Part 5
Vooreerst drage de zwangere vrouw zorg, dat de borsten op geenerlei wijze gedrukt worden, tweedens zorge zij voor reinheid, waarbij alle overmaat van wasschingen of afwrijvingen moet vermeden worden. Gewoonlijk wordt aangeraden de tepels, om ze te harden, zooals ’t heet, dagelijks te wasschen met brandewijn, rum, verdunden cognac, rooden wijn, enz., enz., in ’t algemeen met een verdunden alcohol. Als het noodig mocht zijn, behoeft men daarmede niet reeds in den aanvang der zwangerschap te beginnen en kan men zich daarmede in de laatste maanden bezighouden. Het komt mij voor, dat wasschen met frisch en zuiver water evenveel, of evenweinig, het ontstaan van wondjes of kloven in de tepels gedurende het zoogen voorkomen zal, als alle andere tot dat doel aanbevolen middelen. Heeft men zulke middelen aangewend en komen er geen wondjes of kloven in de tepels, dan heet de behandeling van nut te zijn geweest, ontstaan zij wèl dan heet het dat de behandeling niet goed of niet lang of niet flink genoeg is toegepast geworden, treden zij zonder voorafgegane behandeling op, dan kan men het verwijt hooren, dat de tepels niet behandeld waren zooals was aangeraden, komen ze in dat geval niet, dan.... wordt er niet over gesproken. Wanneer er korsten op de tepels aanwezig zijn, doet men goed die week te maken door de tepels in te smeren met zuivere olijfolie, slaolie, vaseline of eenig ander vet, en, na verweeking, den tepel af te wasschen met water en zeep. Het dagelijksch wasschen van de geheele borst, met lauw warm of koel water, heet voor hare ontwikkeling bevorderlijk te zijn.
De pogingen om zoogenaamde vlakke of holle tepels, door het dagelijksch uittrekken of door het dragen van ringen en dergelijke werktuigjes, te verbeteren, heeft nooit het gewenschte gevolg, omdat de oorzaak gelegen is in slechte ontwikkeling van den tepel. Men kwelt daarmede zich zelf en loopt gevaar van infectie.
MEERVOUDIGE ZWANGERSCHAP.
Bij het bespreken van de bevruchting vermeldden wij, hoe eene zaad-cel met een eitje te zamen komende, daarmede versmelt tot één ontwikkelingskiem, waaruit een kind zich ontwikkelen kan. De vrouw zal dan één kind baren. Het is echter bekend, dat eene vrouw niet alleen aan tweelingen, doch zelfs aan drielingen het leven schenken kan. De hoogst enkele mededeelingen, waarin van een nog grooter aantal gewag gemaakt wordt, zullen wij niet in beschouwing nemen.
Onwillekeurig vraagt men zich af, hoe dat komt. Ontstaan uit één bevrucht ei b.v. twee kinderen of komen zij voort uit twee bevruchte eieren? Het antwoord op die vraag luidt, dat beide mogelijkheden voorkomen, waarbij wij op bijzonderheden niet ingaan.
Het ligt voor de hand, dat, wanneer de vrouw zwanger is van meer dan één kind, die kinderen niet alleen meer ruimte vergen, maar die meerdere ruimte zich zal kenbaar maken door snellere toeneming van den omvang van den buik. Dat is vooral waar te nemen van de 5e maand af, zoodat ongewoon groote omvang van het onderlijf moet doen denken aan de mogelijkheid, dat, laat ons maar zeggen, tweelingen aanwezig zijn. De buik ontwikkelt zich daarbij opvallend in de hoogte en in de breedte. De baarmoeder bereikt in de achtste maand reeds de hoogte, welke anders aan het einde der zwangerschap wordt waargenomen. Omstreeks dien tijd, dikwerf ook vroeger, begint dan ook het vermoeden op meervoudige zwangerschap op te komen en wordt dat den geneesheer kenbaar gemaakt met de vraag, of hij daaromtrent eenige zekerheid kan geven. In het algemeen kan, ter geruststelling, wel gezegd worden, dat, wanneer de omvang van den buik aan het einde van de zwangerschap niet meer dan 100 c.M. bedraagt, aan tweelingen niet te denken valt.
De ongemakken gedurende de zwangerschap zijn meestal grooter. Braken, bemoeilijking van urine-loozing en ontlasting zijn sterker, aderspatten treden vroeger op, zoo ook de lastige zwelling der beenen, welke zich eerder uitbreidt over de uitwendige geslachtsdeelen en den buik, zelfs over armen, handen en het gelaat. De ademhaling is bemoeilijkt, de beweging eveneens.
Dikwijls treedt de baring voor het berekende einde der zwangerschap in, gemiddeld in drie vierden der gevallen. De kinderen zijn over ’t algemeen minder ontwikkeld in dien zin, dat het gemiddelde gewicht, zelfs als de zwangerschap haar einde bereikt, beneden dat van het kind bij enkelvoudige zwangerschap blijft, terwijl de lengte van het kind geen afwijking behoeft te vertoonen. Dit geldt voor tweelingen. Bij drielingen betreft de mindere ontwikkeling zoowel lengte als gewicht, waarbij nog komt, dat de zwangerschap, in de helft of meer dan de helft der gevallen, het normale einde niet bereikt. Daarom zijn de levenskansen bij drielingskinderen geringer.
Betrekkelijk zelden hebben tweelingskinderen hetzelfde gewicht, terwijl bij verschillend geslacht de jongen zwaarder is.
Volgens berekening, uit een groot aantal geboorten opgemaakt, komt op 80–89 geboorten een tweeling, op 7500–7900 geboorten een drieling voor.
De neiging tot tweelingsgeboorten is erfelijk. Volgens sommige schrijvers schijnt die erfelijkheid bijna uitsluitend bij tweeëiige tweelingen voor te komen en hebben erfelijke tweelingen menigvuldig verschillend geslacht, omdat zij van twee eieren afkomstig zijn. Ook meent men te hebben opgemerkt, dat, voor het verwekken van tweelingen, de vruchtbaarheid en de ouderdom der ouders in aanmerking komen. De gemiddelde ouderdom is voor den vader 37,5, voor de moeder 33,5 jaar. Terwijl bij éénlingsgeboorten de vruchtbaarheid tot het 25e jaar toeneemt om dan te dalen, is voor de tweelingsgeboorten de verhouding juist omgekeerd, waaruit te verklaren is, dat tweelingmoeders vaak meerbarenden zijn van hoogeren ouderdom. De eigenlijke tweelingsvruchtbaarheid valt tusschen het 30e en 40e jaar.
Het geslacht der tweelingen zou van den betrekkelijken ouderdom der ouders zóó afhangen, dat, als de vader ouder is dan de moeder, gelijkslachtige mannelijke, in het omgekeerde geval vrouwelijke, bij ongeveer gelijken leeftijd ongelijkslachtige tweelingen ontstaan.
Drielingen worden het vaakst geboren uit meerbarenden, vooral in de zesde zwangerschap en latere; eerstbarenden die drielingen ter wereld brengen, zijn meestal oudere vrouwen.
Gewoonlijk zal de geneesheer wel met eenige mate van zekerheid kunnen uitmaken of de vrouw van tweelingen zwanger gaat, en vrage zij, die daar vrees voor koestert, hem liever daarnaar een onderzoek te doen, dan zich aan vaak onnutte angst en bekommering over te geven.
Behalve door aanwezigheid van meer dan één kind, kan de omvang van den buik grooter zijn, dan gewoonlijk beantwoordt aan het tijdstip van de zwangerschap, door eene overmatige hoeveelheid vruchtwater. De sterke uitzetting van den buik gaat dan gepaard met pijn in den buik, in de lendenstreek en in de liezen, met bemoeilijkte ademhaling en trage ontlasting. De buikwand vertoont een matten glans, gewoonlijk wordt urine in geringere hoeveelheid geloosd, braakt de vrouw dikwijls en zijn de beenen en de buikwand zuchtig gezwollen. Juist bij tweelingzwangerschap kan zich dit voordoen.
Algemeen gesproken kan de oorzaak voor eene overmatige hoeveelheid vruchtwater gelegen zijn in het ei en bij de zwangere vrouw, voornamelijk in hart- of nierziekten der laatste.
Wat in dergelijke gevallen te laten of te doen valt, zal de geneesheer te beoordeelen hebben.
MISKRAAM.
Wanneer de zwangerschap voor het einde van de zevende maand wordt afgebroken, spreekt men van miskraam. Zij komt vooral veelvuldig voor in de eerste en in het begin van de tweede maand.
Gewoonlijk gaat het in zoo vroegen tijd der zwangerschap als volgt. Nadat de menstruatie niet op den verwachten tijd is ingetreden, neemt de vrouw aan, dat zij zwanger is. Dan komt het eenigen tijd later tot bloeding, meestal sterker dan gewoonlijk, met wat bloedstolsels vermengd, vergezeld van wat lendenpijn en .... zij meent zich vergist te hebben en dat de „opgestopte” menstruatie te voorschijn is gekomen. De vrouw, die tegen eene zwangerschap opzag, is gerust gesteld en dankbaar dat zij „niet zwanger was”; zij, die in blijde verwachting verkeerde omdat het eindelijk zoover gekomen was, meent dat zij ten onrechte geloofde zwanger te zijn en is bedrukt. Geen van beiden evenwel heeft gelijk, beiden waren zwanger, bij beiden is het bevruchte eitje onbemerkt met de bloeding uitgestooten, beiden hadden een miskraam.
Afgezien van deze gevallen komt miskraam wel het meest voor in de tweede en derde maand, het menigvuldigst in de derde maand. Een groot aantal valt samen met den tijd, waarop de menstruatie had moeten verschijnen, indien geen zwangerschap bestaan had. Vrouwen, die gedurende het zoogen niet menstrueerden en in dat tijdsverloop zwanger werden, vatten gewoonlijk het eerste teeken van de dreigende miskraam, de bloeding, op als de eerste menstruatie welke weder verschijnt.
Het hoofdverschijnsel is, zooals uit het voorgaande blijkt, bloeding, meer of minder sterk, aanhoudend, al of niet in hoeveelheid toenemende, of ook afwisselende met zeer geringe, alleen vlekken gevende bloeding, zelfs eenigen tijd geheel ophoudende. Ten slotte komt dan, ten minste in de tweede en in het begin van de derde maand, het ei gewoonlijk in zijn geheel, vergezeld van krampachtige pijnen in den onderbuik en pijnen in de lenden, te voorschijn. In de latere maanden wordt gewoonlijk de vrucht, die reeds betrekkelijk groot is, onder bloeding en pijnen, die het karakter van weeën dragen, uitgestooten. Dan treedt, wat de pijnen betreft, een korter of langer tijdperk van rust in, doch de bloeding houdt aan en weldra wordt de rest van het ei, als nageboorte, uitgedreven. Naarmate de zwangerschap verder gevorderd was, gelijkt de miskraam dus reeds meer op de baring, waarbij het verschil voornamelijk bestaat in de grootte van vrucht en nageboorte.
Van belang is vooral de bloeding. Zij kan zeer hevig zijn, waarom het in ieder geval aan te raden is den geneesheer te ontbieden. Dat zal te meer noodig zijn, wanneer de miskraam niet zoo geleidelijk gaat als zooeven beschreven werd. Stoornissen toch worden juist hierbij vaak waargenomen, voornamelijk wat de nageboorte, hoe klein die ook wezen moge, betreft. Niet zelden wordt zij niet, òf niet spoedig genoeg, òf niet geheel en al uitgedreven. Dan houdt de bloeding aan en kunnen de in de baarmoeder gelegen overblijfselen van het ei, in rotting overgaande, tot infectie aanleiding geven, met al de gevaren daaraan verbonden. Tijdige behandeling door den geneesheer kan die gevaren voorkomen.
Na elke miskraam is bedrust, als na eene gewone bevalling, noodig.
De oorzaken voor het optreden van miskraam zijn velerlei. Wij zullen die niet alle opnoemen. Behalve ziekelijke aandoening van de vrucht en hare omhulsels, kan men in ’t algemeen zeggen, dat acute ziekten, welke met belangrijke en langdurige temperatuurs-verhooging, dus koorts, gepaard gaan, veelal de zwangerschap afbreken. Onder de chronische ziekten zijn het wel voor het meerendeel hart- en nierziekten, vergevorderde tuberculose en syphilis, welke daartoe leiden, en, onder de plaatselijke ziekten, de infectie met druipergif en de aandoeningen, welke tegenwoordig alom bekend zijn onder den naam van blinde-darmontsteking.
Een groot aantal miskramen is verder te wijten aan ziekte van het slijmvlies der baarmoeder. Het is vooral deze oorzaak, welke veelal miskend wordt, wanneer men miskraam ziet optreden na invloeden, welke van buiten af op het lichaam der zwangere vrouw hebben ingewerkt, zooals belangrijke lichamelijke vermoeienis en inspanning, vallen, stooten, enz., waarover reeds vroeger het een en ander gezegd werd. Ofschoon niet ontkend mag worden, dat daarin wel eens de oorzaak gelegen is, moeten zij toch meestal opgevat worden als de laatste aanleiding, waardoor een miskraam, die anders wat later zou zijn opgetreden, verhaast werd. Dezelfde beschouwing kan worden toegepast op zoogenoemde psychische invloeden, werkingen van het zenuwstelsel, voornamelijk van de hersenen, uitgaande zooals angst, wanhoop, schrik, overspanning, enz. Als oorzaak mag ook gelden veelvuldige en al te hartstochtelijk uitgeoefende geslachtsgemeenschap, b.v. kort nadat het huwelijk gesloten werd.
De middelen ter voorkoming zijn eigenlijk reeds uit deze algemeene opsomming van oorzaken af te leiden. In het algemeen bestaan zij in het volgen van de leefregelen voor de zwangerschap aangegeven. Meer in ’t bijzonder kan van het pogen om een miskraam te voorkomen eigenlijk alleen gesproken worden in gevallen, waarin zwangerschap al een- of meermaal op die wijze afgebroken werd. Behalve dat vooral dan de leefregelen streng moeten gevolgd worden, vermijde de vrouw alle overdaad, iederen overmatigen prikkel, overspanning, vermoeienis, reizen en rijden, onthoude zij zich van het gebruik maken van koude baden of warme zitbaden, van geslachtelijke gemeenschap, drage zij zorg voor doelmatige kleeding, vooral in den winter, voor warme voeten, lette zij zorgvuldig op de voeding en op gemakkelijke, geregelde ontlasting en vrage zij den geneesheer om raad in alles, ook al moge het haar soms minder gewichtig toeschijnen. Of het al dan niet noodig is rust te houden, hoe lang, op welke tijdstippen van den dag of van de zwangerschap, zal hij te beoordeelen hebben.
Ten slotte geven wij dezen raad. Wat ook met de bloeding moge te voorschijn gekomen zijn, alles moet bewaard en den geneesheer getoond worden, omdat hij daaruit steeds een oordeel kan vellen omtrent hetgeen er vóór zijn komst gebeurd is. Maar al te vaak moet deze, op zijn vraag om te mogen zien wat er voor den dag gekomen is, vernemen: „Het is weggeworpen”, met welk antwoord hem, in de meeste gevallen, een uitstekend middel ter beoordeeling van den toestand en van het al of niet noodzakelijke eener ingrijping onthouden wordt. Menige onaangenaamheid zal der vrouw bespaard worden, wanneer zij deze raadgeving ter harte neemt.
De vrucht is bij een miskraam steeds verloren. Zelfs indien zij levend uitgedreven wordt, heeft zij geen levensvatbaarheid, afgezien misschien van eene hoogst enkele uitzondering, bij vergevorderde ontwikkeling, welke voor eene algemeene beschouwing geen waarde heeft.
Anders wordt het, wanneer de zwangerschap na de zevende maand wordt afgebroken. Dan spreekt men van vroeggeboorte en levensvatbaarheid der vrucht. Naarmate de zwangerschap verder gevorderd is, gelijkt de vroegtijdige baring meer op de baring aan het einde der zwangerschap. Dat een te vroeg geboren kind meer zorg vereischt dan een voldragen, is zonder meer duidelijk.
Een verschijnsel dat allicht eenige angst verwekt, is het volgende. Vooral na de zesde maand, doch soms ook wel in de eerste weken der zwangerschap, kan het gebeuren, dat plotseling eene betrekkelijke groote hoeveelheid geel- of rose-gekleurd vocht uit de geslachtsdeelen te voorschijn komt, dat zich nog wel eens op dezelfde wijze herhaalt of eenigen tijd, als druppelsgewijs vochtverlies, blijft aanhouden, terwijl de zwangere zich dan eenigszins onlekker gevoelt. In het algemeen heeft het niets te beteekenen, doch daar het toch niet onmogelijk is, dat de zwangerschap daarna een einde neemt, is het van belang den geneesheer daarvan in kennis te stellen, te meer omdat er eene vergissing in het spel kan zijn en blijken kan, dat het weggeloopen vocht slechts urine was.
DE KRAAMKAMER EN DE BENOODIGDHEDEN VOOR DE BEVALLING.
De eischen, welke aan de kraamkamer gesteld moeten worden, zullen in vele opzichten ongeveer dezelfde zijn als die, welke voor iedere slaapkamer gelden en waaraan, helaas, in vele gevallen nog te weinig de aandacht geschonken wordt. Onbegrijpelijk mag het genoemd worden, dat in vele woningen nog steeds eene ruime, op straat uitziende, kamer wordt ingericht tot salon of zoogenaamde „goeie kamer”, waarin de bewoners hoogst zelden vertoeven en waar allerlei „mooie” meubels worden neergezet, terwijl voor slaapkamer, waarin zij zooal niet den langsten tijd, dan toch een groot deel, van hun leven doorbrengen, een klein vertrek, dat vaak uitziet op eene donkere binnenplaats, in gebruik genomen wordt. Juist het omgekeerde behoort het geval te zijn. Beter geen mooie kamer en eene goede slaapkamer, dan een salon als bergplaats van allerlei moois en eene bedompte slaapgelegenheid. De ruimste en droogste kamer, met uitzicht op het Zuiden of het Zuid-Oosten, waarin de zonnestralen kunnen binnendringen, moet tot slaapkamer worden ingericht. Licht en frissche lucht bevorderen de gezondheid en behooren tot de beste hulpmiddelen om haar te herstellen; duisternis en bedorven lucht benadeelen haar, werken schadelijk op het zenuwstelsel. Waar zon en frissche lucht binnenkomen, is de geneesheer minder noodig.
Dit alles geldt vooral voor de kraamkamer, waarin moeder en kind ook overdag verblijven moeten.
De kamer behoort frisch te zijn. De frischheid wordt bevorderd door luchtverversching, welke behoort te geschieden zonder tocht te veroorzaken. Warme, vooral vochtige, lichaamsdeelen worden door tocht te sterk afgekoeld, wat het lichaam ziek kan maken. Het best zorgt men voor luchtverversching door openingen boven in de ramen, die naar believen kunnen gesloten worden. Waar dat niet mogelijk is, worde het raam opgeschoven en de open ruimte afgesloten met een hor van muskietengaas, waardoor insekten worden geweerd. Op die wijze kan ook des nachts geventileerd worden. Vooral in groote steden is de lucht ’s nachts zuiverder dan overdag. In den winter heeft men dan zorg te dragen voor verwarming van de kamer door middel van een open haard of een kachel, waardoor de ventilatie nog bevorderd wordt. De meerdere kosten voor verwarming mogen geen gewicht in de schaal leggen waar het de gezondheid geldt. Wanneer het bed te dicht bij de ramen mocht staan, of men om andere reden vreest dat de frissche lucht van buiten hinderlijk of gevaarlijk zou kunnen zijn, opene men het raam of de ramen in een aangrenzend vertrek, dat met de slaapkamer in ruime gemeenschap staat, desnoods den doorgang gedeeltelijk afsluitende met een tochtscherm. Petroleumkachels en gaskachels, zonder afvoer naar buiten, zijn uit den booze. Zelfs de beste, de zoogenaamde reukelooze, bederven de lucht in hooge mate. De temperatuur in de kamer schommele hoogstens tusschen 17° en 19° C. (13°–15° R., ± 62°–65° Fahrenheit), doch zij zoo gelijkmatig mogelijk. Voor kinderen, vooral dus daar waar een pasgeborene verblijf houdt, mag de temperatuur iets hooger zijn.
Ook reinheid is een zaak van groot gewicht. Tapijten, zware overgordijnen, portières, stoelen met stoffen bekleeding en franjes, allerhande versieringen, welke stof houden, mogen geen plaats vinden in de kamer, omdat met het stof allerlei ziektekiemen in het lichaam kunnen binnendringen. Dus ook geen overtollige vloerkleedjes. De beste vloerbedekking is linoleum. Het reinigen daarvan behoort zoo te geschieden, dat het eerst wordt afgenomen met een vochtigen doek, opdat het stof niet in de lucht verspreid worde, en daarna gedweild. Stofdoeken, kussens, enz., worden buiten de kamer, niet door het geopende venster, uitgeklopt. Als behangselpapier zij gezondheidspapier, dat met water kan worden gereinigd, aanbevolen.
Ook rustig en aangenaam moet de kraamkamer zijn. Men gebruike haar dus niet als ontvang- of huiskamer. Klepperende ramen kunnen worden vastgezet met houten wiggetjes; scharnieren en sloten van deuren zullen niet knarsen en piepen, wanneer zij zorgvuldig gesmeerd worden.
Zoo zijn er velerlei kleinigheden, welke rust geven en het verblijf aangenaam maken voor haar, die geruimen tijd het slaapvertrek gebruiken moet als verblijfplaats. Tot die kleinigheden behoort ook de keuze van het behang. Geen onrustige patronen daarin, geen schrille kleuren. Het turen daarop werkt op den duur onaangenaam. Daarentegen zullen platen aan den wand, muurborden en dergelijke eene aangename breking geven. Herhaaldelijk viel het mij op, dat juist uurwerken in de slaap-kraamkamer niet loopen of den tijd al heel zonderling aanwijzen. Men bedenke dat ook de kraamvrouw gaarne wil weten hoe laat het is.
De meubileering zij voldoende en eenvoudig. Liefst twee ledikanten, een waschtafel met dubbel waschstel, nachttafeltjes, eenige stoelen, een tafel met zeil bedekt, waaroverheen een schoon servet. Verkiezelijk is ook een zoogenoemde gemakstoel of stilletje en een eet-, lees- of bedtafeltje.
Het ledikant moet zoo geplaatst worden, dat het gemakkelijk van twee kanten toegankelijk is, met het hoofdeinde naar den muur, en wel een zijmuur, gekeerd, midden in de kamer en niet te dicht bij de kachel. Te hooge ledikanten vindt men niet veel, te lage tegenwoordig des te meer. Het beste ledikant is een van ijzer, waarin een spiraalveeren onderstel, gedekt met een matras met paardenhaar gevuld, dus niet te zacht. Veeren bedden zijn te warm, terwijl de kraamvrouw er te diep inzakt. Als bedekking gebruike men een laken en wollen dekens, geen gewatteerde, die te zwaar zijn, en de verdamping van het zweet beletten.
Voor de bevalling dient het bed in orde gemaakt te worden. Op het onderlaken komt een onderlaag van molton te liggen, daarop een stuk hospitaaldoek, aan beide zijden van gummi voorzien, minstens een vierkante meter groot, en daarop, dwars over het bed, een zoogenaamd steeklaken, d.i. een laken overlangs en overdwars dubbel gevouwen, met veiligheidsspelden aan de matras vastgestoken om het verschuiven te beletten. Aanbeveling verdient het een soort matrasje, eveneens ongeveer een vierkante meter groot, van houtwolwatten en gaas vervaardigd en niet te dik, waarin allerlei vocht, dat bij de baring te voorschijn komt, wordt opgevangen en dat, na afloop, wordt weggeworpen, op het steeklaken te leggen.
Daar vaak reeds eenigen tijd voor het berekende einde van de zwangerschap, zonder eenige voorafgaande pijn, het water breekt, d.w.z. de blaas, waarin het kind zich bevindt, scheurt en het vruchtwater zich naar buiten ontlast, is het een verstandige voorzorgsmaatregel, om, ten einde het bed voor onverwacht nat worden te behoeden, reeds eenige weken voor den tijd het hospitaaldoek, b.v. onder het onderlaken, op de matras te leggen.
Zoolang het hospitaaldoek nog ongebruikt blijft, beware men het opgerold op een ronden stok, niet gevouwen. In de vouwen toch breekt het gummi-bekleedsel, laat daar schilfertjes los en verleent het doorgang aan alle vocht, zoodat later blijkt dat de onderliggende laag allerminst beschermd was.
Met deze opmerkingen hebben wij reeds een begin gemaakt met de vermelding van datgene, wat voor de bevalling noodig is. Wij sluiten hierbij een lijst aan van al het andere dat daartoe verder behoort:
GROOTE EN KLEINE VEILIGHEIDSSPELDEN. OUD LINNEN OF MOLTON VOOR ONDERLAGEN. STOP- OF BANDDOEKEN, of kussentjes van watten, in hydrophiel gaas, vervaardigd, om de afscheiding na de bevalling, de zoogenaamde kraamzuivering, op te vangen. SLUITLAKENS, zacht en zoo hoog, dat zij van de ribboog tot over de heupen reiken. Verschillende modellen worden daarvoor aangegeven. EEN ONDERSTEEK VAN EMAIL OF AARDEWERK, zoogenaamd slof-model. WARMWATER-KRUIKEN. VERBANDWATTEN, ZEEP. TWEE FLINKE HANDENBORSTELS. Deze moeten van te voren worden uitgekookt en bewaard worden in een glazen wijdmondsstopflesch gevuld met eene desinfectie-vloeistof, of in een schoonen doek. EEN OF ANDER DESINFECTIE-MIDDEL. Het aangenaamste lijkt mij Lysoform. EEN BAD-THERMOMETER. EEN MAXIMAAL KOORTS-THERMOMETER. EEN GLAZEN HEVELBAK OF IRRIGATOR, met 1½ meter goede slang en twee glazen canules, één voor scheedeuitspoeling en één voor het zetten van lavementen. VETERBAND, niet te breed, rein. FLINKE HOEVEELHEDEN HEET EN KOUD WATER.
Voor het Kind:
EEN BADKUIP. Daarvoor kan ook een groote zinken teil dienst doen. EEN TAFEL, waarop het kind geholpen wordt. EEN BEDJE, waarin een matras van paardenhaar of zeegras, een hoofdkussen gemaakt van paardenhaar, zeegras of varen, niet te groot, niet te dik, niet te zacht; lakentjes en één of twee wollen dekentjes. MOLTON ONDERLAGEN, 30–40 cM2. lang en breed. HOSPITAALDOEK, 50 cM. groot. NAVELBANDEN. Het beste lijkt mij een tricot-windsel ter breedte van 8–10 cM. LUIERS, het best uit badhanddoekengoed. Zij moeten van te voren gewasschen zijn. ZUIVERE OLIJFOLIE, SLAOLIE, VASELINE of eenig ander zuiver vet. TALKPOEDER, witte pijpaarde, vasenol-strooipoeder of alsol-strooipoeder. EEN POEDERBUS. OVERVETTE ZEEP. ZACHTE, KLEINE, GOED UITGEKLOPTE SPONZEN. WARMWATER-KRUIKEN. EENIGE KOMMETJES VAN AARDEWERK. VERKIEZELIJK IS OOK EEN KINDERWEEGSCHAAL. KLEEDEREN.
Omtrent de kleederen zou velerlei kunnen worden opgemerkt. Ik laat dat echter achterwege. Het „pak”, zooals dat oudtijds voor den pasgeborene gebruikt werd, is gelukkig in onbruik geraakt, daar men heeft ingezien, dat lichte, zachte, warme en losse bekleeding, welke gemakkelijk kan worden aan- en uitgetrokken en het kind zooveel mogelijk vrijheid laat voor beweging van armen en beenen, de doelmatigste is.
VOORBEREIDING VOOR DE BEVALLING.
Een zaak van het hoogste belang is reinheid. Daarop kan niet genoeg nadruk gelegd worden. Reinheid is een van de grondslagen waarop de verloskunde van den tegenwoordigen tijd rust, waaraan zij de groote triomfen dankt, welke zij behaald heeft op een van de verschrikkelijkste ziekten, die duizenden moeders ten grave sleepte, de kraamvrouwenkoorts.