Part 7
DOLF (robuste man, ongeveer veertig, blonde volbaard—jachtkostuum—bloemruiker in de hand—praat tot den kelner buiten). Als ’r geen kamer is, dan maak je d’r een. Wat zeg-je... Enkel ’n badkamer? Dan ’n badkamer! En de rommel uit de auto naar boven halen.... Ja, ja.... Goed! (tot Charles). Wel wat drommel.... (Charles wijst naar de portières). Heb jij geseind?... ’t Is toch niet.... (Charles ontkent). Dat is ’n pak van me hart.... We hebben over de tachtig kilometer geloopen.... Midden op den weg oponthoud—’n boerekar, die natuurlijk verkeerd uitweek in ’n sloot gerejen—scheelde geen haar of we hadden met de auto ’n saut périlleux gemaakt.... Of de kaffers ’t ’r om doen, om doen!... Hoe is ’t met mama?... Meer angst dan ziekte, zooals de laatste maal?... Of....
CHARLES. Ze moet op ’t oogenblik weer heel opgewekt zijn. De dokter is juist bij ’r—ik ben nog geen uur geleden van Trouville binnen komen vallen.
DOLF. Was dat telegram, aan Snip geadresseerd, van jou?... Verbazend handige inval! M’n compliment. Anders was ’k mogelijk nog bij Beelaart op de jacht!
CHARLES. Snip?... Snip?... Ik heb niet getelegrafeerd, omdat ’k pas zèlf gearriveerd ben—en Snip—Snip? Wie is dat, als ’k vragen mag?
DOLF. Snip.... Madame Lebeau....
CHARLES. O. Wist niet dat die juffrouw ’n zoo gedistingeerden bijnaam.... Hope heeft u aan dat gerenommeerd adres ’n laatst telegram gestuurd—op de andere kreeg ze gister en eergister geen antwoord...
DOLF (eenigszins ontstemd). Hope?... Hope?... Is Hope hier?... Bij mama?
CHARLES. Verwondert u dat?
DOLF. Och nee. En och ja. ’k Weet ’t niet (loopt een weinig geprikkeld op en neer). Dat heb jij ’r toch niet?
CHARLES. Ik begrijp niet wat u bèdoelt....
DOLF. Of jij.... Doet ’r niet toe.... Geef me ’n sigaret. ’k Ben wee van honger.... Me geen tijd gegund te dineeren. Merci.... M’n handen trillen nog van den stuurstang (lucifer aannemend). Merci (zakt in den stoel voor het raam). ’k Dacht waarachtig, dat ’t deze keer.... ’k Zou ’r enorm spijt van gehad hebben.... Want al ben ’k ’n dozijnmaal, op de ongelegenste momenten opgeschrikt—niet waar?—al is ’t goddank—geloof jìj an zoo’n sinjeur daar boven?—ik niet!—al is ’t goddank telkens met ’n sisser afgeloopen—één keer moet ’t gebeuren—en dan zou ’t meer dan beroerd zijn, als je die oogen voor goed gesloten vond.... Duurt ’t nog lang daarbinnen?... Kan ’k kloppen?...
CHARLES. Ze zullen wel dadelijk komen.
DOLF. Ze?... Ze?... O ja.... Attent van die kleine Hope. Dus diè heeft Snip, Snipje, ’n dépêche gezonden.... Charley, boy, ik geloof....
CHARLES. U gelooft?...
DOLF. Niemendal. Niemendal. ’k Geloof heelemaal niet—zei ’k straks al.... Kan ’k me handen ergens wasschen?... ’t Bloed van de patrijzen—heele koppels hebben we onder schot gekregen—ja waarachtig!—kleeft ’r nog an—zoo gehaast als ’k in de auto van Beelaart gesprongen ben, toen de manke boschwachter op ’n fiets—dat had je moeten zien—een kruk zoo en een zoo—me de boodschap van Snipje kwam brengen.—Is hier geen waschgelegenheid?...
CHARLES. Hiernaast op 59—de kamer van Hope....
DOLF. De kamer van Hope?... Nee.... Wetboek van Strafrecht, artikel—artikel.... Nou welk artikel?
CHARLES (lachend). Begrijp u niet....
DOLF. Dat ’s de tweede maal, dat ’k voor jou te diepzinnig ga (werpt de sigaret uit ’t raam). Deugen niet—die papieren dingen van de régie.... Heb je Suus meegebracht?
CHARLES. Nee. Ze—ze kon niet zoo op slag mee.
DOLF. Hoe laat ben je uit Trouville vertrokken?
CHARLES. Vannacht—ja vannacht....
DOLF (glimlachend). Je zegt dat of je ’t zelf niet precies weet.... Maakt de kleine Ninette ’t goed?
CHARLES. Uitstekend.
DOLF. De bronchitis heelemaal weg?
CHARLES. Totaal. En gelukkig. Als dat kind wat overkomen was....
DOLF. Dan?
CHARLES. Nou dan niets—u kunt u voorstellen—of misschien ook niet—hoe je van zoo’n baby houdt.... Ik dweep met ’t goudkopje (een portretje uit z’n portefeuille nemend). Dat is ’t laatste kiekje aan ’t strand van Trouville (kust het). Als ’t u interesseert (reikt het over).
DOLF. Pretendeert dat de een of andere nuance van hatelijkheid—„als ’t u interesseert”—omdat ik deze maanden....
CHARLES (glimlachend). Laten we zeggen ’t heele jaar—van af Nieuwjaar....
DOLF (knikkend). Van af Nieuwjaar—merkwaardig geheugen heb jij!—geen gelegenheid heb kunnen vinden?... Charley, boy: waar ik bezoeken afleg, letterlijk waar, krijg ik verwijten.... Prachtig snuitje.... Ik kom honderd jaar tekort.... Precies je vrouw.... De dagen vliegen, de weken raken zoek, de maanden trek ’k met mudjes van den kalender.... Ja, daar zul je plezier van hebben.... Mooi kind.... Leuk kind.... Mag ik ’t bij me steken?
CHARLES. ’k Heb ’r maar één. En dan, beste oom—wat moet ù met ’n portretje?
DOLF. Wat ik met portretten moet? ’n Half dozijn draag ’k ’r bij me... (in z’n binnenzak tastend—dan aarzelend). Nee. Je heb gelijk. Merci (reikt het over). Heb je Suze daar ook?
CHARLES. M’n vrouw—nee. Of misschien hier... (doorzoekt de portefeuille). Nee. Zeker verlegd (in de slaapkamer weerklinkt gelach). We behoeven ons voorloopig niet ongerust te maken, oom—zoolang ze in dié stemming zijn....
DOLF. Tant mieux! (staat op, klopt zachtjes).
ACHTSTE TOONEEL.
Charles, Dolf, De Dokter.
DOKTER (met de champagne-flesch en het presenteerblad). Sust!... Nee vooral niet binnen!—Dolf?... Meneer Dolf van Walden? Herkent u me niet meer?... Linden.... Jan Linden....
DOLF. Pardon—mogelijk dat....
DOKTER (de flesch in den koelemmer stellend). Ik heb uw schoenen nog in ’88, ’89 gepoetst—ik heb op één avond drie snijkoeken moeten slikken, omdat ù zich verbeeldde, dat ik ’n speld binnen had gekregen.... Boven de handschoenenwinkel in de Breestraat—met aan de overzij ’t Stadhuis.
DOLF. Ben jij—ben u.... die kleine bleeke Jan, die.... Kerel, ben jij al dokter? (schudt z’n hand) En mama?.... We hebben daar zoo luidruchtig hooren lachen.... Is ’t weer zoover beter, Jan of Linden of dokter.
DOKTER. Hou je bij Jan, Dolf—dat is de makkelijkste herinnering, niet? Mevrouw van Walden—jongen, jongen, wat ’n damp van de sigaretten—mag heusch niet, meneer—je mama, Dolf—’t doet me verbazend genoegen, je na zooveel jaren weer ’ns te zien—je ben d’r niet minder op geworden, ouwe kameraad!—je mama—ja, ’k dùrf geen meening meer zeggen—bij dat soort hartaandoening blijft ’t tasten.... Eergister en gister en vanmorgen nog, had ’k ’r formeel opgegeven—en nu.... Niemand weet ’t. Niemand. Als ze zich kalm houdt, ’t spreekt vanzelf dat ze ’t bed niet uit mag, bestaat ’r kans—’n heel zwakke kans.... ’t Eenige wat ’k beslist aanraden moet—en wat je gezond verstand je zal ingeven: ook al krabbelt ze weer op—je moet ieder oogenblik te bereiken zijn—versta me wel iéder oogenblik....
DOLF. Jantje—’t zelfde hoor ’k twee jaar lang—je collega die ’r in de stad behandelde, heeft....
CHARLES.... Ons om ’n haverklap getelefoneerd of geseind....
DOLF. Zooals jij vandaag....
DOKTER. Natuurlijk, natuurlijk—maar iedere dag kàn ’t noodlottig zijn. ’t Was hoogst-bedenkelijk—hóógst. En daarstraks, na ’n met moeite gedronken glas champagne, werkte ’r hart weer bijna normaal, liet ze ons schudden van ’t lachen, omdat ze beweerde zóó’n eetlust te hebben, dat ze minstens driemaal ’t menu van de table-d’hôte, telkens van voren af aan, zou kunnen eten. En toen ik zei, dat zoo iets ’n weinig bezwaarlijk moest zijn, antwoordde ze droog, dat ’r overleden man ’t eens tweemaal gedaan had, nà ’n officieel diner, waaraan de koning had aangezeten, en waarbij niemand ’n vollen mond durfde nemen, omdat Zijn Majesteit elke plat liet passeeren, en alleen ’n cure-dent verlangde, die ’r niet was....
DOLF. Hahaha!... Heel goed!... Maar doe me verder ’t genoegen, Jan—kerel, wat heeft de praktijk jou ’n buikje gegeven!—en praat niet meer over dineeren. Zoo als ’k mama heb gezien, moet ’k met overleg iets uitzoeken—geeuwhonger....
DOKTER. Geen tijd gehad?
DOLF. Tijd? Tijd?... Twaalf uur per dag, vijf vingers aan elke hand, kom ik tekort. Zou jij even de karaf water van Hope—die kleine attente Hope!—van Hope ’r kamer willen krijgen, Charley?
CHARLES. Om uw handen te wasschen?
DOLF. M’n handen wasschen?... Wou je hebben dat ’k dat zoo maar hier? (bootst het na).
CHARLES. O, met ’n glàs?
DOLF. Nee, neefje. Voor de bloemetjes. (Charles in de kamer links af). Hoe vindt je ’m, de zoon van m’n broer? Nette jongen, hè?... Wat gesloten—te vroeg getrouwd—drijven van... (tot Charles, die met de karaf terugkeert). Merci—merci! Nee, laat mij ’t liever doen. Zoo—de blaren vallen al af—symbool van de vrouwtjes, Jan—je bewondert ze—je plukt ze—dat wil zeggen: zij plùkken jou, terwijl je ze plukt—en als je ze ’n paar dagen in ’n bezeten stemming bezeten heb—geweldig die echo van woorden, hè?—regent ’t verdorde ideaaltjes—hou je zoo’n ding als dit—en profond négligé over... (werpt lachend ’n stengel uit ’t venster).
DOKTER. Met je permissie—’t beste laat je schieten—’t stuifmeel, ’t vruchtbeginsel....
DOLF (vroolijk). ’r Is niet één beginsel dat voor mij ’n beginsel is—Charley stop je ooren toe—ik ben de slechtste mentor voor jong-getrouwde mannen—èn vrouwen, hahaha! Kan ’k bij mama, dokter? Wat klinkt ’t verduiveld gek, zeg, jou dokter te noemen....
DOKTER. Nee, nee, nee!... Vooral niet binnengaan! Ze mag niemand zien. Rust, rust en nog eens rust. Morgen misschien, als de nacht kalm doorgebracht wordt.... Ben je zoo van de jacht op reis gegaan?
DOLF. Nog geen twee minuten na ’n prachtige haas te hebben neergelegd—roetsch, roetsch in de auto van Beelaart—roetsch ’n boerekar ondersteboven—roetsch, binnen de drie uur hier—vanmorgen twaalf uur gepicnict.... Zou ’k me wat laten brengen?... (een dekschaaltje op de zijtafel oplichtend). ’n Gestolten lamskoteletje.... (tot Charles). Heb jij dat besteld?
DOKTER. Nee. Hope moet ook nog eten.
DOLF. Ook nog?... Bij half negen!...
DOKTER. Dan kun je samen....
DOLF. Sàmen—met... Met-è... soupeeren?... Nee—Hope en ik hebben zoo af en toe—af en toe.... Ik hou niet, of minder, van wat je ’n moderne, ’n moderne vrouw, noemt—en zij heeft zoo eenige bezwaren tegen mijn levensbeschouwing—als je mijn methode zoo’n wel-overwogen naam kunt geven (tot Charles). Charley, boy, kruip je heelemaal weg op ’t balkon?
CHARLES. Hier hindert m’n sigaret niet—en misschien hebben de heeren te praten.
DOLF. Heelemaal niet, jongen.
CHARLES. ’t Is zulk zacht weer—’k zit liever hier—’k zal nog enkel ’n tweede kop nemen (komt van het balkon, vult zich een tweede kop—gaat weer buiten).
DOKTER. En ik stap op.
DOLF. Wat heb je ineens zoo’n haast?
DOKTER. We zien mekaar, hoop ’k, dezer dagen méer en onder rustiger omstandigheden. Loop je eens bij me aan—je ben nog niet éen keer op de Stichting geweest....
DOLF. De Stichting van mama?... Praktiseer jìj daar?
DOKTER (glimlachend). Je ben wél op de hoogte, uitnemend op de hoogte van de dingen, die je mama interesseeren....
DOLF. Kerel: ik vind ’t allemaal braaf en christelijk en voortreffelijk en hoe-je-’t-meer-noemen-wil—maar—maar: ik ben eenmaal anders—ik voel ’r zoo wanhopig-weinig en mogelijk toch weer ’n massa voor.... Toen ’t gebouw in aanbouw was, de kinderen nog in de barak logeerden, wou mama met geweld dat ik de eerste-steenlegging bij zou wonen. Dat heb ’k gedaan. De heele speech van dien dominee—die met ’n wràtje op z’n kin—dat ’s ’t eenige dat ’k van ’m onthouen heb....
DOKTER. Hahaha!....
DOLF.... Heb ’k me gloeiend in de meer dan gloeiende zon staan vervelen en ergeren—mama kreeg ’n uitbrander voor ’r ferme daad—ik ’n dozijn steken onder water—m’n gestorven ouwe heer werd ’r bijgesleept—als ’r geen paar beeldjes van kopjes bij waren geweest, met gedekoleteerde halsjes om te zoenen, zou ’k waarachtig uit den band zijn gesprongen!... Die eene met gitzwarte oogen en ’n moedervlekje hier—is die nog verpleegster geworden?...
DOKTER (glimlachend). Zwart haar?
DOLF. Juist—ze werd met Annie, meen ’k, aangesproken.... (De dokter schiet in een lachbui). Wat lach je?... Schei uit!... Is ’t zoo grappig?...
DOKTER (moeilijk). Onbetaalbaar.... Daar zal ze van mee profiteeren, als ’k thuis kom (lacht weer).
DOLF. Daar ga ’k bij zitten.
DOKTER. Ik ook.
DOLF. Ben je klaar met je lachen?
DOKTER. Ja. Eindelijk.
DOLF. Is die ’r nog?
DOKTER. Ja, Dolf. En als je ’r niet boos om ben—ik was zoo vrij ’r te trouwen, hahaha!
DOLF. Hartelijk gefeliciteerd, kerel. Wel dat doet me màchtig pleizier. Jij heb altijd smaak gehad, hè?... Altijd. Ja (begint zelf te lachen). Heel aardig. Dat ’s me nòg eens gebeurd—en ’n beetje erger—voorverleden week in Châtelard—’n engel van ’n vrouw, groot, slank—heelen dag mee geflirt—volkomen correct—snap je!—Bij de pousse stapt ’n mormel van ’n mannetje binnen—’n bouwval—’n antikiteit. „Kijk eens om, madame”, zeg ik: „’n vogelverschrikker in ’n smoking”.... Ze kijkt om, laat ’r kopje haast vallen—stelt me voor: „Mon mari—mon mari”.... ’k Heb je daarnet toch niet beleedigd, ouwe Jan van boven de beruchte sigarenwinkel-in-de-Breestraat....
DOKTER (lachend).... Handschoenenwinkel.... Boven de sigarenwinkel woonde je niet meer.... ’s Nachts hebben we je door ’t raam verhuisd, omdat de ploertin eerst ’r beer betaald wou hebben....
DOLF. Hahaha.... Ja-ja! Nee maar zeg—’r blijft toch niets van de nonsens hangen—’k vond ’r op m’n woord lief, charmant—maar....
DOKTER. We—wè hopen je bij ons te zien....
DOLF. Merci.
DOKTER. Zou ’t voor jou ook geen tijd worden, Dolf? Die historie met die juffrouw Lebeau....
DOLF. Heb jìj Hope ’t adres gegeven?
DOKTER. Ik? Hoe kom je daar op? Ze wist ’t—iedereen weet ’t....
DOLF (gepreoccupeerd). Zoo.
DOKTER. Ik dacht geen jaar geleden, dat jij père de famille, dat je getrouwd was....
DOLF. Nee. ’k Heb ’t nog niet verder dan tot ’n bedriegelijke nabootsing van ’t huwelijk kunnen brengen.
DOKTER. Jammer. Wij hebben ’n pracht van ’n villa, met uitzicht op zee—alleen beneden ’n suite van vijftien meter, vijftien....
DOLF.... Excellent om te kegelen....
DOKTER. Je ben positief dezelfde. Maar die befaamde vrouw—uit dat schandaalproces....
DOLF. Ja ’t is niet in den haak—„voorwaar niet” zou dominee-met-’t-wratje zeggen.... Malle geschiedenis geweest—de kennismaking—de eerste eenzame liefdesnacht....
DOKTER.... Eenzaam?....
DOLF. Hopeloos. Met de odeurtasch van je adoratie achter te blijven.... Dat was drie maanden geleden. Langer kan ’t niet. ’k Ben zelden langer dan drie maanden in de bedriegelijke nabootsing. We nemen ’n hotel, ’n groot hotel van over de vijfhonderd kamers—dat’s te verkiezen—Zij drinkt ’n flesch met me—verwijdert zich even—wil naar de kamer terug—heeft ’t nummer vergeten—gaat na ’n kwartier zoeken naar den portier—die vraagt ’r den naam van ’r màn—Scène-à-faire voor ’n theaterstuk: ze kent me na de korte kennismaking enkel bij m’n vóórnaam—Stel je voor, Jan: geen nummer van de kamer, geen naam van den man.... Hoogste tragiek.... De eigenaar van ’t hotel wordt door den portier gewaarschuwd, dat-ie voor ’n puzzle staat—Snip mag heelemaal niet meer binnen—familiehotel—goede naam—enzoovoort... Ik na ’n kwartier aan ’t zoeken—hoor wat ’r gebeurd is—eclipseer met de odeurtasch... Zou jij ’n vrouw na zoo’n hevig-bewogen avontuur, zònder ’r odeurtasch laten? Nee, nietwaar? Zoo hebben Snip en ik mekaar „gevonden”. En als ’k Snip, Snipje, niet gekend had, zou je je dépêche vanmiddag aan ’n ánder hart onder ’n ánderen duren hoed met struisvogelveeren—gister betaald—hoedje van zeshonderd gulden—hebben moeten lanceeren, boy....
NEGENDE TOONEEL.
Hope, de vorigen.
DOKTER. Slaapt mevrouw?
HOPE. Nee, dokter. (tot Dolf) Goeien avond, meneer (hij buigt). Mevrouw wou meneer Charles graag éen oogenblik zien.... Is-ie weg gegaan?
CHARLES. Nee, nee, nee—present! (stapt van het balkon).
DOKTER. Hoe weet mevrouw dan?...
HOPE. Ze hoorde stemmen... Toen vroeg ze... En ik wist niet beter...
DOKTER. Nee, meneer Van Walden—vanavond niet...
HOPE. ’k Zou ’t liever wel permiteeren, dokter—u kent mevrouw: als ’k ’r niet had tegen gehouden, was ze opgestaan...
DOKTER. Kom, kom, kom, kom!... Gekheid.
HOPE. Ze ligt de avondeditie te lezen—zóó opgemonterd als ze zich voelt... Waarom dan niet even bezoek?...
DOLF. Natuurlijk—natuurlijk. We zullen ’t héel, héel kort maken, Jantje...
DOKTER. Geen sprake van—en nog wel twee tegelijk!... Op uw horloge ’n halve minuut, meneer Van Walden—en jij Dolf: morgen... Ik doe ’t met displeizier, en om de patiënt niet te contrarieeren.—Weinig praten en weinig láten praten, meneer!—En mag ik tegelijk afscheid nemen—ik kan niet langer blijven.
CHARLES. Tot morgen dokter! (af met Hope in de slaapkamer).
TIENDE TOONEEL.
Dokter, Dolf.
DOLF. Ga je heusch?
DOKTER. Me dunkt. ’n Dik kwartier verbabbeld. Zien we je?
DOLF. Op handslag... Aardig die kleine Hope in ’r kostuum, hè?... Jammer dat ze zoo... Dat beroerde bij de tegenwoordige vrouwen, hè—’t haar als ’n kloosterzuster—de hoed zonder ’n veer—moet ’k met dierbare Snip over praten—heele besparing... Is jouw vrouw ’n vróúw—wat je noemt ’n vróúw—of is ze ook zoo’n verschijnsel met aangewaaide ideeën—type eenvoud?
DOKTER. Dolf—je krijgt me niet meer an ’t babbelen!... Kom je overtuigen, hahaha!... Tot ziens. Je hoeft me niet uit te laten. Denk ’r an: jij mag pas morgen op bezoek gaan. Rust, rust.
DOLF (in de deur). Zeg Jantje...
DOKTER. Ja?...
DOLF. Ben je nog altijd zoo’n liefhebber van schaken?... Je gaf me ’n raadsheer of ’n kasteel voor, herinner je je?
DOKTER. Ja, ja.
DOLF. Spelen we morgen ’n partij?
DOKTER. Uitstekend. Bij mij thuis?
DOLF. Goed. Morgenavond. ’t Zal me ’n genoegen zijn met je vrouw kennis te maken. Jij ben ’n beste kerel.
DOKTER. Adieu. Adieu.
ELFDE TOONEEL.
Dolf, Charles, Hope.
DOLF (kijkt het boek van Hope in, leest ’n moment, glimlacht, bladert verder, houdt ’n bundeltje gedroogde viooltjes tusschen de vingers, zit in nadenken, klapt het boek vroolijk dicht, schenkt zich een glas champagne in, drinkt dat snel leeg, herneemt het boek, bekijkt nog eens aandachtiger de gedroogde viooltjes, schrikt, sluit het boek, wacht tot Hope de deuren dichtgeschoven heeft). Nou? Hoe vond je mama?
CHARLES. Dezelfde van vroeger.—Als ze morgen zoo is, reis ik weer rustig af.
DOLF. Je zegt dat of ’r iets voorgevallen is—Zoek je wat Hope—juffrouw Hope?—Daar ligt ’t.... (overhandigt haar het verlegde boek).
HOPE. Dank u. (zet zich in den leunstoel voor ’t raam—leest met bedoeling).
DOLF. Heb je iets, Charley, boy? Zeldzaam hoe jij zónder snor op die dominee-met-’t-wratje lijkt, hahaha!
HOPE. ’n Beetje zachter, meneer—mevrouw zou gaan slapen. Dat lachen is te hooren...
DOLF. Ik dacht dat jij zat te lezen... Nou Charley, hoe heb ’k ’t met je?... Ga je zoo gezellig heen?
CHARLES (kalm). Grootmama sprak ’r van waar Hope bij was—ik hoef me dus voor Hope niet in acht te nemen—’r hindert me inderdaad wat! (tot Hope, die naar haar kamer gaat). Je hoort toch, dat ’k voor jóú geen geheimen heb...
HOPE. Praat u liever zonder ’n vreemde ’r bij.... (af).
CHARLES. In elk geval kan ’k nu vrijer m’n opinie zeggen.... Oom Dolf—hoe ù doen zal, weet ’k niet, maar ik zal me ’r deze keer beslist nièt bij neerleggen....
DOLF (droog). Money-matters?
CHARLES. Geldzaken ja. Grootmama heeft de intentie de Stichting, die al zooveel nutteloos geld verslonden heeft—geld niet te berekenen!—’n enorm legaat te vermaken—En omdat dat wettelijk zonder uw en mijn toestemming niet kan, niet mag, vroeg ze me of ik ’r voorloopig belóven wou met ’n beschikking van dien aard genoegen te nemen....
DOLF. En?
CHARLES. Ik heb ’r in deze situatie niet dadelijk willen weigeren—’r enkel gezegd dat de dokter veel praten verboden heeft, dat we morgen à tête reposée... niet waar—vindt u niet?
DOLF. Ik vind dat verschuilen achter ’n doktersadvies niet bepaald recht door zee—niet straight forward, Charley... Hoe groot zou dat door ons goed te keuren legaat moeten zijn?
CHARLES. ’n Rente van ’n halve ton per jaar—dat is schappelijk berekend ruim ’n miljoen....
DOLF. Tegen vijf procent—en die maak je niet op soliede manier....
CHARLES. Met wat ’r al in de historie zit, wordt ’n fortuin, ’n fortuin, verkwist—Ik kom voor Ninette op—ik dènk ’r niet aan, dènk ’r niet aan—de excessen van grootmama, dat links en rechts „weldoen” met geld dat welbeschouwd ’t hare niet is...
DOLF. Ho. Ho. Niet zoo galopeeren. ’n Beetje maat houden in je edele verontwaardiging, Charley.....
CHARLES. Met genoegen, maar alsjeblief niet die hinderlijke toon, oom, of ’k nog de jongen van de kostschool ben...
DOLF. Jij schiet vanavond met iets anders dan los kruit, neefje....
CHARLES. Des te beter. ’k Heb lang genoeg over me láten beschikken....
DOLF (koel). Toch niet door mij, wel?
CHARLES. Door u?... Och u... (verbitterd). U had andere zaken en bezigheden dan naar mij om te kijken....
DOLF. Ik zei je al, toen je me ’t portretje van Ninette liet zien, dat jij van nuances van hatelijkheid schijnt te houden.... Snip pleegt daar ook in den vroegen morgen specialiteit in te zijn....
CHARLES. Merci voor uw ernstigen toon, oom. Maar ik verzoek u er nota van te nemen dat ik weiger—in ronde woorden weiger....
DOLF. Ik heb je toch niets gevraagd? Wil je zoo ridderlijk zijn zelf ’t woord te voeren?
CHARLES. Dat zal ’k. En om onaangenaamheden te ontgaan, lijkt ’t me ’t beste ’t antwoord uit Trouville te schrijven....
DOLF. Jawel. Maar doe ’t aangeteekend. Dat is meer businesslike, zakelijker, verstandiger—brieven kunnen zoek raken....
CHARLES. ’t Zal toch heusch tijd worden, oom, dat u minder ironisch met me omgaat.... Grootmama heeft me naar die ellendige kostschool gezonden—grootmama heeft ’n vrouw voor me uitgezocht—heeft ’t huwelijk bedisseld....
DOLF. Jij begint los te komen of je mishandeld ben geworden—of je vrouw ’n last voor je is....
CHARLES. Daar blief ’k mijn gedachten over te hebben. Ik zeg alleen, dat de grens bereikt is—ik laat niet disponeeren over....
DOLF.... Je erfdeel—ouwe, beminnelijke familie herrie, wanneer ’t zoover is.... (hard). Maar ’t is gelukkig nog niet zoover.... ’t Spijt me Charley, dat de eerste keer dat je eens prettig met me uitpraat—dat je gezicht ’n andere dan de bekende plooi heeft—dat je minder gereserveerd doet—dat je net die éérste keer zoo ongegeneerd van stapel loopt, terwijl ’t goeie, beste, onzelfzuchtige mensch, dat menig nachtje bij je opgezeten heeft, toen jij nog nièt ’t „goddelijk oordeel des onderscheids”, dat je nu bezit, had, mogelijk in ’r laatste uren ligt te becijferen, wat ze voor derden nog doen kan.... Fidonc. Je ben ’n egoïst lid, om zoo onsmakelijk je zelfstandigheid op te vatten!
CHARLES. Egoïsme schijnt ’n familietrek, oom... Ik heb u nooit minder getaxeerd... Au revoir. ’t Is beter ’t gesprek niet voort te zetten (bij de deur). Ik zal grootmama schrijven.
DOLF. Aangeteekend, jongen! (loopt grimmig op en neer, schelt—klopt aan Hope’s deur).
TWAALFDE TOONEEL.
Hope, Dolf, de Kelner.
HOPE. Heeft u me noodig, meneer?
DOLF. Zou jij anders niet komen?
HOPE. Natuurlijk wel.
DOLF. Hope—ik heb voor jou ’t grootste respect.
HOPE (pijnlijk). Jawel, meneer.
DOLF. Waarom zeg je dat „jawel” met dat vervloekte „meneer” ’r bij—op de ouwe haatdragende manier?
HOPE. Ik ben niet haatdragend.
DOLF. Kom nou—op m’n eerewoord....
HOPE. Doe u me één genoegen—en maak niet zoo’n misbruik van eerewoorden... Eer is zoo’n bijzonder ding voor ’n vróúw...
DOLF. Door ’n man zou ’k me zoo iets niet laten... En in jouw mond klinkt ’t leuk... Jij heb ’n methode (met nadruk)... Hope—ik vraag je zoo echt en zoo welgemeend excuus voor m’n gemeenheid van dien avond!—Ik heb geen bedoeling, geen bijbedoeling—’k voel enkel de behoefte je met genegenheid, met eerlijke vriendschap, de hand te drukken... Wees niet stijfhoofdig...
HOPE. Nee, meneer! (weigert de hand. Geklop) Binnen. Wat is ’r?
KELNER. Vous avez sonné...?
DOLF. Breng jij ’ns vlug ’n biefstuk of ’n chateaubriand of ’n entrecote—met pommes frites—(tot Hope). Màg ’t hier?
HOPE. ’r Is gedekt.
DOLF. En wat groenten...
KELNER. Pointes d’asperges?... Epinards?
DOLF. Pointes d’asperges.
KELNER. Et après...
DOLF. Niemendal. Verdwijn! ’k Val flauw. (Kelner af). Hope, schenk je vergiffenis?... ’t Heeft me zoo gefrappeerd dat jij weer bij mama terug ben, dat jij me—me—seinde—jij... na m’n onhebbelijke, lage, laffe, liederlijke—meer adjectieven zul je wel niet verlangen!—behandeling, dat ik goed met je móét worden... Die bloemen zijn voor jou...
HOPE. Dank u—zal ik nièt accepteeren.
DOLF (glimlachend). ’n Páár kun je ’r drogen zooals die in je verzenboek...
HOPE (schrikkend). Begrijp u niet...
DOLF. De derde keer! Nièmand begrijpt me vandaag! Race van onbegrepen naturen! De boschviooltjes die ’k dien fameuzen Zondag—die ’k zóó dicht bij ’t water greep, dat jij m’n hand moest vasthouen—liggen die niét in dat buitengewoon boek gedroogd?
HOPE. Dat boek heb ’k geleend—die bloemen interesseeren me niet! (laat ze er uit vallen—wil naar haar kamer terug).
DOLF. Dus—géén wapenstilstand?...
HOPE. Als ’r geen oorlog is, hoeft ’r niet over wapenstilstand gesproken te worden.... (nieuw gebaar naar de kamer).
DOLF. Ik had dien nacht wat te veel champie...
HOPE. Hoe langer u ’r op doorgaat—hoe onkiescher ’t vooral voor mij is—voelt u dat niet?....
DOLF. Eén woord van je, Hope....