Chapter 10 of 23 · 3898 words · ~19 min read

Part 10

SUZE. Gossie, gossie meneer—me broeie d’r zoo allejeezis op!—Door me moeder d’r water in d’r beene, staat de helleft van ’t boeltje achter de schuine deur.... ’t Klopt toch met de avvertentie....

DOLF. Vergeten zullen we u niet. (schelt)

SUZE. (opstaand naar de zij der deur)... As meneer dan me nieuw adres wil schrijve... Van de Tolsteeg gane me verhuize—morrege—na de Zijp nommero 78 bove—dan ben ’k dichter bij de febriek. Het u ’t?....

SCHMIDT. Ja, ja.

SUZE. Heere... Heere... Jefrouw... (af).

ELFDE TOONEEL.

Dolf, Dokter, Hope, Schmidt, Sofie Delange, Agnes Delange.

DOLF. Hahaha!.. ’k Had waarachtig moeite me goed te houen. Dat schepseltje heeft nou ook geen seconde d’r handen stil in d’r schoot gehad, terwijl ze bezig was—of ze ’r den St. Vitusdans in te pakken had!—Uit je humeur, Hope?—Kind, we zijn nog niet op de helft. ’n Goed hengelaar doet ’t met geduld. M’n kans is nog niet verkeken.... (tot de binnentredenden)... Ja!... Kom binnen!... Twee?... Twee tegelijk?... Schmidt: da’s je tweeling!....

SCHMIDT (tot Agnes)... Wil ù sivoeplee weer na de wachtkamer teruggaan?... Een voor een sivoeplee!

SOFIE. Da’s me zus, meneer.

SCHMIDT. We kunnen ’t zònder getuigen af.

AGNES (driest)... De heer van me zus wou niet dat ze alléén....

DOLF. Is-die fameuze heer bang dat uw zuster opgegeten zal worden?

AGNES. (driest) Opete nee. Opete late me zus en ik ons niet—maar me kenne de foefies van de heere—me benne niet van gister... Ik zee: je vliegt ’r niet in—en de heer van Fie zee óók je vliegt ’r niet in.... Daar het u niet zoo zuur om te kijke—want mijn....

DOLF.... Spreek uit....

AGNES... Nee ik smoes niks meer. Je zeit licht meer as je verantwoorde ken, waar Fie?.....

SCHMIDT. (haar in de rede vallend)... ’t Is welletjes, juffrouw... (tot Sofie)... Dus ù komt op de advertentie?

SOFIE. Ja ik—ìk kreeg ’n briefie, om hier bij meneer te komme.

DOLF.... Gaat u zitten.

AGNES. O, wat ’n lèkkere stoele! Om in te sterve! Precies as bij... (slaat de vingers in gebaar van iets in te houden voor den mond).

SOFIE... De papiere, die op ’t lijstje stonde, hè-’k meegebracht—me geboorteacte.....

SCHMIDT.... Asjeblief....

AGNES... Jawel—met ’n máár d’r bij—me late niks achter as tegen bewijs....

SOFIE... As tegen bewijs....

SCHMIDT. We geven u alles dàdelijk weer terug.

AGNES. Dan is ’t goeie, Fietje.

SCHMIDT.... Geboren 17 Februari ’91 in—Leiden...

DOLF.... In Leiden?... Sakkerloot!... Opletten, Jantje boy!....

SCHMIDT.... Woont uw moeder nòg in Leiden?

SOFIE... Of ze d’r...?... Wéte me dat, Agnes?

AGNES... Nou da’s niet te denke, hahaha! Ze hèt ’r in negetig en zoo gewoond.

SCHMIDT... Zou u wat duidelijker willen antwoorden? We zitten hier niet om raadseltjes op te lossen.

AGNES. Nee, me zitte wel as onze lieve Heer zèlf in die stoele van leer—maar voor cherades benne me hier niet. Mòt dat nou an zoo’n bóél mensche verteld worde?....

SCHMIDT... ’t Is in ’t belang van de erfenis, niet waar?

AGNES... As ’t dan geen pan en geen kul is—ù hoeft niet weg te gaan, zuster!....

HOPE... Zoo als u wil....

AGNES... Blijf op uw gemak!—(Hope zit weer). In u hebbe me meer vertrouwe as in die meneer...

DOLF. Dank je wel—wat ’n zeldzame....

Agnes... Googemert, wat!—Zeg me kenne de wereld, me zus en ik!—Me moeder, meneer van de politie—nou herken ’k je, hahaha!—is d’r in ’95 met de een of andere druif vandoor gesjeesd....

SCHMIDT... Toe, toe, toe!

AGNES. Je vraagt ’t toch!... Toe het tante ons in d’r huis genome—Me hebbe geen van twee ’n vader—wat Fie?—de mijne is getrouwd en woont in Den Haag—béwijze ken ’k niks—die van haar—nou, Fie, doe ook ’n mondje open—jij ben de oudste en mijn laat je klesse.....

SOFIE... Ik ken me vader niet—Ik ben in Leiden gebore—zij in Brussel.....

SCHMIDT... Had uw moeder in Leiden ’n bijnaam?

SOFIE... Weet ’k niet.

AGNES... Dat zal wel. En die zal ze gloeiend verdiend hebbe, ’t mensch!....

SCHMIDT... Dat vragen we niet.

AGNES... O.

SCHMIDT... Herinnert u zich—’95 is ’n heele tijd—welke kleur haar uw moeder had?....

SOFIE. Rood—as me zus.

AGNES. Dat hoef-ie ’r niet bij te zegge—ze zijn blind.....

DOLF... Rood?... En ze heette Sofie?

SOFIE... As ik. (een stilte).

AGNES... Nou zeit niemand wat?

DOKTER. (tot de twee)... Ik zou wel graag willen hooren wàt uw moeder in ’90 in Leiden dee? Weet ù dat of ù?

AGNES. Niet veel bijzonders ken je wel denke.

DOKTER. Dàt bedoel ik niet. Had ze de een of andere betrekking?

SOFIE. Hoe kenne wìj dat raje?

AGNES. Toe tante nog leefde, zee ze dat moeder—nou laa’k ’t maar nièt zegge....

SOFIE... Nee, zeg ’t niet. ’t Het ’r niks mee uit te staan.....

DOLF... (aarzelend).... Kan uw moeder ’n relatie met ’n student hebben gehad?

SOFIE... Wat geloof jij, Agnes?

AGNES. Ik geloof niks. Student of geen student—’n pàtser was ’t gedorie—om me zus te late stikke....

SCHMIDT... Jawel, jawel. Maar nu de puntjes op de i—wat noodzakelijk is!—Zou een van uw andere familieleden zich misschien kunnen herinneren.....

SOFIE... Me hebbe ènkel ’n neef, die we nooit zien.

SCHMIDT... Zou die weten.....

AGNES. Dat broekie!... Die weet enkel van vuile en schoone kinnen—die barbiert....

DOKTER... Kàn uw moeder bijvoorbeeld in ’n sigaren- of in ’n manufacturen- of in ’n handschoenenwinkel in betrekking zijn geweest?

SOFIE... Alles ken....

AGNES... Wij benne op ’n atelier—dan ken zij.... Kan òns ’t schelen!

HOPE. Wil u mij eens antwoorden?

SOFIE. Natuurlijk juffrouw.

AGNES. (verbeterend)... Zuster—zie je toch!

HOPE. Hindert niet. Heeft uw moeder nooit aan uw tante ’n woordje geschreven?

SOFIE. Jawel juffr....—zùster.

HOPE. Uitstekend. Dat móét zekerheid geven—voor de erfenis—als u een of meer brieven bewáárd heeft..

AGNES... Ja. Me hebbe d’r ’n berg van—uit Amerika, wat Fie?... Van ’96 en ’97—as ze cente an tante stuurde—en toe nog is een van ’99—sekuur hoor—twee negetjes naast mekaar—dat was de laatste.....

SOFIE... Vergis je je niet?

AGNES... Nee hoor!.. D’r was vijftien dollar bij...

HOPE.... Zouen wij die brieven.....?

DOLF... Waarvoor?... Voor wat?

DOKTER... Ja, zuster, is dat nóódig?

HOPE... Nee. Dat is te omslachtig. We kunnen ’t makkelijker af! (tot Dolf)... Heeft u den brief, die bij ’t testament van.... van.... kapitein van Reesen lag, bij de hand, meneer?....

SCHMIDT... Voortreffelijk, zuster! Bravo! Ik begrijp uw bedoeling!—Ja, meneer Van Walden: die brief kan den doorslag geven, bijna volkomen.....

DOLF. (een la van het bureau opensluitend)... Ja, dien heb ’k ergens gestopt—gestopt—gestopt—Nee, hier niet (andere la openend)... Da’s ’n sla overal—’n hutspot—moet ’k toch eens probeeren te ordenen.... Wel wat drommel, gevlogen kan-ie niet zijn... (zoekend). Nee—nee—nee... Waar kan-ie dan? Curieus: gebeurt altijd als je iets noodig heb!.... Eureka!.... Eureka!.... ’t Lag vlak voor m’n neus... (neemt den brief uit den sigaren-schedel).... Zeker door Jaapje verlegd.... Voilà, monsieur Schmidt.... Snappen doe ’k ’t niet....

SCHMIDT. (fluistert Hope iets toe—zij knikt)... Zoo dames—nu hou ik dezen brief ’n beetje gevouwen—den héélen inhoud hoeft u niet te lezen!—en antwoordt nu eens vooral niet te haastig of de handteekening Sofie èn of ’t handschrift op dat van uw moeder lijken. Zegt u ja—dan moeten wij op onze beurt uw brieven inkijken. Niet haastig—’r hangt ’n boel van af!.... (een aangehouden, nieuwsgierige stilte. Agnes buigt over Sofie’s schouder, leest hardop).

AGNES.... „..Ik—ik”.....—ja daar staat „ik”—„ik ben wel lichtzinnig maar niet slecht mevrouw”... (tot Sofie).... Hou je duim opzij!..... „en ik lieg niet.... Zoo.... zoo”—hou dan stil, Fie!—„zoo ferachtig as God me hoort.... het is het kind van u zoon... Die zich noempt... Sophie...”

SOFIE. (haar zuster aankijkend).... Nee, hè?.... Wat vin jij?

AGNES... Vraag-ie dat nog?.... Da’s ’n keukenmeidepootje!... Of ze met d’r linkerhand het geschreve! Nee—moeder het ’n lóópende hand—dat lijkt op niks!—„ferachtig as God me hoort”.... Ferachtig.... Ferachtig!.... Daar hoef-ie geen twee telle over te prakkizeere.... Da’s zoo min van onze móéder as ìk van me schooier van ’n vader ben.

DOLF. (opgelucht)... En is ’t ònmogelijk, dat uw moeder vroeger Kreeftje heette?

SOFIE... Kreefje, hahaha!

AGNES... Nou beginne me te merreke hoe laat ’t is! Wat ’n flauwe bak! Goed da-je niet alleen op visite gegaan ben, Fie. Magge me de papiere terug asjeblief?

HOPE. ’t Was geen aardigheid, juffrouw—ìk zal zoo vrij zijn nog eens persoonlijk bij u aan te komen.

AGNES. As ’t voor die brieve is, hoeft ’t niet, zuster—moeder d’r schrift is met dat vuur en water. Blijf jij nog zitte?... Dag mensche!...

SOFIE.... Dag juffr... zùster. Dag heere...

AGNES. (bij de deur)... As ’t géén aardigheid met dat Kreeftje was—dan het de màn van die Kreeftje toch zeker óók ’n fijne bijnaam gehad... Bejour allemaal! (geprikkeld af. Hope is bij de laatste woorden de bibliotheek ingeschuifeld.)

DOLF. (schellend)... Dat was ’n stelletje! En die kleinste... nou! ’n Verbazend vief ding! Twee, drie jaar ouwer, dacht ’k terwijl ze bezig was—en ze zou... Complicatie voor ’n roman fin-de-siècle: de zuster van je dochter trouwen—grootpapa van je dochter—goed dat Hope me niet corrigeert... (tot Jaap)... Nou? Waar blijft de moeder met... ’k Had je toch gezegd...

TWAALFDE TOONEEL.

Dolf, Dokter, Hope, Schmidt, Jaap.

JAAP... ’k Wou daarnet niet storen, meneer—maar dat meissie is benejen niet goed geworden—het ’n toeval of zoo iets....

DOLF. Had je niet eerder.... (naar deur).

DOKTER... Ik zal even kijken, Dolf—blijf jij..... (af door Jaap gevolgd).

DOLF. Dan kunnen wij de séance opbreken, meneer Schmidt—Mocht voor die twee beneden uw advies noodig blijken, dan telefoneer ik.

SCHMIDT. Goed meneer.

DOLF. En uw declaratie ontvang ’k graag met zeer bekwamen spoed.

SCHMIDT. Dank u, meneer. Dus nièt langer adverteeren?

DOLF. (luchtig). Nee—nee. ’t Heeft geen Zweck. Ik heb m’n Schuldigkeit gedaan—”der Mohr kann gehen”... Een moment nog. U zendt me de adressen van die erfenisjaagsters. Licht dat ze ’n kleine verrassing krijgen! Bonjour! Bonjour!

SCHMIDT. Uw dienaar, meneer—u heeft me maar te ontbieden. (bij de deur voor Jaap uitwijkend). Uw dienaar, meneer.

DOLF. En?

JAAP. Of ’k effen om ’n rijtuig mag telefoneeren?

DOLF. (in de bibliotheek kijkend). Ga je gang.

JAAP... 1290... Rijnders?... Met Van Walden. Dadelijk vigelante—dadelijk. (schelt af).

DOKTER... ’k Ga ’r vandoor Dolf—Zijn de anderen al weg? (Jaap af)... ’k Zal ’r met ’n rijtuig thuis brengen.

DOLF. Toch niet sérieus, boy?

DOKTER. ’n Epileptisch toeval, de stakker—is alweer bij kennis...

HOPE... Kan ik behulpzaam zijn, dokter? (komt uit doorgang van de bibliotheek).

DOKTER.... Nee zuster. De eigen moeder is ’r óók bij—en dan rijd ik meteen door. (tot Dolf)... En geen sprake van dat!... Heeft nooit ’n voetstap in Leiden gehad... Kind van ’n marinier die in ’t gekkenhuis overleden is... Wat ’n stakker, wat ’n wurm!... Zit benejen te snikken, nou ze ’r positieven terug heeft, dat je ’r beroerd bij wordt.... Adieu. Tot ziens, Dolf... Tot straks, zuster. (af).

DERTIENDE TOONEEL.

Dolf, Hope.

DOLF. Je heb toch gehoord, dat Linden ’t alleen af kan?

HOPE. Ik word aan de Stichting gewacht.

DOLF. Lunchen we samen—kom zeg nou niet nee! (wil schellen). ’k Zal orders geven, dat ze in vijf minuten.

HOPE. Dank u. Dag meneer.

DOLF. Dag meneer! Dag meneer! Hope, je behandelt me niet fair, niet loyaal! Al m’n voorkomendheden stuiten af—op ’k weet niet wat.... Ik buig me—ik gehoorzaam, om ’t zoo te zeggen, aan élk van de dingen, die jij nog niet eens uitgesproken heb, en jij—jij gaat voort—met ’n stugheid, die me razend maakt...

HOPE. Meneer...

DOLF... Schei uit met je ge-meneer—voor jou ben ’k Dolf!...

HOPE... Dat laat zich niet dwingen...

DOLF... Niet dwingen?... niet dwìngen?... Kan ’k je niet volkomen eerlijk in je oogen kijken, als ’k beweer dat ’k nà dien nacht bij mama’s lijk van elk gebaar, van ieder uur rekenschap kan geven? Dat wordt op die manier ’n soort coqueteeren, ’n misbruik maken van dat ééne incident...

HOPE... Meneer...

DOLF... Ik wìil je meneer niet meer hooren!

HOPE. (wrevelig)... Daar zal u toch aan moeten wennen. Ik heb niet één reden vertrouwelijker met u om te gaan...

DOLF... Dus die onzinnige jacht op ’n kind—doorgezet, om de belofte aan mama—maar nòg meer om jóú—wat je wist, wat je voelde!—die was je geen afdoend bewijs, hoe me dat vroegere speet, hoe ik van jou....

HOPE... Nee—die onzinnige jacht heeft me... Dag meneer. Ik geloof dat ’t beter is, op ’t oogenblik allerminst met elkaar uit te spreken.

DOLF. Hope—ik sta ’r juist op. Misschien zet je hier in geen tijden ’n voet....

HOPE... Nóóit meer.

DOLF. (gebelgd)... Heb ’k de minste onhoffelijkheid begaan?... Was m’n welkom geen bloemen-attentie?

HOPE... Meneer, meneer—ik ben op ’t moment in zoo’n verbitterde stemming, sta zoo wanhopig-vervreemd tegenover u, dat ’k bang ben voor ’n explicatie.

DOLF... Heb ìk tot die „verbitterde stemming” aanleiding gegeven? Ik....

HOPE... (neerzittend—gejaagd-smartelijk)... Ik heb daarstraks zoo’n moeite gehad me in te houden—u niet in ’t bijzijn van de anderen te... te beleedigen... U is zoo gezond—zoo gezond—zoo stevig—zoo stellig—zoo geestig—ik zoo zwaar op de hand—zoo aarzelend... O, wat háát ik u—wat heb ’k u innig zitten haten—vanaf m’n binnenkomen hier, toen u enkel vernuft, vernuft, vernuft in plaats hàrt, hàrt toonde...

DOLF... Hope....

HOPE... ’t Was „onbetaalbaar, buitengewoon” dat uw bediende me in de wachtkamer bij die kinderen liet—door de telefoon vroeg u of ze chocolade, anijsmelk moesten hebben... De belofte aan dat prachtige menschje, dat nog geen minuut nadat ’k ’r verlaten had, dood uit ’r bed viel, is voor u ’n hartelooze grap, ’n „plechtige gebeurtenis”....

DOLF... Hope....

HOPE... Hou uw mond! Verzin geen nieuwe vernuftsdingen—ik haal uw eigen woorden aan!... ’t Heette ’n „plechtige gebeurtenis”, ’n „vertooning”... Geen seconde had u de ernst van ’n misdadiger, die bang is z’n òffer te zien!... Wat is dat niet te vinden—in die radelooze Zee van menschen verdwenen kind, anders dan ’n misdadig offer geworden? (heftig)... En nu nòg staat u te glimlachen, met dien ellendigen supérieuren glimlach!... Met die roos in uw knoopsgat—na „de heele nacht onder de wijn te hebben gezeten”—dat is toch zoo, nietwaar?...

DOLF. (glimlachend)... Ja, ja...

HOPE... Met die roos—of ’t ’n studentikooze fuif was—of u ’n „typisch” uurtje meeleefde, heeft u in uw luxe-kamer—wat heb ù anders dan luxe, luxe, luxe, van af uw geboorte gekend?—die kleine optocht van verlatenenen, verwaarloosden gezien... die op ’n brokje erfenis hoopten!... Die stumper, waarvan de moeder met witte haren in ’t Gasthuis gestorven is—de stumper op „Sinterklaasavond” op de wereld geschopt—was de eerste „niet uit de loterij”—aan de fabrieksmeid, voor ’r moeder sjouwend, moest u nog ’ns droog vragen over den bijnaam Kreeftje—en ’r handen hadden den St. Vitusdans!—bij de twee zusters, was u angstig, niet verheugd, niet blij iets te kunnen herstellen—toen weer, terwijl ’k in de boekerij was, sprak u van ’n roman fin-de-siècle!... Jammer dat de laatste niet hièr ’r epileptisch toeval gekregen heeft—u zou ’r nog glossen en glossen bij gemaakt hebben!....

DOLF... Hope—dat gaat te ver!

HOPE... Te ver?... Te ver?... Die brief, die wanhoopsbrief van Kreeftje, Kreeftje...

DOLF.... Die ìk niet verleid heb!...

HOPE... Die brief heeft u laten slingeren—was zoek, zoek—kwam uit dat ding daar tevoorschijn—die brief, dien ’k haast van buiten ken, waarin ze smeekte, smeekte, als ’n bedelares—voor jouw, jouw kind!....

DOLF. (driftig)... ’n Vrouw die met Plums en Baars en anderen leefde... Wie zwetst dat ’t mijn kind?...

HOPE... Ik! Zij! Je eigen moeder! Jijzelf!... Heeft je vernuft, je hatelijk vernuft straks niet gezegd, dat de stem van de vrouw de stem van God is?.... Hoe durf jij dan vragen, twijfelen, ontkennen, bij de woorden in dien simpelen brief?.... (’t papier van tafel grijpend—en driftig lezend)... „Ik lieg niet, ik lieg niet—het is het kind van uw zoon!”....

DOLF.... Nonsens! Nonsens!... ’t Kind van ’n studentenscharrel!—Wiè, wiè, wiè zou zich daar, zònder bewijs, zorgen van aantrekken?

HOPE.... Heeft ze geld van je aangenomen, die schàrrel?... Is ze je vrouw niet geweest, je passe-temps, die scharrel? Heb je de „opvoeding” van je dochter niet aan ’r overgelaten, aan die schàrrel! Is m’n eigen moeder niet op dezelfde manier... Wat voel jij met je glimlach van dat alles?... Wat raakt ’t jou met je roos in je knoopsgat?... (in snikken uitbarstend)... O, ik hààt je zoo, hààt je zoo, hààt je zoo....

DOLF.... Hope—Hope—laat me....

HOPE... (wild haar tranen drogend en opspringend)... Redeneer niet meer—praat niet meer—ik kan je stem niet meer hooren!... (af door boekerij—hij staat even houdingloos—maakt een gebaar of hij den brief wil verscheuren—zakt in nadenken op een stoel—begint hem te lezen).

DOEK.

DERDE BEDRIJF. [3]

(De huiskamer bij Dr. Linden—eenvoudig effen behang—een enkele gravure—rustige meubelen. Het eerste plan, links, vormt een glazen erker, eenigszins verhoogd. Tweede en derde plan dito, suite deuren. Voor den erker een kleine tafel—er is een overvloed van planten. Rechts in den achterwand toegangsdeur naar marmeren gang. Eerste plan, rechts een buffet. Tweede en derde plan, dito, wederom suite deuren. Bij voorgrond, rechts, een ronde tafel, waaromheen stoelen. Vroegzomer. Zonlooze middag).

EERSTE TOONEEL.

Dr. Linden, Annie.

DOKTER. (komt door gangdeur geaffaireerd binnen, blijft lachend staan, loopt op de teenen naar de linkersuite, waarvan een deur aanstaat, luistert naar Annie, die het kind in slaap zingt... „’s Avonds als ik slapen ga, loopen me zestien engeltjes na: twee aan mijn hoofdeind, twee aan mijn voeteneind”...—hij zit er lachend bij neer—... „twee aan mijn rechterzij, twee aan mijn linkerzij...”).

DOKTER... (invallend, terwijl zij zwijgt)... Twee, die mij dekken, twee, die mij wekken....

ANNIE... Suscht! ’k Heb zoo’n moeite met ’r! (kijkt nog even in de kamer, sluit de suitedeuren)... Hoe kun je ’t over je hart krijgen ’t kind wakker te maken en me zoo te laten schrikken!

DOKTER. Is dat je goeien middag? (zij omhelst hem). Nu was je toch wéér bezig, wijf, om die hobbelwieg heen en weer te duwen!

ANNIE... Ze was zóo lastig! Wou per se niet gaan slapen....

DOKTER... Ja, ja—dat eindigt met ’n fopspeen, als ik ’r ’t oog niet op hou!—Wijf, wijf: hoeveel honderd keer moet je ’t nu nòg hooren: niet opnemen, niet in de handen nemen, als ze huilen! (geeft haar een zoen)... Vannacht, toen je dacht dat ’k sliep, ben je ’r ook uit geweest... (tweede zoen)... Dat duurt tot ’k Til en de wieg ’s nachts op de logeerkamer stop—en de deur op slot....

ANNIE... Hahaha! (schrikt—beluistert de suitedeur).... Nee, Goddank!... ’k Durf de kamer gewoon niet uit gaan!... Zoo’n bord pap heeft ze—zóó’n bord... Wat zoek je, Jan?

DOKTER... Waar heb ’k vanmorgen de staten... Waar heb ’k....?....

ANNIE... Je brandt je—vlak bij je neus...

DOKTER... (’n boek van de kleine tafel bij den erker nemend)... Merci.

ANNIE... Zou je niet één seconde gaan zitten? Presseert ’t op ’n halve minuut?

DOKTER... Op ’n kwart. Consult met Deen. (op z’n horloge kijkend)... Drommels!... (wil heen).

ANNIE... Toe, akeligheid: nog geen kwartier ben je thuis gebleven!... En van ’n consult weet ’k niks! Wor ’k buiten àlles gehouen?

DOKTER... Consult voor Ninette van Walden...

ANNIE... ’t Dochtertje van Charles?...

DOKTER... Ja, ja—hou me niet langer op, wijf!... Is vanmorgen vroeg geopereerd... (tot Hope, die de gangdeur doorkomt)... Vertel jij ’t resteerende, Hope, hè?... Dag wijf!... En van de wieg afblijven! (af).

TWEEDE TOONEEL.

Annie, Hope.

HOPE. Wat bedoelt Jan?

ANNIE. Is ’r consult voor ’t meisje van Van Walden...?... (een pop uit Hope’s hand aannemend). Nee maar Hope-lief, wat ben je ’n engel! Och, wat bederf je m’n snoetje!

HOPE... Die kun je aan ’t koordje boven ’r hoofdje hangen... (Annie omhelst haar)... Nou, nou, Annie!... ’k Zou verlegen worden, om weer ’n kleinigheid mee te brengen.... Ging Jan?... Vreeselijk jammer—zoo’n lief, zachtzinnig meisje—ach, wat zielig!—heeft na de operatie liggen lachen—niets aan te doen—niets. Dat consult had net zoo goed.... Maar Van Walden wòù ’t, wòù ’t... Stakkerig! ’k Had geen oogenblik Charles—’k heb ’m toch vrij lang bijgewoond—op zulk ’n hartstocht voor dat ziekelijke, frêle ding getaxeerd....

ANNIE. Jullie hoopten toch—toen ’t voor veertien dagen kwam...

HOPE... Dat deden we—Jan vond één longtop aangetast—de nieuwe acute ontsteking, die geopereerd móést worden—was tuber, tuber....

ANNIE... Wil je gelooven, dat ik ’t ’n bezoeking vind, naast ’t Gesticht te wonen... (luistert angstig aan de suitedeur). Als Jan me zoo iets tegen den avond vertelt, lig ’k den heelen nacht wakker, bang dat Til.... (de gestichtsbel luidt)... Half vijf?...

HOPE... Ja, da’s de melk.

ANNIE. Blijf jij babbelen, of gaan de kinderen nog naar ’t strand? (schelt).

HOPE. Naar ’t strand—met dit ruwe weer? Nee. En dan ik ben vrij. Marie en Toos hebben de beurt.

ANNIE. Drinken we ’n kop thee?

HOPE. Graag.

ANNIE. (tot het dienstmeisje)... Kaatje, kind, zet je voor twee personen thee? Weet je alleen de bus te vinden, kind? En niet ’t water eerst—éérst de thee in den trekpot, hoor je?.... Of nee, Kaatje, breng liever ’t water separaat.... Vlug en niets breken!... (meisje af)... Zoo moet ’k ’r alles duidelijk maken! Hahaha!

DERDE TOONEEL.

De vorigen, Charles.

CHARLES. (door gangdeur)... Pardon als ’k stoor, mevrouw—ik zoek den dokter.

ANNIE. Is nog geen drie minuten geleden naar ’t Gesticht gegaan.

CHARLES. Daar kom ’k toch vandaan...

HOPE. Meneer zal misschien langs de achterzij...

ANNIE. Wil u niet ’n oogenblik plaatsnemen?

CHARLES. Nee. Dank u. (stap naar deur—zich bezinnend, tot Hope)... Hope ... Hope... (ineens hartstochtelijk)... Lieg niet: is ’t opgegeven?

HOPE. (aarzelend)... Hoe kan ík daarop antwoorden, meneer Charles...

CHARLES. Jij, als hoofdverpleegster, weet ’t zoo goed, zoo goed als zij! (heftig). Lieg niet, lieg niet! Dat is ’t éénige wat ’k nog te verzoeken heb...

HOPE. (ontwijkend)... Eerst na ’t consult—niet waar... niet waar?—is ’r eenige zekerheid... (hij zit neer)... Ik durf niets zeggen... En de meening van dokter Linden... (een stilte. Hij zit dof-verslagen).

ANNIE. (hartelijk)... Kom meneer Van Walden—u is nog zoo jong—u heeft nog zoo ’t heele leven voor u... (hij barst in snikken uit).

HOPE. Meneer Charles...

ANNIE.... En u heeft ’n vróúw, ’n vrouw, meneer...

CHARLES. (opstaand, zich bedwingend). Dank u. (af).

VIERDE TOONEEL.

Annie, Hope.

HOPE... Van z’n vrouw had je niet moeten spreken...

ANNIE. Niet van z’n vrouw?

HOPE. Nee. ’k Had geen gelegenheid je te waarschuwen—die twee zijn nog niet samen aan ’t bedje geweest...

ANNIE. Meen je dat?... Zóó gebrouilleerd?... (Hope knikt)... Waarom?

HOPE. Waarom?... Ja waarom?... Zij is den heelen dag in ’t gezelschap van „vrienden”—hij afficheert zich in ’t openbaar, zelfs hier, met z’n maitresse... Tot vandaag lijken ze bij mekaar gebleven om de zieke Ninette... Zóó als ’t stakkertje ’r niet meer is, maar ook zoo dadelijk, laten die twee mekaar los... En dan mag ’t... Ze zijn al gescheiden van... „tafel en bed”... ’n Huwelijk zonder kind is geen huwelijk...

ANNIE.... Hoe kom je op den inval!

HOPE. Menschen zonder jullie geluk, zijn niet getrouwd—jullie huwelijk, ja da’s zeker, is eerst door de geboorte van Tilleke begonnen... Vóor dien tijd...

ANNIE. Hahaha!... Jan zou je uitlachen, als-ie je hoorde... Scheelt je wat?

HOPE. (die met het hoofd in de handen gezeten heeft)... Niet sámen bij ’n sterfbedje—dat wordt ’t!—willen komen... O, o, wat is al dat gedoe erger dan wanhopig—wat is ’t angstig ’n zoo harden kijk op ’t leven te krijgen, als ik ’t hier dagelijks, dagelijks...

ANNIE. Hope—wat scheelt je?

HOPE.... ’n Beetje downheid—’n tikje moeiheid—Vannacht ben ’k ’r ’n paar maal uit gemoeten—en die operatie aan dat lichaampje vanmorgen, heeft me... (moeilijk)... Voor jou heb ’k geen geheimen, Ans—bij jou heb ’k me zoo thuis gevoeld, na ’t werk in ’t Gesticht—ik ben ’r je zoo dankbaar voor... Toen dat meisje onder de pijn lachte, lachte om ons te overtuigen dat we ’r geen zeer hadden gedaan—toen had ze denzelfden trek om den mond van—van zeker iemand...

ANNIE.... Van...