Part 9
De bewegingen van het oog zelf vertoonen bij pasgeboren kinderen geen samenwerking en zijn in de eerste dagen onregelmatig. In de eerste zes dagen heeft de beweging der oogen naar links en rechts nog niet volkomen gelijktijdig plaats. Zeer vaak beweegt het eene oog zich onafhankelijk van het andere en draait het hoofd zich in eene richting tegenovergesteld aan die, waarin de oogen zich bewegen. De oogspieren trekken zich namelijk, evenals alle andere spieren van het lichaam, ook die van het gelaat, bij den jongen zuigeling nog doelloos samen. Daarom worden onregelmatige en onderling ongelijke oogbewegingen waargenomen, zonder dat van zien of zelfs van lichtgewaarwording, bij neergeslagen bovenste oogleden, sprake zijn kan, bewegingen welke allerlei bewegingen in het gelaat, grimassen, voorhoofdfronsen en bewegingen der lippen begeleiden, terwijl het kind rustig ligt en niet schreit. Slapende zuigelingen bewegen, zonder te ontwaken, dikwijls de gelaatsspieren, vooral de lippen en de oogleden. Vaak slaapt het kind met half geopende oogen in en ziet men dan eveneens doellooze bewegingen van het oog.
Opmerkelijk is het, hoe de oogen zich dikwijls in eene houding plaatsen als bij iemand die sterk scheel kijkt, of zooals men dat waarneemt bij het richten van den blik naar de punt van den neus. Dat is in het begin van de derde week niet zoo sterk en zoo menigvuldig het geval meer als in de eerste week, doch het kan zelfs na de tiende week nog lang worden opgemerkt, als het kind wakker ligt. In den slaap blijven onregelmatige bewegingen van oogen en oogleden, evenals het half openen der oogen, nog langer voortbestaan. Naarmate de macht om voorwerpen te fixeeren toeneemt, neemt dit verschijnsel af. Iets dergelijks neemt men later waar als het kind loopen leert. Ook dan verminderen allengs de onregelmatige doellooze bewegingen der beenen.
Men kan ook opmerken hoe soms het eene oog zich langzaam naar rechts, het andere zich tegelijkertijd naar links, of het rechteroog naar boven rechts, het andere zich naar boven links beweegt, alsmede dat de oogen niet op gelijke hoogte staan, b.v. het rechteroog naar links en iets naar beneden, het linkeroog naar links en iets naar boven; zoo ook geheel eenzijdige bewegingen, b.v. zoo dat het eene oog den waarnemer schijnt te fixeeren en het andere zich zijwaarts beweegt. Dit laatste is waar te nemen als men bij het slapende kind de oogleden oplicht, maar ook, gedurende de eerste dagen, als het kind wakker is.
Dadelijk na de geboorte kan het kind waarschijnlijk niets ruiken, maar na eenige uren, vaak reeds in het eerste uur, kunnen normale kinderen aangename en onaangename geuren onderscheiden. De gewaarwordingen geven hun een gevoel van welbehagen of afkeer, dat met den dag in sterkte toeneemt. Zoo willen kinderen, die enkele weken oud zijn, b.v. de borst eener min niet nemen als hare huid onaangenaam riekt en schreeuwen zij reeds wanneer zij bij de borst gebracht worden. De met melk of brij gevulde lepel ruiken zij in donker reeds vroeg en de tegenzin van vele zuigelingen in de eerste week om koemelk te nemen, als zij vrouwenmelk gehad hebben, moet meer op den reuk dan op den smaak betrekking hebben, omdat zij soms, zonder te proeven, de melk reeds weigeren.
Toch treedt ook een zeker onderscheidingsvermogen voor de smaakgewaarwording dadelijk na de geboorte in werking. Sterk van elkander afwijkende smaakprikkels, zooals zout, zoet, zuur en bitter, worden onderscheiden.
Het hooren is bij het pasgeboren kind zoo onvolkomen, dat men elken pasgeborene doof noemen moet. Dadelijk na de geboorte is het middenoor nog gevuld met eene eigenaardige gelei-achtige stof of met vocht, waarschijnlijk vruchtwater, dat na eenige uren van ademen en slikken langzaam wegvloeit. Dan is het middenoor met lucht gevuld en kan het gehoororgaan werken. Daar komt bij, dat de uitwendige gehoorgang zeer nauw is en de wanden nog tegen elkander liggen.
Voor het einde van de eerste week reageert het voldragen normale kind op sterke geluidprikkels, bemerkbaar aan het trekken met de oogleden, voorhoofdfronsen, ineenkrimpen, trekken van armen en bovenlichaam, terwijl slapende kinderen wakker worden en schreeuwen. Hardhoorigheid blijft evenwel nog eenigen tijd bestaan.
In den beginne hoort de normaal geboren mensch dus niets, dan slechts iets onduidelijk, vervolgens veel onduidelijk en eerst langzamerhand in de veelheid van het onduidelijk gehoorde iets afzonderlijks duidelijk, ten slotte veel duidelijk, waarbij sterke hooge tonen eerder onderscheiden worden dan lagere.
Iedere moeder gebruikt vele duizenden woorden, welke zij haar kind toespreekt, toefluistert, toezingt, zonder dat het er ook maar een enkel van hoort, en vele duizenden woorden zegt zij hem, eer hij er één verstaat. Maar, als zij het niet deed, zou het kind veel later en moeilijker spreken leeren.
Het is bekend, dat pasgeboren kinderen voor pijnverwekkende prikkels minder gevoelig zijn dan volwassenen. Voor een speldeprik b.v. zijn zij zoo goed als ongevoelig. Daarom mag men nog niet beweren, dat zij ongevoelig zijn, want rustige kinderen maken bewegingen en beginnen te schreeuwen, als men ze in de huid knijpt of b.v. op de dij slaat. De uitingen van pijn, en de duur daarvan, zijn evenwel niet zoo sterk en houden niet zoo lang aan als bij oudere kinderen. Die prikkel wordt dus wel degelijk pijnlijk ondervonden. Het verschil is hierdoor te verklaren, dat door het knijpen of door den slag vele, door het speldeprikje weinig zenuwuiteinden in de huid getroffen worden. De gevoeligheid neemt, reeds gedurende de eerste week, met den dag toe.
Verschil in gevoeligheid bij aanraking van verschillende lichaamsdeelen is evenzeer voorhanden als bij den volwassene. Bij het aanraken van de punt van de tong maakt het kind zuigbewegingen, welke in braakbewegingen overgaan, wanneer het achterste gedeelte van de tong en de keel worden aangeraakt. De lippen zijn dadelijk na de geboorte zeer gevoelig. Strijkt men met den vinger langs de lippen, dan maakt het kind, van den zesden dag af, zuigbewegingen, ten minste wanneer het wakker en hongerig is. Wordt het slijmvlies van den neus geprikkeld, dan fronsen de kinderen het voorhoofd, niezen en bewegen de oogleden; bij sterken prikkel bewegen zij het hoofd en brengen de hand aan het gelaat. Wordt de punt van den neus aangeraakt, dan knijpen zij de oogen toe. Dat gebeurt eveneens als men tegen het oog blaast of het met den vinger aanraakt, terwijl daarentegen in de eerste dagen het kind in het bad de oogen openhoudt, ook als het lauwwarme water het hoornvlies bevochtigt. Legt men een vinger in de hand, dan wordt die omvat; wordt de voetzool aangeraakt, dan spreiden de teenen zich uit; bij kloppen tegen de voetzool buigt de voet zich tegen het onderbeen en wordt het been in knie- en heupgewricht gebogen; bij sterken prikkel gebeurt dat ook met het andere been.
Dadelijk na de geboorte wordt het kind onaangenaam aangedaan doordat het, in al zijn natte naaktheid, aan de lucht, waarvan de temperatuur lager is dan die in de baarmoeder, wordt blootgesteld. In het warme bad gebracht, krijgt het weder het eerste aangename gevoel en is dan ook dadelijk rustig, nadat het van te voren flink schreeuwde. De gevoeligheid voor koude en warmte is dus reeds groot. Dat blijkt ook uit de wijze, waarop het kind, als het schijndood geboren is, door het dompelen in koud water, zoodra de ademhaling begonnen is, van kreunen tot schreeuwen overgaat. Dat schreeuwen moet waarschijnlijk als eene uiting van pijn worden opgevat. Het is ook bekend, hoe zeer jonge zuigelingen onrustig worden en schreeuwen, wanneer ze hier of daar met koud water in aanraking komen. Vooral het droge hoofd is gevoelig daarvoor, zooals blijkt bij den doop, waardoor menig kind onrustig wordt. Die gevoeligheid voor plaatselijke warmteonttrekking blijft langen tijd, gedurende de eerste levensjaren, bestaan. De groote gevoeligheid voor onderscheid tusschen koude en warmte, ook bij volkomen gezonde kinderen, blijkt uit hunne wijze van doen, bij pogingen om het dagelijksche bad kouder te maken. Daling van de warmte van het badwater, met een deel van een graad, beneden die welke het kind aangenaam is, kan het tot luid schreeuwen brengen.
Ook de gevoeligheid van het slijmvlies van den mond, van de tong en van de lippen, is bij vele zuigelingen, in de eerste dagen, zeer groot. Wanneer b.v. de zuigflesch slechts weinige graden warmer dan bloedwarmte is, weigert het kind de flesch onder heftig schreien. Hetzelfde gebeurt, als de warmte iets minder is dan die van de melk uit de moederborst. De kinderen leeren echter gemakkelijk water en melk op kamer-temperatuur gebruiken, wanneer zij niets anders krijgen om hunnen honger te stillen.
De wijze waarop het kind zich gedraagt, wordt bepaald door gevoelens van genoegen of welbehagen en verdriet. Behagen is meestal verbonden aan verzadiging, verdriet aan honger. Het gevoel van welbehagen wordt, in de eerste maand, van den eersten dag af, veroorzaakt door het stillen van den honger met het telkens terugkeerende genot van het zuigen en van den zoeten smaak der moedermelk, door het warme bad, door matig helder licht en door het ontkleeden. De bevrijding van doeken en windsels heeft levendige bewegingen ten gevolge, vooral afwisselend strekken en buigen der beenen. Van den eersten dag af uit zich het genoegen reeds door het open houden der oogen, waarop spoedig verhelderde glans der oogen volgt.
Ook de stem is anders, naarmate het kind zich aangenaam gevoelt of niet.
In het eerste halfjaar zijn de gevoelens van onbehagen menigvuldiger dan later. Zelfs bij de zorgvuldigste verpleging, luchtverversching, regeling van temperatuur der lucht en van het bad, contrôle op moeder- of andere melk en surrogaten daarvoor, en in de vriendelijkste omgeving, is het geen enkel kind beschoren geheel gezond te blijven, zonder één dag van verdriet door honger- en dorstgevoel, ongemakkelijke ligging, houding of plaatsing, door koude, gevoel van nattigheid, sterk riekende lucht of vaste inwikkeling.
Onaangename gevoelens worden door schreien en, reeds in den eersten tijd, door mimiek uitgedrukt, vooral door den vorm van den mond.
Reeds op den tienden dag, als het verzadigde kind is ingeslapen, neemt men om den mond eene lachende, vergenoegde uitdrukking waar.
Eigenaardig is het schreien. Doordringend en aanhoudend bij pijn, kermen of jammeren bij ongemakkelijke ligging, onafgebroken en zeer luid in een koud bed, door veelvuldige tusschenpoozen afgebroken bij honger, plotseling tot onverwachte sterkte aangroeiende en dadelijk weder afnemende als het kind iets begeert en het niet krijgt.
Een tweede teeken van onaangenaam gevoel is het toeknijpen der oogen; een derde het afwenden van het hoofd, zonder schreien, reeds in de eerste maand. Vooral van gewicht is het neêrtrekken van de mondhoeken, dat zelfs in den slaap voorkomt en bij onwelzijn voortdurend aanwezig is. Daaraan alleen reeds kan men zien of de stemming van het kind eene vroolijke of eene droevige is. Dit teeken is evenwel niet zoo vroeg waar te nemen als de andere.
Spoedig na de geboorte doet zich reeds honger en dorst gevoelen. Duurt het honger- en dorstgevoel lang, dan schreit het kind en wordt onrustig. In de eerste dagen verdwijnt de onrust telkens tijdelijk, wanneer het kind iets in den mond gestoken wordt waarop het zuigen kan, doch reeds na de eerste week laten vele zuigelingen zich op die wijze niet foppen. Gedurende de eerste dagen zuigt het hongerige kind op zijn eigen vingers, doch begint spoedig weder te schreien. Dat schreien is anders dan bij pijn. Het wordt niet zoo lang onafgebroken voortgezet. Zeer kleine hongerige kinderen schreien met lange en korte tusschenpoozen. De stem heeft een helderen klank en is niet zoo hoog, als bij het schreeuwen van pijn. De oogen worden meestal toegeknepen, de tong wordt in den mond teruggetrokken en is breed. Een zeker teeken van honger en sterke begeerte naar voedsel is het opensperren der oogen bij het naderen van de borst.
Bij jonge kinderen treedt vooral in den eersten tijd vermoeienis op door schreien en zuigen. Laat men ze hongerig schreeuwen, dan slapen zij spoedig in, ook zonder voedsel te hebben gekregen. Ook het zuigen aan een weinig melkbevattende borst is vermoeiend. Vaak wordt het dan door langere tusschenpoozen afgebroken en herhaaldelijk slaapt het kind in, ook al is het hongerig. Wanneer het verzadigd is, zuigt het niet meer en wanneer het moe is, doet het dit onregelmatig en zonder kracht.
Het brengen van eigen handen in den mond heeft bij de zuigelingen nog niets met grijpen te maken. Bij het doelloos bewegen van de handen, komen die ook wel in het gelaat en in den mond. Dat is te verklaren uit de houding, welke de armen bij het ongeboren kind hadden, eene houding die zij nog lang bewaren. Zij brengen dus de handen aan het gelaat, zooals zij dit vóór de geboorte gedaan hebben. Ook houden zij de beenen als gedurende het verblijf in de baarmoeder, namelijk de knieën opgetrokken, de voeten eenigszins naar binnen gekeerd, de voetzolen naar elkander gericht. Daar ook de beenen, en voornamelijk de onderbeenen, eene kromming naar binnen vertoonen, kan het den schijn verwekken, alsof het kind misvormd is. De beschreven houding verdwijnt langzamerhand, doch de kromming der onderbeenen blijft langer bestaan. Elk kind heeft dus in den beginne kromme beenen. Het maken van zuigbewegingen, wanneer de handen de lippen aanraken, is aangeboren en niet tot bedoelde bewegingen te rekenen. Hoe doelloos dat bewegen geschiedt, blijkt wel uit de krabwonden, die zij zich in het gelaat en zelfs in de oogen toebrengen, waarvoor het dikwijls noodig is de nagels te knippen, de handen in te pakken, de armen vast te binden of met stijve kokers te omgeven, om de kinderen te beletten zich zelf verwonding toe te brengen.
Opvallend is in den eersten tijd het geeuwen met wijd opengesperden mond. Dit wordt door sommigen opgevat als eene versterkte en diepe inademing, welke de ademhalingswerktuigen langzamerhand tot regelmatige werkzaamheid heeft te brengen.
Veelvuldig wordt ook kokhalsen waargenomen. Kinderen van een tot vijf dagen oud steken dan, bij opengesperden mond, de tong naar voren. De gewone oorzaak schijnt te zijn, dat er slijm aanwezig is of wel, dat zij zichzelf met den vinger het gehemelte of den tongwortel aanraken. Dit laatste geeft ook wel aanleiding tot braken, ofschoon braken meestal het gevolg is van eene overvulde maag.
Het hikken, dat, vooral na het drinken soms wel gedurende tien minuten en langer, in de eerste drie maanden nog al eens voorkomt, heeft niets te beteekenen. Het verdwijnt somtijds gemakkelijk door een of een paar theelepels lauwwarm suikerwater op de tong te brengen.
Nu en dan wordt bij overigens volmaakt gezonde meisjes op den vijfden of zesden dag, ook wel iets later, eene meestal geringe bloedafscheiding uit de geslachtsdeelen waargenomen. Aan de schaamlippen kleeft dan bloederig slijm of men vindt er kleine bloedstolsels. Worden de schaamlippen uit elkander gehouden, dan kan men zien, dat het bloed uit de scheede is te voorschijn gekomen. Bij ietwat sterker bloeding komt die afscheiding ook in de luiers. Dit duurt gewoonlijk slechts een paar dagen, soms een week. Voor den gezondheidstoestand van het kind heeft dit niets te beteekenen.
Ook vindt men vaak, meestal onmiddellijk of in de eerste dagen na de geboorte, bij meisjes een zuchtige zwelling van de schaamlippen, bij jongens van balzak en lid, welke allengs vanzelf verdwijnt en niet de minste beteekenis heeft.
Bij 80% der pasgeborenen treedt geelzucht op, welke kenbaar is aan eene gele verkleuring van de huid, vooral bij kinderen van eerstbarenden, na geboorte met de billen vooruit en na lange, moeilijke baringen. Het vaakst optredende op den tweeden dag, minder dikwijls op den derden, begint die verkleuring in het gelaat en op de borst. In sterk sprekende gevallen wordt ook het oogwit geel gekleurd. Bij kunstverlichting is de verkleuring niet waar te nemen. De duur wisselt van 4 tot 14 dagen. Soms zijn de kinderen wat mat en slaperig, drinken slecht en nemen, al is het welbevinden ongestoord, gedurende dien tijd minder toe. Men drage zorg voor behoorlijk warm houden, vooral bij te vroeg geboren kinderen, zonder te broeien. Men moet echter, indien de geelzucht van dag tot dag erger wordt, zoodat de kleur van de huid zelfs groengeel wordt, den dokter waarschuwen.
De borstklieren scheiden bij pasgeborenen een melkachtig vocht af, heksenmelk genoemd. Bij beide geslachten zwellen daardoor van den 2en of 4en dag af, de borsten op, welke zwelling op den 8en tot 12en dag haar hoogtepunt bereikt, om van de tweede week af langzamerhand te verdwijnen. Het kan evenwel nog langer duren, daar de vorming van melk tot in de vierde week, in zeldzame gevallen tot in de vierde maand, aanhoudt. Het is volkomen onnoodig, zelfs schadelijk, te trachten daaraan door drukken, knijpen of wrijven een einde te maken. Men heeft ze eenvoudig met een laagje steriele watten te bedekken en met rust te laten. Het is mogelijk, dat in de borst ontsteking optreedt. Zij wordt dan steeds grooter, pijnlijk bij druk; de huid wordt rood en zuchtig gezwollen. Bij de eerste verschijnselen van ontsteking bedekke men dan de borst met een compres, b.v. van hydrophiel gaas of een dun laagje ontvette watten, in lauwwarm water, voor de helft verdund Goulardwater of 50%’s alcohol, gedoopt en uitgeknepen, waarover een stukje guttapercha-papier of Billroth-batist en daarover eene laag droge watten, alles vastgehouden door een verband. Men verzuime niet den dokter van deze verschijnselen in kennis te stellen, daar het tot ettering komen kan. Het kind heeft daarbij soms hooge koorts, is onrustig, verliest den eetlust. Vaak komt het tot braken en diarrhee.
In de meeste gevallen begint op den 6en of 7en dag de opperhuid af te schilferen, soms in kleinere of grootere lapjes, hetgeen eenige dagen aanhoudt. De oorzaak is te zoeken in het uitdrogen van de tot de geboorte steeds vochtige huid en in de prikkeling en wrijving der kleederen. Ook treedt eene dergelijke afschilvering van het slijmvlies der lippen op.
Het gedeelte van de navelstreng dat aan het kind verbonden bleef, blijft nog eenige uren blauwachtig wit van kleur, wordt slapper en platter, verdroogt allengs en wordt tot eene platte harde streng, welke ten slotte, bij een of andere gelegenheid, gewoonlijk bij het baden, loslaat, door het verscheuren van de laatste dunne verbinding met den navel. Dat loslaten geschiedt omstreeks den 5en tot 8en dag, somtijds nog later. Er blijft een kleine wond aan den navel over, welke tegen besmetting of infectie moet gevrijwaard worden, omdat daaruit voor het kind de schromelijkste gevolgen kunnen voortspruiten. Daarom is zorgvuldige, uiterst reine behandeling, zoowel van de rest van de navelstreng als van de overblijvende wonde van groot belang. Het baden van het kind behoeft niet te worden nagelaten. Men drage zorg voor reinheid van eigen handen en van alles wat, als verband, op den navel gebracht wordt. Het verband, dat om de rest van de navelstreng gewikkeld is, laat bij het baden van zelf los. De rest moet daarna zorgvuldig afgedroogd en een nieuw, zuiver verband aangelegd worden.
Nadat de rest afgevallen is geneest de overblijvende navelwond onder een verband, uit steriele watten of steriel gaas bestaande, vrij spoedig. Dit verband moet, als het b.v. door urine nat geworden is, vernieuwd worden. Ter beschutting van de wond kan men haar eerst met wat vaseline bedekken of er een antiseptisch poeder, als dermatol-, xeroform-, airol- of salicyl-strooipoeder (1 dl. salicylzuur, 5 dl. talkpoeder) op strooien.
Mocht het eens gebeuren, dat er eene bloeding uit de navelwond komt, hetzij dat men ongelukkigerwijze aan de nog niet geheel losgeraakte rest van de navelstreng heeft getrokken of wel door eenige andere oorzaak, dan kan men de bloeding tot staan brengen door eene laag zuivere verbandwatten of eene schoone zakdoek, opgevouwen, op de bloedende wond te leggen en stevig met de hand daarop te drukken, of door, over de bedekkende watten of zakdoek heen, stevig een verband, b.v. een tricot-windsel, als drukverband, om den buik te wikkelen. Laat inmiddels den geneesheer roepen.
Eerst puilt de navel, vooral als de huid de navelstreng voor een gedeelte bekleedde, nog wat uit (huidnavel), maar spoedig daalt hij onder het oppervlak van de huid en vormt een kuiltje, met ietwat vochtigen bodem, dat door eene smalle bovenste en breede onderste huidplooi bedekt wordt. Weldra is de wond genezen en alles droog. Somtijds blijft er wat bloederige, zelfs op etter gelijkende, afscheiding bestaan, zoodat het verband aan de wond blijft kleven of althans bevlekt wordt. Dan is er, als men de huidplooien uit elkander trekt, een steeds vochtig, vleezig propje in de diepte waar te nemen. Dat propje is ongevoelig en bloedt somtijds bij onzachte aanraking.
De geneesheer, daarop opmerkzaam gemaakt, zal er spoedig een einde aan weten te maken, zoodat de litteekenvorming weldra volkomen wordt. Van meer belang is het, wanneer de rand van de wond, daar waar zij aan de huid van den buik grenst, sterke roodheid vertoont, ettering aanwezig is, de navel wankleurig wordt, rood, gezwollen en gevoelig is en eene sterke afscheiding geeft. Dan vooral is het noodig oogenblikkelijk den geneesheer te ontbieden, omdat dit alles op ontsteking wijst, waardoor het leven van het kind in groot gevaar kan komen.
Na de genezing wordt het navelverband veelal nog eenigen tijd, minstens 4 à 5 weken, aangelegd. Waar dikwijls de band, met de bedoeling om een navelbreuk te voorkomen, sterk wordt aangetrokken, achten wij het noodig daartegen te waarschuwen, omdat juist sterke druk op den onderbuik de oorzaak kan worden van het ontstaan van navelbreuk. Zulk een breuk ontstaat gewoonlijk niet dadelijk, meestal tusschen de tweede en vierde maand. Hij doet zich voor als eene weeke verhevenheid of dikte, welke, als het kind bij het schreeuwen of bij moeilijke ontlasting perst, grooter en meer gespannen, bij het ophouden met persen kleiner wordt of geheel verdwijnt. Dit laatste geschiedt ook als men er met den vinger op drukt, waarbij men, als de breuk tamelijk groot is, een eigenaardig gevoel waarneemt.
Een navelbreuk ontstaat doordat een gedeelte van de ingewanden van den buik, meestal een gedeelte van den darm, door eene, met huid bedekte, opening van den buikwand heendringt en de huid uitstulpt.
In vele families schijnt neiging of aanleg tot het ontstaan van breuken, ook navelbreuken, voor te komen. Men schenke in den beginne vooral aandacht aan den zoogenaamden huidnavel. Een doelmatig hechtpleisterverband, het eerst door den geneesheer aan te leggen, dat gedurende een veertiental dagen kan blijven liggen, zal er vele genezen. Zulk een verband, waarvoor men leucoplast, blancoplast of sanoplast ter breedte van 2 of 3½ cM. gebruikt, wordt als volgt aangelegd. Men vouwt de huid van den buikwand in de streek van den navel, zoodat er eene overlangs loopende plooi ontstaat. De randen van die plooi worden tot elkander gebracht, zoodat de navel niet meer te zien is. Dan legt men dwars over die plooi, op de plaats waar de navel is schuil gegaan, om den buik heen, een strook pleister, ongeveer 12 c.M. lang, en drukke die eenigen tijd aan, om haar door de warmte goed te doen vastkleven. Bij gebruik maken van eene breede strook pleister is één strook voldoende; bij smallere legt men twee of drie strooken dakpansgewijze over elkander. De uiteinden van elke strook komen op den rug van het kind te liggen. Zulk een verband kan, als het kind dagelijks gebaad wordt, wel een week blijven liggen. Daarna wordt het vernieuwd. Mocht, na het afnemen van het pleisterverband, blijken dat de huid te rood geworden of stuk gegaan is, dan wachte men met het aanleggen van een nieuw verband, tot zij genezen is. De genezing wordt bespoedigd door bepoederen en inwrijven van de huid, b.v. met alsol-strooipoeder.