Chapter 22 of 23 · 3867 words · ~19 min read

Part 22

REGENT. (onstuimig binnentredend, werpt mantel en hoed op divan) Daar ben ik weer—verdoemd, terwijl ’k gister pas gezworen heb, nóóit meer ’n stap hier in ’t hok te zetten! Daar ben ik weer, voor spot van soldeniers en wachters! (zij smakt met het hoofd op de tafel) Daar ben ik weer! Heb je me niet verstaan? Dat is geen houding die jou past, als ik hier ben! (rukt haar omhoog) Zit recht en kijk me aan!... Heb jij, heb jij de bloemen die ik zelf voor jou geplukt, daar op den grond gesmeten? Neem op! Neem op! (houdt haar tegen, bukt, legt haar de bloemen in den schoot, grijpt geknield haar handen). Daar ben ik weer: doe met me wat je wil! Trap me en sla je handen om m’n strot— Kwel me en laat me kruipen als ’n dier, Dat nog je nasluipt, als ’t geranseld wordt! Ik kan niet buiten jou, m’n Droomelot! Ik hijg in eenzaamheid m’n uren door, Je hatend en verwenschend eindeloos En naar je snakkend met zoo’n woesten lust, Zoo’n rauwen opstand van m’n heele lijf, Dat ik m’n tanden in m’n lippen zet, En met m’n vuisten beuk m’n gloeiend hoofd! Ik zal je niet en nooit meer met geweld Heendragen naar je bed, als toen dien dag! ’k Wil dat je zèlf je armen om me legt En zèlf den adem van mijn mond begeert En zelf met dat waanzinnig ongeduld, De slinger-slagen telt, om te zien! (kust haar handen). Zeg nu een woord en staar niet voor je uit! (heftig). Ik wìl en zàl jouw eersten vrijen kus!

DROOMELOT. (de bloemen zonder hem aan te zien brekend). Je heb me met geweld hierheen gebracht En met geweld geleerd wat moeder is En met geweld gezegd hoe ’k bidden moet En met geweld gehaald van vader af En met geweld mijn tranen weggekust En met geweld me ’t vrees’lijke gedaan (smijt alle bloemen neer). Maar dàt, dat uit mezelf, dat kàn ik niet!

REGENT. Dat kun je niet!

DROOMELOT. Dat kan ik niet...

REGENT. Ook niet—als—als... als ik je smeek en bid? (zij schudt het hoofd)... Ook niet als iedre wensch van jou...

DROOMELOT. ’k Heb ’r maar een—hier dood te gaan!

REGENT (haar in de armen nemend). Kom nu, m’n kleine, kleine Droomelot: Je weet hoe ik je slaaf geworden ben, Hoe ik, die honderd vrouwen heb gehad, Gehad en weer verschopt, hoe ’k van jóú hou, En hoe je me gelukkig maken kan Door éven vroolijk kijken en ’n lach! Is ’r een deur, die hier gesloten blijft? Ben je niet vrij, ook zonder dat je vraagt?

DROOMELOT. (zich losrukkend). Ik wil niet vrij!

REGENT. Je wil niet vrij? Waarom?

DROOMELOT. Als ’k buiten kom, dan ken ik maar één stap Waar ’t water diep is, en geen mensch me ziet, Waar ’k niet meer denk en tob, en niet meer vrees Dat ik m’n vadertje ontmoeten zal. ’k Hoop dat-ie sterft, voor iemand ’m dat zegt...

REGENT. Dat kàn ’m niemand zeggen!

DROOMELOT. Iedereen! (divan en kleeden bedoelend). Waar zooveel wachters dat en dat gezien, Hoort ’t de heele stad eer ’t avond is En eer ’t avond is, hoort hij ’t ook! (valt snikkend neer).

REGENT. Hij hoort ’t niet en nóóit!

DROOMELOT. Hij weet ’t al!

REGENT. En als-ie ’t weet, wat raakt dat mij—en jou! Druk een keer zèlf je lippen op mijn mond En wee degeen die dan niet voor je buigt!

DROOMELOT. (in knielende houding, de oogen gesloten) Ik zeg—ik zeg niet langer nee... Ik zal...

REGENT. Je zult...?

DROOMELOT. Ik zal je kussen op je mond...

REGENT. Uit vrijen wil?

DROOMELOT. Dankbaar—uit vrijen wil—als ’k dan voor goed vrij-uit mag gaan!

REGENT. Waarheen?

DROOMELOT. Waar ’k nooit meer vadertje ontmoeten kan!

REGENT. Je vader niet—maar mij?

DROOMELOT. Geen sterveling!

REGENT. Verdoemd! Ben jij zoo op den dood verzot, enkel uit angst...

DROOMELOT. Voor zìjn twee oogen—ja!

REGENT. En voor die van je moeder dan?

DROOMELOT. Voor haar? Ik ben geworden wat mijn moeder is.

REGENT. En als-ie nu gestorven was—of weer—neem dat eens aan: opnieuw gevangen werd...

DROOMELOT. Als hij gestorven was—is-ie dat dan?

REGENT. Hij is nog hier—hij is niet weg geweest!

DROOMELOT. Niet weg geweest?... En jij, je gaf je woord!

REGENT. Dat heb ik ook gegeven in m’n roes! (moeilijk pratend en lachend, terwijl zij met eene verjonging van het gelaat voor zich heen staart). ’k Heb dronken wel m’n zaligheid beloofd, Meer dan ik had en ik belooven kon Om als m’n dolle kop weer nuchter was, ’t—met verstand—weer andersom te doen! Maar jij—maar jij!—hield jij je woord dan wel? Dee ’t je wat, dat jij me had bekeerd Niet langer je te kussen met geweld? Dee ’t je wat of ik krankzinnig werd? Heb ’k niet gekropen en mezelf verlaagd Heb ik een oogenblik voor jou bestaan?

DROOMELOT. (starend). Hij is niet weg geweest—en hoort ’t nooit....

REGENT. (sleutels op divan smijtend). Nu lieg ik niet en laat ik je de keus En speel niet met den tijd, eer ’t me berouwt! Daar zijn de sleutels om hier uit te gaan, Voor hem èn jou, of voor jou heel alleen, Of als-ie wil, voor hèm, terwijl jij blijft, Als jij je volle ziel me overgeeft, En met den geur van bei je lippen zegt, Dat ìk de koning van je droomen ben, Dat jij me toebehoort met al den lust, Die de verkwikking is van jonge min! Ik zweer...

DROOMELOT. Dat heb je gister pas gedaan!

REGENT. Ik steek m’n vingers op...

DROOMELOT. ’k Geloof je niet!

REGENT. Ik laat de sleutels hier...

DROOMELOT. En neemt ze weer terug! Zooals je op je woord getrapt!

REGENT. (heft z’n vuist, wijkt bij haar oogen, werpt de deur open). Ik wacht.

DROOMELOT. (voor zich uit glimlachend). Voor ik m’n beste zelf jou geef En ongedwongen jóú tot liefste neem, En jou vertel het diep en teer geheim, Dat me in wreede nachten heeft ontrust, Vraag ’k zekerheid, dat ’k gaan kan ongestoord...

REGENT. Gaan naar den dood?

DROOMELOT. Nee! Naar ’t leven heen!

REGENT. En als je me bedriegt?

DROOMELOT. ’k Bedrieg je niet!

REGENT. Ik zekerheid—maar jij geen onderpand!

DROOMELOT. ’r Is ’r een...

REGENT. Wat dan?

DROOMELOT. Wat dan?... Ons—kind.

REGENT. Ons kind! (grijpt haar onstuimig in de armen). Ons kind—en jij je weigert nog.

DROOMELOT (haar gelaat hijgend afwendend). Ik heb ’t niet gewild—heb ’t verwenscht...

REGENT (lachend voor zich uit starend, holt de gang in, wenkt wachter). Kom hier! En zeg aan al je kameraads, Aan alle wachters en aan iedereen, Dat zij de vrijheid heeft om heen te gaan, Heen waar ze wenscht en waar ’t ’r behaagt En dat ’n klacht van haar een vonnis wordt!

(Wachter tikt aan, verwijdert zich)

Dat is mijn kind! (grijpt haar handen).

DROOMELOT (trotsch). Nee, nee—’t is van mij!

REGENT. Ik zorg ’r voor—ik voed ’t op!

DROOMELOT (de handen terugtrekkend). Nee ik.

REGENT. Ik! Jij!—Jij! Ik!—Dat komt op ’t zelfde neer! Krijg ’k nu wat ’k heb gevraagd die maanden lang?

VIERDE TOONEEL.

De vorigen, 2de Wachter, Regina.

2de WACHTER. (Regina bij de open deur weerhoudend) Niet hier!

REGINA. Waar dan?

2de WACHTER. Dat merk je wel—hiér nièt!

DROOMELOT. Hier wel! Hier wel! (vliegt haar om den hals) Wat ben ik blij dat ik je zie!

REGENT. Wie heeft die vrouw gehaald?

2de WACHTER. Dat heeft de kommandant gelast!

REGENT. De kommandant—waarvoor?

2de WACHTER. Omdat de dokter heeft gezeid, dat hij krepeeren gaat!

REGENT. Is hij dan hier? Wat heb jij voor een kop! Weg met die vrouw!

2de WACHTER. (Regina, die angstig Droomelot omhelsd houdt, bij den arm grijpend) ’r Uit—en as de bliksem mee!

DROOMELOT. Zeg aan dien man, dat ik ’r spreken wil!

REGENT. Dat zeg ik niet!

DROOMELOT. Dan ga ik mee, waar zij heengaat!

REGENT. Dat zul je niet!

DROOMELOT. Heb je niet zelf gelast, dat ik me vrij bewegen mag?

REGENT (denkt na, haalt Regina bij de deur terug, fluistert haar wat toe—dan tot wachter). Je blijft ’r bij!

DROOMELOT. Dan spreek ik niet—en zoek m’n moeder later op! (Regent loopt woest op en neer, wenkt wachter—beiden af—de deur blijft open.)

VIJFDE TOONEEL.

Droomelot, Regina.

REGINA. Dus—is ’t waar?

DROOMELOT. Wat, moederlief?

REGINA. Wat overal, in elke straat ’n ieder zegt—dat jij en hij... (Droomelot knikt) O, lieve Jezus, ’t is mijn schuld! En ik—ik ben jou niet tot schrik geweest, tot voorbeeld hoe je ondergaat, als je je eenmaal geeft...

DROOMELOT. Ik heb me niet gegeven—(hard en trotsch) gééf me niet!

REGINA. En jij en hij?—je knìkte toch!

DROOMELOT. Die man wordt enkel vader van ’n kind, dat ’k leeren zal hoe men hèm haten moet...

REGINA. Dus... Dus... Jij ook!

DROOMELOT. Ik ook—je hoeft niet bang te zijn, dat ik ook op jou óóit neer zal zien!

REGINA. Had ’t maar wel gedaan—en wel gekùnd!... Ik ben zoo schand’lijk slecht...

DROOMELOT. Zoo slecht...? Heb je dan meer—misdaan dan ik?... (Regina slaat de handen voor het gelaat) Wat heb jij dan misdaan?...

REGINA. Vraagt ’t me niet, m’n kind...

DROOMELOT. ’k Dacht dat je net als ik—gedwongen was geweest.

REGINA. Gedwongen word ik nog. ’r Is geen weg terug.

DROOMELOT. Geen weg terug—dat meen je niet... (op den divan knielend, achter Regina en de armen om haar heen vouwend). Dat meen je niet en ’t is niet zoo! ’k Heb over jou, als ’k niet meer schreien kon, Die nachten, zoo gedacht en zoo je pijn En zorg geweten, zoo me voorgesteld Hoe jij gelejen heb, dat ik mezelf Verweet, dat ik geen dochter voor je was. Dan nam ik, in ’t donker op mijn bed, Den kettìng, met ’t groote medaljon En draaide kreunend zoo de schakels rond, Of ’k voor je bad en hield een rozenkrans En jij me in de verte hooren zou! Jij heb wel schrik’lijk veel verdriet gehad? (Regina tracht Droomelot’s handen los te maken) Nee, laat mijn handen om jouw lieven hals. Ik ben toch ook voor jou ’t kind geweest, Dat in ’n lichaam angst en vreugde wekt, En naast je eigen, wilden harte-slag De zachte echo van ’n tweeden stelt...! ’k Hou nu veel meer van jou! (kust haar).

REGINA. (heftig opstaand) Nee doe dat niet!

DROOMELOT. Dat niet? ’k Omhels jou—en...

REGINA. En ’k wil ’t niet.

DROOMELOT. Weer niet? Weer niet? Dat zei je toen...

REGINA. Toen ook!

DROOMELOT. Waarom?

REGINA. Omdat...

DROOMELOT. Omdat...?

REGINA. Omdat ’k niet wil! (moeilijk). Omdat wat ’k laat—verkoop aan iedereen, Niet voor jouw mond en lippen wezen mag!

DROOMELOT. Begrijp ik niet...

REGINA. Hoop dat je ’t nooit zal doen...

DROOMELOT. Je ben van vader weggegaan—waarom?

REGINA. (stug) Dat weet ik niet...

DROOMELOT. Hield jij dan niet van hem?

REGINA. (stug) Dat weet ik niet—herinner ’t me niet meer! ’t Is zoo lang geleden—en vandaag...

DROOMELOT. Wat dan vandaag?...

REGINA. Vandaag is alles uit... En als ’t uit is, helpt geen spijt, geen klacht!

DROOMELOT. Je praat in raadsels, moederlief... Je praat...

REGINA... Allicht te veel (met blik op wachter, die even in deuropening verschijnt)—omdat ’k niet praten mag! Ik kom misschien terug.

DROOMELOT. Dat hoeft niet meer. ’k Ben vrij.

REGINA. Jij vrij?

DROOMELOT. ’r Houdt me niemand hier!

REGINA. (angstig) Je zegt dat zoo—zoo blij en opgewekt Omdat je nog niet weet... Ik ben besteld...

DROOMELOT. Ik weet—weet dat-ie nog gevangen zit, Wéét dat-ie niet door schùld is los gekocht, Wéét dat-ie me zoo diep verachten zou, Als ik door éigen wil gevallen was, En door zoo’n offer hèm geofferd had... ’k Was voor ’n uur nog tot den dood bereid, Uit vrees dat hij me ginds ontmoeten zou En me verwijten, dat ik hem verlost! Nu is hij even ongerept als ik Nu trek ik sterk en ongebogen uit En zet als ’t mag en kan zijn arbeid voort... En jou laat ’k niet meer los!

REGINA. Ik tel niet mee!

DROOMELOT. Jij blijft bij mij... en ik, ik blijf bij jou!

REGINA. Dan kán niet, kind!

DROOMELOT. ’t Kan!

REGINA. Ik ben melaatsch.

DROOMELOT. Melaatsch!

REGINA. Ik ben gedoemd...

DROOMELOT. Door wie gedoemd?

REGINA. Vraag ’t aan elke vrouw en ied’ren man—maar niet aan mij!

DROOMELOT. Ik vraag ’t aan jou zèlf—zooals mijn eigen kind eens vragen zal...

REGINA. (worstelend) Ik ben... Ik ben...

DROOMELOT. ...Wat ik geworden ben!

REGINA. Ik was zoo slecht, zoo laag en zoo gemeen En ook zoo laf, dat ’k haast niet biechten kan. Ik liet hem in den steek, toen ’t armoe werd, Armoe met ied’ren dag meer wrok en twist. ’k Was jong, dacht dat ’n ander beter was. Die ander zette me weer aan den dijk: Het was z’n recht—hij had ’r voor betááld. Ik stond op straat, ’r stonden ’r daar meer. Naar jullie huis dorst ik niet heen te gaan. Dat durf je niet, je voeten zeggen nee. En ’k vond dien hongernacht toen weer ’n dak Bij weer ’n man, die me z’n kussen gaf, ’n Slok jenever en ’n middagmaal. En ’k stond op straat. En keek de modder aan, De modder en de mannen, beurt om beurt, Tot ’k bij die twee geen onderscheid meer zag, Tot ieder kind me nawees in de stad, Tot ’k bang was voor de vogels en de zon, En eerst bij avond langs de wegen ging, Omdat je dan je eigen schaduw mist. Eens ben ik ziek geweest, op sterven af, En heb toen alle heiligen en God Bezworen dat ’k me beet’ren zou voor goed. Maar hoe ik worstelde en hoe ik wou, En hoe ik heb gewroet, gesmeekt, gezocht, De deuren van de huizen smakten dicht En ’k stond weer in de modder—in de straat En ben toen wéér van hand in hand gegaan, Van man naar man—en heb op ze gespuwd, En heb gehaat, gehaat, op mijn manier En als ’k me voelde beu en levenszat, Dan dee ’k wat ik van anderen geleerd En dronk. Drank maakt je van de dingen los. Zoolang je dronken ben, klaag, bid je niet! En bid je God, vloeken de menschen toch... (Staart met het hoofd in de handen voor zich uit. Droomelot zelf ontwakend, staat op, neemt met zacht geweld haar handen weg, kust haar—zij duwt haar op zij). Laat staan! Laat staan! Je weet niet wat je doet! Ik ben geen lippen—als van jou—gewend!

DROOMELOT. Daar móét je dan aan wennen, moederlief Wij blijven saam (kust haar weer).

REGINA. (lang-aanhoudend snikkend) Je weet niet wat je zegt!

DROOMELOT. (haar de haren streelend) Wat heb jij, moedertje, ’n leed gekend, Wat is jouw straf verschrikkelijk geweest, Wat ben ik blij dat ik je troosten kan En blij dat ik jouw steun geworden ben En blij dat vadertje dàt nooit gehoord...

REGINA. Hij ’t nooit gehoord! Hij ’t niet gehoord, ach, ach!

DROOMELOT. Hij zei van af ’t eerste uur, dat ik ’m Vroeg waarom de andre kindren wèl En ik géén moeder had: je hèb ’r een...

REGINA. (stellig) Dat heeft-ie jou als kind gezegd—als kind...

DROOMELOT (schudt het hoofd). ...Niet waar! Toen ik vertelde hoe ik jou Dien wintermorgen voor—dat huis gezien, Dat vreemde huis, met al de blinden neer, Toen sprak-ie even goed: ze komt terug! Maar jij je praatte niet van hem—jij zei: Hou toch vooral je mond als je me ziet... Ja, ja en zoo ben ik hierheen geraakt...

REGINA. Ik ben ’n beest—’k wou dat ik stierf!

DROOMELOT. En dan? En dan! Heb je je beurt gehad?

REGINA. M’n beurt?

DROOMELOT. Je beurt van òpgang na je ondergang? Je beurt van wraak...

REGINA. (schudt het hoofd) ’t Was m’n eigen schuld! Als ’k niet was heengegaan, dan zou ik niet...

DROOMELOT. Was ’r ’n weg terug?

REGINA. Die was ’r niet.

DROOMELOT. Heb jij je vuisten niet gebald, als jij Weer telkens in de modder kwam te staan? Wie smeet de deuren dicht?.... Wie wees je na? Wie heeft je bang voor zon en dag gemaakt? Was jij dan slechter dan de mannen, die Te eten gaven jou—en dan opnieuw Je trapten en je zweepten als slavin?... Je wóú je modder uit—je kon ’t niet! Je wóú weer in ’t licht—’t lukte niet! Je wou ’t zelfde recht van elken man, Die als-ie in jouw armen was geweest, Weer vrij-uit, zingend, over straat kon gaan: Je kreeg ’t niet! Sta op! En help jezelf! Als jij melaatsch ben, jij, melaatsch, gedoemd, Dan is ’t ieder, die den steen opnam, En elke man die met jou heeft verkeerd!

REGINA. Ik word niet meer gered...

DROOMELOT. Je redt jezelf! Jezelf! Jezelf!

REGINA. Daarvoor heb ik geen kracht!

DROOMELOT. Ben ik ’r niet? Heb ik geen kracht voor twéé?

REGINA. Ben jij de droomster en ’t zelfde kind, Dat bij me kwam? Wat ìs met jou gebeurd?

DROOMELOT. Ik heb van hèm geleerd... (Wachter laat Sero in de cel terug) En óók geleerd (met bijtenden spot). Van al de andren, die hier zijn geweest! En als ik twijfelde en niet begreep, Dan had ’k een wijs en kost’lijk amulet, Dat ’k als een troost ook in jouw handen geef! (geeft haar Sero’s papieren—Wachter schiet toe, rukt ze uit haar hand).

ZESDE TOONEEL.

Droomelot, Regina, Sero, Wachter.

2de WACHTER. Komt niets van in! Daar heb ik op geloerd! (verscheurt ze driftig). ’r Uit gedragen wordt hier niemendal! Zie zoo! Nou kun je grabb’len allebei! (een snipper lezend) Dacht ik ’t niet: jawel, ’t bekende schrift! (bukkend en de snippers nog eens verscheurend) Te groote brokken steken in je keel En maken dat je je verslikken zou. Dat’s beter mondjesmaat—En jij ’r uit!

REGINA. ’r Uit?... Ik ben besteld om—hem te zien...

2de WACHTER. Komt niets van in!

REGINA. De kommandant...

2de WACHTER. Is gek!

REGINA. Je heb me zelf gezegd...

2de WACHTER. Ik ben óók gek We zijn ’t allemaal, ik, de Regent, En ieder die te loopsch naast rokken loopt! (schatert het uit). Geloof, dat als ik wijven-wachter was, M’n uniform gauw an den kapstok hing! (tot Droomelot, die glimlachend de snippers geraapt heeft) Wil je ze liever strooien op de plaats.

DROOMELOT (ze spottend nakijkend). Ik geef ze aan den wind—en woord voor woord Ik weet den stand van elke letter nog...

2de WACHTER (tot Regina). ’r Uit madam!

REGINA. Dus mag ik ’m niet zien?

2de WACHTER. Hier namaals ja—maar bij z’n erwten niet!

REGINA. Dat is gemeen! Als-ie toch stervend is! (Droomelot schrikt op, luistert onbewegelijk toe).

2de WACHTER. Jij kletst! De kommandant is idioot! Ik heb ’m zelf pas in de zon gelucht! En op de plaats heeft-ie gefloten als ’n Vink, die bij z’n voer wat suiker vindt!

DROOMELOT. Hij liegt!

REGINA. Je liegt! Ik ga hier niet vandaan! Laat me ’r door.

2de WACHTER. (z’n mouwen opstroopend): Haha, dat wordt ’n bokspartij! ’t Spijt me wel, madam, ’t is afgelast!

DROOMELOT. Door wie?

2de WACHTER. Door den Regent!

DROOMELOT. Wanneer?

2de WACHTER. Zoo pas.

REGINA. Mag ik dan wachten hier?

2de WACHTER. Nee, nee—hier niet! Maar als je wachten wil, met véél geduld Neem dan je intrek in mijn wachtlokaal ’k Heb bier en goed-belegen roggemik!

REGINA. Dan wacht ik daar! Dag Droomelot, m’n kind! Ik dank je wel, en als ’k je niet meer zie...

DROOMELOT. We zien mekaar nog eer ’t avond is.

REGINA. Dat weet ik niet.

DROOMELOT. Maar ik—ik weet ’t wel.

2de WACHTER. Na u—ik heb de sleutels en de eer! (af met Regina).

ZEVENDE TOONEEL.

Droomelot, Sero.

DROOMELOT. (waakt op, ziet de sleutels op den divan, grijpt ze, treedt bij Sero binnen, blijft stuipend van angst staan, als ze hem ziet liggen): Vader! Vadertje!.. (hij stut plotseling op de armen, kijkt haar enkel aan) Goddank!... (knielt bij ’t bed, neemt z’n hand, kust die—hij stoot haar driftig terug). Vadertje! (hij blijft haar aanstaren, zij wijkt achteruit). Je kijkt zoo vreemd—ik ben ’t—Droomelot! Herken je me niet meer? (hij schudt wild het hoofd, wijst haar heen te gaan). Ik ben ’t—ik! (knielt opnieuw bij ’t bed).

SERO. (moeilijk): Ga weg! (schor lachend). ’k Verdraag de lucht niet van jouw zeep! Daar stik ik bij! Smijt open hier ’t raam! Ga weg! Ga weg! Ga weg! Ik ken je niet!

DROOMELOT. Je kent me niet? Ik ben je eigen kind!

SERO. (halverwege van ’t bed). Ben jij m’n eigen kind—weet je dat wel? Ik stik! (zij bukt, reikt hem de waterkruik—hij duwt haar achteruit). Nee, uit jouw kinderhanden niet!... Eer kruip ik naar den berg van Horeb heen, En wacht ’t wonderwater uit de rots... Dan dat ik nog van jou, van jóú—wat wil!

DROOMELOT. Toe, vader, vader, vadertje!

SERO. Ga weg! Jij wist den weg, daar bij de schouw, niet waar?

DROOMELOT. Dien wist ik, maar ’k dacht...

SERO. Jij dacht—jij dacht, hahaha! Ik ook! Ik heb zoo vreeslijk veel gedacht, Ik heb dit zotte hart kapot gedacht! (lacht) ’k Heb naar jouw stem daar door die spleet gesnakt, En midden in den nacht m’n hoofd gebonsd Tegen den wand, of je ’t niet hooren wou, Of je geen oogenblik meer voor me had, Of je ’t begrijpen zou, dat ìk niet kon! Maar jij, je hield je stil—jij had...

DROOMELOT... Ik had...

SERO. Je pater en je moeder, den Regent! Je beetre kost, je bijbel en je zeep! Je leugens en je liederlijk bedrog!

DROOMELOT. O vadertje, ik zweer je ’t is niet waar!

SERO. Geloof je niet! Wie gaf die sleutels jou?

DROOMELOT. (laat ze vallen): Die vond ik straks...

SERO... Die vond je naast je bed, Je bed dat beter veeren hebben zal, En beter peluw dan waarop ik sterf! Ik heb, toen ik zoo pas hier binnenkwam, Jouw moeder’s stem in druk gesprek gehoord, Je deur staat open toch voor iedereen! Jij ben je moeder’s kind, zooals ’t was Je zuster die bijtijds in ’t graf gelegd... (zit zwaar hijgend op ’t bed).

DROOMELOT. Ze hadden me gezegd voor maanden al, Dat jij weer buiten in de vrijheid was...

SERO. Wie zei jou dat?

DROOMELOT. Die man.

SERO. Dat zei-ie jóú? Waarom? En waarom heb jij ’t geloofd?

DROOMELOT. Omdat—omdat-ie gaf z’n eerewoord.

SERO. Z’n eerewoord—aan jou?... Aan jou z’n eer?... En jij gaf ook je eere-woord—je eer?... (zakt schor lachend achterover).

DROOMELOT. (bij het bed neerstortend) O, lieve vader, ’k ben en blijf van jóú!

SERO. (haar woest terug-duwend). Waar is—waar is dat pak, dat ik aan jou Dat ik aan jou toen toegeworpen heb, Dat pak dat voor de kameraden was?... Terug! Terug! Hoort in jouw handen niet!

DROOMELOT. (losbarstend). Dat heb ’k niet meer, maar ’k heb ’t zoo geleerd, Zoo in me opgenomen, vader, dat Elk van je woorden gloeiend in me leeft!

SERO. Geloof je niet!

DROOMELOT. (hartstochtelijk) Ik draag ze met me mee!

SERO. Geloof je niet!

DROOMELOT. Ik zweer ’t bij—m’n kind.

SERO. Je kind. (staat onbewegelijk rechtop). Je kind. Heb ik dat goed verstaan?

DROOMELOT. Hij heeft me met geweld, geweld, geweld...

SERO. (staart, glimlacht bij de herhaling van dat woord) Geweld! (beweegt machteloos de handen) En als jij me beliegt...

DROOMELOT. Ik lieg niet vader—bij mijn kind van háát!

SERO. (nu sterker glimlachend, hurkt op ’t bed). Zeg op dan wat ik voor m’n makkers sprak! En aan je stém, je stém zal ’k hooren of, Of ik kan slapen gaan...