Part 14
SACHEL. Jij gáat niet weg! Ik wil niet dat jij weggaat! Waarom zou jij weggaan? ’k Heb toch niks op de wereld! Heb ’k ’n misdaad begaan? As je oud en wijs genoeg ben, zal je begrijpen wat hàndel is. Bijt je ze niet van je af—dan sta je binnen ’n jaar op straat..... Je mot ’n roofdier wezen..... Anders trappen ze je ’r onder.... Zonder gèld ben je weerloos, zonder gèld ben je an ze overgeleverd, zonder gèld ben je niks! Heb ’k ’t niet voor jóú gedaan? Wie krijgt alles na me dood?
RAFAËL. Laten we ’r niet verder over praten. ’t Is laat. ’k Ben moe. ’k Had beter gedaan ’r niet over te spreken. Denk ’r over na, vader. We kunnen vrindschappelijk van mekaar gaan.
ESTHER. Wil ik jou is wat zeggen? Als jij ’r zèlf over slaapt—heb-ie morgen spijt over wat je nou allemaal gezeid heb.... Hij gaat weg! Nog in geen tien jaar! Wil je wat eten?
RAFAËL. Nee. ’k Heb geen trek meer.
ESTHER. Dan maak je maar trek! ’t Is aardig ongezond ’n heele dag met ’n nuchtere maag te loopen. ’k Heb nog ’n kliekie snijboonen met aardappelen en ’n stukkie schapevleesch. Zal ’k ’t warmen?
RAFAËL. Nee.
ESTHER. Over wat straf jij je maag? Roos! Roosie!
ROSE. Roep u?
ESTHER. ’k Dacht wel dat-je nog op zou zijn! Wil jij ’t kliekie effen warmen?
RAFAËL. Nee tante—ik eet niet.
ESTHER. Wàrm jij ’t maar! (Rose af). As je de lucht ruikt, eet je wel.
RAFAËL. Heeft zij—gehuild?
ESTHER. Weet ik veul! ’k Heb genog zorg an me eigen kop! Kom, ’k zal binnen de tafel dekken...
RAFAËL. Nee. Nee. Ik kàn nou niet meer. M’n keel is toegeschroefd.
ESTHER. Zenuwen! Niks as zenuwen! Je windt je op voor niks! Geen wonder. Je etensuur verleggen en ’s nachts niet slapen! Nar! Groote nar! Wat heb je òp gedaan van nacht? Was je ziek?
RAFAËL. ’k Kon niet slapen.... ben opgestaan.... Nacht vader—Nàcht vader!—Geef je geen antwoord?—Nacht.
ZEVENDE TOONEEL.
Sachel.
(staat op—bevoelt de pennen der luiken—bonst zich voor ’t hoofd). Hij was op vannacht—En—èn die mèid was op—Ze waren sámen op—Sámen—Waarvoor waren ze op? Waarom heit de sjikse gehuild?
(EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF).
TWEEDE BEDRIJF.
(De huiskamer van Sachel achter den winkel).
EERSTE TOONEEL.
Rose. Rafaël.
RAFAËL (binnentredend). Waar is vader? Waar is tante?
ROSE. Ze zijn nog niet terug uit de kerk. We zijn alleen—Goddank!
RAFAËL. Huil je?
ROSE. Raak me niet an! Raak me niet an!
RAFAËL. Hebben ze je....? Wat is ’r? Kom, huil zoo niet!
ROSE. O, dat ik naar jou geluisterd heb!
RAFAËL. Is ’r iets gebeurd? Wat dan?
ROSE. Laat me met rust! Ik walg van je! Ik haat je! Ik haat jullie allemaal! O, o, dat ’k sterven kon, dat God me zoo dadelijk liet doodblijven!
RAFAËL. Heeft vader je iets gezegd? Heeft tante.....
ROSE (zich hysterisch opwindend). Nee! Nee! Raak me niet an! Ik wìl door jou niet gezoend worden!
RAFAËL. Màlle meid! Ben ik niet je man, jij m’n vróúw?
ROSE. Ik je vrouw! Ik! Ik! Hahaha! ’t Is om te schateren! Ik, je tijdverdrijf....
RAFAËL. Rose!
ROSE. Ik, wat ben ìk! Ik die niks op de wereld heb—ik die me moet laten trappen door je vader—door je tante—door elken jood die hier komt!
RAFAËL. Jóód?—Jood?—Waarom zeg jij jood?
ROSE. Jood, jood! Wat kan ’t me schelen! ’k Ben hier ’n vreemde! ’n Vreemde voor je vader! ’n Vreemde voor je tante! ’n Vreemde voor den eersten den besten jood!—’k Ben máár de Sjabbesmeid—ik mag de lampen opsteken—ik mag an ’t vuur kommen—ik met m’n vréémde handen—ik, hun mèid, hun mèid! En jij—jij ben als de àndren—je ben ’n jood zooals zij!
RAFAËL (neemt haar hand). Wat verneder je jezelf.... Ik weet niet wàt de oorzaak is, dat je zoo opgewonden ben, zoo buiten jezelf, zoo ruw, zoo grof... Maar, ik weet wèl, Rose, dat je dàt woord nièt meer moet zeggen. ’t Herinnert me an zoo’n boel. Nee, laat me je hand houen. Zóó zitten we met de óúwe vertrouwelijkheid.—Toen ’k ’n kind was—met andere jongens wou spelen—scholden ze voor jood—smàùs. ’k Wist niet waarom. Zij ook niet. Ze deeën ’t uit gewoonte. Maar ’t dee pijn. Want als kind vroeg je jezelf: is er iets bijzonders aan me? Heb ik iets gedaan? Ben ik anders dan zij? Wat is ’n jood? Wat?... (begint met haar zilveren kruisje te spelen) Soms smeten ze met steenen, riepen: jullie hebben Jezus gekruizigd! Ik klaagde. Moeder zei dan: je moet er om lachen—je moet er aan wènnen.—Eens op school—’k had niet opgelet—trok de meester me uit de bank, gaf me ’n klap, zei: in den hoek staan, jood! Ik stònd ’n uur in den hoek, ik, de eenige jood van die school en door m’n zotte tranen zag ’k de jongens die lachten—den meester, de banken...... En ’n wrok kwam in me. ’k Had dien man kunnen rànselen. Wáárom was ik ’n geteekende? Wáárom zeien ze jood?...—Zóó begon ’t. Zoo hoorde ik ’t in m’n jeugd. Zoo blééf ’t.—Moeder stierf. Den dag dat ze begraven werd, gingen we achter de kist, vader, ik, m’n ooms, de vrienden. Op ’n hoek van ’n straat stond ’n slager—’k weet z’n gezicht nog—die lachte.—„Daar gaat ’n dooie jodin”, hoorde ’k ’m zeggen.—Vader werd blind. Den eersten dag dat ’k ’m leidde, liep hij tegen een man aan en die schimpte: „kijk waar je loopt, jood!”.... Wil je meer? Is ’t genoeg. Hoor je dat ’t woord me niet heelemaal vreemd is?
ROSE. Rafaël....
RAFAËL. Als kind dee ’t pijn, had ’k ’t gevoel alsof ik ’n merkteeken droeg, alsof jood-zijn ’n slecht ding is. Ik leerde, keek om me heen. En òveral zag ’k de wrijving—de vijandschap van de rassen—de vijandschap van de ongelukkige godsdienstjes. Als man, lieve vrouw, heb ’k dat gevoel van verbittering verloren, is er iets in me open gegaan, dat me meelijden, innig meelijden heeft gegeven met wie jood-schimpen kàn. Doe ’t niet meer. Nóóit meer. Hoor je, nóóit meer! Zie ons hier zitten—jij—’t is om te lachen!—’n christin—ik—hahaha!—’n jood! Hoe kunnen wij twee, als we elkander in de oogen zien—an zulke dingen denken....
ROSE. Je heb gelijk—Jij ben beter dan ik, wijzer dan ik. Maar ’k was zoo wanhopig, zoo op! En nog, nog! Hebben ze je niks gezegd?
RAFAËL. Gezegd?
ROSE. Gisteravond zat ’k dáár, bij de deur. Aaron was hier, praatte met je vader, met je tante....
RAFAËL. Over z’n dochter Rebecca, die drieduizend gulden inbrengt—ik weet het, hahaha!
ROSE. Je weet ’t.... O, ze halen je van me af.... Ik ben bang voor je vader, durf ’m niet anzien. Alles hoort-ie in m’n stem.... Wat moet ’r van me worden! Als ze ’t begrijpen zetten ze me op straat. Zij hebben rechten. Voor mij ’n ander. En dan? En dan? Ik wou dat ’k niet geboren was. Dat hoort God!
RAFAËL. Nou heb ’k je aangehoord. Zie je—ik glimlach. ’k Glimlach omdat je bàng ben voor ’n meisje dat ’k niet ken, misschien èèns heb gesproken.
ROSE. Zoo gaat ’t altijd bij....
RAFAËL.... Bij ons.
ROSE. Bij jullie. Heeft Meijer z’n dochter niet—gekoppeld an den zoon van Markus? Hadden die twee mekaar ooit gezien? Hebben de vaders ’t niet in orde gebracht? Rafaël belieg me niet!....
RAFAËL. Ben ’k zoo week, zoo karakterloos dat je spoken ziet waar ze niet zijn, dat je maar één oogenblik kan denken, dat ik.... ìk.... ìk! Hahaha!—Ik verkocht!—Ik die begìn te leven! Ik hokkend met zóó’n vrouw! Ik bruidcenten tellend! Ik, ingezegend! Ik die geen jóód meer ben! Ik m’n nek buigen!.... En gaan we niet hier vandaan?
ROSE. Is dat waar?
RAFAËL. Eergister heb ’k m’n vader gezegd, dat ’k niet langer blijf.
ROSE. Meen je ’t? Méén je ’t? En gaan we vèr weg—waar de menschen ons niet kennen, jou niet, mij niet?
RAFAËL. Wáárom zouen we vèr weg gaan? Waarom ons verbergen? Kunnen we niet met trots komen waar we willen? Diè tijd is voorbij. ’t Wordt lichter, domme meid!
ROSE. Dus je neemt hààr niet?
RAFAËL. Ben ’k niet getrouwd?
ROSE. Ja, ja, ja, we zìjn getrouwd! ’t Was alles malligheid van me—angst—wantrouwen! Zie je, wanneer jij altijd bij me blijven kon—zoo dicht bij me, zou ’k lachen om de hééle wereld—De wereld is slecht niewaar, niewaar Rafaël?
RAFAËL. Nog is ze ’t. Maar ’n nieùwe tijd breekt aan. ’t Was me zoo zonderling toen vader me sprak van dat meisje—toen-ie belóófde dat ik—alleen de zaak mocht drijven—als ’k blééf—als ’k hààr nam. Ik heb ’m verwonderd aangekeken. Hoe is ’t mogelijk dat twee levens zóó van elkaar komen te staan—’t leven van ’n vader—’t leven van ’n zoon!.... ’k Heb ’m gezegd dat ’t niet gebeuren kòn, dat ’k weg moet.
ROSE. Weg moèt? Zul je làter geen berouw hebben dat je gekozen heb tusschen hem en mij?
RAFAËL (haar op zijn schoot trekkend). Ik kies niet tusschen joù en hèm! Jij ben ’n deel van m’n leven.
ROSE. Hij is blind....
RAFAËL. Maak je geen verwijten. Ik kàn je niet alles zeggen—wil ’t niet.
ROSE. Heb je ’m niets verteld van òns?
RAFAËL. Nòg niet. Eerst als jij ’t huis uit ben. Eerst dàn. Jij zou hun schimp, hun haat niet verdragen. Je kent ze niet. Niet zooals ìk ze ken. Krijg ’k nou, groot, achterdochtig kind, wat ze in de boeken noemen: ’n verzoeningskus?
ROSE. Tien! (zij wil hem omhelzen—hij houdt haar tegen).... Wat kijk je?
RAFAËL (haar kruisje aantikkend). Naar dàt. Gister droeg je ’t. Vandaag draag je ’t weer. En we hadden afgesproken....
ROSE (aarzelend).... Dat hadden we....
RAFAËL.... En?....
ROSE.... ’t Is de eenige herinnering aan....
RAFAËL.... Praat uit.
ROSE.... Aan m’n moeder die ’k niet gekend heb.
RAFAËL. Alleen an haar?—Hoor je niet wat ’k vraag?—In geen twee maanden heb ’k dat—dat—souvenir aan je hals gezien....
ROSE (aarzelend). Toen ’k hoorde dat ze jou wouen koppelen—aan de dochter van Aaron—heb ’k—wees ’r niet boos om!—den heelen nacht liggen huilen—met m’n moeder gepraat....
RAFAËL. Enkel met je moeder?—Waren ’r geen àndere herinneringen aan dat—aan dat—aan dat dingetje verbonden?—Je antwoordt wéér niet, Rose—Heb je ’r bij liggen bidden?—Ja, natuurlijk!—En durf je dat niet te zeggen? Is ’t al zoover, dat ik de kleine tyran ben, voor wien jij zulke vrééselijke zaken verborgen houdt? Jij gans! Jij, onnoozel kind!—Mag ’k ’t loshaken?—Loshaken vóór je me zoent?—(zij knikt)—Zou jij, als ze dien armen, grooten jood—INRI!—dien Koning der joden, niet aan ’n kruis, maar aan ’n galg doodgemarteld hadden, zou jij dan ’n zilveren galg, in plaats van dat op je borst dragen?—Denk jij, altijd aarzelend kind, dat de rijke jood (houdt het kruisje voor zich uit), dien ze op dit latwerk, naast misdadigers hebben gepijnigd, denk je, dat-ie ook maar één woord zou hebben gesproken, als-ie had kunnen voorzien?—voorzien de verwoesting, de domme vijandschap...? Asjeblief... (overreikt haar het crucifix).
ROSE. Hou jij ’t.
RAFAËL. Nee. ’t Is ’n aandenken van je mòèder.
ROSE. Bewaar jij ’t. Als ’k jóu heb, heb ’k geen aandenken noodig.
RAFAËL (het in z’n zak stekend). Laten we zeggen ’n talisman—en ’n teeken—van hoe ’t misschien—misschien—eens overal zal gaan (glimlachend). Elk huis z’n kruis zeggen ze. Elk huis zònder kruis—maar mèt genegenheid voor anderen, willen we hopen. Nou? Moet ’k nog lang....
ROSE. Lieve, beste Rafaël.... (wil hem omhelzen).
RAFAËL (haar weer tegenhoudend). Nee, even nog! Zul je nooit meer ’t woord uit je mond laten vallen, dat je daar straks in je boosheid gezegd heb? Nooit weer zoo klein zijn voor jood te schimpen?
ROSE (lachend). Nooit meer.
RAFAËL. Goed. ’k Neem de belofte van je lippen. En die neem ’k nog eens. Want ’n tweede keer—’n tweede keer, versta me wel—zou ’k ’t niet als ’n boosheid, niet als ’n domheid voelen—maar als iets anders—dat ons sterker van mekaar zou halen—dan—dan bedrog of overspel. Begrijp je?
ROSE. Ik begrijp alleen dat ’k van je hóú.
RAFAËL. Houen is niet genoeg, Rose.
ROSE. Houen is alles! Als jij zooveel van mij hield als ik van jou, zou je niet langer praten. Nee. Nee. O, nou zou ’k kunnen zingen! (even weifelend, dan in beving van vreugde).... Want Rafaël, lieve Rafaël—’r is nòg iets, dat ons bindt—iets zoo angstigs en heerlijks—de gedachte aan ons kind...
RAFAËL (verrast).... Ons kind—ons kìnd?
ROSE (met zachte verrukking).... Ons kind... (vat zijn hoofd tusschen haar handen, kust hem).
TWEEDE TOONEEL.
Rebecca. Rafaël. Rose.
REBECCA (driest). O!....
RAFAËL. ’t Is niet de gewoonte ergens binnen te sluipen..
REBECCA (lachend). Sluipen? ’k Heb geklopt—een—tweemaal. Jij hoorde niet.
RAFAËL. Zaterdag drijft m’n vader geen handel. Derde gebod.
REBECCA (verwonderd). Ik kom niet voor handel.
RAFAËL. Niet voor handel? Ei, wel!....
REBECCA (lachend). Vàder zei me hierheen te gaan...
RAFAËL. Je vader? Vierde gebod!
ROSE. Rafaël!
RAFAËL (smartelijk-spottend).... Je vader.... Dat ’s Aaron, de koopman. Ga zitten—laten we hàndlen. ’k Heb afval te koop—afval van ’n vòlk! Voor éeuwen sprak Bil’jam—de Eeuwige heeft hem ontmoet; wéet je nog: hoe de Rebbe ’t leerde?—„Hoe schoon zijn uwe tenten, Jacob! Uwe woningen Israël! Als beken alom verspreid, als hoven aan een rivier, als de aloës door den Eeuwige geplant, als cederen aan het water”.... Ga zitten Rebecca. De heugenis der tijden is groot. Uit Egypte zijn we gevoerd. In de woestijn Sinaï waren we gelegerd.—Ik erf dit àlles, de bergplaatsen, den grond, de kachel, ’t portret van m’n moeder, ’t ganneke-ijzer. En jij? Is ’t drie, is ’t vier, is ’t vijf? En twàalef van alles? Laten we handlen....
REBECCA (verlegen). Je doet zoo vreemd.... Je maakt me angstig....
RAFAËL. O, ik ben zacht als ’t bloed van ’t kalf, waarin Aaron zijn vinger doopte. Jouw vader heet Aaron oók—Aaron, Aaron-de-priester! Je kan koken en braden—èn ’n doodshemd (zegt tante) naai je zoo rad en zoo net! Je ben ’n huisvrouw om te stélen! Blijf hier, Rose!
ROSE. Laat me gaan! Laat me gaan!
REBECCA (met stijgende verlegenheid). Heb ik wat misdaan, dat je zoo, zoo....
RAFAËL (smartelijk). Misdaan? We hebben elkander éénmaal gesproken. Hoe zou je misdaan kùnnen hebben? Wàar was ’t? ’t Was in ’t huis van je vader. Je zei iets tot mij. Ik zei iets tot jou. Woorden, woorden van èlken dag. Misdaan? Je heb mooie oogen, ’n mond om te kussen. Je handen zijn blank. Je zult moeder van véel kinderen worden. Poere oerewoe oemieloe es hoöres [5]—gaat en vermenigvuldigt je—En ’n kind—hàhà!—is ’n weelde, ’n kind groeit uit de aarde als ’n plant met enkel knoppen van vreugd!—Wat breng je mee? Drie, vier of vijf? Als m’n vader drie neemt, neem ik drie! Als m’n vader vier neemt, neem ik vier! Neemt hij vijf is ’t mij goed! Ik ben gezond, heb geen gebreken. Ik heb ’n ding dat ziel heet. Dat krijg je toe! Ik droom. M’n droomen zijn te geef.... O Rebecca, we kunnen als tortels zoo gelukkig met elkander zijn.
ROSE. Laat me gaan, Rafaël. Ik kan je niet hooren!
REBECCA (driest). Hoor wat zij zegt—zij, de sjikse, die zich scháámt!
RAFAËL (vernietigend). Ze schaamt zich over hàndel op Zaterdag..... Wees indachtig dat je de Sabbathdag heiligt! Ga nog niet heen Rebecca. Je naam is lief en zoet—om zachjes te zeggen.... Rebecca.... Rèbècca.... Moeder van Esau en Jacob.... Weet je hóe Jacob zijn broeder bedroog, zijn blinden vader bestal? Ook de mijne is blind. Heb je ’t vel van een geit meegebracht voor mijn handen en hals?—Ah, we zijn voor elkander geschapen, bestemd Israël te doen voortleven, Israël weer groot te maken!—Kijk om je heen. Kijk rond! Er zijn kostbaarheden, sieradiën in die kast, beleende horloges en goud. Alles wordt mijn. Alles. De grond waar we op staan, de zonnestralen, de stofdeeltjes, het rek met tefillem. ’t Hangt af van je zelf! Waarom breng je geen vijf mee? Voor drie doen we ’t niet—m’n vader en ik! Voor drie zijn we bekòcht—m’n vader en ik! Voor drie, verbinden we ons niet, m’n vader en ik! Met drie, hebben jùllie ’t voordeel, joùw vader en jij....
REBECCA (angstig). Ik hecht aan geen geld, Rafaël...
(Rose af).
RAFAËL. Wee ons! Dan hoor je hier niet thuis—hier niet, in de heele stad niet!—O?—Huil je? Rebecca-lief, huil je? Wat doen tranen bij hàndel? Weent je vader ooit als hij kóópt?
REBECCA. Waarom ben je zoo wreed? ’k Heb niet één woord gezegd.... Ik zal weer gáán... verlang niks van je, niks...
RAFAËL. Ga, ga, Rebecca.... Ga tot je vader. Vraag geld, véél geld! Ween niet. Ik voorspel je: je trouwt! Je trouwt ’n beetren dan ik. Ik ben geen driéduizend waard.—Geef me je hand. Je ben nog zoo jong. ’k Wou dat ’k wat voor je dóén kon....
REBECCA. Nee, niks....
RAFAËL. Ja—ja—’n ráád—iets dat je moet onthouen voor làter—voor veel later.... voor.... Dwaasheid!—Hoe kan ìk je raden? Ik ken je niet, zag je maar ééns, weet nauwlijks de klank van je stem, den glans van je oog....
REBECCA. Goeiendag....
RAFAËL. Goeiendag, Rebecca!—(een stilte. Hij zit even nadenkend)—Rose!—Rose, ben je toch heengegaan!
(af).
DERDE TOONEEL.
Sachel. Esther. Rebbe Haëzer.
ESTHER. Ging Rebecca daar niet? ’k Zou ’r op zweren. Nee ze is ’t toch niet.... Kom u binnen. Wees u voorzichtig.
HAËZER. Pas op voor de drempel.
SACHEL. Hier ken ik de weg—heel precies—heel precies. Help me maar niet. ’k Ben niet gewend geholpen te worden.
HAËZER. Is Rafaël niet thuis?
ESTHER. ’k Zal wel is kijken. Maar zoo’n haast heit ’t niet. Laat-ie maar blijven. Dan ken Sachel u verder vertellen.
SACHEL. Wat helpt vertellen? Heb ’k niet àlles verteld? D’r zit geen hart in die jongen. Z’n vader behandelt-ie as ’n stuk vuil. Erger nog. En voor wie heb ’k alles gedaan? Voor wie vraag ik? Dat’s m’n ouwe dag! Geen uur vrede, geen uur rust.
HAËZER. La-la-la. Loop niet op de dingen vooruit. Ik heb dat meer bij de hand gehad. Jeùgd. Jeùgd. Anders niet. Daar moet je niet met geweld tegen ingaan. Geweld bederft. Ik ken Rafaël, beter dan jij. Heb ’k ’m niet zien groeien? Kwam-ie niet uit zichzelf bij me, als-ie iets kwaads had gedaan? Weet je nog hoe-die me gebiecht heeft van die appel—die appel—op Groote Verzoendag.—Geen hardheid.—Geen groote woorden.—Geen geweld.—Hij gaàt niet heen.—Hij troùwt de dochter van Aaron.
ESTHER. Wat heb ik gezeid? Nou hoór je dat ’k gelijk heb.
SACHEL. Ik voel ’t anders. Ik heb geen macht meer over ’m. Vroeger. Ja, vroéger.—Zooas ’t staat in de boeken van Mozes—vroeger kon je ’n zoon dwingen—dat was recht....
HAËZER. Gekkigheid—gekkigheid. We stéénigen niet meer. We gaan vooruit en niet achteruit. Vroeger werd een ongehoorzame zoon naar de poort van de stad gebracht en gesteenigd. Dat weet ik wel, gekje—maar we hebben geen poorten meer—je màg niet met steenen gooien. Elke ruit kan je betalen. Andere tijden: andere zorgen, andere dwàng. Eer we drie maanden verder zijn is Rafaël getrouwd en ’n jaar later kom ’k op de brezemiele. Want je krijgt ’n kleinzoon. Ik zeg je, ’t is ’n kleinzoon. Hahaha! Ja-ja, je doet veel beter je zorg weg te lachen.
ESTHER. ....Groot gelijk, mijneer de Rebbe... Met de dag wordt-ie zwaartillender—en nou is Rafaël ’n lastige jongen, maar overleg is ’t halve werk. Zal u wat gebruiken? Koppie koffie met kiks?
HAËZER. Met twéé stukken kiks....
ESTHER (in de deur.). Roosie! Roosie! Breng je de koffie?
SACHEL. Gister heb ’k ’m gezeid: jij mag de zaak alleen drijven—ik zal me met niks meer bemoeien—en—en—en ’k weet ’n vroúw voor je—’n vroúw die wat meebrengt—’n goeie vrouw—hij hield z’n mond—hij hield z’n mond.—Zeg je niks, zei ik—en ’k hoorde ’m met z’n vingers trommelen op de ruit.—Dat doet-ie méer—’k Weet precies wánneer ie ’t doet—Ze brengt wat in, zei ik—ze heeft wat te wachten.—Toen lachte-die.—Waarom làch je, zei ik.—Toen lachte die hàrder en kwam op me toe—en pakte m’n hoofd beet: vader, ’k heb zoo’n meelij met je, zei-die—en toen liet-ie me staan—anders zei-die niks—anders niks.—Nou vraag ik.—Daar zit iets tusschen.—Dat kan zoo niet.—’t Is ’n gruwel wat me gebeurt....
HAËZER. Gruwel, gekje, gruwel? Je moet niet toegeven aan je achterdocht, aan die angst om òveral spoken te zien waar ze niet zijn. Denk aan Izaac. Izaac was blind en Jacob stal zijn zegen. Heeft-ie geklaagd? Hij zegende Esau óok. Rafaël is ’n kind, ’n gróot kind....
ESTHER. Sust!.... De meid....
VIERDE TOONEEL.
Sachel. Esther. Rebbe Haëzer. Rose.
SACHEL. Is me zoon thuis?
ROSE. Ja.
SACHEL. Waar is-ie?
ROSE. Boven.
SACHEL. Is-ie thuis gebleven, terwijl wij na de kerk waren?
ROSE. Nee.... Ja.... ’n Poosje....
SACHEL. Hoe lang?....
ESTHER. Wat vraag je die meid toch?
SACHEL. Bemoei je ’r niet mee!... Hoe lang? Nou? Hoelang?
ROSE. Dat weet ’k niet....
SACHEL. Zoo—Was ’r niemand anders?
ESTHER. Snauw toch zoo niet! Wat wil je van die meid!.... Was ’r nóg iemand hier, Roos? Laat ’m maar brommen—Was ’r nog iemand?
ROSE (aarzelend). Nee. ’k Heb niemand gezien.
SACHEL. En jij heb iemand de deur zien uitgaan, toen wij thuis kwamen.
ESTHER. Dan heb ’k me vergist. Ben je noú tevrejen? ’k Sta wat met ’m uit, mijneer de Rebbe! Blaas nou nog ’t licht onder de koffie uit—en steek ’t op Sjabbes nièt meer an—hoor je?
SACHEL. Wat doet me zoon boven?
ROSE. Weet ik niet....
SACHEL. Weet ik niet? Weet ik niet!.... Ik weet meer.
ROSE (verschrikt). ’k Heb ’m niet gezien.
ESTHER. Laat ’m toch praten.... Geef ’m geen antwoord.... Je ken ’m lang genog—Hier neem ’n stuk kiks mee.
ROSE. Nee, dank u.
ESTHER. Ach wat! Neem mee. Eet op. Kauw op je gemak. (Rose af). Zoo’n meid durft op die manier geen mond open doen. En wat ’n goeie meid! Je ken alles an d’r overlaten. In geen jaren hebben me zoo’n sjikse gehad. Heit u ’m nou bijgewoond, mijneer de Rebbe? En zoo handelt-ie met iedereen.
SACHEL. Ik weet wat ik weet. Ik pas op. Ik zie meer as jij....
ESTHER. Goed. Goed. As je maar niet lastig ben.
HAËZER. Hahaha! Hahaha! Heel goed. Zoo moet je met ’m omspringen.... En waar blijft onze vriend?....
ESTHER. ’k Zal ’m roepen.
SACHEL. Nee, nog niet. Eérst die meid wegzenden voor ’n boodschap, voor ’n vèrre boodschap....
ESTHER. Alweer ’n inval. Waarom zal ik de meid wegzenden? Onzin! Hindert ze jou, hindert ze mijn?
SACHEL. Ze hindert mijn....
ESTHER. Onzin! Onzin! ’k Heb geen boodschap voor d’r.
SACHEL. Maak ’r dan een—Ik vertrouw d’r niet—Ze staat me niet an—Ze ken luisteren....
ESTHER. ’t Is of me staatsgeheimen hebben! Hoor u ’m? Hoor u ’m? Ik sta wat met ’m uit. Me laatste cent zou ’k die meid geven.
SACHEL. Jouw laatste cent? Mot die niet uit mijn zak kommen? Ik heb ’r me reden voor—ik wil dat je ’r wegzendt....
HAËZER. Geef ’m z’n zin. En heelemaal ongelijk heeft ie niet. Je moet die zaken zonder vreemden behandelen. Al ben je nog zoo goed voor ’n sjikse—vertrouwen kun je ’r nooit. Wat niet eigen is, wordt niet eigen.
ESTHER. En waar moet ’k ’r heenzenden? ’k Kan ’r toch op Sjabbes geen boodschappen laten doen.
HAËZER. Zendt ’r na d’r moeder.
ESTHER. Ze heit geen moeder.
HAËZER. Na d’r vader!
ESTHER. Ze heit geen vader.
HAËZER. Na d’r oom, d’r tante.
ESTHER. Ze heit geen familie.
HAËZER. Geen moeder, geen vader, geen familie—dan ben ik uitgepraat.
ESTHER. En ze luistert niet! ’t Is ’n rechtschapen meid. Nog geen korrel heit ze gesnoept zoolang ze bij me dient. Je ken me daar ’n meid zonder reden wegzenden. Waarheen?
SACHEL. Voor mijn part na de duivel! Stuur d’r na Meijer—dat-ie morgen hier komt.
ESTHER. Meijer... Meijer... Da’s ’n vol uur weg.
SACHEL. Doe wa’k je zeg. Morgen, tegen één uur, mot ’k Meijer spreken. De rest komt ’r niet op an.
ESTHER. Hij mot z’n zin hebben. Doe ’k je d’r ’n plezier mee, lastige ouwe? Je zal je zin hebben!
(af).
VIJFDE TOONEEL.
Sachel. Haëzer.
SACHEL. Ik weet—wat ik weet. Ze mot heelemaal weg.
HAËZER. Wie?
SACHEL. De meid....