Part 12
Er blijkt wel uit, dat het gewicht gedurende de eerste maanden van het leven sterker toeneemt dan later. Hierbij dient opgemerkt dat ook bij gezonde kinderen, zonder dat bepaald stoornissen zijn aan te toonen, belangrijke verschillen kunnen voorkomen, en dat toch ten slotte het gewicht aan het einde van het eerste levensjaar ongeveer voor allen gelijk is. Het gewicht van den zuigeling is dan ook niet het eenige, waarmede men rekening heeft te houden bij de beoordeeling van de ontwikkeling en de gezondheid van het kind. Sommige kinderen nemen snel in gewicht toe, doch zien er bleek uit, hebben een slappe huid, weinig uitdrukking in de oogen en blijven slap; andere nemen langzamer in gewicht toe, doch gedijen overigens goed en hebben eene uitstekende gezondheid.
De getallen zijn door mij berekend in grammen per week.
Volgens de aangehaalde schrijvers zou het gezonde kind gemiddeld per week aan gewicht toenemen:
========================================================================================================================= in de | 1e | 2e | 3e | 4e | 5e | 6e | 7e | 8e | 9e | 10e | 11e | 12e | maand. ---------------------+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+--------------------------- Biedert (1914) | 217 | 224 | 175 | 175 | 133 | 119 | 119 | 98 | 119 | 49 | 91 | 91 | gr. (Corn. de Lange). Kouwer (1911) | 187 | 187 | 187 | 187 | 125 | 125 | 125 | 125 | 125 | 62 | 62 | 62 | ,, Bouchaud | 175 | 161 | 154 | 140 | 126 | 119 | 105 | 91 | 84 | 70 | 56 | 56 | ,, } Fleischmann | 245 | 214 | 196 | 154 | 126 | 91 | 84 | 70 | 70 | 63 | 56 | 42 | ,, } (Lassablière 1913). Peterson | 245 | 203 | 175 | 112 | 105 | 77 | 70 | 84 | 84 | 98 | 56 | 63 | ,, } Variot | 161 | 161 | 161 | 161 | 161 | 84 | 84 | 84 | 84 | 84 | 84 | 84 | ,, } Auvard (1917) | 175 | 175 | 175 | 140 | 140 | 140 | 105 | 105 | 105 | 70 | 70 | 70 | ,, Donnadieu (1916) | 175 | 161 | 161 | 161 | 140 | 140 | 126 | 126 | 84 | 84 | 84 | 56 | ,, Nobécourt (1914) | 175 | 175 | 175 | 168 | 140 | 126 | 112 | 91 | 84 | 70 | 70 | 56 | ,, Engel en Baum (1913) | 203 | 196 | 182 | 168 | 140 | 119 | 105 | 105 | 98 | 49 | 105 | 105 | ,, Camerer en Fehr | 203 | 189 | 168 | 112 | 105 | 77 | 91 | 91 | 84 | 91 | 63 | 77 | ,, (Langstein-Meyer 1914). Czerny | 203 | 189 | 168 | 112 | 105 | 77 | 91 | 91 | 84 | 91 | 63 | 77 | ,, (E. Gorter 1914). Tugendreich (1914) | 175 | 175 | 175 | 91 | 91 | 91 | 91 | 91 | 91 | 84 | 84 | 84 | ,, Meyer-Rüegg (1915) | 175 | 190 | 170 | 160 | 130 | 110 | 100 | 125 | 145 | 100 | 99 | 99 | ,, Bendix (1916) | 210 | 210 | 210 | 126 | 126 | 126 | 84 | 84 | 84 | 56 | 56 | 56 | ,, =========================================================================================================================
Het beste bewijs van goed gedijen is een regelmatig toenemen van het lichaamsgewicht, ook al gaat het in den beginne langzaam. Toch mag men, in ’t algemeen, met een, zij het dan ook regelmatig, toenemen in gewicht van 100 grammen per week, gedurende de eerste maanden, niet heelemaal tevreden zijn.
Om ongeveer te berekenen of het gewicht overeenkomt met het normale gewicht, dat is het gewicht dat men als normaal voor den zuigeling op een bepaalden tijd, zeg in eene bepaalde maand, aanneemt, vermenigvuldige men het ranggetal van de levensmaand in het eerste halfjaar met 600, in het tweede halfjaar met 500 en telle het gewicht, bij de geboorte waargenomen, daarbij op.
In de 6e levensmaand zal dus een kind, dat bij de geboorte 3000 grammen woog, ongeveer moeten wegen 6 × 600 + 3000 = 6600 grammen; aan het einde van het eerste levensjaar 12 × 500 + 3000 = 9000 grammen. Dit komt overeen met het ervaringsfeit, dat na het eerste halfjaar het gewicht bij de geboorte gevonden verdubbeld is, aan het einde van het eerste jaar driemaal zooveel bedraagt.
Om het juiste gewicht te verkrijgen, moet men het kind steeds in dezelfde omstandigheden en op hetzelfde tijdstip van den dag wegen.
Ook voor de hoeveelheid zog, welke een zuigeling geacht wordt noodig te hebben voor groei en ontwikkeling, heeft men getracht cijfers te geven, welke dan de hoeveelheid aangeven, waarboven hij niet gaan en waaronder hij, in het algemeen, niet blijven mag.
De hoeveelheid zog, welke bij iederen maaltijd genomen wordt, kan belangrijk verschillen. Zij hangt o.a. af van de hoeveelheid zog door de borst geleverd, van den toestand der tepels, van de kracht waarmede het kind zuigt en van zijne behoefte aan voedsel.
In de laatste jaren wordt van vele zijden beweerd, dat elke moeder, die dat wil, haar kind kan zoogen. Ongetwijfeld ware het te wenschen, dat deze bewering juist was en zeker is het, dat veel meer moeders, indien zij slechts wilden, althans geruimen tijd hare kinderen het natuurlijke voedsel zouden kunnen geven, doch de ervaring leert, dat ook in dit opzicht de natuur niet volmaakt is. Dat is jammer genoeg, maar men mag de feiten niet wegdoezelen terwille van welke theorie ook. Ieder geneesheer zal kunnen verhalen van moeders, die met de grootste opoffering tevergeefs trachtten haar kind het natuurlijke voedingsmiddel te geven. Blijkt aan den eenen kant, dat somtijds met te weinig volharding de borstvoeding beproefd wordt, aan den anderen kant is het buiten kijf, dat in vele gevallen de poging te lang wordt voortgezet. Dit neemt evenwel niet weg, dat iedere moeder beginnen moet met die poging en haar alleen noodgedwongen zal mogen opgeven. Ook als het kind slechts eenige weken of maanden de moedermelk, zij het ten deele, kan verkrijgen, zal het daarvan niet te miskennen voordeelen genieten.
In het algemeen kan men zeggen, dat de zuigeling eene bepaalde hoeveelheid voedsel en dus bij borstvoeding eene bepaalde hoeveelheid zog voor zijne ontwikkeling noodig heeft. Hoe groot die hoeveelheid zijn moet, hangt voornamelijk af van de gesteldheid van het kind, en daarom zal men ook slechts zeer in het algemeen cijfers kunnen aangeven, welke niet meer dan eene betrekkelijke waarde hebben.
De hoeveelheid per maaltijd genomen heeft geen waarde, omdat die, zooals reeds gezegd, belangrijk verschillen kan. Daarom is het beter de hoeveelheid te becijferen, welke voor een tijdvak van 24 uren als gemiddelde kan gesteld worden. Die hoeveelheid heeft men berekend, door een groot aantal borstkinderen telkens voor en na den maaltijd te wegen en de getallen, op die wijze in 24 uren verkregen, bij elkander te tellen. Bij die wegingen is alweder gebleken, dat er vrij belangrijke verschillen bestaan, doch het groote aantal berekeningen heeft geleid tot het vinden van eenige gemiddelden, waaraan men ten minste eenig houvast heeft.
Ik laat hier een paar opgaven volgen van hoeveelheden per maaltijd en in 24 uren gedronken door kinderen uit mijne praktijk, waarin de verschillen duidelijk uitkomen.
H. L. jongen, 27 Augustus 1914 geboren op het einde van de 8e zwangerschapsmaand.
27 en 28 Augustus nam het kind niets of zeer weinig.
Per maaltijd. | In 24 uren. | 29 Augustus 15, 10, 15, 15 gr. | 55 gr. 30 ,, 15, 15, 15, 10, 15, 30, 35, 20 ,, | 155 ,, 31 ,, 35, 20, 20, 20, 20, 30, 15 ,, | 160 ,, 1 Sept. 25, 40, 25, 20, 30, 50, 60 ,, | 250 ,, 2 ,, 50, 45, 30, 40, 40, 65, 70 ,, | 340 ,, 3 ,, 60, 50, 50, 50, 50, 60, 60 ,, | 380 ,, 4 ,, 70, 60, 35, 70, 50, 80, 60 ,, | 425 ,, 5 ,, 75, 70, 60, 30, 60, 50 ,, | 345 ,, 6 ,, 60, 80, 60, 80, 80, 75 ,, | 435 ,, 7 ,, 70, 70, 70, 65, 90, 70 ,, | 435 ,, 8 ,, 80, 80, 90, 70, 70, 65 ,, | 455 ,, 9 ,, 60, 80, 65, 40, 100, 70 ,, | 415 ,, 10 ,, 70, 70, 90, 60, 90, 80 ,, | 460 ,, 11 ,, 80, 80, 90, 70, 70, 70 ,, | 460 ,, 12 ,, 40, 40, 60, 40, 40 ,, | 220 } maag- 13 ,, 60, 60, 40, 50, 45 ,, | 255 } stoornis 14 ,, 40, 50, 60, 30, 60 ,, | 240 } bij de 15 ,, 60, 60, 50, 60, 60 ,, | 290 } moeder. 16 ,, 30, 35, 90, 60, 60, 50 ,, | 325 ,, 17 ,, 90, 60, 65, 80, 90 ,, | 385 ,, 18 ,, 90, 80, 70, 70, 85, 90 ,, | 485 ,, 19 ,, 100, 80, 75, 70, 75, 90 ,, | 490 ,, 20 ,, 85, 110, 55, 90, 85, 95 ,, | 520 ,, 21 ,, 90, 80, 75, 100, 95, 95 ,, | 535 ,, 22 ,, 100, 105, 110, 50, 95, 70 ,, | 530 ,, 23 ,, 120, 85, 85, 70, 75 ,, | 435 ,, 24 ,, 125, 105, 70, 50, 65, 60 ,, | 475 ,, 25 ,, 70, 100, 70, 55, 55, 60 ,, | 410 ,, 26 ,, 70, 90, 90, 70, 80, 65, 75 ,, | 540 ,, 27 ,, 65, 90, 65, 65, 70, 90 ,, | 455 ,, 28 ,, 80, 70, 75, 70, 75, 70, 75 ,, | 515 ,, 29 ,, 95, 80, 80, 65, 75, 85 ,, | 480 ,, 30 ,, 110, 80, 90, 80, 95, 80 ,, | 535 ,,
Meisje, H. G., 13 Maart 1915 geboren op het einde van de 8e zwangerschapsmaand.
Het kind begon eerst op 18 Maart te zuigen. Voor dien tijd kreeg het zog, uit de borst gekolfd, met een lepeltje.
Per maaltijd. | In 24 uren. | 18 Maart 25, 25, 20, 35, 40 gr. | 145 gr. 19 ,, 25, 35, 40, 15, 45, 10, 20 ,, | 190 ,, 20 ,, 30, 35, 25, 25, 40, 40, 40 ,, | 235 ,, 21 ,, 50, 30, 50, 40, 50, 55 ,, | 275 ,, 22 ,, 60, 50, 40, 35, 40, 55 ,, | 280 ,, 23 ,, 60, 45, 55, 55, 55, 50 ,, | 320 ,, 24 ,, 55, 40, 65, 55, 40 ,, | 255 ,, 25 ,, 60, 65, 60, 55, 55 ,, | 295 ,, 26 ,, 40, 30, 35, 55, 30, 75 ,, | 265 ,, 27 ,, 60, 45, 60, 55, 20, 50 ,, | 290 ,, 28 ,, 65, 60, 70, 50, 60 ,, | 305 ,, 29 ,, 85, 65, 70, 60, 65, 75 ,, | 420 ,, 30 ,, 55, 65, 70, 70, 70 ,, | 330 ,, 31 ,, 80, 50, 60, 95, 75 ,, | 360 ,, 1 April 70, 60, 70, 50, 70, 85 ,, | 405 ,,
Meisje, S. E. K., geboren 16 Augustus 1915.
Per maaltijd. | In 24 uren. | 18 Augustus 25, 25, 25 gr. | 75 gr. 19 ,, 60, 60, 50, 45 ,, | 215 ,, 20 ,, 55, 60, 50, 95, 80, 100 ,, | 440 ,, 21 ,, 60, 120, 70, 95, 90 ,, | 435 ,, 22 ,, 105, 90, 105, 100, 110 ,, | 510 ,, 23 ,, 105, 110, 75, 120 ,, | 400 ,, 24 ,, 130, 100, 100, 110, 120 ,, | 560 ,, 25 ,, 120, 140, 90, 100, 90 ,, | 540 ,, 26 ,, 120, 120, 120, 80, 90 ,, | 530 ,, 27 ,, 120, 110, 110, 110, 110 ,, | 560 ,, 28 ,, 115, 125, 130, 95, 90 ,, | 555 ,, 29 ,, 120, 130, 105, 95, 90 ,, | 540 ,, 30 ,, 120, 120, 160, 110 ,, | 510 ,, 31 ,, 115, 170, 150, 85 ,, | 520 ,, 1 Sept. 120, 120, 105, 130 ,, | 475 ,, 2 ,, 150, 100, 110, 130, 110 ,, | 600 ,, 3 ,, 130, 115, 120, 145, 30 ,, | 540 ,, 4 ,, 135, 110, 90, 120, 125, 70 ,, | 650 ,, 5 ,, 140, 130, 110, 120 ,, | 500 ,, 6 ,, 125, 120, 120, 85, 115 ,, | 565 ,, 7 ,, 125, 125, 125, 140, 50 ,, | 565 ,, 8 ,, 130, 100, 150, 120 ,, | 500 ,, 9 ,, 160, 155, 100, 90, 40 ,, | 545 ,, 10 ,, 105, 70, 110, 70, 85 ,, | 440 ,, 11 ,, 150, 135, 150 ,, | 435 ,, 12 ,, 140, 125, 130, 110 ,, | 505 ,, 13 ,, 125, 115, 105, 140 ,, | 485 ,, 14 ,, 145, 115, 145, ? ,, | 405+? ,, 15 ,, 140, 115, 130, 165 ,, | 550 ,, 16 ,, 150, 110, 145, 150 ,, | 555 ,, 17 ,, 120, 180, 110, 165 ,, | 575 ,, 18 ,, 130, 130, 150, 130 ,, | 540 ,, 19 ,, 120, 135, 130, 140 ,, | 525 ,, 20 ,, 140, 140, 160, 170 ,, | 610 ,, 21 ,, 110, 130, 130, 120, 120 ,, | 600 ,, 22 ,, 120, 110, 70, 140 ,, | 440 ,, 23 ,, 105, 185, 140, 80, 130 ,, | 640 ,, 24 ,, 125, 130, 110, 160 ,, | 525 ,, 25 ,, 140, 170, 130, 90, 120 ,, | 650 ,, 26 ,, 160, 165, 125, 140 ,, | 590 ,, 27 ,, 145, 130, 140, 70 ,, | 485 ,, 28 ,, 160, 90, 100, 170, 130 ,, | 650 ,, 29 ,, 140, 100, 165, 125, 130 ,, | 660 ,, 30 ,, 130, 170, 100, 150 ,, | 550 ,,
Meisje, M. A., geboren 7 October 1914,
Per maaltijd. | In 24 uren. | 9 Oct. 20, 30 gr. | 50 gr. 10 ,, 30, 60, 50, 55, 60 ,, | 255 ,, 11 ,, 60, 50, 50, 55, 70, 60 ,, | 345 ,, 12 ,, 80, 60, 100, 95 ,, | 335 ,, 13 ,, 100, 110, 70, 80, 95 ,, | 455 ,, 14 ,, 90, 90, 40, 90, 60, 80 ,, | 450 ,, 15 ,, 100, 80, 80, 90, 80 ,, | 430 ,, 16 ,, 115, 90, 70, 100, 120 ,, | 495 ,, 17 ,, 110, 120, 105, 100 ,, | 435 ,, 18 ,, 110, 120, 90, 90, 80, 105 ,, | 595 ,, 19 ,, 160, 90, 120, 70, 80 ,, | 520 ,, 20 ,, 60, 120, 120, 100, 130, 110 ,, | 640 ,, 21 ,, 110, 130, 100, 75, 110, 80 ,, | 605 ,, 22 ,, 150, 140, 110, 130, 100 ,, | 630 ,, 23 ,, 110, 120, 120, 180, 80 ,, | 610 ,, 24 ,, 130, 120, 150, 130, 100 ,, | 630 ,, 25 ,, 140, 120, 115, 80, 100, 100 ,, | 655 ,, 26 ,, 140, 130, 90, 140, 130, 110 ,, | 740 ,,
Het noemen van cijfers komt mij dan ook niet gewenscht voor, omdat de moeder daaraan allicht te veel waarde hecht, maar met een enkel woord kan wel worden aangegeven, op welke eenvoudige wijze men ongeveer kan nagaan, hoe groot de hoeveelheid gemiddeld zijn moet.
Neemt men voor de hoeveelheid aan het einde van de 8ste week als grondgetal 800 grammen aan, dan trekke men van dit getal voor iedere voorafgaande week 50 grammen af en telle voor iedere volgende maand 50 grammen daarbij op, b.v.
in de 4e week 600 gr. ,, ,, 5e ,, 650 ,, ,, ,, 6e ,, 700 ,, ,, ,, 7e ,, 750 ,, ,, ,, 8e ,, 800 ,, ,, ,, 12e ,, 850 ,, ,, ,, 16e ,, 900 ,, ,, ,, 20e ,, 950 ,, ,, ,, 24e ,, 1000 ,,
Volgens eene andere berekening verkrijgt men het gemiddelde, door in het eerste kwartaal het lichaamsgewicht van den zuigeling, in kilogrammen, te vermenigvuldigen met 150, in het tweede kwartaal met 140, in het derde kwartaal met 125.
Volgens eene derde berekening drinkt een gezonde pasgeborene op den 3en dag gemiddeld 100 grammen, den 6en dag 300–350 gr., den 10den dag 400–450 gr. en later ongeveer ⅙ van zijn lichaamsgewicht.
Men bedenke hierbij steeds, welke beteekenis aan een „het gemiddelde” aangevend cijfer te hechten is. Geen enkel kind zal zich daaraan houden, maar het cijfer geeft, in het algemeen, de hoeveelheid aan waarmede men tevreden zijn kan.
Wij komen nu vanzelf tot de vraag of een zuigeling, bij de voeding aan de borst, te veel of te weinig voedsel krijgen kan.
Beide gevallen zijn mogelijk, hoewel men toch wel zeggen kan, dat, onder normale omstandigheden, dus wanneer er geen wanverhouding bestaat tusschen de borst en de kracht waarmede het kind zuigt, van een te veel, van overvoeding, niet licht sprake zijn zal. De ervaring heeft mij geleerd, dat, indien men, zooals ik hierboven aangaf, in den beginne het kind vrijlaat in het kiezen van zijn maaltijd, voor overvoeding geen vrees behoeft te bestaan.
Dat een kind, als het na een behoorlijken tijd van slapen zijn maaltijd genomen heeft, wel eens wat teruggeeft van het genomene, is nog geen bewijs, dat het te veel gedronken heeft. Er zijn kinderen die men „luchtslikkers” noemt, en dat luchtslikken kan vooral voorkomen bij kinderen, die gulzig drinken. Als zij dan hunnen maaltijd genoten hebben, komt de luchtbel, die zich in de maag gevormd heeft, wel eens voor den dag, waarbij dan tevens eene hoeveelheid zog te voorschijn komt. Die luchtbel kan de oorzaak zijn, dat een kind, na genoten maaltijd, hoewel voldoende gevoed, onrustig is en niet inslaapt. Daarom is het aan te raden zulke kinderen gedurende het voeden, of daarna, een oogenblikje rechtop te houden, opdat de luchtbel ontwijken kan.
Intusschen mag ik niet verzwijgen, dat door verschillende schrijvers een ziektebeeld van overvoeding aan de borst geteekend wordt, al zeggen ook velen, dat, althans praktisch, eene overvoeding van het borstkind niet voorkomt.
Vermoedelijk is dan, volgens sommigen, de overvoeding minder te wijten aan het te veel gebruiken gedurende de maaltijden, dan wel aan het te vaak aanleggen van het kind. Dit zal in gewone omstandigheden niet veelvuldig voorkomen, maar het kan gebeuren als de moeder, telkens wanneer het kind mocht huilen of onrustig is en daarbij voortdurend de vingers in den mond steekt en daarop zuigt, zich verbeeldt dat het honger heeft, zonder na te gaan of er misschien een andere reden voor die onrust bestaan kan. Oorzaken van onrust toch zijn er vele in het leven van den zuigeling, als: het liggen in een natte luier, ongemakkelijke houding, welke hijzelf niet veranderen kan, te nauw sluitende kleeding, te warm gedekt zijn of te koud liggen, insectenbeten, blaasjes in den mond, verstopte neus, gesmet zijn aan de billen of in plooien van de huid, een scheurtje in de aarsopening enz.
Behalve in het te vaak aanleggen kan, naar men zegt, de oorzaak van overvoeding ook gelegen zijn in eene te overvloedige afscheiding van zog, vooral „lekkende borst”, waarbij voortdurend zog uit de borst druppelt. Dit komt, althans in belangrijken graad, niet zoo heel dikwijls voor. Om het nat worden der kleederen tegen te gaan, kan men de borsten bedekken met eene of andere stof, welke gemakkelijk vocht opslorpt, b.v. zachte doeken, de borsten bedekken met een zogglas, waarin eene opening door welke de tepel heen steekt, zoodat het zog wordt opgevangen, en de borsten opbinden. Tegen de „lekkende borst” is geen afdoend middel bekend.
In den beginne, aldus het geschetste ziektebeeld, spuwt het kind in den regel na den maaltijd eene kleine of grootere hoeveelheid zog (let op de luchtslikkers), hetgeen, als het niet te lang duurt, niet hindert, omdat juist daardoor het kind zich van het te veel genomene ontdoet. Daarbij komt dan, dat het kind niet zoo kalm slaapt, spoedig wakker wordt, aan de borst gelegd wel zuigt en somtijds daarna rustig wordt, doch niet voor langen tijd. Dat onrustig zijn gaat dan vaak over in schreeuw- of gilbuien, soms onder het zuigen, terwijl de buik opgezet is en het kind hoorbaar winden loost, om daarna voor enkele oogenblikken rustiger te zijn.
Indien er dadelijk na den maaltijd gestremde melk of, na eenigen tijd, eene waterheldere, zuur riekende, witte stukjes en slijm bevattende, vloeistof te voorschijn komt, moet men eene stoornis in de spijsvertering vermoeden.
De ontlasting komt, soms vaker, dun en schuimend, met geruisch voor den dag; de omgeving van de aarsopening en de billen worden rood, de reuk is sterk zuur. Er kan echter ook verstopping bestaan, waarbij de ontlasting nog normaal gekleurd is en de gewone vastheid heeft, doch na eenigen tijd eene groene kleur of gele kleur met groenen rand vertoont, waarin kleine witte stukjes en slijmdraden te zien zijn.
De eetlust wordt minder, het gezicht bleeker, de huid slapper; het lichaamsgewicht blijft, na aanvankelijk soms sterk te zijn toegenomen, op dezelfde hoogte staan, vermindert of schommelt—bij dagelijks wegen na te gaan—in dezen zin, dat plotseling toenemen in gewicht afwisselt met plotseling dalen.
Een kind kan ook te weinig voedsel krijgen. De verschijnselen hiervan, welke in het ziektebeeld beschreven zijn, vertoonen zoovele punten van overeenkomst met die van overvoeding, dat het vooral voor een niet-geneeskundige de grootste moeite oplevert, om uit te maken waarmede men te maken heeft. Sommige kinderen lijden aan slapeloosheid, zijn onrustig, schreeuwen spoedig na den maaltijd, drinken telkens als men hen aan de borst legt; de meeste doen juist het tegenovergestelde, zijn bijzonder rustig, zelfs slaperig. De ontlasting kan weinig stof bevatten, bruin tot groen van kleur, slijmig en taai zijn en om de twee of drie dagen komen, doch meestal is zij dun, in den beginne nog lichtgeel, vaak slechts als eene groene vlek in de luier, of nog geel met groene vlekken, al of niet met slijm gemengd. Indien deze ontlasting werkelijk als een verschijnsel van ondervoeding optreedt, wordt zij na toediening van meer voedsel onmiddellijk of al heel spoedig beter. De urine-loozing is verminderd, zoodat de luiers niet flink nat zijn.
Ook hierbij worden de billen en de omgeving van de aarsopening rood en smetten, treden puistjes op, wordt de huid bleeker en, bij vermagering, te ruim. Dit laatste wijst er reeds op, dat ook met betrekking tot het lichaamsgewicht iets valt op te merken en wel, dat het toenemen onvoldoende blijkt of dat het tot stilstand komt en, bij belangrijke ondervoeding, overgaat in het tegenovergestelde, dus afneemt. Vaak kan men, vóór het wegen, opmerken, dat het kind reeds in den aanvang van het zuigen vele zuigbewegingen maakt voor het slikt.
Hoe onvolledig ook, bespeurt men uit deze schildering, dat niet gemakkelijk uit de verschijnselen is op te maken waarmede men te doen heeft. Het voornaamste punt, waarop men te letten heeft, is wel het lichaamsgewicht en het bepalen van de hoeveelheid van het in 24 uren door den zuigeling genomen voedsel, waarbij vergelijking met de boven als gemiddeld aangegeven benoodigde hoeveelheid zog haar nut heeft.
De moeder zij, ingeval er vermoeden van ondervoeding bestaat, voorzichtig met het vermeerderen van de hoeveelheid voedsel, hetgeen geschieden kan door het vermeerderen van het aantal maaltijden, als dat te klein mocht blijken, of door het geven van bijvoeding naast de borst. (Zie: Gemengde voeding).