Chapter 19 of 23 · 3854 words · ~19 min read

Part 19

SERO. (glimlachend) Dus wordt mijn naam aan ’t ziek bedrijf dier vrouw gekoppeld! (met aandrang) Een oogenblik! Ik vraag, verzoek—en als ’t moet, dan sméék ’k—kan ’k meer?—om ’t kind niet te „verhooren”—niet in ’t bijzijn van ons twee.... niet onverwacht. Laat me alléén twee woorden met ’r praten!

REGENT. Is-ie niet stom en doof en blind en dronken! (tot den Hopman) Moet ik jou zesmaal orders geven! (Hopman wenkt Soldenier in gaanderij, die bij de poort plaats neemt. Hij zelf gaat over de trap in ’t paleis).

ZESDE TOONEEL.

De Regent, Sero, Regina, Jus.

SERO. Dat mag dus niet?

REGENT. De schalk! Heb jij geen schoffels jaren tijd gehad, om met je nageslacht te práten? Jij wist, pioef—en heb ’r niet belet die vrouw (Regina is op de kruk bij ’t boogvenster gaan zitten) en ’r kornuiten—en wat ’r meer in ’t donker van die kasten en die krotten hokt en krielt—te zien en op te zoeken!...

REGINA. ...Ik heb...

REGENT. Zet jij je tanden op mekaar en hou je tong ’r tusschen als ik spreek!...

SERO. De eerste keer...

REGENT. Als jij dìen eersten keer rechtschapen poorter en ’n vader als ’t daar beschreven (gebaar naar testament op den grond) staat, geweest—en je dat eigen kind—of was ’t van ’n ander soms, hèhè!—gewaarschuwd en geranseld had, dan dwòng je mij niet—tot m’n spijt (tot onze spijt, wat Jus?) om namens ieder poorter met ’n vaderhart—verbolgen, diepverbolgen, door te tasten. Zachte meesters kweeken...

SERO. (glimlachend) Rotte wonden... ’t Is niet kwaad bedacht!... (Een stilte. Hij staat op, kijkt de gaanderij in, zet zich opnieuw, begint met moeite) Ik heb mijn dochter niets gezegd, dien eenen keer, omdat, omdat...

REGENT. ...Omdat! Vermaaklijk hoe-ie zit te henglen naar ’n leugen, dood of levend!

SERO. ...Omdat ze nog zoo’n kleine droomster is...

REGENT. Wel! Wel!

SERO. ’r In ’r jonge meisjesdroomen met dàt harde, dàt haast niet uit te spreken van hààr doen en laten, op te schrikken—ik heb ’t niet gekund...

REGENT. Wel! Wel!

SERO. Ik heb—ik heb ’r laten—slapen.

REGENT. Ha-ha, ’n winterslaap van meer dan zestien jaar!

SERO. ’n Lenteslaap.

REGENT. Hoor je dat sprookje, Jus? De moeder hóér—de vader vijand van den staat—en ’t kind (schel lachend) hè-hè-hè!, ’t kind—’n schoone slaapster in ’t bosch!

SERO. Dat’s ieder kind.

JUS. Dan wordt ’t tijd, Uw Excellentie, dat ’n prins verschijnt, ha-ha-ha!

REGENT. Ja, ja, ’n prinselijke porder met ’n bezemsteel!

SERO. Ze sprak, mijn kind—’k herhaal dien één’gen keer!—met zulk ’n vreugde van ’r móéder, dat ik ’r droom niet met mijn ruwe knuisten breken kon...

JUS. Als jij destijds—destijds—voor zooveel jaar gescheiden was, dan wàs die vrouw geen moeder meer!

REGENT. Maar Jus—dat wist-ie niet, dat was ’m onbekend! Dat heeft-ie nooit gehoord! Nietwaar? Nietwaar?

SERO. Al was ik duizendmaal gescheiden: ’n moeder is, ’n moeder blijft—blijft—blijft. Dat ’s nóóit meer ongedaan te maken.

REGENT. Niet ongedaan, jij goochelaar met woorden! Ook niet door overspel? Je Testament! Je boek met potloodstrepen!

SERO. Ook niet door overspel! Wat ook gebeurt: de vrouw die ’t kind geboren heeft, blijft moeder—blijft dè moeder. Draagt niet elkeen ’t merk, ’t moederteeken, waar de navelstreng doorsneden werd?

REGENT. Ha-ha-ha! Dat heeft verstand van alles—van staat, van kerk, van kreeft, van navelstreng! En laat z’n schoone slaapster met ’r droomen en ’r moederteeken naar snollen, sletten en d’r mansvolk loopen! (tot Regina) Dat was ’n kluifje voor jouw mond—hé, jij daar! Slaap je? Gaf de nacht te weinig rust, ha-ha!—dat was ’n voorjaars-snoepje, wat?—om bij ’n deern van zeventien je móéderplichten waar te nemen! Als ik niet ingegrepen had—door jou en hem en ’t delikate kroost (drie tegelijk) van straat en bed te lichten—was dan vandaag of morgen ’t loon voor d’eersten nacht gestreken—of is de goudvink al geknipt?

REGINA. (woest opstuivend) Dat lieg je, lieg je! ’k Ben zóó’n loeder niet, om bij d’onschuldige oogen van m’n eigen kind...

REGENT. Vergeet jij, lichtekooi, dat ik de hoogste magistraat!

REGINA. (heftig) ’k Lap alle magistraten an m’n zool! Ik heb lang genoeg m’n lippen stuk gebeten! ’t Zit me tot hier, tot hier! Mot ik nog pootjes geven als ’k wor gepest!...

JUS. Als jij je toon niet matigt...

REGINA. Wat dan? Wat dan! Doe jij maar wat je wil! Ik ben geen wáárdin voor me eigen dochter! Bij me in ’t huis heeft ze geen stap gehad, geen stap! ’k Heb op m’n stoep gestaan, bang voor ’t zonlicht en de menschen—en op m’n stoep heb ik met haar gepraat. ’k Weet wat ik ben—plezier voor kerels in den nacht en goed voor alle vuil zóo als ’t daglicht schijnt! ’k Weet wie ik ben! Maar zoo gevallen, om ’n kind, dat ik gezoogd, aan dat bestaan, dat rot bestaan, te geven—’r na te laten kijken als ’n schurftig dier—’r voor ’r jonge leven te verdoemen, te vervloeken—’r ook te laten grienen uur aan uur—zoo’n smerig beest ben ik nog niet, wor ’k nooit, nee nooit!

REGENT. Ze is vijfmaal op bezoek—bezoek geweest, zei je daar straks...

REGINA. Dat heb ’k niet gezegd!

JUS. Je liegt—jij liegt—ik heb ’t opgeschreven!

REGINA (snikkend). Ik zweer bij Jezus aan ’t kruis...

REGENT. Haha, dat zweert—dat durft te zweren!

REGINA. Ze heeft geen voetstap op m’n stoep gehad!

REGENT (kwaadaardig)... Voetstap of niet—over je stoep of niet—of ’t dag of avond was of niet—gaat ons, de Overheid niet aan! Ze is vijfmaal—vijfmaal...

JUS. Vijfmaal!

REGENT. Op bezoek bij jou geweest! Dat ’s duizendmaal te veel!

JUS. Artikel 85, vier...

REGINA (heftig). God mag me straffen met de ergste straf...

REGENT. (driftig dreigend). Dáár zitten en je driesten mond gehouen, slet! En als jij weer, jij leugenaarster en jij lichtekooi... (zich onderbrekend bij ’t over de trap binnenkomen van den Hopman door Droomelot voorgegaan). Is dat—is dát ’t kind?

ZEVENDE TOONEEL.

Droomelot, Hopman, De Regent, Sero, Regina, Jus.

HOPMAN. Ja, Excellentie! ’t Heeft wat lang geduurd, omdat ik eerst wat smakkers, schreeuwers en slampampers—vriendjes van hém!—van ’t plein heb làten smijten... Ze wouen weten waarom hij...

REGENT (hem met de hand wenkend te zwijgen). Ja, ja! (tot Droomelot). Ben jij....? Wat dichterbij. (stilte). Nog dichter! (stilte). Ben je—bang? (stilte). Nu, schiet ’r geen enkel woordje over? Hoe is je naam? (nijdig) Mij aankijken! Niet die mènschen! Je voornaam!

DROOMELOT. Droomelot!

REGENT. Droomelot! Droomelot! Hè-hè-hè! Is dat de nieuwste christennaam? Wie heeft jou zoo gedoopt? In welke kerk?

DROOMELOT. In welke kerk? (haalt Sero aankijkend de schouders op) Dat weet ik niet.

REGENT. Nooit in ’n kerk geweest?

DROOMELOT (na Sero aangekeken te hebben, angstig). Eens.

REGENT. Wel, wel! Al ééns! Tijdens ’n dienst?

DROOMELOT. ’n Dienst?... ’n Dienst?.... Dat weet ’k niet. Ik was ’r heel alleen.

REGENT. Eens in ’n kerk! Eens in ’n kerk! Is ’t wonder, Jus, dat ze verdwalen moest! Dus—bidden heb je nooit gedaan? (zij haalt de schouders op). En dan dien éénen keer? Wat was dat toen?

DROOMELOT. De deuren stonden aan—’k heb enkel rondgekeken.

REGENT. Ha-ha-! Was ’t ’n synagoog, ’n kathedraal, ’n protestantenkerk? (zij haalt de schouders op). Zoo, zoo! (een stilte) Ken je dien man?

DROOMELOT. Dat is—m’n vader.

REGENT. Ken je die vrouw?

DROOMELOT. Dat is—m’n moeder.

REGENT. Hoe weet je—dat die vrouw je moeder is?

DROOMELOT. Dat heeft m’n vader me gezegd.

REGENT. Ha, zoo!—Wanneer?

DROOMELOT. Altijd.

REGENT. Mij aankijken! Niet die menschen! En ook niet liegen, droome-Droomelot! Altijd—dat is onmogelijk! Want voor ’n maand had jij je moeder niet gezien!

DROOMELOT. Dat had ’k wel en iedren dag—al was ’t niet dichtbij.

REGENT. En iedre dag—hoe dan?

DROOMELOT. (haar medaljon bedoelend) Ik heb ’r hier gedragen.

REGENT. Laat zien! Laat zien! (zij treedt dicht op hem toe, opent het medaljon, zonder den ketting los te maken. Hij neemt het in de handen) Ja, ja—dat kàn ze zijn—’t kan... (betast haar blooten boezem) Maar als je hier ’n kruisje droeg—in plaats van dat—dan zou—dan zou—wat?—wat?...

DROOMELOT (angstig-beschaamd achteruit wijkend, de handen in bescherming voor de borsten) Vader!

SERO. (door Hopman weerhouden) Verdoemde ploert!

HOPMAN. Terug!

REGINA. Als jij ’r nog eens aanraakt, jij...

REGENT. Weg met dat wijf, weg met dien kerel! Weg! (De Hopman wenkt in gaanderij. De twee rakkers schieten toe, terwijl de Soldenier Regina terugduwt) Verzetten zich, omdat ik raad ’n kruis te dragen! Blijven in opstand voor den hoogsten magistraat! Bedriegen, konklen, drijven saam ’t span van ontucht! (nijdig tot Droomelot) Hier! Dichterbij! En geen onnoozle streken! Was jij—bij haar in dat bordeel?

DROOMELOT. In wat?

REGENT. In dat bordeel?

DROOMELOT. Bordeel? (aarzelend-onwetend) Nee.

REGENT. Hoe dikwijls heb je ’r bezocht—die vrouw?

DROOMELOT. M’n moeder?

REGENT. (kwaadaardig) Die vrouw, je moer—gaat mij dat aan! ’k Praat toch geen Spaansch! Hoe dikwijls was je bij ’r? (zij staat in angstige aarzeling bevreesd voor Sero’s glimlachend kijken)... Nu dan!

DROOMELOT. (benepen, zonder iemand aan te zien) Dat was, geloof ’k ééns... (ziet vluchtig naar Sero).

REGENT. (woest) Eens! Eens in de kerk—eens in ’t bordeel—’t blijft altijd eens! ’t Heele nest dat is bevuild! Hij heeft de waarheid in z’n schaduw—zij liegt—en zij, zij slaapt, maar liegt ’t hardst van allemaal! (tot Jus) Zijn klaar de stukken, Jus?

JUS. (een ganzeveer overreikend) Ja, Excellentie. Als u ze teekenen wil?

REGENT (indoopend). Goed zoo. De schalk, die tienmaal door de mazen glee, die tienmaal jou te glad was, Jus, de schalk die overal op plein en markt „verhaalt”—ja, ja!—„vertelt”—ja, ja!—en zulk een teeder nekvel heeft—gaat op dieet!... Ho, ho!... Dat is een vonnis met ’n monsterpen, hahaha!... ’t Lijkje van m’n lijkenvlieg! Net door ’r taster en ’r kop geregen! Adieu mijn vriend: de laatste eer, hahaha! (tipt met den middelvinger tegen den penhouder en wrijft met den voet over het doode insect) Rust zacht en met ’n R. I. P.! (teekent de stukken)... Zoo gaat ’t beter, zonder inktgemors... Die vrouw is vrij!

REGINA. Goddank!

REGENT (tot Droomelot). En jij—heb jij ’n keus—bij hem, bij haar?

DROOMELOT. Blijft vader hier?

REGENT. Ja, ja,—en kosteloos!

DROOMELOT. Dan blijf ik bij mijn vader.

SERO. Dat kan niet, Droomelot!

REGENT. O, ’t kan! ’t Hoofd van Staat—de Staat—heeft ruìmte voor z’n kinderen!

REGINA. Mag ik ’r niet...

REGENT. Hahaha! Of zij! Of zij!... Hahaha! Wat jij ’r leeren kan—dat is mij toevertrouwd! En hoe! Hahaha! (tot Hopman) Hier is ’t bevel! Je plicht! Vooruit! Hahaha! Of zij! Of zij!... (af over trap met Jus).

HOPMAN. (tot de rakkers) Wat slapen jullie nou! Weet je geen raad! (zij brengen Sero naar het hok, sluiten de traliedeur. Dan wenkt hij ze Regina heen te voeren).

REGINA. Mag ik ’t kind...

HOPMAN. (grof) Nee, nee!

REGINA. Ik wou ’r enkel...

HOPMAN. (haar zelf bij een arm grijpend) Nee zeg ik, nee! (duwt haar met de rakkers door de gaanderij-opening).

ACHTSTE TOONEEL.

Sero, Droomelot.

DROOMELOT (staart als in bewusteloosheid rond, ziet Sero achter de tralies). Vader....

SERO. Kom hier, m’n kind.... Je heb daar straks gelogen! (zij stort op het traliewerk toe, kust knielend z’n hand). Waarom?.... Waarom?.... Dacht jij dat ik op haar afgunstig ben?.... Sta op!... Geknield wordt hiér genoeg! En geef m’n schoentjes en ’t testament.... (zij raapt het Testament op. De soldenier begint op en neer te loopen).

—DOEK.—

TWEEDE BEDRIJF.

(Het tooneel verbeeldt twee kerkers door cementen muur gescheiden. In beider achterwand een deur met kijkgat. De rechter heeft een langwerpig, betralied venster over eerste en tweede plan, geheel in de hoogte. Een opvouwbaar bed daaronder. Op voorgrond tafel en stoel. De linker-kerker wordt door een onbetralied tuimelraam boven de deur belicht. Een koepelvormige deurlooze opening, in eerste plan, geeft daar tot slaapstee toegang. Tegen cement-muur, die aan beide zijden bij voorgrond sporen van een vervallen schouw heeft, staat de tafel met stoel. Op de tafels telkens een lampje. Bij de deuren rekjes met kommen en bijbel. Vroegmorgen).

EERSTE TOONEEL.

Sero. Wachter.

WACHTER. (ontsluit deur van rechter-kerker, waar Sero bij de kleine olielamp zit te schrijven. Bij ’t gerinkel der sleutels verbergt de laatste snel eenige papieren. De wachter controleert of het bed goed ingeslagen is, staat in nadenken, werpt dan verwoed z’n sleutelbos tegen den grond) Pardieu! Pardieu!

SERO. Ontstemt u iets, mijn dienaar en mijn vriend?

WACHTER. ’k Zou kunnen springen uit m’n vel, pardieu!

SERO. Ha-ha-ha, dat is een sprong, die zelfs geen paling uit den nood helpt, kameraad!

WACHTER. Jij ziet me hier voor ’t laatst—ik ben gesjeesd—ben aan den dijk gezet....

SERO. ’k Wou dat ik mèt jou op dien dijk mocht gaan!

WACHTER. Is ’t geen schooiersstreek me zoo op staanden voet, omdat ik diefstal rapporteer, ’t groote gat te wijzen? Is ’t niet ongehoord me uit m’n brood te trappen, om ’n onvertogen woord?... De heele maatschappij is rot!....

SERO. (spottend) Juist, Juist! Jij slaat den spijker op zijn harden kop! Ga zitten, maat. Jij wordt ’t zitten waard! (ordent de papieren, presenteert stoel, wipt zelf op tafel.)

WACHTER. Ik rapporteer—begrijp nou goed, pardieu!—dat van ’t leer, waarvan ze schoenen snijden...

SERO. Voor de rakkers...

WACHTER. Gestolen wordt...

SERO. Dat ’s dom!

WACHTER. Wat?... ’t Stelen?

SERO. Nee—’t rapporteeren!

WACHTER. Waarom? Waarom, pardieu!

SERO. Omdat—wel, bij mijn idealen en jóúw baard!—hiér iedre dief een diefjesmaat moet hebben. En dan: ad één, den Staat bestelen is geen schelmerij. Jij had geen oogje, maar twee oogen moeten knijpen—als een kat in ’t licht! Men rapporteert niet als de boeken kloppen. Wat aan den officiëelen maatstok kleeft—dat telt niet mee. En àls ’t telt, dan telt ’t tikken op de vingers, van wie te lange neuzen heeft. Jouw neus was hier te lang—en ook je tong. Begrepen, ha-ha-ha?

WACHTER. Begrepen, nee, pardieu! Hoe kan ’k begrijpen, als jij ’t zelf niet snapt? (legt zijn uitgegane sigaar op tafel neer) Ik rapporteer dat van ’t leer en dat vannacht álweer...

SERO. ... Gestolen is.

WACHTER... Gestolen is! Toen zeit de kommandant: jij kletst—gestolen wordt hier niet...

SERO. (die de sigaar genomen heeft en haar aan de lamp op poogt te steken) Dat dacht ik wel!

WACHTER. Ik zeg: ’t is niet alleen van ’t leer maar ook van ’t spek en van ’t meel en van....

SERO. .... En van de rest, ja, ja! Heb jij een lucifer?

WACHTER. (verstrooid, hevig in z’n klacht geïnteresseerd doorpratend) Toen wordt hij valsch en vuil en schelt me uit voor sufkop, halve gare, idioot... (strijkt lucifer af) en zeit: as jij wat minder zoop, dan zou jij niet zoo dubbel zien. Ik zeg: ik zie niet dubbel, ’k zie te weinig! Had ik geen gelijk? ’k Geef ’m den wind van vore en van achter—en sta op straat! Je eten wordt al door ’n ander straks gebracht, pardieu!

SERO. (dampend) Je neus—je tong—net als ik zei!

WACHTER. Wat zou jij doen in mijn geval?

SERO. Met heel bekwamen spoed mijn boeltje pakken! (de lamp uitblazend) ’t Wordt ’n zomerdag vandaag, om in ’t bosch te loopen fluiten (begint op en neer te stappen)—om bij de kreek te liggen in ’t gras—om met ’n open mond te droomen, wachtend op manna, zonder gist, ha-ha-ha! Ja, ’t gist nog in mijn oud karkas, als ’t in ’t Oosten daagt met zwarte strepen van de tralies!... Wees blij, m’n vriend, dat jij de plaat hier poetst—en verder gaan mag dan dat drie en vier, dat ik met taai geduld van ’s morgens tot den laten nacht doorstap! Jij ben de een’ge wel, die zich verzet, als van de kooi ’t deurtje openwipt! Ik zit ’n week al, week van zeven dagen, zeven nachten, honderd vijf en zestig uren welgeteld... Als mij de kommandant op staanden, staanden voet de andre zij van dezen muur, waarop de schimmel hare schoven stouwt, laat zien, dan weet mijn rechter wat mijn linker doet—en als ’k nog omkijk mag ik vrij van rechten en accijns een zoutzuil worden, als ’t brave wijf van Lot!... (raapt den sleutelbos op) Je loopers, vriend! Bij alle Heiligen der Heil’ge Kerk, bij alle Sinten en Apostels, die Boven hebben vrij logies, vrij stoken en vrij licht, jij brengt me gloeiend in verzoeking!

WACHTER. Pardieu, ’t is mak’lijk spotten met ’n anders ongeluk! Ik heb ’n vrouw...

SERO. Dat ongeluk heeft meer dan een, die tot geluk geschapen werd...

WACHTER.... Ik heb ’n vrouw die als ’n helleveeg regeert en om ’n vlooiebeet ’n hallef jaar van streek is! Als ik, pardieu!, daar thuis kom zonder uniform, als ’k hier niet blijven mag, krabt ze mijn goed stel oogen uit! Pardieu, hij’s nog niet van me af! ’k Ga requestreeren, requestreeren dag aan dag!...

SERO. De snippermand van staat, mijn opgewonden vriend, kent ’t geluid van stuk-gescheurde paperassen!

WACHTER. Wat dan? Geef dan ’n raad! Jij zit toch hier, omdat jij preekt voor recht en billijkheid! Jij komt toch op voor ieder die verdrukt...

SERO. Nee, nee, nou laster je, mijn vriend!... ’k Eet jullie rats en gort, omdat ’k ontuchtig ben!

WACHTER. Als jij mij helpt dan help ik jou!

SERO. Dan help jij mij? Met wat? Met ladders, vijlen en ’n kreuplen knol, om in ’n ander land weer opgepikt te worden? Ik ken dat hazardspel. En dan—als ’t kon—als ik op vrije voeten... (vrije voeten wat ’n hoon, waar in geen stad, geen dorp, ’n mensch vrij-uit bewegen, spreken, dènkend-spreken mag!)... als ik ’t zonlicht zonder tralies zie—laat ’k dan m’n kind niet in dit wanhoopshuis! Was ’t niet mijn troost dat jij me zei, dat ’t zelfde dak ons tegen wind en regen schut?... Nee, nee, ik dank je wel—en jij, wil jij hier blijven met geweld...

WACHTER. Natuurlijk! Ja!

SERO. Steel dan van ’t leer, dat hier vannacht gestolen werd, en eer je ’n rozenkrans of tien voor al de misdaad in dit toevluchtsoord gedraaid, ben jij m’n buurman dáár...

WACHTER. Dáár kan niet—dáár... Nou goed, je zal ’t weten, nou ze zoo’n judasdaad an me begaan! Dat is m’n eerste wraak vóór ’t requestreeren, want requestreeren ga ’k op slag: dáár zit je dochter! (Sero schudt glimlachend-ontkennend ’t hoofd) Nee? Ja! Al van den eersten dag!

SERO. Zoo, zoo. Wel, wel! Zit daar? (pijnlijk lachend) Ha-ha-ha, als je ’t eerder had gezegd, dan had ik eens geklopt, zooals de boef hierboven, die om ’t uur zijn knokels op de planken praten laat! Daar heb je ’m net! (geklop)

WACHTER. Dat is ’n moordenaar—heeft toen-ie bij ’n diefstal werd gesnapt, z’n mes getrokken! Dáár—pardieu, geloof ’t niet!—daar is je dochter!

SERO. Als je niet liegt: wat helpt òns dat? De wanden hebben ooren hier, maar niet voor mij en haar!

WACHTER. Ooren èn oogen—als je wil!

SERO. Begrijp ik niet. Dat’s raadseltaal.

WACHTER. ’k Draai ze ’n loer, die heugen zal! De schoft, de schobbejak! (luistert schrikkend aan de deur) Jij kan zoo veel, zoo lang, zoo dikwijls als ’t je past, ’r zien en met ’r spreken!

SERO. (ongeloovig) Ja, ja! Dat is ’n fijne wraak van jou! Máár—máár, wie zal zoo hoflijk zijn de deuren te ontsluiten? Straks komt de andre wachter, heb jezelf gezeid!

WACHTER. (naar den schouw wijzend) Dat’s eens ’n schouw geweest!

SERO. Geweest, ja, ja!

WACHTER. De deur zit daar! (wijst omhoog)

SERO. (spottend) En ’t sleutelgat?

WACHTER. (vroolijk) ’r Naast.

SERO. En de portier?

WACHTER. Ben ik—bijtijds!

SERO. Ha-ha, en dan m’n buik—m’n buik gezwollen zevenmaandsch van ’t kostelijke voer—zal die z’n vel niet langs de posten schaven?

WACHTER. Als je je riem wat snoert, kost ’t geen blauwe buil! Ha-ha-ha! En minder nog ’n miskraam!

SERO. De guiterij is goed! Ik dank je wel voor zooveel snaaksheid op mijn nuchtre maag!

WACHTER. Pardieu, ’k steek je den lepel in je mond!... Hier, in ditzelfde hok, heeft eens ’n dief-in-’t-groot meer dan ’n jaar gewurmd, die zei dat-ie krankzinnig was—en maandenlang heb ik z’n kunsten afgeloerd, als-ie alleen, vergat z’n fratsen uit te halen! ’k Ging op de tafel staan en schoof ’n ijzren val ’n vingerbreed omhoog! Hoef ik nog meer te zeggen?... (Sero grijpt de tafel) Pas op! Nou niet! Wacht tot ’t donker is! De kommandant kan ieder oogenblik... Pardieu, verdoemd! ’r Kijkt een door ’t luik! (dreigend en schreeuwend) Dat’s hier ’n bende, sakkerjuu! Je lamp hoort bij de deur—je emmer ook!

SERO. Jawel meneer!

WACHTER. Wat vlugger, hè!

SERO. Haasten doet niemand die gelóóft, en die niet storten wil—hij ’s vol tot aan den rand...

WACHTER. (de deur openend) Je bek gehouen en geen tegenspraak! En als je weer zoo treuzelt met ’t ruimen van je cel, ben jij ’r vierkant bij! (zet lamp en emmer buiten, kijkt de gang af, zacht) Hij ’s weg! Van mij weet je geen woord!

SERO. Geen woord!

WACHTER. Wacht tot ’t donker is! En eerder niet! De schobbejak! De smiegd!... Kan ’k nòg wat voor je doen?

SERO. (enkel aandacht voor de schouw) Nee, niemendal!

WACHTER. Dan wensch ik je... Verroest! (sluit de deur)

TWEEDE TOONEEL.

Sero, Droomelot, Kommandant.

SERO (beluistert de stappen, staat in nadenken, neemt van de tafel ’n blad papier, tracht dat voor het deurluikje te hechten, doet zulks ten slotte met speeksel. Dan draagt hij vlug de tafel naar de schouw, schuift de papieren tezaam, wipt er op, tracht door de reet te kijken.) Dat ’s net ’n hand te hoog!... Wat nou? Wat nou?... Aha! Ik kan... (geklop—hij schrikt) Was dat hier boven of opzij?... (springt van de tafel, luistert, spreekt de balken toe). Hoe wil je nu, m’n vrind, dat ik je antwoord zonder stelten? Ik heb geen arm, die tot den hemel reikt, en ook geen tijd! Of heb jij speeksel, dat ’t uren hardt? (neemt neuriënd den bijbel van ’t rekje). ’n Vondst! ’n Vondst! Als ’k op den bijbel stap, en op m’n teenen sta—kan ik ’r bij... (legt ’t boek op tafel, betreedt den bijbel, springt bij sleutelgerammel opnieuw op den grond.)

KOMMANDANT. Wat dee jij daar?

SERO. Den bijbel lezen.

KOMMANDANT. Den bijbel lezen met een blinddoek op je deur! (trekt het papier er af). Ben jij soms bang dat ’k dáárvoor straf?

SERO. Dat weet ’k niet, meneer de kommandant! De een mag wel, de ander niet de teksten lezen... Ik dacht...

KOMMANDANT. Wie heeft de tafel daar?

SERO..... Ik wou mijn cel een extra-schoonmaakbeurtje geven...

KOMMANDANT. Bijbel en schoonmaak sáám? Hoe doe jij dat, kornuit?

SERO. ’r Is geen tweede boek, meneer, dat meer tot schoonmaak port—dan dàt, wanneer je ’t zoo aandachtig leest als ik!

KOMMANDANT. (snuffelend). Ik ruik hier wat. Is hier gerookt? Hou weg je handen van je rug! Recht voor je uit, en basta met je slinksche streken! Geen vuist! Ik wil je vingers zien! De tien—of ben jij misgeboren!

SERO. (laat het stompje vallen). Daar zijn de welschapen tien! (met het stompje sprekend). Had ik ’r twaalf gehad, dan had de aarde jóú niet aangetrokken!

KOMMANDANT. Wie bracht dat hier?

SERO. Heb ’k in ’n hoek gevonden.

KOMMANDANT. In welken hoek—’r zijn ’r vier!

SERO. Ik heb ze nooit geteld, maar ’t schijnt te kloppen—in een ’r van.

KOMMANDANT. We zullen zien wie ’t laatste lacht, m’n goed-geluimde vriend! En of jij niet te temmen ben! Bevalt ’t je zóó zeer—(Tweede Wachter brengt brood en water) dat eten op ’n vasten tijd, de regelmaat en de gelijkheid voor en achter—o, ja, dàt zal ’t zijn!

SERO. Dat is ’t juist!