Chapter 7 of 22 · 3958 words · ~20 min read

Part 7

De tegenwoordigheid van den verloskundige zij haar integendeel tot troost. Hij is daar om elke afwijking, welke zich zou kunnen voordoen, te herstellen. Waar hij kalm is, behoeft zij niet te vreezen, zij vertrouwe op hem. Zijne kalmte mag haar niet voorkomen als zou hij gebrek aan menschelijk gevoel hebben. Hij overziet den toestand en weet waaraan hij zich te houden heeft, wat goed voor haar is. Zijne kalmte spruit voort uit het besef, dat alles goed zal gaan en zijn handelen is dat van den man, die weet wat er geschiedt. Daarom is hij niet hardvochtig, als hij niet voldoet aan alle wenschen van de barende of van hare omgeving. Integendeel, menige baring zou slecht afloopen, indien hij zich niet wist te beheerschen en weerstand te bieden aan begrijpelijke, doch ondoordachte verlangens en beden. Wie hem vertrouwt zal zelve de noodige kalmte behouden en te beter het einde bereiken.

De duur der baring is zeer verschillend. In het algemeen wordt aangenomen, dat eene eerste baring 20–22 uren, volgende baringen omstreeks 15 uren duren. Toch eindigt de eerste baring in de helft der gevallen tusschen het 10e–18e uur, terwijl volgende baringen binnen 9 uren afloopen. Volgens gemaakte berekeningen zou het voorbereidings- of ontsluitingstijdperk bij de eerste baring 12–20 uren, bij volgende 6–12 uren, het uitdrijvingstijdperk bij de eerste baring 1½–7½ uren, bij volgenden ¼–1½ uur duren, en zou de nageboorte 2–2½ uur na de geboorte van het kind worden uitgedreven, indien, zooals boven gezegd, de geneesheer daaraan niet eerder een einde maakte. Velerlei omstandigheden kunnen op den duur van invloed zijn, zonder dat men daarom van afwijkingen behoeft te spreken.

Wanneer de vliezige zak, waarin het kind besloten is, sterk is, zal hij minder gemakkelijk scheuren, en daardoor den voortgang der baring belemmeren. De geneesheer kan dan den duur verkorten door den zak te openen.

Niet steeds volgt op het breken der vliezen een lange rustpooze. Vooral bij volgende bevallingen komt het niet zelden voor, dat dadelijk na het breken der vliezen en het afloopen van vruchtwater, ja, tegelijkertijd, dus met dezelfde wee, het kind geboren wordt.

De duur der baring kan verder langer zijn door onrustigheid en angst der barende, alsook door het voortdurend te bed liggen gedurende het voorbereidings- of ontsluitingstijdperk. Dat weten vrouwen, die reeds meermalen baarden, dan ook wel. Zij blijven zoolang mogelijk op de been, gedurende eene wee steun zoekende waar zij dien toevallig vinden, om na afloop daarvan weder rond te gaan.

De spieren van de baarmoeder zijn niet altijd even krachtig. Zij verrichten dan slechts korten tijd den noodigen arbeid, om daarna een langeren tijd van rust te nemen voor zij dien weder opvatten. Anderszins komt het voor, dat er eene wanverhouding bestaat tusschen grootte van het kind en ruimte van den weg, waardoor het moet worden voortbewogen, of dat geringe rekbaarheid dier deelen de uiterste inspanning van den kant der baarmoeder vergt, zoodat haar kracht eerder uitgeput raakt, waarop dan eveneens een langer tijdperk van rust volgt. Somtijds is die krachtsinspanning van de baarmoeder, vooral bij wanverhouding, zoo groot, dat de weeën bijzonder snel op elkander volgen, als ’t ware onafgebroken bezig zijn, zonder dat het gevolg noemenswaard is. Dan vooral, eveneens in andere gevallen waarin stoornissen in het verloop der baring zich mochten voordoen, vertrouwe de barende op den geneesheer, op zijn kennen en kunnen en op de wonderbare krachten der natuur. De geneesheer weet, door ervaring geleerd, den rechten weg te kiezen en, als het noodig blijkt, zal hij, op het juiste oogenblik, zijn kunst aanwenden om te helpen. Moed, geduld en vertrouwen zijn de eigenschappen, welke de barende van noode heeft.

Dat eene goede zwangerschap ook eene gelukkige baring laat verwachten, en omgekeerd, is een geloof, dat, algemeen verbreid, op geen goede gronden rust. Men geloove ook niet aan den invloed van allerlei middelen, welke gezegd worden de baring gemakkelijk te maken. Dat geldt eveneens voor de bewering, dat het veelvuldig nemen van warme baden, tegen het einde der zwangerschap, een bijzonder gunstigen invloed zou uitoefenen.

Opmerkelijk is het, dat in 55 % der gevallen de geboorte tusschen 8 uur ’s avonds en 8 uur ’s morgens plaats heeft, meestal tusschen 12 en 3 uur ’s nachts, het zeldzaamst tusschen 9 en 12 uur ’s avonds. Het begin valt meestal tusschen 9 en 12 ’s avonds, het zeldzaamst tusschen 12 en 3 uur ’s middags.

Oudtijds was men van meening, en ook nu is zij niet geheel verdwenen, dat de weeën het gevolg waren van de pogingen welke het kind aanwendt om uit de baarmoeder te komen. Daarbij zou, zoo meende men, het kind de voeten tegen den baarmoederbodem steunen en zich met de armen een weg banen. De weeënpauze zou dan de uiting zijn van het uitrusten van het kind. Van daar dat men nog wel eens hoort, wanneer een kind dood geboren wordt, dat de baring zoo lang geduurd heeft, omdat het kind zichzelf den weg niet banen kon en de moeder het dus moest uitpersen. Dat is geheel onjuist. De langdurige baring kan de oorzaak geweest zijn, dat het kind stierf. Het kind doet niets, de samentrekkingen van de baarmoeder, waarbij zich later het persen der barende, het gebruik van de buikpers, zooals men dat noemt, voegt, is de oorzaak dat het kind wordt voortbewogen. Dat is nu begrijpelijk voor haar, die kennis nam van hetgeen gezegd werd omtrent den bouw der baarmoeder en de werkzaamheid van haren spierwand.

Wanneer na het breken van de vliezen een groot gedeelte daarvan zich over het hoofd van het kind legt, wordt dat deel hooger op van het andere deel afgescheurd en zal het, na de geboorte, het hoofd bedekken. Men zegt dan, dat het kind met den helm geboren wordt.

Somtijds komt het voor, dat in de laatste weken van de zwangerschap, al of niet gepaard met of voorafgegaan door pijnen, bloeding uit de geslachtsdeelen optreedt, welke bloeding zeer belangrijk zijn kan. Het is dan noodig den geneesheer zonder verwijl daarvan in kennis te stellen, opdat hij daarvan niet onkundig blijve. Middelerwijl houde de vrouw de grootste rust in bed.

Het gebeurt niet zelden dat de navelstreng een of meermalen, als een lus, om den hals van het kind gevonden wordt. Men noemt dat omstrengeling. De geneesheer houdt ook daarop zijne aandacht gevestigd, om noodlottige gevolgen voor het kind zoo mogelijk te voorkomen.

Bijzondere vrees wordt veelal gekoesterd voor het zoogenaamde vastgegroeid zijn van de moederkoek of nageboorte. Eigenlijk moet men zeggen, dat er eene afwijking bestaat in dien zin, dat de vasthechting aan den baarmoederwand zoo stevig is, dat de samentrekkingen van de baarmoeder niet in staat zijn haar op te heffen. Al is deze afwijking allerminst van belang ontbloot, onjuist is het te meenen, dat zij zoo vaak voorkomt als wel eens beweerd wordt. Zij komt integendeel betrekkelijk zeldzaam voor. De meening dat de moederkoek, of het kind, zooals ook wel eens beweerd wordt, aan het hart is vastgegroeid, is bijna te dwaas om er hier over te spreken. De beschrijving van de onderlinge ligging van baarmoeder, darmen, maag en hart, zooals wij die in den aanvang in ’t kort gegeven hebben, zal iedere vrouw, die dat gelezen heeft, wel doen inzien, dat eene dergelijke vergroeiing tot de onmogelijkheden behoort.

De meeste barenden hebben gaarne, dat men haar met de vlakke hand in de lenden of iets lager steun geeft. Dat zal het gemakkelijkste gebeuren wanneer zij op de zijde ligt, eene ligging welke hier te lande de meest gebruikelijke is.

Gedurende de baring is de eetlust verminderd. Men trachte dus niet de barende tegen haren wil iets op te dringen. Veelal wordt het genotene uitgebraakt, wat haar zeker eenige onaangename oogenblikken bezorgt. Drinken is haar daarentegen zeer welkom en daaraan mag met gerustheid worden tegemoet gekomen. De angst, dat frisch koud water zoogenaamde krampweeën zou opwekken, is onjuist. Men vermijde evenwel alcoholica. Hierbij moet er op gewezen worden, dat de barende vaak geen aandrang tot urine-loozing voelt of, omgekeerd, herhaaldelijk dien drang ondervindt, terwijl slechts geringe hoeveelheden urine te voorschijn komen. In beide gevallen kan het gebeuren, dat de urine-blaas overvuld raakt. Daarop dient in het bijzonder gelet te worden, omdat de overvulde blaas de werkzaamheid der weeën vermindert, zelfs geheel kan doen ophouden, waarbij dan aanhoudend pijnen in den onderbuik en afwijkende ligging van het kinderhoofd, ten opzichte van het baringskanaal, kunnen ontstaan. Het is dus van belang, met het oog op den regelmatigen gang der weeën, er op te letten, dat de urine-loozing gedurende de baring geregeld plaats vindt.

De gevoeligheid voor de weeënpijnen en de uiting, welke daaraan door de barenden gegeven wordt, is zeer verschillend. Flinke vrouwen, zelfs eerstbarenden, laten somtijds geen enkelen kreet hooren, anderen geven op de allerkrachtigste wijze uiting aan hare gevoelens van pijn en onbehagen. Al is het te begrijpen, dat hevige pijn onwillekeurig aanleiding geeft tot eene kernachtige uiting van smartgevoel, zoo is het ook in deze van belang, dat de barende zich zooveel mogelijk beheerscht.

Ondanks alle voorzorgen komt het voor, dat het kind schijndood of ook wel dood geboren wordt. Somtijds sterft het reeds gedurende de zwangerschap. De oorzaken voor dit laatste zijn meestal gelegen in ziekten van vader of moeder, of ook in ziekten van het ei of ziekten en misvormingen der vrucht, ofschoon misvormde vruchten dikwijls levend geboren worden, doch gelukkig niet lang in leven blijven. De oorzaken, dat een normaal kind gedurende de baring sterft, kunnen vele en verschillende zijn. Bij de eerste baring loopt het kind, bij goede ligging, meer gevaar dan bij latere baringen. Vooral is dit het geval bij vrouwen, die na het 30ste jaar voor het eerst baren. In het algemeen komt het percent-cijfer ten nadeele van de jongens, door de, in verhouding, grooteren omvang van den schedel. In hooge mate van belang is de ligging van het kind bij de geboorte en de kunsthulp welke alsdan moet worden aangewend. In dit verband gedacht, loopt het kind dat dwars in de baarmoeder gelegen is het meeste gevaar, daarop volgt de ligging met de stuit of de beenen vooruit, vervolgens die met het aangezicht vooruit en ten slotte die met het achterhoofd vooruit, op andere wijze dan in normale houding. Niet zelden komt het leven van het kind in gevaar door omstrengeling van den hals, veel zeldzamer door buitengewone kortheid van de navelstreng.

Van schijndood geboren kinderen moeten helaas ook nog een aantal het leven laten. Schijndood komt het meest voor na eene moeilijke bevalling. De kleur van het kind kan dan zijn donker blauw of wit. De ledematen zijn slap, de ademhaling ontbreekt.

Het schijnt ons hier de geschiktste plaats te trachten aan te geven, hoe men te handelen heeft, wanneer het kind geboren wordt, zonder dat geneeskundige hulp aanwezig is. Wanneer dan het kind geboren is, legt men de moeder, als zij op zijde lag, op den rug en het kind tusschen de beenen, zoo, dat het de ruimte heeft en neus en mond onbedekt zijn. Mocht het gelaat door een gedeelte der eivliezen bedekt zijn, het kind dus „met den helm geboren zijn”, zóó, dat het vlies de openingen van mond en neus afsluit, dan vatte men het vlies, het best met een drogen doek, omdat het zeer glibberig is en zich niet gemakkelijk laat vasthouden, en verwijdere het. Het kind kan dan ademhalen en schreeuwen. Zoo kan het blijven liggen tot de geneesheer komt. Tevens lette men op de baarmoeder; deze moet zich, na de geboorte van het kind, flink samen trekken. Men kan zich daarvan overtuigen, door de hand op den onderbuik der vrouw te leggen. Trekt de baarmoeder zich goed te zamen, dan voelt men daar een min of meer harden bol. Trekt zij zich onvoldoende samen, dan bestaat er meestal bloeding en voelt men niets of slechts zeer onbepaald een weekachtig gezwel. Door flink wrijven van dat gezwel zal het zich samentrekken en de bloeding tot staan komen. Voortdurend wrijven voorkomt het slapper worden, er moet dus voortdurend gewreven worden.

Indien het kind schijndood mocht zijn, dus de bovengenoemde verkleuring vertoont, niet schreeuwt en niet ademhaalt, dan wordt allereerst de navelstreng doorgeknipt. Dit geschiedt zoo, dat op twee plaatsen, op eenigen afstand van elkander, een stukje veterband flink om de streng wordt gesnoerd en geknoopt. Daarna knipt men de streng, met een schoone schaar, tusschen de beide plaatsen door. Het kind kan dan worden opgenomen.

Bij lichtblauwe verkleuring van huid en zichtbare slijmvliezen, zijn gewoonlijk de spieren van armen en beenen niet geheel slap, doch maakt het kind geene bewegingen, en is de hartslag te zien en te voelen. Brengt men het kind, na het met een om den wijsvinger gelegd zacht doekje de mondholte van slijm gereinigd te hebben, in een warm bad (± 36° C, ± 29° R,) daarin het hoofd met de hand ondersteunende, opdat het niet onder water zakke, dan zal het veelal na eenigen tijd beginnen adem te halen en te schreeuwen. Wanneer de kleur blauwviolet is, alle spieren slap zijn, zoodat ook het hoofd heen en weer bengelt, de hartslag niet te zien is en slechts flauwtjes te voelen, daarbij langzaam en onregelmatig, dan zal het langer duren voor het kind bijkomt. Nadat het dan eenigen tijd in het warme bad gelegen heeft, kan men de huid prikkelen, b.v. door het een paar flinke klappen op de billen te geven, nadat die eerst afgedroogd zijn en, bij jongens, de balzak naar voren, tusschen de dijen, is weggeborgen. Daarna wordt het weder in het warme bad gebracht. Het kan noodig zijn dit eenige malen te herhalen, voordat men de ademhaling, eerst oppervlakkig, langzamerhand dieper wordende, ziet tot stand komen, de blauwe verkleuring in rozerood ziet overgaan, de oogen ziet opengaan en eindelijk het kind hoort schreeuwen. Mocht het niet reageeren op de klappen op de billen, dan neme men het uit het warme bad en dompele het, voor een oogenblik, tot den hals toe in een emmer koud water en brenge het vervolgens dadelijk weder in het warme bad. Zoo afwisselend handelende, zal het kind ten slotte zijn onbehagen over dergelijke behandeling door geschreeuw en allerlei bewegingen van armen en vooral van de beenen kenbaar maken. Dan wordt het afgedroogd en in het warme bed gelegd.

Veel moeilijker zal het zijn een schijndood kind, dat wit en slap is, in het leven terug te roepen. Allereerst beginne men dan, als boven vermeld, met het reinigen van den mond en het brengen in een warm bad, om, als de huid behoorlijk warm geworden is, het kind voor een oogenblik in koud water te dompelen, en dadelijk daarop weder in het warme bad. Doch meestal is dat niet voldoende en zal het noodig zijn de kunstmatige ademhaling toe te passen. Daarvoor is kennis van de wijze waarop dat dient te geschieden en bijzondere handigheid noodig, zoodat gewoonlijk alleen de geneesheer in de mogelijkheid is te trachten alsnog de bijna uitgedoofde levensvonk aan te blazen.

Om dergelijke tegenspoeden zooveel mogelijk te ontgaan, geven wij den raad, steeds den geneesheer te ontbieden, zoodra de vrouw meent, dat de baring begint. Hij kan zich dan bijtijds van den toestand op de hoogte stellen en zijne maatregelen nemen, opdat hij op het juiste oogenblik tegenwoordig zij. Dan kan veel onaangenaams voorkomen worden, onaangenaams zoowel voor moeder en kind als voor den geneesheer.

HET KRAAMBED.

Na de baring wordt de kraamvrouw in den regel overvallen door huiveren en beven. Dat is geen teeken van koude of kou-vatten, doch veeleer op te vatten als een terugslag op den dikwijls zwaren arbeid, welken zij verricht heeft en waaraan eensklaps een einde kwam. Spoedig, in de eerste uren van rust, maakt dat plaats voor zweeten, dat, gedurende den slaap het sterkst, eenige dagen aanhoudt, doch sterk wisselt, naar gelang van kleeding en bedekking, van de buiten-temperatuur, toevoer van vloeistoffen, gemoedsbewegingen, als anderszins. Wanneer zij zelve nu gereinigd en de buik door een buikverband, waarvan verschillende modellen in gebruik zijn, ingesloten is, mag de kraamvrouw zich eindelijk overgeven aan de rust, welke zij, naar lichaam en geest, zoozeer behoeft. Het verlangen naar rust is dan overheerschend, en al leidt die behoefte naar rust niet altijd tot slaap, het kalm liggen in eene rustige kraamkamer, waar een oogenblik te voren nog alles in volle beweging was, is haar reeds een weldaad. Nu en dan wordt zij nog wel gekweld door pijnlijke samentrekkingen van de baarmoeder, naweeën genoemd, doch meestal is die pijn gelukkig niet zoo hevig, dat zij daardoor ten slotte den slaap niet zou kunnen vatten. Vooral zij die meermalen baarden hebben er last van, alsook zij, bij wie de baring een snel verloop had. Dan vooral kunnen de naweeën eenige dagen aanhouden, meestal twee of drie dagen, zelden langer dan tot den vijfden dag, en gedurende het zuigen van het kind in sterkte toenemen. Vaak zijn die naweeën de uiting van pogingen, welke de baarmoeder aanwendt, om zich van bloedstolsels te ontlasten. Andere vrouwen bespeuren er alleen iets van zoo lang het kind aan de borst ligt. Vroeger legde de baker, met het oog op die pijnen, een met brandewijn natgemaakten doek op den onderbuik, aldus onbewust een middel gebruikende, dat in onzen tijd, in den vorm van alcohol-verbanden, wel eens wordt aangewend bij prikkelingstoestanden van het buikvlies. Somtijds is de pijn in den onderbuik te wijten aan sterke overvulling van de blaas door urine. Het middel daartegen ligt voor de hand.

Onder den invloed dezer naweeën wordt de baarmoeder allengs kleiner. Bij zoogende vrouwen geschiedt de terugkeer tot de grootte, zooals die bij de niet zwangere vrouw is, in den regel sneller. Die verkleining geschiedt minstens tot de zesde week, het snelst en het duidelijkst merkbaar, bij onderzoek, binnen de eerste veertien dagen. Daarbij neemt de lengte vlugger af dan de breedte. De grootste verkleining heeft plaats gedurende de eerste drie dagen.

Afgezien van individueele verschillen, met betrekking tot de snelheid der verkleining, hebben het verloop van de baring, haar aantal (het orgaan blijft in verhouding tot het aantal der voorafgegane baringen in al zijne afmetingen iets vergroot) en, naar men meent opgemerkt te hebben, ook de ouderdom der kraamvrouw invloed daarop. Langer duurt de verkleining na buitengewone uitzetting van de baarmoeder, b.v. na overmatige hoeveelheid vruchtwater en na tweelingzwangerschap. De scheede blijft steeds wijder dan voor dien tijd. Na drie of vier weken heeft zij een groot deel van de vroegere veerkracht terug gekregen, doch de voorste scheedewand blijft, vooral na herhaalde baringen, dikwijls eenigszins gedaald.

Gedurende de eerste dagen van het kraambed, het sterkst den dag na de bevalling, gevoelt de kraamvrouw ook spierpijnen, vooral in armen en beenen, als gevolg van den voor haar over ’t algemeen ongewonen spierarbeid bij de baring.

De eetlust is gewoonlijk verminderd, de dorst meestal vermeerderd. Zoo ondervindt zij dus nog eenigen tijd, de een meer de ander minder, de nawerking van de inspanning gedurende eene gebeurtenis, welke met recht „verlossing” mag genoemd worden. Doch ook hierbij doen zich belangrijke verschillen voor. De eene vrouw gevoelt zich door eene gemakkelijke bevalling afgemat en zwaar beproefd, de andere ziet er, zelfs na veel sterkeren baringsarbeid, uitstekend uit en gevoelt zich reeds na eenige uren alsof er niets gebeurd was. Dat hangt af van velerlei omstandigheden en persoonlijke eigenaardigheden, evenals de gemoedstoestand na de baring. Zoo zal de eene vrouw, na afloop, kalm en rustig genieten van het geluk haar deelachtig geworden, de andere, vol van dat geluk, daaraan door druk gepraat en bemoeienis met alles om haar heen uiting geven. Voor beiden is het nuttig en noodig in de kraamkamer zoo spoedig mogelijk alles tot rust te brengen.

De kraamvrouw moet gedurende eenige dagen rust in bed genieten. Zij behoeft daarbij niet voortdurend op den rug te liggen. Die rust is ook van belang voor genezing van wonden, welke, van nature, bij de baring ontstaan. Wij wezen er reeds op, dat de kraamvrouw als eene gewonde te beschouwen is. Die wonden bevinden zich voornamelijk in de inwendige geslachtsdeelen. De binnenvlakte van de baarmoeder vormt één wondvlakte. Eivliezen en moederkoek toch waren min of meer vast met den baarmoederwand verbonden. Nadat zij door de nageboorteweeën losgemaakt en uitgedreven waren, bleef eene wondvlakte over. Wel is waar is die vlakte, nadat alles verwijderd is, door de samentrekking van de baarmoederspieren veel kleiner geworden, doch voorloopig is zij nog groot genoeg. Buitendien zijn in den baarmoedermond scheuren ontstaan, tengevolge van den doortocht van het kind, vertoonen scheede, scheedeingang en vaak ook de bilnaad, kleinere en grootere verwondingen, tengevolge der rekking.

Vooral de wondvlakte in de baarmoeder scheidt vocht af, dat naar buiten vloeit en den naam van kraamzuivering draagt. De hoeveelheid is verschillend. Na sterk bloedverlies, gedurende en na de baring, is de afscheiding gewoonlijk sterker; sterk zweeten, diarrhee en het intreden der zogafscheiding doen haar tijdelijk verminderen. De duur is twee tot zes, zeldzamer acht weken, meestal echter houdt zij na de vierde week op. In de eerste dagen, gewoonlijk tot den vierden dag, dikwijls langer, verschijnt er bloed. Daarna wordt de afscheiding wateriger, ongeveer als vleeschnat, totdat van den zesden of tienden dag af een roomachtig of melkachtig etterig, dikwijls meer slijmig glazig, vocht te voorschijn komt. Vaak echter duurt de bloedige afscheiding zelfs drie weken of langer. Wanneer de bloedige afscheiding vroeger is opgehouden, komt het, bij het eerste opstaan, gewoonlijk weer tot bloedige bijmenging. De afscheiding kenmerkt zich, te beginnen na eenige dagen, door een eigenaardig zoetig flauwen geur.

Om dat vocht op te vangen wordt voor de uitwendige geslachtsdeelen een verband gelegd. Meestal bestaat dat verband uit een laag verbandwatten, al of niet omgeven door hydrophiel gaas, zooals de maandverbanden zijn ingericht, vastgehouden door een stop- of banddoek.

Het wondvocht vloeit over de wonden, doch deert die niet. Gedurende de eerste dagen toch bestaat het uit bloed; later, wanneer het veranderd is en schadelijke stoffen als ook bacteriën bevat, zijn de wonden van nature zoodanig tegen de inwerking daarvan beschut, dat daaruit geen gevaar ontstaat. Daarom is ook kunstmatige reiniging der inwendige geslachtsdeelen niet alleen onnoodig, doch zelfs niet aan te bevelen, omdat het inbrengen van de daartoe noodige instrumenten, b.v. de canule van den irrigator, waarmede eene uitspoeling zou moeten verricht worden, allicht de wonden, welke bezig zijn te genezen, zou openen, zoodat er nieuwe wonden ontstaan, die van de natuurlijke beschuttende bedekking ontdaan, kunnen geïnfecteerd worden. De geneesheer gaat dan ook niet anders dan in hooge noodzakelijkheid tot zoo iets over.

De uitwendige geslachtsdeelen behooren evenwel van tijd tot tijd gereinigd te worden en zal de verpleegster daarvoor hebben zorg te dragen, steeds omzichtig en met eene ontsmettingsvloeistof of met volkomen zuiver water, omzichtig, om wonden, welke daar aanwezig zijn, voor hernieuwd opengaan te vrijwaren.

Kleine en groote inscheuringen en ontvellingen komen daar voor, en iedere wond kan door intredend vuil verontreinigd worden. De smetstoffen, welke ergens binnendringen, kunnen niet alleen daar ter plaatse ontsteking verwekken, maar ook in andere deelen van het lichaam, van de ingangsplaats verwijderd. Het best geschiedt de reiniging door afspoelen van bovenaf, terwijl de kraamvrouw op het ondersteek ligt, hetzij door schenken uit een kan, door eene canule met eene centrale opening of door het uitknijpen van een flinke natte dot verbandwatten. Eene zelfde reiniging behoort te geschieden na urineloozing en ontlasting. Tevens wordt dan het vuile verband door een schoon vervangen en alles wat vuil en onrein is, zoowel verband als beddegoed en dergelijke, uit de kamer verwijderd.

De aard van de kraamzuivering, een wondvocht dat velerlei schadelijkheden bevat, maakt het noodig zorg te dragen, dat het steeds verre gehouden wordt van andere wonden, omdat daarin gemakkelijk ontsteking optreden kan. Daarom moet ieder, die met zulk vocht in aanraking geweest is, de handen niet alleen zorgvuldig wasschen maar ook ontsmetten, vooral dus de verpleegster die de navelwonde van het kind heeft te behandelen en zijne oogen verzorgt, want ook daarin geraakt, kan het vocht onheil brengen.