Part 1
MOEDER EN KIND ZWANGERSCHAP BEVALLING EN VERZORGING VAN ZUIGELINGEN
VIERDE VEEL VERMEERDERDE DRUK VAN „DE AANSTAANDE MOEDER”
DOOR DR. C. N. VAN DE POLL VERLOSKUNDIGE EN VROUWENARTS TE AMSTERDAM
AMSTERDAM SCHELTEMA & HOLKEMA’S BOEKHANDEL K. GROESBEEK EN PAUL NIJHOFF
AAN MARIANNE ELISABETH UIT DANKBAARHEID VOOR LIEFDE EN TOEWIJDING, ALS VROUW EN MOEDER.
VOORBERICHT
VOOR DEN EERSTEN DRUK.
Het kind, als product van het mannelijke en het vrouwelijke, is, zooals onze schoone moedertaal zoo juist uitdrukt, onzijdig, d.w.z. dat noch het mannelijke noch het vrouwelijke in den aanvang op den voorgrond treedt, al moge de bouw van het lichaam in velerlei opzicht reeds aanwijzen, waartoe het komen zal.
Het kind is, pasgeboren, tot zekere hoogte nog maar natuurlijk, niet geestelijk, ontwikkeld, al brengt het den geest mede als mogelijkheid tot ontwikkeling daarvan. Het pasgeboren kind is dus mensch in aanleg en zal zich tot mensch te ontwikkelen hebben, door ontwikkeling van den geest tot begrip.
Zoo verhoudt het pasgeboren kind zich als een menschelijk dier, dat slechts gedeeltelijk voor zichzelf zorgen kan en hulp behoeft van haar, die het ter wereld bracht. Ofschoon hieruit volgt, dat moeder en vader hebben acht te geven ook op de ontwikkeling van den geest van hun kind, en vooral in dàt opzicht eene groote en grootsche taak haar wacht, die moeder worden zal, heeft zij, om te beginnen, te bedenken, dat het kind, waarvan zij de moeder zijn zal, ontsproten uit haar lichaam, allereerst den aard zal hebben van haar natuurlijk leven, zoodat—in ’t algemeen gesproken—alleen de gezonde moeder een gezond kind kan ter wereld brengen, de gezonde moeder de meeste waarborgen geeft voor een gezond nageslacht.
Reeds vóór de vrouw moeder wordt heeft zij dus zorgen en is, met het oog daarop, eenige kennis van de wijze waarop in haar binnenste het kind wordt aangelegd en van de plaats waar de vrucht zich tot kind ontwikkelt, niet overbodig te achten, opdat zij kunne begrijpen, waarom zij, mede ter wille van haar kind, voor zichzelve heeft zorg te dragen.
De plichten van den aanstaanden vader zijn evenmin gering. Het kind, ontsproten uit vereeniging van man en vrouw, is, natuurlijk en geestelijk, herhaling en voortzetting van het voorafgegane of voorafgaande geslacht en zal dus vertoonen, wat men onder erfelijkheid verstaat. Beide factoren zijn in het product begrepen, en is dus te begrijpen, dat het kind van man en vrouw niet afwijkt van, doch gelijkt op beiden, zoodat ook de vader, vóór hij zich zoo zal kunnen noemen, heeft te bedenken hoe, en heeft zorg te dragen dat hij, met recht, zal zijn een goed vader, natuurlijk en geestelijk. De voorafgegane opmerking dient dus uitgebreid te worden tot: slechts gezonde ouders kunnen waarborgen geven voor een gezond nageslacht.
Dit geschrift wil trachten de aanstaande moeder eenigermate in te lichten en raad te geven met betrekking tot velerlei uit den tijd waarin, en omtrent datgene waarvoor, zij in „blijde verwachting” leeft.
VOOR DEN TWEEDEN DRUK.
Toen de uitgevers mij verzochten voor een tweeden druk van „De aanstaande moeder” te willen zorg dragen, voldeed ik daaraan met genoegen. Ik heb daarbij rekening gehouden met een ander verzoek, uitgegaan van talrijke vrouwen, om haar, als de gelegenheid zich voordeed, iets meer omtrent den zuigeling te vertellen. Dit laatste was niet gemakkelijk, doch ik heb mijn best gedaan. In hoeverre ik geslaagd ben, mogen zij, die mij tot nu toe van hare waardeering zoo ruimschoots blijk gaven, beoordeelen.
VOOR DEN DERDEN DRUK.
Met vreugde vernam ik van de uitgevers, dat de tweede druk reeds binnen twee jaren was uitverkocht. Voor dezen derden druk heb ik een uitvoerig register vervaardigd, dat, naar ik verwacht, de bruikbaarheid van het boek zal verhoogen.
Dr. C. N. van de Poll.
INHOUD
Bladz. Bevruchting 1 Zwangerschap en enkele zwangerschapsverschijnselen 13 Andere zwangerschapsverschijnselen, onaangenaamhedenen kwalen 23 Leefregelen voor de zwangerschap 36 Meervoudige zwangerschap 55 Miskraam 59 De kraamkamer en de benoodigdheden voor de bevalling 64 Voorbereiding voor de bevalling 70 De bevalling of baring 76 Het kraambed 93 Het kind 102 Eenige opmerkingen met betrekking tot het zoogen en de voeding van een zuigeling 128 Allerlei opmerkingen met betrekking tot het kind 180 Het een en ander omtrent bijgeloof, volksgewoonten, enz. bij zwangerschap, baring en in het kraambed 203 Aanhangsel I 251 Aanhangsel II (Enkele recepten) 279 Register 283
AFBEELDINGEN. Tegenover bladz.
Tweelingen bijna 4 maanden oud, meisje (zittend) 2¾ jaar oud Tegenover den titel. Voorstelling van de inwendige geslachtsorganen der vrouw, van de voorzijde gezien 16 Zwangerschapsstrepen en donkergekleurde lijn bij eene zwangere vrouw 32 Ligging van het kind in den buik der zwangere vrouw aan het einde der zwangerschap 48 Ligging van tweelingen in den buik der zwangere vrouw aan het einde der zwangerschap 64 Tweelingen 8 maanden oud 176
BEVRUCHTING.
Het kind ontstaat ten gevolge eener vereeniging van man en vrouw, uit samensmelting van het mannelijke en het vrouwelijke, van ei-cel en zaad-cel, tengevolge van bevruchting. Want bevruchting is samensmelting, éénworden van ei-cel en zaad-cel. Ei-cellen of eieren en zaad-cellen of zaaddiertjes noemt men geslachts-cellen.
Om eenigermate tot begrip te brengen wat daaronder te verstaan is, gaan wij in gedachte een oogenblik terug tot de eenvoudigste dieren die bekend zijn, tot die welke slechts bestaan uit een, alleen door het mikroskoop zichtbaar, klompje eiwit, waarin nog een kleiner klompje, dat men „kern” noemt, is waar te nemen. Dat eiwitklompje, met ingesloten kern, noemt men een cel en een diertje, dat slechts uit één cel bestaat, een één-cellig dier.
De vermenigvuldiging van zulk een diertje, zijn voortplanting, geschiedt aldus, dat de kern en het eiwit, dat er omheen ligt, zich deelen, zoodat er twee zulke klompjes eiwit ontstaan, ieder van een kern voorzien.
Elke nieuw ontstane cel deelt zich, op dezelfde wijze, weder in twee cellen, zoodat, door voortgezette deeling, een groot aantal cellen, een groot aantal één-cellige diertjes ontstaat. Dat gaat evenwel niet eindeloos zoo door. Er komt een einde aan die vermenigvuldiging door deeling en de diersoort zou te gronde gaan, indien er niet, na eenigen tijd, iets anders gebeurde, waardoor een cel weder het vermogen krijgt, om zich, door voortgezette deeling, te vermenigvuldigen. Dat andere noemt men bevruchting.
Door het mikroskoop het leven van die één-cellige diertjes gadeslaande, kan men waarnemen hoe er een oogenblik komt, waarop twee zulke diertjes elkander naderen, zóó dicht, dat zij elkander aanraken en ten slotte samensmelten, zich vereenigen tot één eiwitklompje met één kern, tot één cel. Als dat geschied is, heeft bevruchting plaats gevonden en begint de deeling van het dier, nu moederdier te noemen, opnieuw, in twee, vier, acht, enz. deelen, die, als dochter-cellen, als op zichzelf levende één-cellige dieren, de soort in stand houden, tot na eenigen tijd opnieuw de behoefte aan vereeniging, aan bevruchting, optreedt.
Als zulk een cel, dus als een eiwitklompje met een kern, heeft men zich het ei, waaruit de hoogere dieren, ook de mensch, zich ontwikkelen, voor te stellen. En evenals de één-cellige diertjes ontstaan door deeling van de ééne, de moeder-cel, ontstaat de mensch door deeling van de ei-cel. Daarbij valt evenwel het volgende op te merken.
De dochter-cellen, door de deeling ontstaan, leiden bij de één-cellige dieren een afzonderlijk leven. Bij de hoogere dieren en bij den mensch is dat niet het geval. Het lichaam van den mensch bestaat uit een ontelbaar aantal cellen, die, oorspronkelijk door deeling der ei-cel ontstaan, met elkander vereenigd blijven en te zamen het menschelijke lichaam vormen.
Daarom rekent men het menschelijke lichaam tot de veel-cellige organismen.
Men zou nu kunnen meenen, dat uit de vereeniging van twee cellen, onverschillig welke, van een veel-cellig organisme, evenals bij de één-cellige dieren, één nieuwe cel zou kunnen ontstaan, waaruit een nieuwe reeks van cellen, een nieuw individu, zich kan ontwikkelen. Dat gebeurt echter niet. Wel is waar zijn er organismen, bestaande uit koloniën van cellen, waarvan, na een bepaalden levensduur, alle cellen geslachts-cellen worden, doch waar de ontwikkeling van een organisme tot hoogeren graad gekomen is, houdt dat op. In hooger ontwikkelde organismen, zooals de hooger ontwikkelde planten en dieren, scheidt de ontelbare hoeveelheid cellen van het lichaam zich in twee groepen, namelijk in cellen die tot den bouw van weefsels en organen van plant of dier dienen, en in cellen die tot bevruchting bestemd zijn, tot geslachts-cellen. Dat is dan ook de reden, waarom, met de vereeniging van twee geslachts-cellen, met de bevruchting dus, het hooger ontwikkelde dier niet als zoodanig verdwijnt, doch behouden blijft; het zondert alleen de geslachts-cellen af om zich te vermenigvuldigen, tot het eindelijk, door verbruik van zijne lichaams-cellen of door een andere oorzaak, ten onder gaat.
Zooals nu bij de één-cellige dieren eene samensmelting van twee cellen noodig is om een nieuw, volledig individu te voorschijn te brengen, zoo moeten ook de geslachts-cellen van den mensch samensmelten om het ontstaan van een nieuw individu, dat uit bij de deeling ontstane cellen wordt opgebouwd, mogelijk te maken. Die samensmelting heeft op ongeveer dezelfde wijze plaats als wij voor de één-cellige diertjes beschreven.
De vrouwelijke geslachts-cellen, de eieren, ontwikkelen zich, door cel-deeling, in grooten getale, in de eierstokken, de mannelijke geslachts-cellen, ook door cel-deeling, in nog grooteren getale, eveneens in daartoe aangelegde organen.
De eierstokken der vrouw liggen in het onderste gedeelte der buikholte. De ei-cellen, welke zich daarin ontwikkelen, kunnen zich niet uit zichzelf bewegen, zoodat van een samenkomen met de mannelijke geslachts-cellen al heel weinig zou terecht komen, indien niet aan deze laatsten eene beweegkracht was toebedeeld, waardoor in dat gemis voorzien wordt. Deze hebben eigen beweging, waardoor zij, in het lichaam der vrouw gebracht, zich met groote snelheid voortbewegende, door daartoe aanwezige kanalen, het ei te gemoet gaan, om, bij de ontmoeting, er mede saam te smelten. Op dien langen weg, lang in verhouding tot de kleinheid der zoogenaamde zaad-cellen, zal er menige cel niet tot het doel geraken, doch daarin wordt voorzien door het groote aantal dat tegelijkertijd in het vrouwelijke lichaam gebracht wordt. Daardoor is het mogelijk, dat ten slotte toch één dier cellen het ei ontmoet en tot de noodzakelijke samensmelting overgaat. Eén dier cellen, omdat met duidelijkheid is aangetoond, dat slechts één zaad-cel in het ei binnendringt, waarna aan het ei oogenblikkelijk zulk eene verandering plaats grijpt, dat het binnendringen van andere zaad-cellen belet wordt.
Nadat de zaad-cel het ei is binnengedrongen en de samensmelting zoodanig heeft plaats gevonden, dat beiden tot één cel met één kern vereenigd zijn, is de bevruchting afgeloopen, is het ei bevrucht geworden. Van stonde aan begint het bevruchte ei zich te deelen in een steeds grooter wordend aantal cellen, die, vereenigd blijvende, ten slotte, na allerlei groepeeringen en veranderingen, een nieuw individu, de vrucht of het kind, vormen. Van het oogenblik der samensmelting af begint dus de aanleg van het kind, en, daar beide cellen levende cellen waren, kan men van de eerste deeling af spreken van eene levende vrucht, zij het ook dat die vrucht, als vrucht in aanleg, nog in geen enkel opzicht gelijkt op die, welke bij de geboorte als eene menschelijke vrucht te voorschijn komt.
Voor de ontwikkeling van de bevruchte ei-cel tot ontwikkelde vrucht is tijd noodig en die tijd is de tijd der zwangerschap. Voortdurend heeft in dien tijd nieuwvorming van cellen plaats, die, door rangschikking volgens vaste wetten, het lichaam, met al zijne weefsels en organen, opbouwen.
Die nieuwvorming, die rangschikking, dat opbouwen uit teedere cellen heeft plaats in een gedeelte van het vrouwelijke lichaam, dat, geborgen in de buikholte, in zijn binnenste de zich ontwikkelende vrucht herbergt, tot den tijd dat zij, tot volkomen ontwikkeling gekomen, buiten het moederlijke lichaam een betrekkelijk onafhankelijk leven kan beginnen.
Dat gedeelte van het vrouwelijke lichaam, dat orgaan, noemt men de baarmoeder, die, door eene kleine opening, welke zoowel ingangs- als uitgangsopening is, door middel van de scheede met de lichaamsopening in de uitwendige geslachtsdeelen der vrouw in verbinding staat. Langs dien weg, door scheede en ingangsopening der baarmoeder, den baarmoedermond, bewegen zich de zaad-cellen in de richting der buikholte, om het te bevruchten ei te ontmoeten. Langs dien weg ook wordt de ontwikkelde vrucht uitgedreven, om voor het eerst het licht der wereld te aanschouwen.
Het is duidelijk dat de cellen, welke zich uit de bevruchte ei-cel ontwikkelen, dit slechts kunnen doen wanneer daarvoor voldoende voedingsstoffen aanwezig zijn. Die voedingsstoffen vindt het ei niet in zichzelf, daartoe is het te klein. Het is immers nauwelijks met het bloote oog waar te nemen. De noodige voedingsstoffen nu vindt het eveneens in de baarmoeder.
Alvorens te bespreken hoe dat geschiedt, behooren wij na te gaan hoe het eitje in de baarmoeder komt, waarbij tegelijkertijd kan worden medegedeeld, waar en wanneer de bevruchting plaats vindt.
Zooals wij reeds zeiden, worden de eieren in de eierstokken gevormd. Deze—er zijn er twee—liggen in de onmiddellijke nabijheid van de baarmoeder, in het onderste gedeelte der buikholte. Van het bovenste gedeelte der baarmoeder gaat, beiderzijds, een zeer nauwe buis uit, die tot vlak aan den eierstok nadert en daar eene kleine trechtervormige opening heeft, welke, door eenige franjevormige strookjes omkranst, het ei, dat uit den eierstok losraakt, opneemt. Ofschoon het ei geen eigen beweging heeft, bereikt het toch door een dier buizen of kanalen de holte der baarmoeder, en wel doordien er eene strooming bestaat in een laagje vocht, dat de binnenvlakte der buizen, der eileiders, bedekt. Die vloeistofstrooming is gericht naar de baarmoederholte en zij beweegt het kleine eitje naar de baarmoeder, waar het tot verdere ontwikkeling zal komen. Ergens op dien weg van eierstok tot baarmoederholte ontmoeten ei en zaad-cel elkander, welke laatste zich tot zóó ver, door de baarmoeder heen, heeft voortbewogen. Op dien weg heeft dus de bevruchting plaats.
Ter beantwoording van de vraag, wanneer de bevruchting geschiedt, hebben wij na te gaan hoe en wanneer een eitje uit den eierstok losraakt.
Het is bekend, dat het gewoonlijk niet eerder tot bevruchting en zwangerschap komt, voor het meisje zekeren leeftijd en zekeren graad van ontwikkeling bereikt heeft, voor zij geslachtsrijp is. Die ontwikkeling maakt zich, behalve door eenige opvallende veranderingen in den lichaamsbouw, vooral kenbaar door het optreden der maandstonden (onwelzijn, regels, menstruatie, periode), hetgeen dan ook als uiterlijk kenteeken van bereikte ontwikkeling wordt opgevat, waaraan, onzichtbaar, het rijpworden en het uitstooten der eieren uit den eierstok beantwoordt.
Aan het losraken van het ei gaat eene zwelling van den eierstok vooraf, maar vooral van dat gedeelte waar een eitje, gereed tot uitstooting, gelegen is. Bij toenemende spanning, ten gevolge dier zwelling, ontstaat daar ter plaatse een scheurtje aan de oppervlakte van den eierstok, en het eitje wordt, met eene geringe hoeveelheid vocht, uitgestooten en vindt zijn weg, door vloeistofstrooming, naar den eileider. Dan is de gelegenheid tot bevruchting gegeven en deze zal geschieden, wanneer levende zaad-cellen van den man aanwezig zijn. Dat zal menigmaal het geval zijn, omdat, na gemeenschap tusschen man en vrouw, de zaad-cellen, door baarmoeder en eileiders heen, zich reeds in de richting van den eierstok bewogen hebben en gewoonlijk lang genoeg in leven blijven om de uitstooting van een eitje, als die nog niet mocht hebben plaats gevonden, af te wachten.
Is het tijdsverschil tusschen de gemeenschap en de uitstooting van het eitje al te groot, dan zullen de zaad-cellen kunnen sterven of aan levenskracht hebben ingeboet, en zal het eitje onbevrucht blijven. Zoo niet, dan zal de bevruchting weldra zijn tot stand gekomen.
Reeds tegen den tijd dat een eitje uit den eierstok zal worden gestooten is het slijmvlies, dat de binnenvlakte van de baarmoeder bekleedt, gezwollen en bloedrijker geworden, als maakte het zich gereed het bevruchte eitje in ontvangst te nemen. Heeft bevruchting plaats gevonden, dan nemen zwelling en bloedrijkdom toe; is bevruchting echter uitgebleven, dan gaat het eitje te gronde en zwelling en bloedrijkheid van het slijmvlies verdwijnen, doordat daaruit bloeding optreedt en het bloed zich naar buiten ontlast. De menstruatie treedt in. De menstruatie kan dus worden opgevat als een teeken, dat een eitje, hetwelk te voren uit den eierstok ontsnapt is, niet is bevrucht geworden, waaruit volgt, dat bevruchting voor den tijd, waarop de menstruatie verwacht wordt, plaats grijpt.
Als van zelf dringt zich hierbij de vraag aan ons op, wanneer het den geschiktsten tijd is voor de gemeenschap tusschen man en vrouw, om de kans te hebben dat een eitje bevrucht wordt. Om die vraag te beantwoorden moeten wij nog mededeelen, dat er niet alleen in de eileiders een vochtlaagje aanwezig is, dat, door eene bijzondere inrichting, eene strooming heeft naar de baarmoederholte toe, doch dat hetzelfde het geval is in de baarmoeder, met dien verstande, dat de strooming in de baarmoeder gericht is naar de opening, welke, in het onderste gedeelte van dat orgaan aanwezig, zich in de scheede bevindt. Wanneer wij nu bedenken dat die strooming aan de zaad-cellen, die zich juist in tegenovergestelde richting moeten bewegen, moeilijkheden in den weg legt, dat zij—om het zoo te noemen—tegen den stroom op moeten gaan, dan ligt het voor de hand om aan te nemen, dat, na het ophouden der menstruatie, waarbij het slijmvlies der baarmoeder geleden heeft, die vloeistofstrooming niet zoo sterk is, als dat later het geval zal zijn, wanneer het slijmvlies weder hersteld is, en dus de belemmering voor de voortbeweging der zaad-cellen tegen den stroom op het geringst is. Dat aannemende zal de gemeenschap tusschen man en vrouw voor het beoogde doel de meeste kans op welslagen hebben, eenige dagen nadat de menstruatie is afgeloopen. En al is er dan ook geen eitje aanwezig dat bevrucht kan worden, de zaad-cellen hebben genoegzaam langen levensduur, om den tijd af te wachten tot er een eitje uit den eierstok losraakt. Daar is aangetoond, dat de zaad-cellen wel twee weken lang in het lichaam der vrouw kunnen blijven leven, zou dus de geschiktste tijd ongeveer een zevental dagen na het ophouden der menstruatie beginnen.
Men kent de oorzaken voor het ontstaan van het geslacht nog niet, waaruit volgt, dat men ook niet in staat is daarop eenigen invloed uit te oefenen. Alles wat daaromtrent wel eens gezegd of geschreven en, met het oog op het verlangen naar een jongen of een meisje, te doen of te laten aangeraden wordt, heeft derhalve niet de minste beteekenis. Ook gedurende de zwangerschap is niet met zekerheid uit te maken, welk geslacht het kind, waarvan de vrouw zwanger is, heeft. Eenig vermoeden kan wel opkomen naar aanleiding van de meer of minder snelle opeenvolging van de hartkloppingen der vrucht.
Is het bevruchte eitje in de baarmoeder aangekomen, dan vindt het daar een zacht, gezwollen, bloedrijk slijmvlies, dat uiterst geschikt is om het in ontvangst te nemen. Dat geschiedt dan ook. Het vindt er, als een zaadje in vruchtbare aarde, een geschikten bodem ter ontwikkeling, en, doordien zich weldra bloedvaatjes aan zijne oppervlakte vormen, welke in gemeenschap treden met die van het slijmvlies der baarmoeder, dus met de moederlijke bloedvaten, kan het eitje daaruit de voedingsstoffen verkrijgen welke het noodig heeft, terwijl het tevens beschut is door zijne ligging in een orgaan, dat van de buitenwereld gescheiden is. In de baarmoeder dus, gelegen in het voedselverschaffende binnenbekleedsel van het moederlijke orgaan, zal het eitje zich zoo lang en zoo ver ontwikkelen, tot het, tot volkomen vrucht gerijpt, dien voedingsbodem kan ontberen en wordt uitgedreven. Zoo is het moederlijke orgaan in zekeren zin te vergelijken met den vruchtbaren akker, waarin het zaad zich ontwikkelt tot een gewas.
Niet overbodig schijnt het mij toe, te trachten begrijpelijk te schetsen, waar de inwendige geslachtsdeelen der vrouw in haar lichaam gelegen zijn.
Denkt men zich de vrouw op den rug liggend, dan kan men bij de normaal ontwikkelde vrouw de groote schaamlippen zien, tegen elkander gelegen, als twee met gewone huid bekleedde en van haren voorziene kussens, welke naar boven samenkomen en overgaan in den, eveneens behaarden, Venusheuvel, en naar onderen, naar de aarsopening vlakker wordende, in de omgeving en in den bilnaad overgaan. Tusschen deze beide schaamlippen loopt, in overlangsche richting, de schaamspleet, welke naar onderen toe door den bilnaad van de aarsopening gescheiden is. Door de beide schaamlippen van elkander te trekken opent zich de schaamspleet en worden twee, gewoonlijk rose-rood gekleurde, gladde plooien, de kleine schaamlippen, zichtbaar. Worden ook deze uiteengehouden, dan worden, dieper inliggend, twee openingen zichtbaar. De onderste daarvan is de, van het maagdevlies voorziene, ingang der scheede; de bovenste, in eene verdikking verscholen als een halvemaanvormig spleetje, is de uitgangsopening van den urine-weg. Het maagdevlies sluit, min of meer volkomen, de opening der scheede af, doch bezit toch altijd eene opening, somtijds twee of in enkele gevallen meer, waardoor het menstruatie-bloed kan wegvloeien. Het is deze als een vliezig tusschenschotje zich voordoende afsluiting, welke bij de eerste geslachtsgemeenschap gewoonlijk scheurt en waaraan Cats de regelen wijdde: „Een die haar maechdom vindt, die is haar maechdom kwijt.”
De scheedeingang geeft toegang tot de scheede, een buisvormig kanaal, ter lengte van ongeveer 8 à 10 c.M., welks wanden tegen elkander liggen. Dat kanaal eindigt in de diepte als een blinde zak en omgeeft daar het onderste gedeelte der baarmoeder, dat door den ingebrachten vinger te voelen is als een in de scheede uitpuilend, dik en tamelijk breed bultje, met een deukje of groefje juist in het midden. Dat deukje of groefje is de opening, welke toegang geeft tot de holte der baarmoeder.
De baarmoeder, welke een zoo belangrijke rol speelt in het leven der vrucht, heeft den vorm van een in de richting van voren naar achteren eenigszins saamgedrukte peer, waarin, als holte, zich een kanaal bevindt, dat in de lengte van het orgaan loopend, in het bovengedeelte daarvan eenigermate naar links en rechts wijder wordt, zoodat de doorsnede van de holte op een gelijkbeenigen driehoek gelijkt, waarvan de tophoek naar de scheede gericht is. In elk der beide andere hoeken, dus het verst van de ingangsopening verwijderd, is eveneens eene opening aanwezig, welke openingen toegang verleenen tot de eileiders. Het orgaan is voorzien van een dikken stevigen wand, welke geheel uit spierweefsel bestaat, en dus op te vatten als een gespierden zak, met eene zeer kleine holte, ter lengte van ongeveer 7 c.M.
De eileiders gaan van terzijde uit, naar links en rechts, en reiken tot aan de eierstokken.
De plaats waar de baarmoeder gelegen is, kan men zich ongeveer aldus voorstellen. Wanneer men, bij de staande vrouw, van uit het midden van den Venusheuvel zich eene rechte lijn getrokken denkt midden door het lichaam, eenigszins oploopend naar de lendenstreek, dan zal die lijn den bodem van de baarmoeder juist raken of misschien er doorheen gaan. Zij ligt dus diep in de buikholte, in het gedeelte dat men aanduidt met den naam van bekkenholte, terwijl zij met eene kromming naar voren op de urine-blaas rust, en boven haar de overige ingewanden van den buik, de darmen en—het hoogst gelegen—de maag, zich bevinden. Denkt men zich de maag gelegen boven den navel, in de streek van den hart- of maagkuil, onder het onderste gedeelte van het borstbeen, dan is het van belang te vermelden, dat boven de maag, dwars door het lichaam heen, bij wijze van een koepeldak, een scherm, het middenrif genaamd, zich uitspant, dat de buikholte scheidt van de boven het scherm gelegen borstholte, waarin de longen en het hart geborgen zijn. Bovendien is het van belang te weten, dat de maag eveneens is op te vatten als een zakvormig orgaan, dus als een hol orgaan met een wand. Later, in een hoofdstuk gewijd aan verkeerde opvattingen omtrent gebeurlijkheden gedurende de zwangerschap, zal blijken hoe groote waarde er aan gehecht moet worden, dat iedere vrouw zich, althans eenigermate, eene voorstelling kan maken van de ligging der genoemde organen in eigen lichaam.
De streek van het lichaam waar de inwendige geslachtsdeelen gelegen zijn, is omgeven door een beenigen ring, welke bedekt wordt door de huid, een laag vet en spieren. De ring wordt gevormd door verschillende beenderen. Aan de achterzijde vindt men het heiligbeen en het stuitbeen. Daaraan sluiten zich beiderzijds de heupbeenderen aan, welke naar voren toe overgaan in de al smaller wordende schaambeenderen, die juist in het midden, aan de voorzijde, bedekt door den Venusheuvel, tot vereeniging komen. Te zamen vormen zij, zooals gezegd, een ring, welke men den bekkengordel of het bekken noemt.