Chapter 21 of 23 · 3829 words · ~19 min read

Part 21

SERO. De éérste maal was je ’n kind en schrikte bij ’n visscher, die ’n wurm reeg aan ’n angel, zooals ook Petrus deed—herinner je!—de dobber dook—’n baars zat aan de lijn en stuipte met z’n kieuwen in ’t gras. Die had den angel door z’n eene oog—en om den haak weer vrij te maken, voor nieuwe wurmen, nieuwe baarzen...

DROOMELOT. (trillend) Trok-ie ’t oog ’r uit...

SERO. Jij bleef toen uren, uren stil, en vroeg: ziet...

DROOMELOT... Onze Lieve Heer dat niet?

SERO. De tweede maal—dat’s niet zoo lang geleen—was ’r ’n vrouw, die met vier kinders zich voor goed te slapen lei bij ’n gebedenboek, papieren van de bank-van-leening en bij ’n heeten, heeten pot—met doove kolen... Een van de kleuterkleine lijkjes droeg jij in je armen naar de straat. Je huilde en je vroeg: ziet...

DROOMELOT... Onze Lieve Heer dat niet?

SERO. Nee, nee, m’n kind—hij ziet het niet! Ik ken geen God, geen God zooals die man jou straks wou leeren...

DROOMELOT. (starend) Jij kent geen oordeelsdag, geen dood, geen God... Maar in den katechismus staat...

SERO. Staat vraag aan antwoord vàst-gekoppeld!

DROOMELOT. O vadertje—de stem van God...

SERO... Dat is een mensche-stem uit vróéger eeuwen! ’r Is vandaag geen God—’r was ’r geen!

DROOMELOT. O vadertje—O schimp zoo niet!

SERO. Wie schimpt, m’n kind? Schimp ik, die zeg:... wil je een godheid ééren—ontken hem dan, omdat hij anders één wordt met het vuil, de leugen en ’t bedrog, ’t onrecht en de schand’, waarin wij leven! Schimp ik, m’n kind, die van geen God wil weten, ’n God, die aarde, water, vrucht en dier (met zooveel zorg en scheppingsvreugd gewrocht!) aan ènklen laat en alle andren voor de ploegen spant! Schimp ik, die in ’n mensch geen eeuwig lastdier zie—of schimpen zìj, die met den blinden roep: „’r ìs ’n God!” dien God met wat op aard’ òn-godlijk en òn-zeedlijk en verfoeilijk werk van mènschen is—vereenen...? Zeg je vandaag: ’r is ’r een, dan stuit dat af op je verstand en je geweten—dan heet hij goed wat wij terecht verdoemen—en wat wij haten, heeft hij lief... Doe zelf je keus... Ik dreig je niet!

DROOMELOT. ’r Wàs ’r geen—’r is ’r geen... Maar morgen, overmorgen, later, vader...

SERO. (starend-glimlachend) Wie weet?... Wie weet wat weer ontstaat uit dankbare verbeelding! ’t Eene sprookje rijpt, ’t andre gaat... Wie weet wat jij weer weten zal en komenden na jou! Wie weet wat heiligs groeien kan, als iéder tijd krijgt om te denken en iéder tijd de wonderen te zien? Wie leeft? Wie heeft geleefd? Wie leeft zich uit in droomen, weet-begeerten? Wie, wie, m’n kind?

DROOMELOT. Dat weet ’k niet...

SERO. Ha-ha-ha, dat angstige gezichtje! De pater heeft gelijk: jij zal nooit wakker worden! „Ik draag je voor voor straf!” En ook van mij krijg je te leeren! Ha-ha-ha! Stil!... Stil!... Ik hoor twee zolen en twee hakken bij de trap! (werpt pakje door spleet) Pak aan! En pas ’r op! Als ik hier blijf...

DROOMELOT. Je blijft hier niet!

SERO. Stil! Stil! Dan geef je dat aan onze vrienden! En als de katechismus je verveelt, leer dan mijn kraam, mijn rijmsel en mijn afscheidsgroet van buiten! Dan wordt ’t niet gevonden en jij draagt ’t mee! (hij springt van de tafel, sorteert—zij raapt het pakje op).

ZEVENDE TOONEEL.

De vorigen, 2de Wachter.

2de WACHTER. Wat doe jij daar?

SERO. Werken in ’t zweet mijns aanschijns, vriend!

2de WACHTER. Ik zag je springen!

SERO. Dat heb je goed gezien: ik sprong twee erwten na, die ’t verdraaiden bij hun soort te blijven! (getik boven).

2de WACHTER. Zoo! Zoo! Heb jij daarvoor de tafel wéér verschoven?

SERO. Begrijp ’k niet! Die tafel danst—’r is ’n klopgeest boven!

2de WACHTER. (wipt op de tafel, ziet de spleet) Ha-ha! Was jij ’t die met erwten smeet? (springt omlaag).

SERO. Ik zweer je, vrind...

2de WACHTER (hem achteruit smijtend). Ik ben je vrind niet, schobbejak, en als ’t niet uit is met je streken, sla ik je stomme hersens in! Dat flik je me geen tweeden keer! De tafel gaat ’r uit! (draagt haar heen) Ik blief niet telkens bij je deur te komen kijken! (smijt Sero, die op den stoel is gaan zitten op den grond)... Hier met je stoel! Je doet ’t anders weer! (geeft hem een schop) En opgeschoten met je erwten! Of ’k trap je valsche ribben stuk!

SERO. (pijnlijk) M’n valsche zitten lager, vrind! (hij sorteert. De wachter kijkt even toe, gaat met stoel weg)... Dat is (wrijft zich de borst) ’n proletariër met onderlegde zolen en ’n beenig hoofd! Wat moet die man ’n ijvrig en ’n nuttig christen wezen! (staat op, zet zich op de baal—sorteert).

DROOMELOT. (heeft het pakje losgeknoopt, de papieren met stijgende vrees gelezen. Ze dan verbergend, roept ze) Vader! Vadertje! Hoor je me niet? Dan doe ’k net als hij! (beklimt haar tafel) Dan klop ik bij hem aan!... Dat’s veel te hoog... Ik reik ’r zoo niet bij... (staat in gedachten) Ik kan den stoel nog op de tafel zetten, als ’t avond is...

ACHTSTE TOONEEL.

Sero, Droomelot, Regent.

REGENT. (is binnengetreden, terwijl zij in gedachten staat, en op de teenen nader geslopen. Met de armen op den rug, staart hij haar lachend-driest aan, waar zij in hulpeloozen schrik zich tegen den wand dringt. Dan als zij met een ruk van de tafel wil springen, vangt hij haar in de armen, houdt haar woest tegen zich aangedrukt) Lig je zoo goed, m’n schat?

DROOMELOT. (smeekend) Laat los! Laat los! ’k Heb jou toch niets gedaan!

REGENT. Heb jij me niets gedaan! Ben ik niet dol van af ’t oogenblik dat ik de warmte van je borsten heb gevoeld! Is niet de adem van jouw mond... (zij klemt de hand voor de lippen) Weg met je hand, dat ik je lippen kus!...

DROOMELOT. Ik smeek je: laat me los!

REGENT. Nee, nee, ik draag je zoo door hel en hemel heen! Weg met je hand—ik bijt ’r in!

DROOMELOT. Ik zal zoo schreeuwen, dat de wachter op de gang...

REGENT. (naar de open deur kijkend, dan lang en hijgend in haar oogen) Daar dan! (laat haar los) Als jij niet wil, dan wil ik—evenmin! (gaat naar de deur, sluit die, keert terug. Zij leunt hijgend tegen de tafel—hij, den stoel grijpend, leunt er achterwaarts tegen, houdt haar met de loering van z’n oogen vast) Nu zijn we samen ongestoord! ’k Heb als ’n beedlaar iedren dag wel drie-, wel viermaal door dat gat gekeken—ik—ik, die nooit ’n vrouw wat vráág!... ’k Ben elken nacht nog langs je deur gekomen en met ’n halven waanzin in m’n kop heb ’k aangeklopt—heb ’k aangeklopt—ik, ik! Wil jij dat ’k voor je kniel, dat ik m’n hoofd buig naar je voetjes, je kleine voetjes, die ’k zou willen zién... Ik hou van jou, hou van je lippen en je tanden, je mond zooals geen ander heeft, je zijjen wimpers en je poppe-ooren, je kin, je hals—je heele lijf! Jij heb—jij heb me gèk gemaakt door ’t altijd schuilen van je oogen, door ’t schuchter spel van je gezicht—en door—en door—wat ik niet zeggen kan—wat ìk niet zeggen kan, ik, ik!... Nu vraag ’k voor ’t laatst, voor ’t allerlaatst: màg ik je in mijn armen grijpen, màg ik je kussen op je mond, je haar—en van jouw lippen weer m’n dag- en nachtrust zuigen?

DROOMELOT. (met neergeslagen oogen) M’n vader en m’n moeder hebben me gekust—nooit iemand anders... En dan... En dan...

REGENT. En dan!

DROOMELOT. Hoe kàn ’k iemand kussen, als ’n—als ’n vriend—die van mijn vader is de ergste vijand.

REGENT. Dat ben ik nièt—als jij ’t niet wìl!

DROOMELOT. (hem aanziend) Heb ik dat in mijn macht?

REGENT. Jij kan me laten kruipen door je lach en door je witte tanden! Wat sla je nu je wimpers neer? Ben ik zoo leelijk, Droomelot? Heb ik ’n bochel of ’n horrelvoet?

DROOMELOT. (weer angstig tegen de tafel) Ik kàn niet in jouw oogen zien!

REGENT. (bedwongen) Kun je dàt niet?

DROOMELOT. Ik kàn ’t niet!

REGENT. Ook niet als ’k goud en paarlen om je jonge schoeren hang? Ook niet als ’k hèm laat gaan, wat ’k gister en eergister telkens weer beloofde?... (met geweld haar handen vattend) ’k Heb al die nachten in ’n koorts geleefd en ’t hijgen van je borsten zoo gedroomd, als toen dien eersten dag, toen jij ze schutte met je kouwe handjes!

DROOMELOT. (worstelt zich los, wijkt tot dicht bij de schouw) Laat eerst m’n vader vrij...

REGENT. (onstuimig) En als-ie ’t is?

DROOMELOT. (zacht en op schreien af) Dan geef je mij een kus—en ik zal jou een geven...

REGENT. Een? Een! Ik tel je heele lichaam af! Hij ’s vrij!

DROOMELOT. Wanneer?

REGENT. Vandaag!

DROOMELOT. Nog vóór den avond?

REGENT. Nog voor... Nog voor... Wanneer jij wil!

DROOMELOT. Als je onwaarheid spreekt—en me beliegt!

REGENT. Ik geef m’n woord! M’n woord! Kom dichterbij! Ik heb wat voor je meegebracht, dat ’k zelf moet om je naakte halsje leggen (toont parelsnoer).

DROOMELOT. (doodelijk bevreesd) Ik draag alleen m’n moeders beeld!

REGENT. Dan hou je dit en draagt dat van je moeder... Of hebben ze dat afgenomen?

DROOMELOT. Nee. Nee. Ik heb ’t daar! (met gebaar naar slaapstee).

REGENT. Haal ’t dan hier...

DROOMELOT. Waarom? Waarom? Ik wil niet ruilen!

REGENT. Dat hoeft niet—haal ’t hier! (gaat haar na, verspert haar den weg).

DROOMELOT. Je zei... Je zei...

REGENT. Ik zei... Ik zei... (dringt haar in de slaapstee).

DROOMELOT. Hulp vader, vader, vadertje!

SERO. (die met ’t hoofd in de handen gebukt heeft gezeten, staat onrustig op, staart luisterend voor zich uit, zet zich opnieuw en sorteert).

—DOEK—

DERDE BEDRIJF.

(Het onveranderd tooneel van het tweede Bedrijf. In Droomelot’s cel ligt op de tafel een fleurig kleed, waarop een vaas met bloemen—in het midden staat een divan met smyrnaasch tapijt.)

EERSTE TOONEEL.

Sero, 2de Wachter, Arts.

2de WACHTER. (Sero, die met het hoofd op de erwtenbaal op den grond ligt, ’n trap gevend). Wat is dat nou? Hé!... Hé!... Slaap jij alweer! (naar het uitgeslagen, onbeslapen bed aan den wand kijkend)—Of heb je niet geslapen?

SERO. (versuft opzittend) Ik heb—ik heb—ik heb zóó goed geslapen, dat ik nog dronken ben...

2de WACHTER. Sta op! (rukt hem aan den schouder) Sta op!

SERO. Dat wil ik wel (poogt op te staan)—dat wil ik zeker wel—maar wil is niet genoeg! (smakt terug) Je moet me, kameraad, ’n steuntje geven...

2de WACHTER. (hem ruw onder de armen grijpend) Vooruit! Schiet op! Ik ben jouw kruier niet!...

SERO. Ik dank je zeer. Bij Jericho heeft zelfs de Samarieter béter niet geholpen... Nee, laat me nog niet los... ’t Is nog ’n afstand tot ’t bed. En zak ik in, moet jij je weer verneedren door me op te rapen! (zit op bedhoek. De wachter veegt nijdig z’n uniform af) Ja, vuil geeft af! Van buiten en van binnen!

2de WACHTER. Ik waarschuw je—je kent me nou!

SERO. (knikt) Ik kèn je vuisten en je voeten, je vloeken en je vlakke hand al haast twee maanden, niet? Twee maanden, ja! Jij heb ’n toekomst, vriend. Nog eer ik hier krepeer, krijg jij ’n ééreteeken daar—en welverdiend!... Tot zelfs m’n makker, in ’t hol hierboven, heb jij met klappen ’t kloppen afgeleerd...

2de WACHTER. Je brood—je water, bek gehouen! En als je ’t weer niet lust: ’t komt terug—’t komt terug, hard als ’n bikkel! En zien wie ’t ’t laatste wint! Sta op! De dokter! Ben je blind?

ARTS. Wel nummer-zooveel, zit je alweer op? (tot wachter) Is hier geen stoel? Moet ’k op den grond gaan knielen bij patiënten?

2de WACHTER. De order is dat hij geen stoel meer krijgt!

ARTS. Ja, ja—dat ’s best—maar ik, maar ik?

2de WACHTER. ’k Breng ù ’r daadlijk een! (af)

ARTS. En jij? En jij? Nog altijd duizlig en eens af en toe ’n flauwte? (Sero knikt glimlachend) Ja, ja, dat is ’t hart, ’t hart. Je hart dat is vergroot, te groot; daar zijn geen kruiden voor gewassen! (tot wachter met stoet) Ik dank je wel! (Wachter bij deur) Je moet geen vrachten tillen en geen trappen loopen en naar—omstandigheden je ontzien!

SERO. (spottend) Geen koffie en geen sterke drank?

ARTS. Nee, nee. Je tong!

SERO. Geen lange wandeltochten, geen tabak?

ARTS. Nee, nee. Je tong!

SERO. Niet dansen en geen zwaar verkeer met vrouwen?

ARTS. (afwezig) Nee! nee! (plots vinnig) Nee, Nee! Hoe heb ik ’t met jou? Zit jij me voor de mal te houen? (Sero steekt z’n tong uit, schudt ’t hoofd).

2de WACHTER. Als u me noodig heeft, meneer de dokter!

ARTS. (wenkt hem heen te gaan. Wachter achter deuropening op en neer) Gezien! Gezien! Je pols... Heb je vannacht geslapen? ... Nu!

SERO. ’k Lei op den grond en had geen fut meer in m’n bed te kruipen... ’t Is mal, ’t is zot, hoe je dan tobben kan en in ’t donker dingen zwarter dènkt dan ze bestaan...

ARTS. (hem wenkend te zwijgen) Ja, ja! Hoe werkt je maag?

SERO. Heeft in de laatste dagen wat geluierd—en ’k heb geen beitel om m’n brood voor ’t heilig avondmaal te brokken! (laat het brood dat hij met de vrije hand opgenomen heeft op den grond vallen) Ik wou... Ik wou... (strijkt zich moeilijk langs ’t voorhoofd) Vreemd, dat je ziel zoo in en uit je lichaam gaat... (zakt achterover).

ARTS. (zich over hem buigend) Dat schijnt nog niet de láátste keer... (tot wachter) Hé, jij—maak jij dat raam ’ns open!

2de WACHTER. Ja, als ’t móét—maar doen mag ik ’t niet!

ARTS. Als ik ’t zeg, dan is ’t noodig! Hij ligt in onmacht—vlug wat buitenlucht!

2de Wachter. (met ’n sleutel het kastje van de lijn openend en het tuimelraam vierend) Nou, as ’t lee an mijn, dan bleef-ie waar-ie leit! De dokter heeft geen flauw benul, wat judas of die kerel is! Niet één dief, niet één moordenaar, in ’t heele huis, zit zoo vol vuile praat en vuile streken as deze gladde boef. An dat gaat niemendal verloren! Gift, haat en ongeloof!

ARTS. Ja, ja,—maar ’t is ’n mensch, al deugt-ie niet, en zieke harten geven zieke hersnen... Als-ie familie heeft en de Regent ’t wil, dan moet gewaarschuwd worden. De veer van ’t werk is stuk.

2de WACHTER. ’t Werd tijd! (kinderstemmen buiten).

ARTS. Is ’r ’n vrouw?

2de Wachter. ’n Hoer.

ARTS. ’n Kind?

2de WACHTER. ’n Jong, hiernaast! Wordt door Zijn Excellentie achterna-geloopen! Ik knijp ’n oogie dicht...

ARTS.. (de kinderstemmen bedoelend) Is dat de straat?

2de WACHTER. Nee, dokter, dat ’s ’t plein—en wat u hoort... (Sero zit langzaam-tastend op).

ARTS. (wenkt Wachter heen te gaan) Wel, was ’t weer even mis?

SERO. (luistert hijgend naar de geluiden, zakt van het bed op de knieën, snikt ’t steunend uit).

ARTS. Kom nu—dat’s niet zoo goed voor je, je op te winden!

SERO. (hem met armgebaar afwerend) Doe dan dat raam weer dicht!

ARTS. Dat raam weer dicht? ’t Is voor je bestwil nummer zooveel!

SERO. Doe dicht dat raam—ik heb ’t koud!

ARTS. Je heb ’t koud? Stop jij daarvoor je vingers in je ooren? ’t Is buiten heerlijk warm!... Kom, kom, wees man! Wil je je vrouw nog zien? (Sero schudt woest het hoofd) Je dochter dan? (Sero staart naar ijzeren val, schudt het hoofd) Nee? Heb ’k goed begrepen?

SERO. (naar den val starend) ... Ik wil ’r zien, als ze geen tafel heeft...

ARTS. Geen tafel... Wat zegt je nu...?

SERO. (moeilijk opstaand)... Ik had ’r geen—en aan de schuif is nog geen hand geweest—geen wachtershand—en niet de hare... ’k Heb meer dan zestig dagen, uur aan uur, en nacht aan nacht... Ben jij hiernaast geweest? Hééft ze ’n tafel en ’n stoel? Dat kan ’k dien man niet vragen, die me trapt en slaat op hoog bevel, en me op hoog bevel m’n krachten heeft genomen, omdat ’n galg zoo-zeer de aandacht trekt van raven en van menschen...!

ARTS. Bedaar nu, nummer-zooveel—of je heb ’r zelf aan schuld... En praat gezonde taal...

SERO. (den stoel nemend en pogend er bij de schouw op te klimmen) Nee, nee, dat kan de akrobaat niet meer! En ’t hoeft ook niet. Want aan de schuif is niet getimmerd, niet geschroefd... En zij heeft jonge beenen... (zit gebroken neer).

ARTS. Ik zal je laten brengen naar de ziekenzaal.

SERO. Dat is te laat—(naar omhoog kijkend) en wie weet nog te vroeg. Ik wil hiér in m’n eentje sterven.

ARTS. Dat zeg je me bij elk bezoek, maar hier is toch geen plaats... (omzichtig) Je vrouw en dochter kunnen bij je komen.

SERO. (de hand op ’t hart) Ik heb geen vrouw—en als ze heeft ’n tafel met vier pooten, geen dochter meer!

ARTS. (goedig-sussend) Ja, ja, ja, ja! Dat meen je nu, en straks heb je weer andre, dwazer kuren! (naar deur, keert terug) Wil je soms schrijven voor je laatsten wil? Ik vraag dat, waar jij zèlf zoo telkens weer van sterven spreekt!

SERO. M’n laatste wil... (diep ademend) Hè, ’k ben den ballast kwijt—ik word weer mensch, nou dat te groote hart zich uitzet als ’n spons in ’t water! M’n laatste wil, hahaha! Hoe ben ’k met zoo’n groot hart zoo klein geweest daarnet te grienen! ’k Vermaak—dat kan ook zonder testament—en vrij van zegel, registratie!—vermaak m’n geest en ziel aan wie ’r bod op doet, rabbijnen zelfs, pastoors en wie den geldzak kust!—vermaak m’n lichaam, huid en haar, ’t vet en ’t vleesch, aan jonge maatjes in jouw vak van wetenschap, die uit geen béter kringen krijgen ’t materiaal, om voor te snijden op de sectietafel... Vermaak! Vermaak! In ’t leven is de zotheid baas!...

ARTS. De zotheid, zeg dat wel, vooral jouw zotteklap! Men maakt geen grappen, als men kan vermoeden...

SERO. ...Dat binnenkort ’t zeldzaam-groote hart ligt in ’n glazen huis met spiritus en met ’n varkensblaze-dak!

ARTS. ’t Is wel. Ik zwijg (bij de deur) ’k Zal je den priester sturen.

SERO. Waarom? Waartoe? Ik wil en geef geen absolutie! (De arts gaat schouder-ophalend af. Buiten wordt het spelend rumoer der kinderen sterker. Met de handen op den rug gevouwen, staart Sero eerst naar den schoorsteenval, vervolgens zonder te bewegen naar de richting van het geluid.) ’k Zou willen weten wat uit jullie groeit: Ik ga en jullie komen pas den weg Geloopen die zoo wonderschoon kon zijn, Als niet de modder hing aan elken stap, En elke nieuwe, jonge, vrije jeugd, Weer in de óúwe leugens werd verstikt! ’k Zou willen weten of de lente, die Uit jullie kleine kinderstemmen spreekt, ’n Zomer wordt die bloeiend opengaat En aan de landen eindloos stuifmeel geeft! ’k Zou willen weten of de rijke vrucht, Die van geen mensch en toch van iéder is, Door jullie éénsgezind gegrepen wordt En zóó gesteld dat nooit meer ruwe klauw ’t Kost’lijk aardgeschenk vernielen kan... (De gevangene boven klopt) Dat zien wij twee, jij dief en moordenaar, En ik, dìe langs de wegen ben gegaan, Om zonder aarz’len mensche-plicht te doen— Dat zien wij twee niet meer—maar zij—misschien...

(zet zich op stoel, sorteert).

TWEEDE TOONEEL.

Droomelot, 2de Wachter, Sero.

2de WACHTER. (ontsluit Droomelot’s cel, laat haar binnen. Zij neemt haar masker af, geeft dat den Wachter, die haar onder de kin strijkt. Zij wijkt verschrikt achteruit) Hahaha! Doe niet zoo preutsch, jij leep en listig ding! ’k Draag niet m’n oogen in m’n zak en ’k heb twee ooren als trompetten! Ja, kijk maar lekker rond—’t wordt hier ’n fijne keet!

DROOMELOT. Wie heeft dat alles hier gebracht?

2de WACHTER. Wie?—Ik en m’n maats!

DROOMELOT. Wanneer?

2de WACHTER. Terwijl je werd gelucht! Hahaha, de heele wacht is uitgeloopen, en heeft zich voor jouw deur ’n uitgezakte breuk gelachen! Jij ben ’n bliksems-gladde, kleine helleveeg. Je moeder kan ’n puntje an jou zuigen! En as je éven handig blijft, en ’m zoo zacht an ’t lijntje houdt, ’m snoepen laat met mondjesmaat, en of je ’r tièn zoo aan je vingers heb, ’m onverschillig op z’n koppie krauwt—dan lijm je ’m vast nog jaren lang en wat jij wil, krijg jij gedaan! Tik voor je aan, met veel respect! En as je je bij hèm verveelt, in plaats van elken dag kandij, ’ns watertandt naar mager spek: dan heb je maar ’n kik te geven! Met veel respect! Hahaha! (treedt nog lachend bij Sero binnen; nijdig) Raap op dat brood! Al smijt je ’r mee: je krijgt geen ander! (Sero bukt zich, legt het op het bed. Wachter rukt stoel weg, zet dien buiten, keert terug, sluit het raam. Droomelot heeft de bloemen opgenomen, laat die vallen, zet zich op haar stoel.)

SERO. Móét ’t al dicht? Màg ’t niet langer open?

2de WACHTER. Je kan je zelf wel antwoord geven!

SERO. ’t Is toch ’n kleinen dienst dien ik je vraag!

2de WACHTER. Als ik je luchten wóú, heb je ’t verdomd! Je was te slap, niewaar?, te ziek, niewaar?, om naar de plaats te loopen! Hier geef ìk jou geen lucht, nog niet voor tien doktoren! ’k Vertrouw je net van hier tot daar! Jij ben in staat, of anders zijn ’t je vrinden om bij zoo’n open raam... Ha-ha-ha, heb ik je door?

SERO. (moeilijk) Mag ik vandaag?

2de WACHTER. Nou, wat? Leg niet te pruimen op je woorden!

SERO. Mag ’k vandaag—mee naar de plaats! Ik wou voor ’t laatst de zon nog zien.

2de WACHTER. Wel, wel—nou zoo ineens? De tijd van luchten is voorbij—moet je tot morgen wachten!

SERO. (spottend) Ik heb misschien geen morgen meer.

2de WACHTER. Daar làcht-ie om, ’t stuk ongeluk! Dàt wil de zon nog zien! De zon, die draait ’r kooi niet in, as jij geen afscheid neemt! Vooruit dan maar! ’k Ben gek gedorie da’k ’t doe! (laat sleutelbos vallen)... Raap op! (Sero geeft hem de sleutels) Ha-ha, heb ik je goed gedrild? Komt ’t ontzag ’r langzaam in? Als ik jouw vader was geweest...

SERO. Was jij voorzeker in je bèd gestorven!

2de WACHTER. (’t masker gevend) Pak an! Zet op! Geen kletspraat onderweg, geen teekens, geen gefluit!

SERO. Dat masker ruikt naar karneval!

2de WACHTER. Ha-ha-ha! (’t ook beruikend). Dat is ’t luch-ie van de harem, hier dichtebij! Naastan wascht een ’r snuit met beter zeep dan jij, omdat ze met Zijn Excellentie trekkebekt! (Sero rukt ’t masker af) Zet op! Wat suf je nou? Vooruit! Je hoeft niet vies van ’r te wezen! As jij as teef geboren was, liep ook de duurste reu je na! Zóó as ’t voorjaar is, is iedre hond-van-ras z’n moer en stand vergeten en rent in d’achterbuurt met ’t smerigst mormel mee!... (Sero laat ’t masker vallen) Wat mier jij nou? Vooruit! Zet op!... En as je onderweg ’n flauwte krijgt—ik ken je foefies, ouwe smakker!—giet ik ’n emmer langs je leeg! (duwt hem voort).

DERDE TOONEEL.

Regent, Droomelot.

DROOMELOT. (heeft de papieren gelezen, bergt die op) O, vadertje, als je eens wist—als je eens weten kon!