Part 13
Dat een zuigeling te weinig voedsel krijgt kan verschillende oorzaken hebben, welke bij de moeder en bij het kind te zoeken zijn.
Bij de moeder kan het voorkomen, dat het kind, door slechte ontwikkeling van de tepels, vooral platte, ingetrokken of holle tepels, de borst niet goed vatten kan. In de meeste gevallen zal het, zij het met meerdere volharding, zoonoodig met gebruik maken van een tepelhoedje, toch gelukken. Dit hulpmiddel moet ook beproefd worden bij scheurtjes, spleetjes of afschilveringen van de huid van den tepel, indien het onmiddellijk zuigen daaraan te pijnlijk is. Het komt wel voor, dat het kind uit die wondjes bloed zuigt en met de melk inslikt. Is dat vrij veel, dan kan het dit bloed uitbraken, waarover de moeder zich niet ongerust behoeft te maken. Indien het niet uitgebraakt wordt, maakt het de ontlasting donker. Vele middelen worden aangegeven om die wondjes, die een enkele maal eene belangrijke uitbreiding kunnen verkrijgen, te genezen. Gelukt dit niet, dan kan het, waar ook het zoogen met een tepelhoedje nog te pijnlijk is, noodig blijken het kind eenige dagen van de borst te nemen, gedurende welken tijd dan meermalen daags het zog met een zogpomp of door melken uit de borst moet genomen en aan het kind gegeven worden. De genezing kan zelfs tien tot veertien dagen vereischen, doch gewoonlijk kan men het kind reeds vroeger, als de tepel minder gevoelig geworden is, weder aanleggen. In hoogst enkele gevallen moet somtijds het zoogen opgegeven worden.
Dit laatste kan ook het geval zijn bij de zeer zeldzaam voorkomende overgevoeligheid van den tepel, een toestand, waarbij aan de tepels geen enkele afwijking is waar te nemen en toch het zoogen voor de moeder een ware marteling is, door de pijnlijkheid, met uitstraling naar de zijkanten van de borst en naar den rug. Ook hierbij beproeve zij eerst het tepelhoedje, waarbij de maaltijd gewoonlijk langer duurt, voordat zij het zoogen opgeeft.
Verder komt het voor, dat de borst niet gemakkelijk melk geeft. Een flink ontwikkeld kind vooral zal op den duur die moeilijkheid wel overwinnen. Men kan trachten de borst williger te maken, door haar te melken. Eene al te volle borst wordt door het uitspuiten van de eerste melk-porties gemakkelijker te vatten.
Dat de borst inderdaad te weinig zog afscheidt, komt veel minder voor dan nog maar al te vaak gedacht wordt. Daarom moet de moeder de poging tot borstvoeding niet te spoedig opgeven, en, voor zij tot het geven van bijvoeding overgaat, trachten door het prikkelen van de borst, door melken, hetgeen zijzelve gemakkelijk leeren kan, of door uitpompen, deze tot meerdere afscheiding te brengen. Ook voorzichtige massage kan hierbij helpen. Het kan evenwel niet ontkend worden, dat somtijds, en merkwaardigerwijze komt dat na de eerste bevalling nog al eens voor, de zogafscheiding al spoedig onvoldoende is. Het toedienen van een of ander middel aan de moeder, het moge lactagol, somatose, malztropon of anders heeten, heeft geen nut. Waar zulk een middel wel eens schijnt te helpen, is dat te wijten aan suggestieven invloed, welke de moeder tot meer volharding bracht. Tot nog toe is er geen enkel voedings- of geneesmiddel gevonden, dat inderdaad de borst tot meerdere zogafscheiding aanzet. Van belang is veel rust en goede voeding van de moeder, welke volstrekt niet alleen of in hoofdzaak uit de zoo hooggeroemde pap moet bestaan.
Van te voren, namelijk gedurende de zwangerschap, is nimmer te beslissen of de aanstaande moeder al dan niet haar kind zal kunnen zoogen.
Meestal zal men niet voor het einde van de tweede week kunnen bepalen, of de afscheiding van zog beneden de als normaal aan te nemen hoeveelheid blijft, waarvoor men een minimum van 150 grammen per etmaal in de eerste week of het dubbele in de tweede week stellen kan. Indien evenwel verschijnselen van ondervoeding optreden, het kind niet voldoende in gewicht toeneemt en de pogingen om de hoeveelheid zog te vermeerderen, b.v. ook nog door het kind wat vaker en aan beide borsten aan te leggen, mislukken, zal men tot bijvoeding moeten overgaan.
Mocht het gebeuren dat, door welke oorzaak dan ook, een der borsten niet genoeg of in het geheel geen zog levert, dan neemt dikwijls de werkzaamheid van de andere borst zoodanig toe, dat zij alleen de noodige hoeveelheid voortbrengt.
Bij het kind kan de oorzaak gelegen zijn in misvorming van den mond en van het verhemelte, zooals wolfsmond, hazelip, gespleten verhemelte. Gewoonlijk zal alleen de wolfsmond of dubbele hazelip en eene wijde spleet in het verhemelte het zuigen beletten, terwijl het kind bij eenzijdige hazelip het zuigen wel leert. Ook pijnlijkheid in den mond, b.v. door spruw, kan het kind in het zuigen belemmeren, alsmede verkoudheid, waardoor het ademhalen door den neus bemoeilijkt of vrijwel onmogelijk is. Ten slotte zijn er somtijds kinderen, zelfs van normaal gewicht, die te slap zijn om met voldoende kracht te zuigen. Dat de tongriem het zuigen belet, en daarom moet ingeknipt worden, is zoo zelden het geval, dat men practisch wel zeggen kan, dat dit niet voorkomt. Zoolang het kind òf niet zuigen kan òf onder de genoemde omstandigheden te weinig voedsel krijgt, geve men het uitgemelkt of uitgepompt zog, met een lepeltje of uit een fleschje.
Uit het voorafgaande blijkt, dat men, voordat men aanneemt dat het kind ondervoed wordt, nauwkeurig rekening heeft te houden met verschillende mogelijkheden.
Wij komen nu nog even terug op den invloed welke, naar men zegt, op de vorming van het zog, met betrekking tot hoeveelheid en hoedanigheid, wordt uitgeoefend door verschillende gebeurtenissen of door ziekten van de moeder.
Het verschijnen van de menstruatie gedurende het zoogen is geen reden om het kind van de borst te nemen. Somtijds wordt gedurende de menstruatie wat minder zog afgescheiden of is dit het geval een of twee dagen van te voren, terwijl het zog weder toeneemt kort voor het einde daarvan, doch steeds duurt het slechts korten tijd. Meestal heeft dit geen invloed op het kind; somtijds is het wat lastig en vertoont lichte stoornis in de spijsvertering, terwijl het gewicht in die dagen niet toeneemt.
Bij vrouwen in het eerste kraambed is het weder intreden van de menstruatie in de derde week een niet zelden waar te nemen verschijnsel. Volgens Bendix treedt zij bij de helft der vrouwen na 3–8 weken op; volgens Remy hebben 43% der zoogende vrouwen de menstruatie, waaronder 26% de menstruatie onregelmatig. Er schijnt een vierwekelijks en een zeswekelijks type voor te komen, zoowel bij zoogende als bij niet zoogende moeders. De eerste menstruatie kan verwacht worden op den 42en of 28en, 21en of 14en, 10en of 11en dag, soms reeds op den 7en dag van het kraambed (Schatz).
Wij vinden vermeld, dat het eerste loslaten van een eitje uit den eierstok, naar de menstruatie te oordeelen, ongeveer in een termijn van 3–7 weken plaats vindt. Bij uitzondering gebeurt dat vroeger, zoodat bevruchting reeds weder in de eerste drie weken kan optreden, en, bovenvermelde mededeeling van Schatz in aanmerking nemende, zou dat reeds op den zevenden dag van het kraambed kunnen gebeuren. Vrij algemeen verbreid is echter de meening, dat eene zoogende vrouw niet zwanger worden kan. Hoe onjuist die meening is, blijkt, behalve uit het bovenstaande, nog uit de beteekenis van de woorden „blind zwanger worden” of „blind opgezet worden”, waarmede wordt te kennen gegeven, dat de vrouw gedurende het zoogen zwanger werd. Dat „blind” heeft dan betrekking op het feit, dat zulk eene vrouw gedurende het zoogen de menstruatie niet zag intreden. Menige vrouw die het zoogen, met de bedoeling om eene nieuwe zwangerschap te voorkomen, veel te lang voortzette, heeft dan ook ondervonden hoe onjuist die meening is.
Bevruchting blijft aanvankelijk zonder invloed op het zoogen, doch met voortschrijdende zwangerschap wordt de zogafscheiding minder en houdt allengs op. Vele moeders hebben, zonder eenige schade voor het zoogende kind, voor haarzelve of voor de vrucht die zij herbergt, tot in de tweede helft der zwangerschap kunnen zoogen. In ieder afzonderlijk geval heeft men dus eene beslissing te nemen in verband met den toestand der moeder. In het algemeen neemt allengs de hoeveelheid zog af, zoodat het tijdperk om het kind te spenen vanzelf ingeleid wordt.
Dat gemoedsbewegingen van invloed zijn is in het algemeen niet te loochenen, al is het zeker, dat de schadelijke inwerking dikwijls achterwege blijft en de vrees, welke men er algemeen voor koestert, zeer sterk overdreven is. Opwinding, schrik, angst, zorg en verdriet, smartelijk sterk op den geest inwerkende gebeurtenissen kunnen wel degelijk, wanneer zij hevig zijn, zij het dan ook tijdelijk, stoornis brengen in de zogafscheiding, hetzij dat de hoeveelheid zog vermindert, hetzij dat bij overvulde borst, ondanks krachtig zuigen van het kind, niets of slechts zeer weinig te voorschijn komt. Het kind krijgt dan natuurlijk niet genoeg, zal lastig zijn en misschien zelfs eene leelijke luier afdoen, maar de daaraan verbonden meening, dat het kind „het” van de moeder „afgezogen” heeft, is onjuist. Op den duur zal de borstvoeding er niet onder lijden.
Het oordeel of ziekte van de moeder, hetzij chronisch of acuut, tot het besluit zal leiden om niet te zoogen, behoort geheel en al tot het terrein van den geneesheer.
Het ligt voor de hand, dat wij nu gaan bespreken hoelang de moeder het kind uitsluitend aan de borst zal trachten groot te brengen, met andere woorden, wanneer het gespeend moet worden. Dit zal ons dan vanzelf leiden tot de bespreking van andere dan natuurlijke voeding.
Een voor alle gevallen passend antwoord op die vraag is niet te geven. In het algemeen kan men wel een tijdperk van zogvorming aannemen, doch in het bijzonder hangt veel af van omstandigheden en van de individualiteit der moeder, zelfs na opeenvolgende baringen.
Men kan zeggen, dat de afscheiding van zog in de eerste zes tot acht weken na de baring toeneemt, om dan verschillend langen tijd, ongeveer gedurende zes tot acht maanden, stand te houden en daarna af te nemen. Van nature zou het verschijnen van de eerste tanden erop wijzen, dat de zuigeling niet meer uitsluitend vloeibaar voedsel behoeft te ontvangen, doch het komt maar al te vaak voor, dat ook moeders, van de groote waarde der borstvoeding overtuigd, daarmede voortgaande, reeds voor dien tijd de hoeveelheid melk zien verminderen, het kind weinig in gewicht zien toenemen en dus wel genoodzaakt zijn daarbij ander voedsel toe te dienen. Te lang voortgezette voeding aan de borst blijft niet zonder nadeeligen invloed op het kind, omdat niet alleen de hoeveelheid onvoldoende wordt, maar ook de samenstelling van het zog verandert, in dien zin, dat het onvoldoende voedingsstoffen bevat. De verschijnselen, welke het kind gaat vertoonen, zijn samen te vatten onder het algemeene beeld van bleekheid en slapte. Het kind begint om zoo te zeggen te verwelken, terwijl niet zoo zelden teekenen van beginnende Engelsche ziekte zich voordoen.
Vaak kan het noodig zijn om omstreeks de zevende maand, somtijds reeds vroeger, tot bijvoeden over te gaan. Dan is het de vraag, welk voedsel men geven en op welke wijze men den overgang van het natuurlijke voedsel tot het andere tot stand brengen zal. Afgezien van de gevallen waarin men genoodzaakt is dit plotseling te doen, moet die overgang geleidelijk geschieden. Dat gebeurt dan door het toepassen van wat men gemengde voeding (allaitement mixte) noemt, d.w.z. dat men gedeeltelijk de borst, gedeeltelijk de flesch geeft.
Dit kan op twee manieren gebeuren, namelijk door òf na iederen maaltijd aan de borst een fleschje te geven, òf door eenmaal of meermalen daags een borstmaaltijd door een fleschmaaltijd te vervangen. Mijns inziens is de eerste manier aan te bevelen, omdat men zoodoende de borst aan den gang houdt, den overgang dus geleidelijker kan doen plaats vinden, en omdat de mogelijkheid niet is uitgesloten, dat de zuigeling, bespeurende dat het zuigen aan de flesch gemakkelijker gaat dan aan de borst, minder of geen lust gevoelt aan de borst te drinken. Intusschen is het niet altijd mogelijk om deze manier te volgen, waarbij dan spoedig blijkt, dat de borst steeds minder zog afscheidt, zoodat het kind binnen zeer korten tijd alleen op de flesch is aangewezen.
Voor wij verder gaan is het noodzakelijk erop te wijzen, dat men zoo mogelijk moet vermijden tot het spenen over te gaan in het warme jaargetijde. Kinderen die in het warme jaargetijde gespeend worden, ook al geschiedt dit geleidelijk, loopen het grootste gevaar ernstige stoornissen in de spijsvertering te verkrijgen.
Van belang is het, om na te gaan welk voedsel men geven moet, in welke hoeveelheid, van welke samenstelling en hoe dit moet bereid worden.
Bovenaan staat het vervangen van de moedermelk door koemelk. Zonder in te gaan op het vraagstuk op welke wijze er, met het oog op de gezondheid niet alleen van den zuigeling maar van allen die melk gebruiken, voor gezorgd behoort te worden, dat de koemelk zoo wordt afgeleverd, dat zij geen schadelijke bestanddeelen bevat en van goede samenstelling is, moet erop gewezen worden, dat de moeder, die haar kind dit voedingsmiddel zal toedienen, daaraan de grootst mogelijke reinheid en zorg moet besteden. Een zuigeling slikt desnoods alles wat men hem geeft, indien het hem smaakt, maar reageert uiterst sterk op alle minderwaardig voedsel.
Het is algemeen gebruikelijk de koemelk zoodanig te wijzigen, dat zij tot voedsel van den jeugdigen zuigeling kan dienen. Daarom wordt zij verdund en worden er stoffen aan toegevoegd, welke, in aansluiting aan de ervaring, nuttig zijn gebleken voor het doel waarvoor zij moeten dienen. Een algemeenen regel voor verdunning en toevoeging is natuurlijk niet te geven, omdat dit afhankelijk is van den leeftijd, en van den toestand waarin de zuigeling verkeert. Daarom blijft elke voeding met tegennatuurlijk voedsel eene, welke in ieder bijzonder geval tastenderwijze moet worden toegepast, dat wil zeggen, dat men steeds moet probeeren. Dit betreft niet alleen de samenstelling, doch ook de wijze van toediening, vooral met betrekking tot het aantal maaltijden, de hoeveelheid en den graad van warmte.
Laat ons beginnen met het moeilijkste geval, namelijk dat de zuigeling van den aanvang af tegennatuurlijk voedsel gebruiken moet. Dan is er sprake van: het kind moet aan de flesch. Goed, maar welk voedsel zal men het kind geven? Hoe moet het voedsel bereid worden? Welke voorzorgen heeft men te nemen, opdat het kind groeie en geen nadeel ondervinde?
Het eenvoudigste is, het kind koemelk te geven, met water verdund en suiker daaraan toegevoegd.
Het voedsel kan men in het algemeen op tweeërlei wijze bereiden en wel: alles in eens gereed maken voor het gebruik in 24 uren of voor elke flesch afzonderlijk.
Het eerste is het gemakkelijkst. Men kan dan als volgt te werk gaan. Men maakt van te voren op, hoeveel voedsel de zuigeling vermoedelijk in 24 uren gebruiken zal. Daartoe is het noodig eenige cijfers te kennen en dat zijn die, welke de gemiddelde hoeveelheden, door een aan de borst gevoed kind gebruikt, aangeven. De gemiddelde hoeveelheden, waaraan, zooals uit de boven uit mijne praktijk gegeven getallen blijkt, zich niet alle kinderen zullen houden, omdat ook de hoeveelheden, door flesschenkinderen gebruikt, belangrijke verschillen vertoonen.
Van de regels, welke worden aangegeven, komen mij de opgaven van een onzer Nederlandsche kinderartsen, Dr. E. Gorter, het meest geschikt voor. Volgens die opgaven heeft een zuigeling op den 1sten dag niets, op den 3en dag 100 grammen, op den 6en dag 300–350 grammen, op den 10den dag 400–450 grammen, op den 14den dag 150 maal het aantal kilogrammen lichaamsgewicht aan grammen noodig. Aangezien ook de verhoudingen, door dienzelfden geneesheer aangegeven, mij—als algemeenen regel—geschikt voorkomen, geef ik die hier weder, met de opmerking, dat het blijken zal, alweder in verband met den algemeenen toestand van iederen zuigeling, dat afwijkingen nu en dan zullen voorkomen. Ik leg dus den nadruk op de woorden „als algemeenen regel”.
Hij geeft dan aan, dat men het kind voor de eerste 14 dagen een mengsel zal geven van 1 deel koemelk en 2 deelen water, dat 8% suiker bevat, dus b.v. op den 10den dag: 150 gr. koemelk, 300 gr. water en 24 gr. suiker (⅓ melk), en dat men daarbij nauwlettend heeft na te gaan, of het kind in alle opzichten gezond is.
Te beginnen met den leeftijd van 14 dagen, of 3 weken, wordt dan overgegaan tot een mengsel van 1 deel koemelk en 1 deel water, dat 8% suiker bevat (½ melk).
Om nu te weten hoeveel grammen men van dit mengsel per dag ongeveer geven zal, kan men van de gegevens op bl. 156 gebruik maken, b.v. door het lichaamsgewicht (in kilogrammen) te vermenigvuldigen met 150. Als voorbeeld gelde, dat een pasgeborene, die op den 6en dag 3 K.G. weegt, 300 gr. voedsel krijgt, waarvoor noodig is: 100 gr. melk, 200 gr. water en 16 gr. suiker; een kind van 3 weken, wegende 3,5 K.G., krijgt 500 gr. voedsel, dus: 250 gr. melk, 250 gr. water en 20 gr. suiker, terwijl men, als het kind met deze hoeveelheid, zonder ziek te zijn, niet groeit, opklimt tot 300 gr. melk, 300 gr. water en 24 gr. suiker.
Zoodra het kind 4–6 weken oud is, zal meestal de voeding met 2 deelen koemelk en 1 deel water met 10% suiker (⅔ melk) worden geregeld, bij welk mengsel het kind kan blijven tot het 4–6 maanden oud is. De hoeveelheid, die hiervan wordt gegeven, wordt weer berekend door het aantal kilogrammen, die het kind weegt, met 150 te vermenigvuldigen zoolang het jonger dan 3 maanden is, en met 140 als het ouder is. Van dit mengsel kan men ongeveer evenveel geven als de hoeveelheid moedermelk.
Vanaf de 4e of 6e maand ongeveer kan men, volgens Dr. Gorter, eene kleine hoeveelheid meel aan het mengsel toevoegen, te beginnen met 5 gr., dan al spoedig 10 gr. per dag. Dit meel vervange dan eene gelijke hoeveelheid suiker. Voorbeeld: Een kind van 5 maanden, weegt 6,5 K.G., krijgt 6,5 × 140 gr. = 910 gr. en wel 600 gr. melk, 300 gr. water, 20 gr. suiker en 10 gr. meel. [7]
Hij merkt terecht op, dat ook met op andere wijze samengesteld voedsel gunstig gevolg kan verkregen worden, doch dat dit mengsel het voordeel heeft van zeer eenvoudig te zijn.
Men heeft dus niets anders te doen, dan de voor 24 uren benoodigde hoeveelheid melk en water te meten, de suiker af te wegen en dit alles bij elkander gevoegd in een pan gedurende b.v. 5 minuten goed te laten koken. Door het koken verdampt gedurende dien tijd eene hoeveelheid water, welke door toevoeging van gekookt water tot de oorspronkelijke hoeveelheid moet aangevuld worden. De pan wordt met een deksel gesloten, vervolgens snel afgekoeld, het best in stroomend water, en dan op eene koele plaats bewaard, om telkens als eene flesch zal gegeven worden, de hoeveelheid, voor een maaltijd bepaald, daarin over te gieten.
Voor men het kind de flesch geeft moet die gewarmd worden. Dit doet men het best, door haar in warm water te zetten. De graad van warmte voor het voedsel, dat zich in de flesch bevindt, kan men beoordeelen door de flesch, nadat die eenigen tijd in het warme water gestaan heeft, af te drogen, te schudden en dan tegen het ooglid van het gesloten oog te houden. Indien men de vraag, of de flesch warm of koud aanvoelt, slechts aarzelend kan beantwoorden, kan men rekenen dat het voedsel de goede temperatuur heeft. Eene andere manier is deze, dat men een weinig van het voedsel in een lepel giet en dat proeft, waarbij men tevens kan nagaan of de smaak goed, het voedsel niet bedorven is, hetgeen in den zomer gemakkelijk geschiedt. Daarom is het aan te bevelen, vooral in den zomer, het mengsel tweemaal per dag, telkens dus de helft van de benoodigde hoeveelheid, te bereiden.
De tweede bereidingswijze is omslachtiger, ofschoon beter. Zij bestaat hierin, dat men dadelijk de voor 24 uren gereedgemaakte hoeveelheid voedsel over het aantal flesschen, door het kind te gebruiken, verdeelt (in alle flesschen dezelfde hoeveelheid) en deze flesschen, van eene kaoutchouk-sluiting voorzien, in een pan met water, waarvan het oppervlak op gelijke hoogte of iets hooger dan dat van de melk in de flesschen staat, plaatst, om daarin te koken, waarna de fleschjes, uit de pan genomen, afgekoeld en op eene koele plaats bewaard worden. In den handel zijn daarvoor de toestellen, naar Prof. Soxhlet genoemd, te verkrijgen.
In plaats van water, als verdunningsvloeistof, wordt ook wel een afkooksel van rijst of gort gebruikt, terwijl door vele geneesheeren van den aanvang af ook meel wordt toegediend. Deze afkooksels moeten, vooral in den zomer, met het oog op zuur worden, minstens tweemaal per dag bereid worden. (Zie voor recepten: Aanhangsel).
In plaats van rauwe melk gebruikt men somtijds gepasteuriseerde melk, doch aangezien deze niet zeker vrij van bacteriën is, zou men haar eveneens moeten koken, waardoor zij te veel verandert om nog als geschikt voedingsmiddel te mogen gelden. Met goed gevolg, door vele geneesheeren aanbevolen, wordt ook gebruik gemaakt van de zoogenaamde bussenmelk of gecondenseerde melk.
De eenvoudigste flesch is de beste. Zij moet gemakkelijk te reinigen zijn. In den handel komen er voor met eene reeks boven elkander geplaatste streepjes, met de bedoeling daarmede de hoeveelheden af te meten, doch welke het nadeel hebben, dat zij in het glas ingedeukt zijn en dus moeilijk schoon te maken, terwijl de afstanden niet gelijk zijn.
Na het gebruik moet men de flesch dadelijk met koud water uitspoelen en met, liefst gekookt, water gevuld en met een dotje schoone verbandwatten afgesloten, wegzetten. Er is slechts één goed model speen, in den vorm van een handschoenvinger, van zwart of rood kaoutchouk. Men moet haar, met het oog op reiniging, gemakkelijk kunnen omstulpen. Met eene gloeiende naald, welke snel ingestoken en uitgehaald wordt, maakt men er eene opening in, waardoor het vocht slechts druppelsgewijs kan uitloopen. Elke nieuwe speen moet men, voor het gebruik, uitkoken; later is het voldoende haar, van buiten en van binnen, onmiddellijk na het gebruik, in stroomend water te reinigen en in een bakje met zuiver, gekookt, water te bewaren.
Bij het voeden met de flesch moet men zeer voorzichtig zijn, omdat juist hierbij gemakkelijk stoornissen in de spijsvertering optreden. Daarom lette men op sommige dingen, welke wel eens als kleinigheden beschouwd worden.
Men mag de flesch niet bij het kind nederleggen, het den speen in den mond stoppen en dan aan het kind zelf overlaten, hoe het zich redden wil. De moeder, of wie het kind de flesch geeft, moet die in handen houden en het kind, terwijl het op den schoot of in het bedje ligt, voeden; daarbij geduldig zijn en opletten, dat het kind niet te schielijk drinkt. Daarom mag de opening in de speen niet te groot zijn.
Is de opening te groot, dan drinkt het kind de flesch te spoedig leeg. Men kan trachten daaraan te gemoet te komen, door binnen in de speen, tegen de daarin gemaakte opening aan, een stukje schoon hydrophiel gaas of een propje schoone verbandwatten te leggen, zoodat het vocht niet zoo snel uit de opening vloeien kan. Het spreekt vanzelf, dat men dit stop-middeltje, bij het reinigen, moet wegwerpen.
Indien het kind niet naar behooren zuigt, kan de oorzaak daarin gelegen zijn, dat het voedsel te warm of, wat minder vaak voorkomt, te koud is. Aangezien het kind ook voor het leegdrinken van de flesch een twintigtal minuten noodig zal hebben, is het goed om de flesch, teneinde het afkoelen te voorkomen, met een zakje van wol of van eene andere, de warmte slecht geleidende, stof te omhullen.