn angaat!

SACHEL. Met jou heb ’k niks te maken!

AARON. Je zoon is ’n ploert en ’n.....

SACHEL. D’r wordt je niks, niemendal gevraagd......

AARON. Waren we accoord—ja of nee?

SACHEL. Nee. Niet met de wol. Niet met me zoon. Niet met me zoon. Niet met de wol.

AARON. Heit je zuster gezeid, dat ’k Rebecca sturen zou?......

SACHEL. Weet ’k niet.....

AARON. Jij weet niks wat je niet weten wil—of ’t mot zwart op wit staan......

SACHEL. Jij verveelt me!

AARON. Jij verveelt mijn al lang!

SACHEL. Wat doe ’k met jouw gesmoes! ’k Zal me zoon dwingen, as die je dochter niet wil. Mot-ie zelf weten!

AARON. Mijn dochter.... Mijn dochter.... ’n Weldaad had ze ’m bewezen.....

SACHEL. Jóúw weldaden ken ’k niet gebruiken—en me zoon óók niet.

AARON. Jouw zoon! Jouw zoon! M’n voeten veeg ’k nog niet an ’m af. Daar zijn me zolen te goed voor.

DERDE TOONEEL.

Sachel. Aaron. Esther.

ESTHER. Dacht ’k ’t niet? Dàcht ’k ’t niet? Hij mot zich wreken. Groot gelijk hei-je, Aaron—gelijk tot over ’t end van je jaren! Is ’t geen schande wat ’r gebeurt?

AARON. Schande? Schande? Jullie weten nog niks? Jullie weet niet van vanmorgen—wat-ie met mijn Rebecca gedaan heit!

SACHEL. Ken me niks, niemendal schelen.

ESTHER. Mijn wel! Mijn wel! Nòg trekt-ie z’n partij!

AARON. Heb jij niet gezeid dat Rebecca bij je most kommen?

ESTHER. Zeker heb ’k ’t gezeid!

AARON. En is ze niet grienend teruggekeerd? Grienend om ’t affront! Zat-ie niet met die christenmeid, met die sjikse op z’n schoot? Mot je zoo mijn dochter ontvangen? Mijn dochter is geen schanddochter! Mijn dochter is geen vulnis! Mijn dochter ken huwelijken doen, reusachtig! Mijn dochter hoeft door jóúw zoon niet van de deur gewezen te worden!

SACHEL. Had ze nièt gekommen!

ESTHER. Hoor hèm! Hoor hèm! Daar ken ’k me nou zoo bij opwinden! Daar sta ’k geregeld bij te beven! O, o, as ’k geen meelij met je had! Mot je die man nog òngelijk geven? Die man die zich komt beklagen! Die man die in ’t fatsoenlijke tot je spreekt!

SACHEL. We hadden geen accoord..... Met de wol niet. Met me zoon niet.

ESTHER. Komt ’r op an!..... Zoo’n engel van ’n meissie!—Zat ze op z’n schóót? Zat die vuilik op z’n schóót?

AARON. Met d’r eigen oogen—met d’r eigen oogen heit ze ’t gezien. En was ’t daar bij gebleven! Maar beleedigd heit-ie ’r, geaffronteerd in ’t bijzijn van die meid! Is mijn dochter ’n opraapsel van de straat? Staat mijn dochter bij jòu in de schuld? De brutaaligheid—de brutaaligheid van die kwajongen! En jòuw schuld. Jòuw schuld!

ESTHER. Net wat ’k zei!

SACHEL. Smoezen jullie! Ik wor ’t zwaarst gestraft... Voelen jullie geen meelij?

ESTHER. Jij ben te koppig. Jij néémt je gelijk. Met jou ken niemand overweg.

SACHEL. Ik heb ’t ’t éérst zien ankommen. Ik vóélde dat ’r wat was. Ik wist ’t vóór jullie.....