Part 8
HOPE (bitter). Vanmorgen, terwijl ’k me aankleedde, had de kelner, die straks hier was, de impertinentie binnen te komen—zonder kloppen—ik stond in m’n onderlijfje....
DOLF. Goed dat je ’t zegt.... De kwajongen!...
HOPE. Dien avond—toen u te veel „champie”—nee, nu zàl ik ’t zeggen—toen u te veel gedronken had, dee u èrger.... Als ’k niet geschreeuwd en gegild had—als er geen dienstboden bóven hadden geslapen—zou u.... (smartelijk).... Terwijl u wist hoeveel ik tóén—tóén—lach niet: dat’s uit, ùit—hoeveel ’k tóén van u hield... (met bedwongen tranen).... Dien heelen nacht heb ik liggen huilen, dacht ’k die beleediging—dat ’n vrouw zóó schandelijk in ’r bed te overvallen—dat ’n vrouw als ’n dier willen behandelen—had ìk reden gegeven?—ooìt?—niet te boven te zullen komen.... U had geen respect voor ’t dak van uw mama, die meer dan ’n engel voor me was—geen consideratìe voor m’n herinneringen, geen ontzag voor de beste, liefste dingen van ’n meisje, dat in de droomen van ’r kamer zoo laag, zoo ontuchtig opgeschrikt wordt!
DOLF. Ik wàs toen ’n bruut, Hope—had je den volgenden morgen—daar: op m’n knieën excuus willen vragen!—jij was geëclipseerd....
HOPE. Natuurlijk....
DOLF. En m’n brief van vier—zès zijdjes, ’n vol uur werk!—bleef beantwoord....
HOPE. Natuurlijk....
DOLF. Wat kon ’k meer doen?... En summa summarum, Hope-lief, àls ’k ’t zeggen mag—dat lijkt nu nog alles ’n tragedie—’n half Sabijnsche maagderoof—’n... (posteert zich voor haar deur). Nee, je gaat ’r niet vandoor!...
HOPE. Dat zal van uw toon afhangen....
DOLF. ’k Heb nu maar één glas gedronken, Hope—en mama ligt daar, Hope—en wànneer ’k ’n Blauwbaard ben, Hope, ben ’k toch ook nog ’n beetje gentleman, waarachtig ’n beetje—een, die fair genoeg is zich te schamen over ’n laagheid... Ga je nu weer dáár zitten?... Spelen we verstoppertje...?... (zet zich over haar). Enkel twee vragen.... Klopt ’r niets, niets meer voor me onder dat charmante verpleegsterskostuum, dat je prachtig staat?
HOPE. Meneer, ik ben in geen stemming.......
DOLF. Ik wel.... Tweede vraag—en sérieus, Hope—zoo sérieus als ’t bij ’n bed, dat ’n sterfbed had kunnen zijn, mogelijk is!—zeg jij jà, wanneer ’k je... wanneer ik je... wanneer ik je.... Dat is driemaal.... Hahaha!... ’k Zit te hakkelen, als ’n jongen van de Burgerschool.... Dat komt, omdat de knot van je haar me geweldig biologeert.... Kun je je nu niet zoo’n heel klein tikje naar me toedraaien?... Hope!... Moet ’k alleen je haarknot en ’n schattig stukje oorlel zien—als ik je vriendelijk verzoek meelij met ’n ouwen doordraaier te hebben, door ’m te tróúwen....
HOPE (opstaand). Foei!
DOLF. Foei?... Is de vraag zoo misdadig?
HOPE. Als ’k die schandelijke inval in m’n kamer, dat twee, driemaal met geweld ’n omhelzing opdringen....
DOLF. Wat heb je ze wanhopig-precies geteld....
HOPE. Als ’k dat zou kúnnen vergeten—zou de nieuwe grofheid....
DOLF. Nièuwe grofheid?....
HOPE (scherp). ’t Vereerend aanzoek, terwijl we u seinden bij de dame—de dame—waarmee ’k diep meelijden voel....
DOLF. Meelij met de brave Snip?... Sta jij nog zóo groen tegenover ’t leven, dat je me voor ’n hartebreker bij ’n vrouw, die ’r liaisons als ’n záák behandelt, aanziet?
HOPE. Doet ù ’t anders? Als zij geld aan-neemt—is ù ’t toch, die ’t gééft? ’n Vrouw, die ’r hand ophoudt is meelij waard....
DOLF. Hahaha, ’n wel duur handje!
HOPE. De man, die betaalt, kóópt—daar....
DOLF. Die vin jij ’n schavuit....
HOPE (rustig).... Erger.
DOLF. Merci. Bijzonder dankbaar. Maar wanneer ik zoo’n climax van schelmerij ben—één lachje, Hope, en ’k krijg de delikaatste kuiltjes in ’n paar niet te beschrijven wangen te zien... nee?...—wanneer ik ’n ongewoon specimen van verdorvenheid lijk—op ’t punt in de armen der Snippen en Snipjens onder te gaan, brrr!, steek jij me dan ’n stroohalm toe.... Daar heeft de ellendigste drenkeling recht op....
HOPE (de schouders ophalend). Och, u heeft geld genoeg ’n beter houvast te betálen.
DOLF. Jij praat met de rancune van ’n ouwe vrijster! Hoe leelijker ’n vrouw is—hoe sekuurder ze zitten blijft—hoe ongezoutener ze tegen beulen als ik tekeer gaat. Maar jij: waarom doe jij zoo zwaar-op-de-hand zoo als ’n christelijk grootmoedertje, zoo....
HOPE.... Dat is ’n puzzle, meneer.
DOLF.... Iets voorwereldlijks....
HOPE (bitter).... En vervelends....
DOLF (glimlachend). De nonnekap zou je nog meer flatteeren....
HOPE. ’t Jachtcostuum flatteert u—ieder z’n keus niet waar?
DOLF. Alweer merci!—Hoe edeler ’t wild—hoe prikkelender de tegenstand—Kom nou, Hope.... Die maanden en maanden na de gebeurtenis, ben je niet uit m’n gedachten geweest—M’n dolle streken waren voor negen tienden baloorigheid.... ik hóú van je. Ik kan—zoo waarachtig als ik geloof te leven—ik kàn niet buiten je.... Zoo groot is geen minachting....
HOPE (stil).... M’n moeder is verleid, als meisje van achttien—heeft zich van kant willen maken, toen hij, zoo een als u, ’r verliet—met ’n fooi voor ’t kind dat nog geboren moest worden—met ’n fooi—met ’n fooi. Ik heb ’r nooit gekend, heb ’r niet zooveel duizend maal kunnen danken, als ze duizend maal tranen gehuild moet hebben.... Voor m’n vader—vader!—voel ’k de diepste, diepste verachting.... En geen mogelijkheid, om ’m ’r iets van te zeggen—’k weet z’n naam niet—(wraakzuchtig)—tot m’n spijt—tot m’n innigste spijt! Nou kan u nagaan hoe ’k over u denk.
DOLF. Dien dag van de boschviooltjes dacht je toch minder puriteinsch—ik heb m’n doen en laten nooit onder leugentjes gemaskeerd....
HOPE. Dien dag ja.... Dien dag hóópte ’k, droomde ’k... dat u voor—voor invloed vatbaar was—en ’k moest me in m’n eigen kamer—’s nàchts.. verdedigen.... ’n Week later had u ’n nieuwe liaison... (opstaand). Dat is nu zeker de laatste maal, meneer, dat we over ons „verleden” spreken. Over ’n paar dagen, wanneer mevrouw vervoerd mag worden, ben ik weer in de Stichting—u in de „wereld”.... Laten we het mekaar niet lastig maken. Ik heb geen lust u de les te lezen—u nòg minder genoegen zoo’n weinig mondain discours op te houden.
DOLF. ’k Was juist van plan ’t in meer mondaine paadjes te leiden.... Dus àlles tusschen ons uit?
HOPE. Gesteld dat ’r iets bestaan heeft—dan ìs ’t uit.
DOLF. Hahaha!... Je ben om te stelen, Hope!... Ik heb nog nooit m’n schavuite-hoofd gestooten—en jij, jij....
HOPE. ... En ik?...
DOLF (met hartstocht)... Jij wil niet beter dan dat ik je weerbarstige handjes met geweld in de mijne neem, dat ik mijn lippen op de jouwe...
HOPE.... Liever zou ik me....
DOLF.... Zou je je.... Praat uit!
HOPE (heftig). Ik heb geen achting voor u!
DOLF. Ik voor jou dubbel.
HOPE. ’n Man waartegen ik niet opzie....
DOLF. Hoeft niet. Je hóúdt, hóúdt, hóúdt van me, Hope—je wil je zelf en mij wat wijsmaken....
HOPE (heftig). Wijsmaken?... Wijsmaken, waar ’k geen grein eerbied... (schrikt). Daar klopt iemand. Straks heeft de kelner staan luisteren....
DERTIENDE TOONEEL.
De vorigen, Mevr. van Walden.
MEVR. V. WALDEN. Nee ik.
HOPE. Ben u opgestaan? De dokter....
DOLF. Mama, hoe dùrft u? ’t Was u verboden!
MEVR. V. WALDEN (glimlachend). M’n krant had ’k uit en toen méénde ik jouw stem te hooren....
HOPE. Mevrouw, u moet dadelijk, dadelijk weer....
DOLF. Hoe kunt u dat doen? (Omhelst haar). Ongehoorzaam moedertje! Ik blijf hier zóolang u me houden wil—maar u gaat naar uw kamer.
MEVR. V. WALDEN (Hope afwerend). Nee kind—vijf minuten—op de klok af vijf—dan mag je desnoods met geweld....
HOPE. Mevrouw....
MEVR. V. WALDEN. Spreek ’k óóit onwaarheid, Hope? Ik ben beter—de aanval is voorbij. Dat voel ’k zelf ’t beste.... En—nee, ik neem den stoel bij ’t balkon—even de zee hooren—dank je!—en wou ik zeggen, als ’t ergste nièt voorbij is, dan wil ’k van ’t gevoel van opluchting profiteeren, om ’n oogenblikje, één oogenblikje met jou, jongen, te praten....
HOPE. Praten doet u vooral niet....
DOLF. Beslist niet.
MEVR. V. WALDEN. Goed kinderen... ’k Zal matig zijn. Doe de deur achter me toe, Hope—’t trekt ’n beetje—’t raam in de slaapkamer staat open.
HOPE. Dan doe ’k ’t dicht. (af).
MEVR. V. WALDEN. Dolf, beste jongen: dat meisje is meer dan ’n engel—dat meisje is ’n vrouw zooals God ’r weinig geschapen heeft... Ik heb geluisterd. Ik weet dat ze—dat jij ’r ongelukkig maakt—dat ze... (Hope treedt binnen).... Ik zei, Hope, dat ik de Stichting... Je mag vannacht niet opblijven, kind—onder geen omstandigheden—twee heele nachten heeft ze gewaakt, Dolf.... En jij—heb ik je in de jacht gestoord?...
DOLF. Nee. Nee. ’k Wou vandaag hier in de buurt...—toen hoorde ’k toevallig dat u in ’t zelfde hotel....
MEVR. V. WALDEN (glimlachend). Ja. Jawel. Mag ik ’t niet weten dat je gewaarschuwd ben? Ik ben niet bang voor den dood....
DOLF. Nou mama! Op uw honderdsten jaardag zullen we over dood beginnen te....
MEVR. V. WALDEN.... Nee jongen—je hoeft ’r niet over heen te praten. Hope weet hoe ’k ’r over denk. ’t Leven is ’n reis—’n reis—Wie heengaat komt wat vroeger aan. En die reis maken we allen, is ’t niet?.... Hoe komt ’t dat ’k je zoo lang niet gezien heb?....
DOLF (glimlachend). Drukte. Buitengewone drukte, mama.
MEVR. V. WALDEN. Dat is ’n genot hier voor ’t raam. Ja—’n buitengewoon genot. Neem ’n stoel, Dolf—dicht bij me—nog dichter—dan kan ’k zacht blijven spreken. Jij ook, Hope, m’n goeie, beste Hope. Zoo is ’t goed. Zoo zit ’k of me niets kan gebeuren. Jammer dat Charles weg is gegaan. Heb jij bezwaar tegen ’n legaat, ’n heel groot legaat, Dolf—laat me je hand houden—dat ik per testamentaire beschikking aan de Stichting... ’t Staat in m’n wil... maar van kracht is ’t niet, zei de notaris—als jullie....
DOLF (vroolijk). Alweer over dingen waarover we na dertig jaar zouen spreken....
MEVR. V. WALDEN. M’n jongen—gekscheer niet. Ik ben opgeschreven....
HOPE. Nou mevrouw! Toe!
MEVR. V. WALDEN. Op mijn leeftijd voel je precies—hoelang nog en (glimlachend) wanneer... Zul jij je niet verzetten?—Dolf?
DOLF (luchtig). Ik geef permissie me te onterven! Daar!
MEVR. V. WALDEN. ’t Is ’n enorm bedrag.
DOLF. Doe zooals u ’t zelf wil—’k vraag naar niets...
MEVR. V. WALDEN. Ook niet waarom die Stichting me zóó na aan ’t hart ligt?
DOLF. Mama—u heeft die liefhebberij—ik ’n àndere.
MEVR. V. WALDEN. Liefhebberij? Nee—ik lieg niet—ik draag ’n schuld. Geef me ’n glas champagne, Hope. Ik ben toch ièts vermoeider dan ’k dacht.
HOPE. Nee mevrouw. Dan gaat u naar bed.
MEVR. V. WALDEN. Geef me ’n glas, Hope—je zou ’r later spijt van hebben. Ik wil, wìl van m’n schuld vertellen—voor ’t eerst—en voor ’t laatst, omdat je alles toch onder de papieren zal vinden.
DOLF. Mamaatje—ga niet op die malligheid door! Als ù—ù—hahaha!—schuld heeft, nemen wij die graag over, niet waar, Hope?
HOPE. Natuurlijk, mevrouw—zulke gesprekken winden nutteloos op... Wil ik de deuren sluiten? ’k Geloof dat de wind begint op te steken.
MEVR. V. WALDEN (glimlachend). Een glas—doe wat ’k vraag. Dank je (drinkt). ’k Kan op die manier aan de drank raken. Luíster. Ik zeg ’t zonder opwinding, omdat ’k er overheen ben. ’n Halve eeuw jaagt de ergste gebeurtenissen uit je herinnering. Ik heb uit m’n eerste huwelijk....
DOLF. Eérste?... Wat zegt u?...
MEVR. V. WALDEN. Niet in de rede vallen, jongen—uit m’n eerste huwelijk twee kinderen gehad—’n jongen en ’n meisje, was toen de vrouw van ’n—van ’n man waarvan ’k nièt hìeld, die me door m’n vader op was gedrongen—ik was negentien, zelf ’n kind. Toen gebeurde wat zoo dikwijls gebeurt—ik raakte op je vader verliefd—hij op mij—zoo verliefd—zoo verliefd—daar vecht je tegen—vecht je tegen, tot.... Met geweld wou m’n man me houen—hij dee leelijke díngen—laat ’k ’r over zwijgen. Ik liep weg. Het was uit. En ik hertrouwde....
DOLF. Mamaatje—al wat jij gedaan heb, gedaan kan hebben, is goed en te begrijpen. Niet verder op doorgaan.
MEVR. V. WALDEN. Nee jongen. Hiér begint m’n schuld. Ik had twee jonge kinderen verlaten—de jongen drie, ’t meisje twee. En dat màg niet. Dat is zoo wreed, zoo misdadig—schaapjes op dièn leeftijd, die op de móéder aan zijn gewezen. Nee—niet in de rede vallen! Niemand kan over zoo iets oordeelen. ’t Wordt ’n ding voor je geweten. Enkel voor je éigen geweten. M’n eerste man had ’t niet breed. Ze hebben armoe gekend—later. En nooit genegenheid, de stumpers. Als hij aan z’n werk was, werden ze door ’n meid verzorgd—vérzòrgd. Drie, viermaal heb ’k geprobeerd met gèld te helpen—wou-ie niet. ’k Wou ze voor mijn rekening ’n opvoeding geven—wou-ie niet. Toen ’k eens de reis had gemaakt, om ze te zien, werd ’k ziek zooals ze ’r verwaarloosd uitzagen—’t kleine lekkere meisje vooral—mijn dochtertje, als ’k ’t recht heb dat nu nog te zeggen. Op ’n dag—nee, maak je niet ongerust—’t is zoo dood en ver—is ’t ventje overreden—’n jaar later stierf ’t meisje—dat tengere, zwarte ding aan typhus—ongekookte melk. Dolf, m’n jongen—’k heb m’n plicht bij de grafjes mogen doen—m’n plicht... m’n plicht...
DOLF. Zie geen spoken mama—plicht is ’n ding...
MEVR. V. WALDEN... ’n Ding, dat ik in die dagen als ’n last, ’n machtspreuk—over boord wierp—dat toch zoo’n genot, zoo’n rust geeft....
DOLF. U zegt zelf: u wàs verliefd—èn, dat mogen wij vóor alles zeggen: voor òns was u....
MEVR. V. WALDEN. Niet doen. Mij hoef je onder geen omstandigheden te—te—overtuigen, te troosten. ’t Is zoo ver weg, zoo zonderling-ver, of ’k als ’n gestorvene over wat-begraven-is babbel. Na den dood van je papa en je broer, ben ’k wakker geworden, heb ’k geprobeerd aan andere kinderen te vergoeden, wat ’k naliet toen ’k nog niet dacht, nee niet dacht. Ja, Dolf, dat werd m’n liefhebberij, m’n „liefhebberij”....
DOLF. Excuseer, dat ’k dat woord gebruikte.... Mag ze nòg langer praten, Hope?
HOPE. Toe, mevrouw—wat luistert u slecht....
MEVR. V. WALDEN (glimlachend). Ik heb niet de geringste benauwdheid—en—en.... nu ’k den vogel, die zoo zelden op ’t nest is, even bij me heb—moet ’k nòg een, nòg één belofte....
DOLF. Mamaatje, ik geef je mijn eerewoord, dat ik èlk verlangen, zònder uitzondering, zal respecteeren—’t legaat en ook het andere dat je nog niet gezegd heb—handslag!
MEVR. V. WALDEN. Je ben ’n beste jongen—en wij—ik—hou heel veel van je—maar die eene belofte moet, moet je nu, nú—je kan nooit weten hoe gauw ’t...
DOLF. Afgesproken, mamaatje—ik doe ’t....
MEVR. V. WALDEN (hem de hand op den mond leggend). Ssst! Sssst!.... Wij hebben sàmen iets leelijks gedaan, samen—jij en ik...
DOLF. Hahaha!.... Goed.
MEVR. V. WALDEN. Niet lachen—’t is heelemaal niet om te lachen. En als ’k ’t zeg, Hope, kind, met opzet in jouw tegenwoordigheid, is ’t met de opdracht dat je hem dag aan dag zal helpen onthouden als-ie lichtzinnig doet....
DOLF. Excellent! Hoor je dat, Hope? ’k Zal volgens de letter....
HOPE. Ik wou liever—mevrouw....
MEVR. V. WALDEN. Niet tegenstribbelen, Hope, m’n allerbest kind.... In achttien-honderd-negentig, Dolf, heb je—heb je veertien dagen (met moeilijken glimlach) gezeten....
DOLF (luchtig-vergenoegd). Ja mamaatje, daar staat me wat van bij....
MEVR. V. WALDEN. Je was met ’n meisje (beschaafd-aarzelend)—te ver gegaan—en de broer, die ’t zich aantrok—mishandelde je....
DOLF (vroolijk). Gretchen—Valentijn—Faust....
MEVR. V. WALDEN. Dolf! Dolf!... Heusch, we hebben iets léélijks gedaan in die dagen.... Zij was in—zie me niet zoo làchend aan, jongen!—zij was in—omstandigheden. Jij heb niet meer, nóóit meer naar ’r omgekeken.
DOLF. Mamaatje!.... Laten we ’n tikje redelijk blijven..
MEVR. V. WALDEN. Dat bèn ’k....
DOLF. U heeft geen flauw begrip over wie, over wat u spreekt....
MEVR. V. WALDEN. Ik spreek over—over de moeder van—laten we zeggen: ’n kind....
DOLF. Slik ’t maar niet in! Ik kan ’n stootje velen, hahaha!... Och, och!... Twéé paar gefronste wenkbrauwen!... Nee zeg, laat me geen uur op ’t zondaarsbankje zitten, hahaha!... ’n Kluifje voor Hope.. Mamaatje: alle gekheid op ’n stokje—èn àls ’k ’t me goed herinner—ja, al kijken jullie als scherprechters!—àls ’k me goed herinner: ’k heb geen dagboek van m’n zonden aangelegd, hahaha!—die juffrouw, die me indirect belet heeft door te studeeren—jammer!—had—was... Is dàt ’t onderwerp voor ’n gesprek met jùllie—was ’n—(met lachend geweifel) ’n dametje van licht....
HOPE. ’n Gevallen vrouw.
DOLF. Dat kun je ook minder sòmber zeggen! Ze had al met meer dan een—nou flap ’k ’t ’r uit, omdat jullie me ’t vuur aan de schenen legt—met ’n paar dozijn gelééfd—toen ik aan de beurt kwam. Dat klinkt hard en ruw, mamaatje: ik maak ’t leven niet. Op ’n dag beweerde ze, dat ’k vader—en de mogelijkheid wàs helaas niet buiten gesloten.... Drie, vier, vijf maanden later—leg me op de pijnbank—precies weet ik ’t niet!—had je de herrie met ’r zoogenaamden broer.... ’k Herhaal—om ’r ’n eind aan te maken—laten we redelijk blijven—ik heb ’t mijne gedaan... heb behoorlijk gedokt—tot ze, gelukkig voor ons allen van de vlakte verdween....
MEVR. V. WALDEN. Dàt wist ’k allemaal. Maar ’t kind is geboren—’n meisje, Dolf....
DOLF (luchtig-verwonderd). Och kom!... Hoe weet ù dat?
MEVR. V. WALDEN. Voor de geboorte heeft ze me—’n „dreigbrief” geschreven—nà de geboorte nòg een....
DOLF. En?....
MEVR. V. WALDEN. En.... En niets.... In één-en-negentig dacht ’k zoo alleen aan mezelf, was ’k zóó’n egoïst—zoo bang voor de wereld, die m’n eerste huwelijk vergeten was—dat ’k ’r nièt antwoordde, geen letter. Je papa zond ’n honderd gulden in gesloten couvert. Den eenen brief heb ’k verscheurd—den anderen bewaard, om ’r—hoe láát ben ’k mènsch geworden!—om ’r politiezaken van te maken, als ze nog eens probeerde „af te dreigen”.... Verleden week bij ’t sorteeren van paperassen, vond ’k ’m.... En ’k kreeg ’r de tranen van in m’n oogen.... ’t Wàs ’t geluid van ’n moeder, die geen uitweg weet.... Je kunt ’m zelf lezen—hij ligt bij m’n laatsten wil—en die laatste wil is ook, vóóral ook, Dolf, dat je onderzoekt wat ’r van die vrouw is geworden, als ’t mij niet lukt..
DOLF (luchtig). Ik ben ’r paf, paf, paf van—ù niet lukt...?
MEVR. V. WALDEN. ’k Heb m’n chargé-d’affaires last gegeven informaties in te winnen—zoo discreet mogelijk.... Begrijp je, jongen, dat als ik toen wakker was geweest—ik—jij was misschien te jong voor verantwoordelijkheidsgevoel—dat ik jouw.... jouw....
HOPE. Zijn dòchter....
DOLF. Merci voor ’t waarmerk!
MEVR. V. WALDEN. Dat ik jouw dochter—ze kàn ’t geweest zijn—nóóit aan ’r lot zou overgelaten hebben?.... Geen glimlach, jongen.... Toe, toe, geen cynisme! (grijpt z’n hand opnieuw).... Doe de belofte, die ’k je vraag, dat je die vrouw en vooral dat kind—kind—hoe de tijd vliegt!—àls ze onder de lévenden is, moet ’t ’n meisje van zeventien, achttien zijn—dat je ’r zóó lang zal zoeken tot je ’r vindt....
DOLF. Kom, mamaatje—wat ’n excessieve....
MEVR. V. WALDEN (dringender). Je zal ’r me zóó gelukkig mee maken, jongen—ik pleit niet voor die vrouw—ik pleit niet tegen ’r—ik denk aan ’t kind....
DOLF. Wat is dat mamaatje? Tranen! Tranen?
HOPE. Mevrouw!
DOLF (glimlachend). Daar—ik beloof ’t.
MEVR. V. WALDEN. Glimlachend? Glimlachend?
DOLF. Als ’k ’t maar belóóf, hé?... (zwak-spottend). ’k Steek ’r m’n vingers bij op, dat ’k waarachtig moeite zal doen ’r te vinden. Hoe heet m’n.... vrouw ook weer?
MEVR. V. WALDEN. Weet ’k niet. Sofie... Sofie...
DOLF. Dat marcheert. Ik ken ’r enkel als Kreeftje! Kreeftje....
MEVR. V. WALDEN. Zul je dat kind als ’n dochter...?
DOLF. Als ’k er ù—en m’n vriendin Hope—mee plezier....
MEVR. V. WALDEN. Zoo waar Gòd ons ziet?
DOLF. Mamaatje—moet ’t zoo plechtig! ’t Wordt ’n geweldig stuivers-romannetje....
MEVR. V. WALDEN. Ik heb zoo’n spijt van m’n harteloosheid.
DOLF. Geexalteerd moedertje: op één conditie herhaal ’k m’n belofte in vòlste ernst—als je weer een, twee, drie gaat rusten—we zullen Jan Linden niet onder de oogen durven komen....
MEVR. V. WALDEN (hem op ’t voorhoofd zoenend). Dank je—dank je, jongen. Al lijkt ’t je nog zoo overdreven—’t gaf me den heelen dag ’n gevoel van gejaagdheid, of ’k iets vergeten, iets vergeten had... Je arm, Hope—’k zal vannacht als ’n roos slapen. (bij de deur). Ontbijten we samen? Ja? Acht uur.... En vast afgesproken, Dolf?
DOLF (bij de deur). Vast.
MEVR. V. WALDEN (reeds onzichtbaar). En zonder uitstel?... Van af morgen?
DOLF (lachend). Van af morgen. M’n jachtkostuum kan ’k ’r voor aanhouden, hahaha! Dat zal ’n jacht met hindernissen worden. Mamaatje! Mamaatje! (sluit de portières). Binnen!
VEERTIENDE TOONEEL.
Dolf, Kelner.
KELNER (de plats neerzettend). Un chateaubriand exquis, monsieur.... Quel vin est-ce que monsieur désire?
DOLF. Niemendal! Uitrukken!... En je een beetje gepaster tegenover de verpleegster gedragen, ventje! Begrepen?... Jij heb behoorlijk te kloppen, als ’n dame bezig is zich te kleeden! Mond houen! Mond houen, kwast van ’n kerel!—en anders stuur je je patroon maar hier! Wacht je ergens op? Bonjour dan! (Kelner af—hij bindt de servet voor, begint te eten—tot Hope). Zoo. Nu éét je ’n stukje mee—’k zal je couvert klaarzetten.
VIJFTIENDE TOONEEL.
Dolf, Hope.
HOPE. Nee meneer—’k ga ’n uurtje rusten, als ù zoolang blijft.
DOLF. ’k Zal op jullie twée passen, als ’n waakhond (zij gaat naar haar kamer). Hope!... Je deur heeft toch wel ’n dubbel slot?
HOPE. ’k Zal ’r nièt sluiten, meneer.
DOLF. Zooveel vertrouwen ineens?
HOPE. Iemand, die „’n jacht met hindernissen begint”—die daar z’n vingers voor opsteekt—die....
DOLF. Die is nog te „redden....” Hahaha!
HOPE. Misschien (een bons).... Wat was dat?
DOLF (onbewegelijk). Kan dat in... de slaapkamer geweest zijn?
HOPE. Nee—’t kwam van dié kant....
DOLF (angstig). Kijk ’ns voorzichtig.... (Zij opent de schuifdeuren op een kier, schrikt, wijkt achteruit, snelt naar binnen—hij staart ontzet in de opening).
HOPE (smartelijk klagend). O, o, lieve, goeie, beste... Hoe kom je nou zoo... O, o, o!...
DOEK.
TWEEDE BEDRIJF,
(Smaakvolle jongezelle-kamer—weelderig-intiem gemeubeld. Tweede en derde plan, rechts, de gebeeldhouwde deurenvrije toegang tot een bibliotheek, waarvan een deel zichtbaar is—daarnaast een sierlijk schrijfbureau, bestapeld met kunstvoorwerpen, tijdschriften, portretten. Tegen den achterwand, die in het midden een deur met gobelin heeft, dressoirs en standaards met curiositeiten, aquarellen enz. Eerste plan, links, deur-met-gobelin van de slaapkamer. In den schuinen hoek van tweede en derde plan, links, een rustbank met smyrna-kleed. In het midden der kamer een eikenhouten tafel gebeeldhouwd, met gemakkelijke leeren fauteuils. Vroegmiddag.)
EERSTE TOONEEL.
Jaap, Dolf.
JAAP (die juist af geruimd heeft, plaatst den dienbak bij de achterdeur, spreidt een gebattikt tafelkleed over de tafel—De telefoon, op de schrijftafel, gaat over. Rustig neemt hij de gehoorbuis). Jawel. Met Van Walden—met de huisknecht—ja, met Jaap—wil u even wachten? (aarzelend) ’k Geloof niet dat meneer thuis is—’k zal zien (legt de buis op het tafelblad).
DOLF (in de deuropening der slaapkamer). Wat fantaseer je?
JAAP. Zachies, meneer... Mevrouw Lebeau: of ze u...
DOLF (wenkt met de hand, dat hij er niet is—heel zacht). Op reis!
JAAP (bij de telefoon). Hallo!... Spijt me, mevrouw, meneer is niet alleen niet thuis—zooals ’k dacht—hij moet op reis zijn gegaan.... Waarheen? Waarheen?... Ja, dàt weet ’k niet... Wanneer terug?... ’k Zou ’t niet kunnen zeggen—misschien de volgende week....
DOLF (fluisterend roepend). Langer!
JAAP. Misschien langer... (houdt z’n lachen in)... ’k Zal ’t meneer zeggen, mevrouw.... Adieu, mevrouw... (hangt gehoorbuis op).
DOLF. Nou?... De boodschap?
JAAP. Nom de Dieu!... Sacrénom!... Fiche moi le camp... Je me fou de lui...
DOLF (hartelijk lachend). Hahaha!... Je ben niet verkeerd verbonden geweest... (de antieke klok slaat twaalf)... Twaalf?... Twaalf!...
JAAP. Meneer mag zich wel haasten—om negen heb ’k geklopt—om half tien—om...
DOLF (zich uitrekkend).... Man hou je mond—die klok maakt genoeg spektakel (geeuwt). ’t Slagwerk haal je ’r vanmiddag uit....
JAAP. Jawel meneer, hahaha!....
DOLF. En lach als je buiten de kamer ben!
JAAP. Als ’t u hinder....
DOLF. Ja, ’t hindert me—’k ben bang dat je je gebit kwijt raakt, als je schik in je leven krijgt... (geeuwt)... Wie komt—wachten (af in slaapkamer).
TWEEDE TOONEEL.
Jaap, Dr Linden.
JAAP (legt eenige boeken op ’t gebattikt tafelkleed, neemt den dienbak—wijkt bij achterdeur voor Linden uit)... Pardon, dokter.
DOKTER. Is meneer hier?
JAAP. Meneer is nog niet bij de hand—heeft pas ontbeten.
DOKTER. Goed. Dan wacht ’k in de bibliotheek.
JAAP. Zal ’k meneer liever?....
DOKTER. Nee, Jaapje—dat doe ’k zèlf (Jaap af—hij doet een paar passen naar de zijde der bibliotheek, neemt een fauteuil, slaat ’n boek open, fluit een studente-signaal).