Chapter 17 of 23 · 3899 words · ~19 min read

Part 17

ESTHER (die ze nagestaard heeft).... Og! ’k Hoef ’m geen verder leed toe te wenschen!... (loopt naar de deur terug, schrikt als ze in de opening staart).... Sachel! Sachel, wat doe je? Snij je je kleeren stuk? ’r Is toch geen dooie....

SACHEL (den stoep afstrompelend, de handen verwoed in de scheuren van z’n jas). Wee, wee—m’n zoon is gestorven! (hurkt op den grond, de vingers in wanhoop in het haar).... Wee! Wee! Wee, dat ik ’m overleef! Wee! Wee!........

EINDE.

Oorspronkelijk ongewijzigd geschreven te Amsterdam, 15 Sept.–9 Nov. 1898.

NASCHRIFT.

’n Kleine terugblik.....

10 April 1898 werd op den feestavond bij het Kongres der Sociaaldemokratische Arbeiderspartij in Nederland, in het gebouw „Plancius” te Amsterdam, de politieke scherts Puntje opgevoerd.

De afdeeling Amsterdam, die het feest organiseerde, had den auteur, die zich na een mislukte jeugdpoging niet meer de vleugels aan het voetlicht brandde, om een „gelegenheidsstuk” gevraagd.

’t Was, voor wie aan de vertooning mee deden, ’n opgewekte, allergenoeglijkste, niet licht te vergeten avond. Er werd gezongen, voorgedragen, en Troelstra sprak de feestrede.

Terwijl kleedden wij acteurs, de Roode, Ankersmit, m’n vrouw en ik, allen dilletanten behalve Ternooy Apel, ons in de primitieve kleedkamers. We speelden voor de stampvolle arbeiderszaal met de grootste overtuiging en vermoedelijk slecht. Toch hadden stuk en spel een vrij goede „pers”. Althans „de Sociaaldemokraat”, destijds orgaan van onze partij, getuigde in het nummer van 13 April 1898 o. m.:

„Heijermans’ stuk draagt een beslist socialistisch karakter. Het is een bestuursvergadering van de gezellenvereeniging „Ursule”, ten huize en onder toezicht van pater Bos, de geestelijke adviseur. De inhoud zullen we niet mededeelen, omdat we vermoeden, dat het stukje weldra op de programma’s onzer gezellige bijeenkomsten zal prijken. Het geheel komt ons als uitstekend geslaagd voor, maar...... minder geschikt voor dezen feestavond. Daarvoor duurde èn de voorbereiding èn het stuk zelf te lang. Het publiek in de stemming als die Zondagavond de heerschende was, genoot niet zóóveel als „Puntje” te genieten bevat. Alle rollen werden uitstekend vervuld, de vervulling van de hoofdrol door Ternooy Apel was meesterlijk”.

Wanneer ’k dit knipsel uit ’t verleden oprakel, geschiedt ’t met de leut van aan ’n herinnering terug te denken, die in positieven zin invloed op ’t verder leven had.

Ternooy Apel, door mij in Puntje binnen geloodst, omdat geen van ons de kanjerrol van den pater aandurfde, sleepte mij als auteur—een acteur had-ie niet in me ontdekt—naar de planken.

Dat wil zeggen: hij kwam namens de „Nederlandsche Tooneelvereeniging” met een voorschot. Ik geloof, dat ’k in die dagen voor een voorschot Naatje op den Dam in de lucht had laten vliegen.

En ’k geloof dat heel wat dramatische krachten in Holland zoetekens blijven sluimeren door gebrek aan voorschot.

Met ’t mijne, in dadelijk weldadig-kringloopende bewegelijkheid, zette ’k me aan den arbeid, en den 24sten December van dat zelfde jaar, zag Ghetto ’t schouwburglicht, stuk van Sturm-und-Drang, ’t welk nog geen maand na de onstuimige baring vertoond werd.

Vandaag nog vermeen ’k, dat de Rafaël-figuur volkomen leeft, dat zoowel z’n gedroom als z’n „phrases” tot de werkelijkheid van de joodsche Rafaëls uit die dagen, behooren. Alleen zij, die de socialistische beweging van uit hun gewatteerde kamer en niet in ’t gewoel zelf hebben gevolgd—alleen zij, die náást de werkelijkheid staan, mogen zich wijs maken, dat deze joodsche jongeling uit wormstekig hout is gesneden! Wij weten beter....

In 1905 (Verg. „De nieuwe Tijd”, elfde jaargang, 1906) ben ’k tot omwerking van het eerste tooneel van het tweede bedrijf en van de tweede helft van het derde bedrijf overgegaan.

„De omwerking geschiedde,” schreef ’k in dat tijdschrift: „omdat in den oorspronkelijken vorm de kern niet tot rustige bezinking was gekomen. In de nieuwe editie, gehouden in den stijl van 1898, is gepoogd hierin te voorzien.”

Het kwam mij namelijk, na het bijwonen eener Ghetto-vertooning voor, dat er niet voldoende nadruk op het feit, dat in deze maatschappij nagenoeg iedere godsdienst de verhouding van armoedig ghetto-gedoe aanneemt, werd gelegd.

Er was, voelde ’k, iets ideologisch-onrechtvaardigs in, de symbolische waarde werd ’r zeker niet door vergroot, als ’k den joden zoo deerlijk hun ghetto-bestaan aanrekende, waar toch overal, naar alle richtingen heen, ’t onkruid der ghetto-godsdienstjes bloeit, tiert en naar historisch-betrekkelijken maatstaf „vooralsnog” bloeien en tieren moet.

Neemt, beminnelijke lezer, ’n Predikbeurtenblad, ’n apostolisch orgaan, ’n klungel van ’t Heilsleger of ’n ander sectarisch „godsdienstig” propaganda-vehikel in uw handen—peinst in ’n moment van opknetterend „vrijdenkerschap” over al de kostelijke kerkgebouwen, die zulke voortreffelijke toevluchtsoorden-voor-onbehuisden zouden kunnen zijn—mijmert over ’t nationaal christendom met snelvuurkanonnen, bijbelgenootschappen, repeteergeweeren, zendelingen, politiek, traktaatjes, Kuypertjes, Heemskerckjes—philosofeert over de hardnekkige taaiheid van onverschillig welke kerk, als tegenstandster van volkomen menschelijkheid en volkomen beschaving (laat ’k ’r niet op doorgaan, daar de opsomming dezer zaken en dingskes voor den sulligsten denker al zoo gruwelijk banaal is geworden!)—laat dit alles door de vier magen van uwe geestelijke gesteldheid herkauwen, en ge zult ’t met me eens zijn, dat ’r meer ghetto-om-van-te-rillen, meer parasitair rabbijnen-gedaas in deze botte wereld bestaat, dan in het tooneelstuk Ghetto in debat werd gebracht.

Om de balans een weinig te herstellen, „verbeterde” ’k ’t jeugdwerk in 1905. ’k Trachtte voor zoover ’t oorspronkelijk stuk ’t toeliet, ’t ghetto-begrip in de christelijke dienstmaagd aan te zetten en van ’n joodsch ghetto tot meer universeele en noodzakelijke ghetto-menschen te geraken.

Gelukt is dit niet. Van ’n ouden makkelijken broek maakt men door ’t inzetten van ’n kruis en ’n achterwerk geen kleedingstuk om, naar alle richtingen heen, in te cancaneeren.

Den zwaar-beschuldigden joden in Ghetto maak ’k m’n excuus. ’t Is alles lak en alles ghetto, en hoe ouder en bezadigder je wordt, hoe sterker je voelt, dat je in ’n hinkenden tijd niemand in ’t bijzonder z’n horrelvoet moet verwijten.

Hoogachtend DE SCHRIJVER.

Berlijn, October 1910.

Noot bij bladzijde 41. Op verzoek der destijds littéraire politie (verg. onderstaande correspondentie, die aan den eersten druk van Ghetto toegevoegd werd) werd het gezegde „Ons heele volk is ontaard” geschrapt. Bij latere voorstellingen is het natuurlijk toch weer gezegd.

Noot bij bladzijde 76. Van hetzelfde laken ’n pak.

Algemeene noot: De verklaring van het joodsch bargoensch is voor den christelijken lezer achterwege gebleven, opdat deze, in wenschelijke verbroedering, zijnen joodschen buurman om advies en voorlichting vrage. Renegaten zullen er niet door komen.

De correspondentie van 1899 luidt:

Amsterdam, 4 Januari 1899. Den WelEd. Heer Herm. Heijermans Jr. Alhier.

Geachte Heer!

Ik ontving van den heer Franken, hoofdcommissaris van politie, een uitnoodiging om naar aanleiding der Ghetto-opvoeringen even bij hem te komen.

Aan dat verzoek voldeed ik heden.

De heer Franken wenschte in Uw stuk te doen wijzigen de gezegden van Rafaël op blz 41 en 76. Ik wees hem er op, dat in geen der vijf voorstellingen, die plaats gehad hebben, deze gezegden tot eenige rustverstoring, zelfs niet tot gefluit aanleiding gegeven hebben en dat trouwens elke voorstelling een stijgend succes had. De heer Franken bleef evenwel in overweging geven, deze gezegden te verzachten of achterwege te laten, daar bij eventueel voorkomende wanordelijkheden de voorstelling onherroepelijk verboden zou worden.

Wilt U mij even omgaand mededeelen of U de gewenschte wijzigingen wilt aanbrengen?

Na beleefde groeten

Hoogachtend, n. d. N. T. V.: Uw dr., A. v. d. HORST.

Amsterdam, 4 Januari 1899. Den WelEd. Heer A. v. d. Horst, President-Directeur der „Nederlandsche Tooneelvereeniging”, Alhier.

Geachte Heer!

Het doet mij genoegen dat de heer Franken, hoofdcommissaris van politie, wiens critische bekwaamheden op letterkundig terrein ik volkomen erken, zulke bescheiden wijzigingen verlangt. Ik ben het met U eens dat geen der drie gezegden eenig protest, laat staan „rustverstoring” ontlokte tijdens de 5 eerste voorstellingen. Om echter in Uw belang te voorkomen dat ’s heeren Franken’s inzichten zich plotseling mochten verwerkelijken—de wegen der politie zijn ondoorgrondelijk—zal ik morgenavond vóór de voorstelling dezen „Groben Unfug” verwijderen. Waarom zouden wij mijn litterairen collega Franken ’t pleiziertje misgunnen?

Zeer de Uwe Herm. Heijermans Jr.

DE SCHOONE SLAAPSTER VERBEELDINGS-SPEL IN DRIE BEDRIJVEN, EN IN RYTHMISCH PROZA.

DOOR HERMAN HEIJERMANS.

Het recht van opvoering voorbehouden volgens de Wet van 28 Juni 1881.

De bedoeling van dit Verbeeldings-spel, met de oude lompheid en oppervlakkigheid door het gros der critiseerenden ontvangen, is deze: de Schoone Slaapster (het volk) wordt door Sero (den Socialistischen Uilenspiegel) en door het geweld van den machthebber, den Regent, gewekt. De zeer-ironische bijvoeging (in Holland moet men zich van doorzichtige grapjes speenen): „Het spel geschiedt nergens—tijd onbekend”, die bijvoegìng meende natuurlijk: „Het Spel geschiedt heden ten dage en overal.”

Moge de lezer dit werk met eenige meerdere aandacht volgen dan de scribenten, die nog niet tot het besef zijn gekomen, dat men ernstigen arbeid minstens ook even gelezen dient te hebben.

(Uit de „Nieuwe Gids” van April 1910).

Voor de eerste maal opgevoerd te Amsterdam, op 24 December 1909.

DRAMATIS PERSONAE.

Sero, volksmenner. Regina, eene hoer, zijne vrouw. Droomelot, hun dochter. De Regent. Jus. Een hopman. 1ste rakker. 2de rakker. Kommandant der gevangenis. 1ste wachter. 2de wachter. een soldenier. Een pater. Een arts.

(Het Spel geschiedt nergens—tijd onbekend.)

EERSTE BEDRIJF.

(Het tooneel verbeeldt een tweeplans gewelf van granieten blokken. Eerste plan, rechts, een koepelvormige gaanderij—tweede, dito, een tot de bintenzoldering reikend boogvenster, fel door de zon beschenen, waarvoor een kruk. Eerste en tweede plan, links, de granieten wand. In den granieten achterwand is, geheel links, de koepelvormige trapopening en, geheel rechts, tegen het venster aan, een stel van traliedeuren, waarachter telkens een hok met bank. Een koord scheidt het tooneel in tweeën. In de daardoor aangeduide ruimte links, een oude massieve tafel met oude stoelen—in de ruimte rechts, voorgrond—een bank. Tegen linkerwand een crucifix.)

EERSTE TOONEEL.

Sero, Soldenier, Rakkers.

SERO. (wordt door twee rakkers, die hem aan polsen en nek vasthouden, naar rechtsche traliedeur voortgeduwd).

... Ho! Ho! Ho!... (schudt zich even los, staat glimlachend met quasi-dreigenden wijsvinger)... Mijn gebeente, proletariërs!... Heeft God..?

EERSTE RAKKER. (hem weer vastgrijpend)... Ja, ja, ’t is goed! Vooruit!

SERO. Heeft God ons niet naar zijn evenbeeld geschapen? Past ’t jullie, proletariërs, een zoo voortreffelijk evenbeeld...?... Au!... Au!...

TWEEDE RAKKER.... ’ns Kijken, Evenbeeld, wie ’t kortste van stof is—jij of de paternosters!... Doe de deur open, kameraad. Dàt hou ’k alleen...

SERO. (terwijl de eerste Rakker de getraliede deur ontsluit)... Heb jij wel ’ns gehoord, vriend, hahaha!—van—van—breek m’n polsen niet, man!—van zeker wereldsch en voorwereldsch gezegde—ja, hoeveel eeuwen geleden wel?... Heb je naaste—au! au!—heb je naaste lief—au!—gelijk jezelf..?

EERSTE RAKKER. (hem in den nek grijpend en in ’t hok smijtend)... Afgeloopen! De rest schenken we je! (sluit de traliedeur.) De rest vertel je aan de heeren zelf! (tot Soldenier)... Laten praten! (betikt z’n voorhoofd.) Half simpel, driekwart gek! (af).

TWEEDE TOONEEL.

Sero, Soldenier.

SERO. Dat’s niet te hoog, niet te breed, niet te diep hier—gewapende macht! Maar ruim genoeg voor mijn beetje gedachten—en voor de jouwe ’r bij, als ik je niet beleedig! (op ’t bankje in ’t hok neerzittend) Ha! Ha! Een aan alle eischen des tijds beantwoordende luierstoel... Heeft u er geen bezwaar tegen, gewapende macht, dat mijne sokken het daglicht aanschouwen?... (trekt zijn ouwe schoenen uit). Ben in geen tweemaal vier en twintig uur uit de kleeren geweest—en—en—(moeilijk-trekkend) vastgeroest!—een van twee: deze voorwerpen van de laatste mode zijn hoogst-eigenzinnig gekrompen, òf m’n voeten hebben zich in groeistuip gezet...... Pang!... Da’s een... (met den wijsvinger op een gat in de kous, dat de hiel bloot legt)... Geen eerste, geen tweede kwartier: volle maan!... Zelfs met de merkwaardige vlekken, die men vroeger voor zeeën aanzag! Galileï... (zich onderbrekend)... O?... Luister je niet?... (tweeden schoen uitwringend) Bij mijn ziel, en bij de ziel van de koe of den stier, die eens... (hijgend stoppend)—daar blaas ik mijn adem bij uit!—die eens hier in stak—dat noem ’k weerbarstig... (trekt—de schoen vliegt uit, hij tuimelt van de bank op den grond) Ha-ha-ha! (De soldenier schiet mee in ’n schaterlach)... Ha-ha-ha! ’k Zou op die manier ’n leelijken smak hebben gedaan, als ’k in vrijheid boven op ’n dakgoot was gedresseerd, ha-ha-ha!...

SOLDENIER. Dat zou je, ha-ha-ha!

SERO. (weer op de bank)... Hé!... Wel ’t wonder! Práát jij... Dùrf jij praten?...

SOLDENIER. Waarom zou ’k dat niet durven?

SERO. Ja, waarom zou je ’t niet—jij ziet beter dan ik of ’r geen derde-met-gezag in de buurt is! Gewapende macht, gewapende macht, nou heb ’k in deze veilige behuizing nog maar één wensch! Neem een spons, vul die met edik, steek ze op een rietstok of op je schoudergeweer, en hou ’r door de tralies dezer leeuwenkooi!

SOLDENIER. (bot)... Wat wil je?... Wat mot je?

SERO. Water.

SOLDENIER. Mag niet.

SERO. Weet je dat zeker?

SOLDENIER. Zoo zeker als tweemaal twee vier...

SERO. Da’s lang niet zeker, vriend—vriend, als ’k je niet voor de tweede maal beleedig!—tweemaal twee lasteraars zijn méér dan vier, zijn ontelbaar!—tweemaal twee halve zijn twee hééle, hahaha!—en tweemaal twee vlooien vóél je als, als...

SOLDENIER. Als ’n dozijn, hahaha! Daar, drink uit m’n flesch, grappenmaker!

SERO. (de veldflesch door de tralies aannemend). Dank je, barmhartige! (drinkt gulzig)... Hè! Hè! Dat kan jouw en mijn Heiland, bij de fontein Jacob’s in ’t land Samarië, niet beter gesmaakt hebben!... (drinkt nog eens)... Hè!... ’t Was alles hierbinnen aan ’t verdorren... (drinkt)... Hè!... Jij ben ’n—’n—’n christen... Dáár... Da’s de gróótste onderscheiding!...

SOLDENIER. Stop! Stop! Laat ’r voor mij nog wat in!

SERO. (de flesch ondersteboven houdend)... Te laat! Had je éven vroeger dienen te zeggen... (den mond der flesch met ’n goren lap drogend)... Zoo, kameraad—dat ’s hèt voorbehoedmiddel tegen puisten!... Dank je!

SOLDENIER. (de flesch terugnemend)... Haal jou de duivel!

SERO. En àls-ie ’t deed—als-ie mij voor z’n kudde lustte—zou jìj me làten halen? En bèn ’k al niet gehaald door twee van z’n rakkers met knuisten als nijptangen? Hahaha! Hahaha! (De eene hand door de tralies stekend). Ziet m’n pols ’r niet uit, of bloedzuigers ’r horlepiepten? Hahaha!

SOLDENIER. Heb je gestolen? (zet zich op de kruk).

SERO. Gestolen, néé. Ja toch: den dag!

SOLDENIER. De dag?

SERO. Ben ik geen dagdief, vrind?

SOLDENIER. Ja, Ja!... Heb je gemoord?

SERO. Nee, nee. Integendeel! Ik bèn vermoord—vermoorder onschuld vind je niet!

SOLDENIER. Niet gestolen, niet gemoord?... Dan toch gevochten of ergens brand gesticht?

SERO. Nee, ’t was wel stichtelijk, maar toch geen brand.

SOLDENIER. Dan ben je gek en lastig voor ’t verkeer!

SERO. Juist! Lastig voor ’t verkeer, ha-ha-ha! ’k Stond op de markt en praatte met de menschen... De een die haalt den ander aan... ’t Werd wat vol, te vol misschien... Ze drongen op... En toen, toen werd ìk ingepikt... En die geluisterd hadden kregen klop, ha-ha-ha!

SOLDENIER. Wat heb je dan gepraat?

SERO. De waarheid vriend.

SOLDENIER. De waarheid?... Wat voor waarheid?

SERO. Ja, wat voor waarheid? Nièt die van gister en eergister!... (onwezenlijk de hand heffend)... Die van vandaag...

SOLDENIER. (spottend) Ach kom! (staat van kruk op.) Wel, wel! En stonden daarvoor menschen stil?

SERO. Ja, ja—vast meer dan duizend, mannen, vrouwen, kindren—ook soldaten... ’t Was ’n lust...

SOLDENIER. (spottend). Dat laat zich denken! Hé! Hé! Wat ga je doen?

SERO. (de schoenen buiten de traliedeur op den grond plaatsend). In geen weken hebben ze ’n beurt gehad. En als ’t Allerhoogst Gezag ’t acht in ’s lands belang, dan mag ’s Rijks werf voor zool en achterlappen zorgen! Let je goed op, gewapende macht?... Jij blijft me borg!... Schendt men mijn schoenwerk, schendt men mijn aangezicht.

SOLDENIER. Ach, ach, wat ’n gezwollen taal!

SERO. Ach, ach, wat ’n gezwollen voeten! Is ’t wonder dat mijn kousen barsten!... (stilte). Ben jij al lang soldaat? (stilte). O! Ik vraag of jij al lang met zoo’n ding op je schoeren door ’t leven marcheert? (stilte), O! Je schijnt je ’r voor te schamen dat je ’t niet zeggen durft! (stilte)... En dat kruis—waar heb je dat verdiend?

SOLDENIER. Man, vraag niet zooveel! Op ’t veld van eer, natuurlijk!

SERO. ’t Veld van eer...? Oho! (kijkt van het crucifix naar den Soldenier, lang en aandachtig) Je kruis op ’t veld van éér? (glimlachend) Hij draagt ’t op z’n rug—en jij van voren... Dat’s mal!

SOLDENIER. (nijdig) Wat’s mal?

SERO. ’t Moest net andersom... Hìj (z’n borst betikkend) ’t enkel hier—en jullie ’t daar! (beduidt z’n rug) Dan zág je ’r niet zooveel en werd ’r minder om gevochten, ha-ha-ha!

SOLDENIER. En nou je mond gehouen! En weg die dingen!... (schopt driftig de schoenen naar de zijde der tafel) ’k Ben simpel dat ’k met jou spreek!

SERO. Nou vraag ik u beleefd—wat of mijn schoenen je misdaan... Hebben die redelooze, puike, geduldige lotgenooten van mijn voeten, die uit ’t stof zijn gekomen en in ’t stof zijn gegaan... (zich onderbrekend) Oho! Oho!

DERDE TOONEEL.

De vorigen, Regina, eerste Rakker.

RAKKER. En vlug wat! (zij zet zich op de bank) Nee, daar niet!... Dáár!

REGINA. Daar? Waar?

RAKKER. Sta op!

REGINA. Mensch, man—’k ben bek-af...

RAKKER. Mot ’k geweld?...

REGINA. (op de bank haar mouw opstroopend) Of je geweld gebruiken moet?... Nog meer geweld?... Je kompleete tien gebojen staan ’r in! (’r rok optillend, dat de kuit zichtbaar wordt) En m’n rokken heb je afgetrapt of ’t dwijlen waren!

RAKKER. (tot Soldenier)... Dat vertelt de sloeber nou alleen om ’r kuiten te laten zien, hahaha!

SOLDENIER. (naast haar zittend)... Schoone joffer—ik zou ’r ’n eed op doen, dat we mekaar van héél dichtbij hebben gekend.

REGINA. (hem op de knie kloppend) Hahaha!... Ik ook! Jij ben de man met ’n moedervlek als ’n muis!

SOLDENIER. Klopt!.... Dan ben jij....

REGINA. Ja! Ja! Hahaha! (den Rakker die haar in de wang knijpt ’n tik op de hand gevend). Wel allemachtig! Buiten knijpen.... (toont haar arm aan den Soldenier die er een zoen op geeft).... binnen aaien—ben jij gek!

RAKKER. Buiten riep m’n plicht—en als die roept, ben ik ’n slaaf—maar binnen, binnen.... word ’k mensch en ieder mensch is zwak, ha-ha-ha! (zet zich ook op de bank).

REGINA (tusschen de twee in).... Kerels, kerels, jullie doen als vliegen bij de suiker! Toe schuif wat op! (tot Soldenier). Wat zeg jij van zoo’n sallemander, zoo’n verdraaiden judas (den Rakker ’n tik gevend)—handen thuis!—zoo’n gedrocht?.... Dat komt me halen—of ’k wil of niet!—dat sleept me mee, met honderd menschen op m’n hielen—zegt niet waarvoor....

RAKKER. Hoe weet ìk dat, m’n toet? Als mij gelast wordt: haal je vrouw, of haal ’r moeder’s moer—dan vraag ik niet, dan weet ik niet, dan klets ik niet—dan hààl ik—en soms haal ik met plezier... (legt arm om haar middel).

SOLDENIER. (dien wegduwend).... Ho! Ho!.... Die plaats die is bezet.

RAKKER. Wat is bezet?

SOLDENIER (lachend). Ik heb de oudste rechten!

RAKKER. Nee ik! Want ik moet toezicht op ’r houen!

SOLDENIER. Wie van ons twee heeft de klandizie van l’amour?.... Nou zeg ’t zelf, Regien—zoo heet je toch?

REGINA. Toe, toe!... Twéé knieën is te veel! Vindt jij dat lekker in die warmte?... ’k Ben smòòr op wie ’t meeste dokt! Dok jij—dokt hij—ìk hou m’n hand. Jij ben ’n knappe vent—en jij ’n schat.. Als ’k hier (bootst met de handen een bascuul na)—als ’k hier, ha-ha-ha!, jouw hart hou, híer ’t jouwe—dan gaat de weegschaal op en neer—dan ben ’k op jou verkikkerd en op jou verzeten—razend met jou en door ’t dolle heen met jòù!..! Is jouw beurs ’t zwaarst, dan doe ik zoo—en is de jouwe stevig, zoo! Ha-ha-ha: die twéé paar schelvischoogen!...

SOLDENIER. Dus krengekop: jij heb geen zoetelief?..

RAKKER. Geen (bluffend).... die jij naar zijn snor en oogen kijkt? En die z’n beentjes vrij uit in je bedje steekt, ha-ha-ha!

REGINA. Nee, kerels, nee! Die tijd die is voorbij! Schenkt jou de bakker brood en wat je verder met ’t draaien aan dat ding (bootst z’n gepluk aan de snorharen na) komt vragen? Stopt jou de slager spek en worst en Zaterdags ’n pondje lenden in je léége handen? Geeft jou je huisjesmelker zoomaar onderdak? Waar werk jij met je oogen en je snor ’n borrel los, ha-ha-ha? Nee, kerels—’k ben niet gekker dan ’n ander, niet stommer en niet braver! O zoo! ha-ha-ha!... Wie alles uit z’n huis draagt gaat failliet—wie open tafel houdt, krijgt zelf geen kluiven en wie—ach Jezis, jongens, ’t is zoo warm!—wie van de lucht wil leven, eet zich geen spekrug (den rug van den Soldenier bekloppend) en geen buik van negen maanden, ha-ha-ha! (klopt den Rakker op z’n buik).

SOLDENIER (zich lachend omdraaiend). Nou grappenmaker in je kooi—heb jij je tong verloren? Hééé! ’k Heb ’t tegen jou! Durf jij niet naar dat prachtwijf kijken, dat je ons je ribbenkast van achter toont?

SERO. (zich naar hen toekeerend). M’n ooren zien meer dan me lief is... (tot Regina, die angstig opgesprongen is). Goeien dag. Wel geslapen, Regina, koningin van den nacht? Niet van me gedroomd..?

REGINA. Jij hier? Heb jìj daar al dien tijd gezeten?

SERO. Gezeten ja—ik zit. Nee, loop niet achteruit—ik zit sekuur—en dan ik doe geen schepsel ook maar zóóveel kwaad... Dat weet jij toch....

SOLDENIER. Wel allemachtig—is dat, dat aapmensch, ook een van je klanten?

SERO. Ja, ja. Een van ’r alleroudste—waar of niet, Regien! Al was ’k niet de eerste, waar of niet, Regien? ’t Spijt me machtig, dat ik heb gestoord.... Ga zitten, menschen... En praat rustig verder!... (geeuwt)... Ik heb—m’n kaken springen van mekander—’n slaap, ’n goddelooze slaap of ’k tién roezen uit moet slapen... Geneer je niet—ik speel geen luistervink, Regien... (zet zich weer op de bank met den rug naar de anderen gekeerd).

RAKKER. Ken jij dat heer?

REGINA. (vinger op den mond)... Dat is—dat is...

SOLDENIER.... Dat is ’r minteneur!

SERO (’t hoofd naar de tralies)... Nee, nee—ik ben de vader van ’r kind—èn, als ’k me niet bedrieg—en ’t niet verkeerd geboekt staat in de folianten van den godgezant, die ons voor weinig penningen—te spotgoedkoop, voorwaar, voorwaar!—zijn allerheiligste zegen gaf—en zij ’t zich nog herinnert (ik zelf was het haast kwijt!)—en jullie twee ’t niet aan iedereen verklapt: ik ben, ik ben ’r lijfelijke man, ’r màn.... Ja, Ja—ha, ha!—’t was voor zestien jaar en zeven maanden en dertien dagen—in Mei—als elke vogel legt ’n ei—in Mei, dat wij de voorste vingers van twee rechterhanden (tweemaal twee is tien) naar den hemel staken—omdat, omdat ons, òns kind op komst was—òns kind, niet waar, Regien.... Ja, ja—en nou—en nou....

SOLDENIER. En nou?.... Nou visch je achter ’t net, ha-ha-ha!

RAKKER. Nou draagt-ie op z’n test ’n honderd hoornen, ha-ha-ha!

SOLDENIER. Nou heeft-ie òns daar net gesnapt, ha-ha-ha!

RAKKER. Nou zit-ie op z’n sokken in ’n kooi, ha-ha-ha!

SOLDENIER. En geeft je pootjes, als je ’t vriendlijk vraagt, Regien, ha-ha-ha! En wacht zìjn beurt om in je armen weer te leggen, ha-ha-ha!

SERO. Ik heb geen bek voor dàt soort spek! (zij schopt achter het koord de schoenen weg) Eerst hij, nou jij! Alle negen! Dat wordt ’n kegelspel met schoenen die de tand des tijds nog beter dan ik zelf doorstonden! Ben je ontstemd, Regien, of is ’t de vreugde van ’t wederzien, na zooveel jaren?

REGINA (kwaadaardig). Ik zou van leut en lol wel kunnen dansen! Dat merkt-ie nog niet eens! Dat vraagt ’t schepsel! Wil je ’t soms zwart op wit?

SERO. Och nee—die twéé getuigen zijn voldoende.. En de pure, malsche blijdschap op je aangezicht!

REGINA. Zoo heeft-ie jaren lang, me ieder uur gesard, gehitst, gekweld.... ’n Adder heeft geen giftiger tong.... Man, man ik háát je zoo!

SERO (triestig-glimlachend). Ja, ja, ’t kan verkeeren.

REGINA (nijdig tot Rakker). Nou! ’k Kan m’n tijd gebruiken! Moet ’k langer samen met dien kerel? Als ’k z’n lachen als ’n monster zie, is heel m’n week vergald!