Chapter 19 of 22 · 3979 words · ~20 min read

Part 19

Hier hebben wij den overgang tot sympathetische middelen. Zooeven noemde ik reeds omtrent sympathie het een en ander, toen ik sprak van het verbod van knoopen, weven, enz. Niets mag bij de baring gesloten wezen, anders opent de baarmoeder zich niet. Daarom mag ook de barende de handen niet vouwen; zij moet den gordel—als zij dien draagt—afleggen. Alle sloten en deksels, soms ook alle deuren, enz. moeten geopend worden. Dr. G. F. Most schrijft 1844 in „De sympathetische middelen en geneeswijzen”: „De voor eenige jaren alhier (’s-Hertogenbosch) gestorven vroedmeester Dr. D...... plag, volgens de methode der oude vroedvrouwen, wanneer eene barende zijne hulp inriep, terstond bij zijn intreden in de kamer, te vragen, of wel alle koffers, kisten, kasten, enz. in het huis openstonden; was dit niet het geval, dan moest het oogenblikkelijk geschieden.” Most zelf zegt, dat hij dit middel, om psychisch af te leiden en om contractiones uteri, waarmede hij wel kramp van de baarmoederspier zal bedoelen, te doen verdwijnen, dikwijls met goed gevolg heeft aangewend.

Dit middel is No. 85 van de recepten, welke bij zware verlossingen werden aangegeven. No. 83 en 84 luiden aldus. No. 83: „Neemt twee schijven van witten leliewortel en geef dezelve aan de barende te eten; dit drijft de vrucht benevens de nageboorte ongeschonden af.” N°. 84: „Neemt 2 hoendereyeren, laat dezelve op de gewone wijze koken en geeft de vrouw eenige lepels van het water waarin de eyeren gekookt zijn, in; dit drijft de vrucht af, zelfs al ware de vrouw reeds in acht dagen in barensnood geweest, en het kind gestorven of reeds tot verrotting overgegaan.”

Hij voegt daaraan het volgende toe. „De eyeren zijn reeds geboorte, en deelen derhalve aan het water waarin zij gekookt zijn, en daardoor van hunne kracht tot verdere ontwikkeling beroofd worden, deze vis et efficacitas mede om zelfs de levende of doode vrucht des menschen uit te drijven. Het spreekt van zelf, dat dergelijke onschuldige middelen, als het eyerwater, slechts in ligte gevallen, waar door geene mechanische hinderpalen de geboorte vertraagd wordt, mogen worden aangewend; ofschoon dezelve dan ook slechts psychisch door het vaste geloof aan dezelve krampstillend werken; in zware gevallen echter mag men zich volstrekt niet op dezelve verlaten, maar zoo spoedig mogelijk een goeden vroedmeester tot hulp roepen.”

Gelukkig dat hij dit laatste er bijgevoegd heeft.

Tot deze groep van middelen behoort ook het doen eten, door een dier of mensch, uit den schoot der vrouw, opdat het kind even gemakkelijk te voorschijn kome, als het voedsel van daar wordt weggenomen. Eveneens is hiertoe te rekenen het medeklagen van vrouwen en andere middelen, die op den geest werken, zooals muziek, gezang, het verschrikken der vrouw, en nog vele andere.

Met de bedoeling onmiddellijk invloed op het kind uit te oefenen, laat men b.v. geldstukken klinken, om het kind te lokken, of iets of iemand dansen, opdat het kind eveneens beginne te dansen en uit het moederlijke lichaam danst. Somtijds moet ook de vader dicht bij den schoot der barende komen en dan vlug wegloopen, dan zal het kind trachten hem te volgen. Als lokmiddel voor het kind dient ook het aankleeden van een pop, met de kleederen van den echtgenoot.

Hieruit blijkt, dat de meening heerscht, en zeker is dit eene welke nog dikwijls wordt uitgesproken, dat het kind, zoo niet geheel, dan toch voor een groot gedeelte, medewerkt om geboren te worden. Wij kunnen dan ook herhaaldelijk opmerken, dat een langdurige en moeilijke arbeid, wanneer daarbij een dood kind ter wereld komt, als zeer natuurlijk beschouwd wordt, omdat „het doode kind niet kon medewerken”.

Ook deze meening grondt zich op de leer van Hippocrates. Deze leer bestaat in de opvatting, dat het op tijd intreden der geboorte zijn oorzaak vindt in gebrek aan Voedsel voor het kind, omdat het moederlijke organisme niet meer aan de behoefte van het kind voldoen kan.

De uittreding van het kind is dus actief. Wanneer de baring op til is, begint het kind te bewegen, met handen en voeten te trappelen en een der inwendige vliezen te verbreken. Daarop scheuren de andere, welke zwakker zijn; het kind is van zijne boeien ontslagen en treedt in heftige beweging naar buiten. Geen macht houdt het meer vast, als de vliezen bezwijken; ook de baarmoeder kan het niet meer tegenhouden.

Voor de school van Hippocrates was dus de spierkracht van het kind alles, of liever bijna alles, wat natuurlijk moeilijkheden gaf bij de verklaring van het uitdrijven van doode vruchten en miskraam. Toch werd ook aan de werkzaamheid van de baarmoeder gedacht. Men trachtte toch, bij staking der baring, de pijnen in de baarmoeder, dus de weeënwerkzaamheid, aan te zetten, hetzij door het bestrijken van den baarmoedermond met eene zalf, hetzij door het toedienen van bepaalde spijzen en dranken. Ook de buikpers was niet onbekend en de kracht daarvan trachtte men door niesmiddelen te versterken. Duidelijker en met bewustheid heeft Galenus zoowel de werkzaamheid der baarmoeder als de buikpers beschreven. Hij zegt, dat, als de baarmoedermond geheel ontsloten is, de barende moet opgewekt worden het kind uit te drukken.

De pijnen bij de baring worden toegeschreven aan de drukking, welke het kind op de moederlijke deelen uitoefent, en aan de rekking, die deze laatste ondergaan, doordien het kind zich door eigen kracht een weg baant.

Vinden wij dus eene verklaring van de zooeven genoemde tegenwoordige leekenopvatting, dat het kind zelf den arbeid verricht, in de oude geneeskundige opvatting, hetzelfde geldt omtrent eene andere meening, betrekking hebbende op de levensvatbaarheid der kinderen in zevende of achtste maand geboren. Doch daarover straks.

Algemeen is nog het denkbeeld verbreid, dat de moederkoek tot stoel dient voor het kind. Mij ten minste kwam het menigmaal voor, niet dat het als waar verteld werd, maar dat mij—en wel door ontwikkelde personen—gevraagd werd, òf het waar is. Daarbij neemt men dan aan, dat het kind op de moederkoek zit, de armen over de borst gekruisd en de handen onder de kin, om het hoofd te steunen. Hiermede hangt dan samen de meening, dat op een bepaald tijdstip van de zwangerschap het kind zich omdraait of buitelt (de Culbute), zoodat het hoofd naar beneden komt te liggen. Het zakken van den baarmoederbodem wordt dan als bewijs genomen, dat de buiteling heeft plaats gevonden.

Hiermede komen wij van zelf tot de straks even aangeroerde meening, dat een zevenmaandsch kind veel beter in leven blijft dan een achtmaandsch, omdat de zevenmaandsche dracht natuurlijker is dan de achtmaandsche.

De ligging van het kind, volgens Hippocrates, geeft ook hier weder licht. Zijne opvatting was, dat alle kinderen zich, in overeenstemming met den groei der planten, met het hoofd naar boven ontwikkelen. In de ligging met het bekkenuiteinde vóór worden de kinderen eerst bevestigd door de vliezen, welke van den navel uitgaan, totdat zij in de 7e maand deze bevestigingsmiddelen verbreken en de vliezen rondom verscheuren. Daarop verandert het kind van plaats, d.w.z. komt het met het hoofd naar beneden te liggen. Dit omdraaien van het nu van zijn bevestigingsmiddelen bevrijde kind, wordt toegeschreven aan de werking der zwaartekracht. De boven den navel van het kind gelegen deelen zijn de zwaarste en de hoofdligging komt tot stand, doordien de werking van de zwaartekracht op het hoofd overweegt.

„Ofschoon onjuist”, zegt Fassbender, „bleef deze leer van de ombuiteling of zelfkeering van het kind gedurende een tweeduizend tal jaren in de verloskunde van alle kultuurvolkeren bestaan.”

Dat deze keering juist in de 7e maand werd geacht tot stand te komen, hangt eensdeels samen met het heilige getal zeven, dat op alle gebeurtenissen in het leven grooten invloed had, anderdeels met waarnemingen, dat bij de, voor dien tijd optredende, vroeggeboorten veelal de stuit vóórkomt. Maar ook met de waarneembare veranderingen aan den buik der zwangeren in den laatsten tijd harer dracht en de daarmede voor haar gepaard gaande verschijnselen.

Wanneer, zoo is de leer, het kind in de 7e maand, na de verscheuring der banden, van ligging veranderd is, ontstaan bij de moeder, door trekken aan de navelstreng en door de spanning der vliezen, pijnen; alle zwangeren krijgen, ten gevolge daarvan, korten tijd koorts en eenige gaan met het kind te gronde. Is die tijd voorbij, dan verdwijnt de ontsteking, zoodat het lijf week wordt en de zwelling zich naar de laagte verplaatst. Van dien tijd af dragen de vrouwen met minder last, omdat het ’t kind gelukt is, zich in eene voor de geboorte gunstiger ligging te keeren.

De 7e maand brengt het kind in het begin der volledige vorming. De zevenmaandelijksche vrucht zou, naar de tijdrekening welke Hippocrates volgde, in de orde der rekening vallen, en dus in het leven blijven.

Johan van Beverwijck bespreekt deze meening in de volgende bewoordingen:

„Een kint van acht maanden en blijft niet te lijf, segt Hippocrates, omdat het twee stooten korts op malkanderen niet en kan verdragen. Want dewijl het kind op de sevende maent gearbeyt heeft om uyt te komen, en daerover vermoeyt is, so kan het den arbeyt, daer terstont wederom op volgende, niet wederstaen: maer om zulx wel te kennen uitstaen, soo was van nooden, dat het de achtste maent noch beslooten bleve, om middelertijdt sijn krachten te verhalen.

Het schijnt (oock) datter naeulicx een bondige reden bij te brengen is, waerom een kint op de achtste maent niet volkomen en voldragen zou zijn, en wel geboren sijnde niet op en soude komen, en over-sulcx voor onwettig ofte een misdracht zoude gerekent worden. Want hetgene dat men seyt, van de beweginge op de sevende maent, heeft grootelicx sijn bedencken, of het vastgaet, dat alle kinderen nootsakelick op de sevende maent haer roeren om uyt te komen. Want alhoewel de kinderen op de sevende maent, haer eerste volkomenheyt krijgen, soo en zijnse nochtans allegader niet soo volkomen, dat ze poogen geboren te worden.”

Verder: „Het en gaet niet seker, dat de bevruchte vrouwe stercker beweginge voelen op de sevende maent, als op de andere. En indien het kint aan die beweginge so seer verswackt op de sevende maent, dat het in geen geheele maent sijn krachten verscheppen, en daarom op de achtste maent gekomen zijnde niet te lijf en kan blijven, veel minder soude het ’t leven konnen behouden, als het in de eygen maent geboren werdt. Daer-neffens en komt met de ervarentheyt niet wel overeen, dat de vrouwe meest op de achtste maent qualicker te pas zijn, als op de sevende, ofte negende. Schijnt derhalven datter uyt de nature van de vrucht en van de moeder naeulicx bondige redenen konnen gegeven werden, om te betoonen, dat een kint van acht maenden niet en zoude kunnen in ’t leven blijven.”

Dat aan de navelstreng te zien is, hoeveel kinderen eene vrouw nog baren zal, werd mij kort geleden nog verteld. Dat zou worden aangegeven door de knoopen, d.w.z. de valsche. Evenzoo zouden vele draaiingen in de streng een teeken zijn, dat het kind vele wederwaardigheden in het leven te wachten heeft.

Het begraven van de nageboorte is vrij algemeen in zwang. Menige baker wenscht dat nog te doen, en liefst zeer diep, opdat geen dier die opgrave en ete. De bedoeling scheen (schijnt?) op zeedorpen te zijn, om daardoor te voorkomen dat het kind, later zeevarende, door haaien zal opgevreten worden. Andere bakers en vrouwen weder stelden er prijs op, dat de nageboorte in de aschpot gestopt werd. Oudtijds geschiedde dat in de kolk onder de asch. Daarboven moest dan gedurende 9 dagen en nachten gestookt worden en de asch mocht niet geroerd worden. Niemand, maar vooral de vader niet, mocht aan dat vuur zijn pijp opsteken, daar onrust en stuipen van het kind het gevolg daarvan zouden zijn (ten Houte de Lange).

Bij eenige Indianenstammen in Amerika wordt de nageboorte eveneens begraven en wel op eene geheime plek. Hetzelfde doen de negers der Loangokusten. In Oldenburg worden daarbij spreuken opgezegd.

Op Java wordt de navelstreng afgebeten, omdat men gelooft dat het kind onkwetsbaar wordt. Ook wordt zij afgesneden met een bamboe-mes op een stukje koenit (curcuma). De nageboorte wordt, met het stukje curcuma en het bamboe-mes, in een dop van kokos met deksel (Batah Booloe genaamd) geborgen, met het Javaansche of Arabische alphabet op een stuk papier geschreven, opdat het kind, tot rijpe jaren gekomen, kundigheden verkrijge. De dop wordt begraven of in een aarden pot in huis opgehangen. Daarbij of daaronder wordt licht gebrand, tot de rest van de navelstreng is afgevallen. Het kind is, vóór het afvallen van de navelstreng, onderhevig aan allerlei plagen van booze geesten, en de brandende lamp dient om hunnen kwaden invloed op het kind te voorkomen.

In Noorwegen wordt de nageboorte, door de jonge kraamvrouw zelf, met een mes doorstoken en dan door de vroedvrouw verbrand. Gebeurt dat niet, dan ontstaat daaruit de booze geest Utbor, die zich klein en groot, ook zichtbaar en onzichtbaar maken kan, die vreeselijk schreeuwt en het erop voorzien heeft zijne moeder het leven te benemen. Zijne moeder. Moet men hier denken aan eene beschouwing als die der inboorlingen in onze Indische bezittingen, die de nageboorte soedarah noemen, d.w.z. (de) broeder van het kind?

Eene eigenaardige betrekking tusschen nageboorte en boomen bestaat bij vele volken. In Mecklenburg b.v. wordt zij begraven bij de wortels van een jongen boom, dan groeit het kind met den boom. Dikwijls wordt eerst de nageboorte gewasschen en daarna, met asch gemengd, onder een bepaalde boomsoort begraven. In andere streken wordt zij, in een korfje gepakt, aan een boomtak opgehangen. Bij de Laoten in Siam wordt zij steeds begraven aan den voet van de trap, die tot de huisdeur leidt.

Hier en daar gaat dat alles met bijzondere feestelijkheden en offeranden gepaard.

In het water vindt de nageboorte ook haar plaats. In Kartoem (Afrika) b.v. wordt zij, in een pot gepakt, in den Nijl geworpen en ieder voorbijganger moet haar een steen nagooien. Blijft de nageboorte drijven, dan is dat bij enkele volksstammen een bewijs, dat de vrouw in den echt ontrouw geweest is. Volgens v. d. Burg—en ik zelf heb het menigmaal gezien—legt men in Ned.-Indië de nageboorte op een klein bamboevlot, dat, met bloemen en vruchten getooid en door kaarsen verlicht, de rivier afdrijft. Het is een offer aan de kaaimannen, welke de zielen der voorvaders herbergen. In de buurt van Jena wordt zij in stroomend water geworpen.

Ook dient de nageboorte als toovermiddel en als geneesmiddel. De Javaansche vrouwen gelooven, dat zij, inwendig gebruikt, vruchtbaarheid geeft. In Orenburg (Rusland) wordt zij begraven. Wenschen de ouders een kind van ander geslacht, dan graaft de vroedvrouw haar op en keert haar om. Hetzelfde geschiedt om betoovering te bezweren.

In Stiermarken geldt van oudsher het bloed van de versche moederkoek en van de navelstreng als middel tegen moedervlekken, het poeder van de gedroogde en fijn gestampte moederkoek als middel bij epilepsie en St. Vitus-dans. Voor eenige jaren, schrijft Engelmann, heeft in Saksen eene vrouw, onder het schavot van een misdadiger, in ’t geheim eene versche moederkoek verorberd, om daardoor van epilepsie genezen te worden.

Eene groote moederkoek wijst in vele streken van Duitschland erop, dat de kraamvrouw veel zog zal hebben, eene kleine op het tegendeel

Ook de eivliezen moeten genoemd worden. Wanneer zij niet scheuren en het kind in de vliezen geboren wordt, of, als zij wel scheuren, maar het kind toch in de vliezen gehuld te voorschijn komt, spreekt men van: „het kind is met den helm geboren”. Dit geldt in ’t algemeen in Europa als een gelukkig teeken voor den pasgeborene. Hij zou aan den bezitter de gave van vooruitzien verschaffen, en vooral daarom voor veel geld aan zeevarenden te slijten zijn. In vreemde handen geraakt, zou hij aan het kind, dat er mede geboren wordt, ongeluk bezorgen. Van daar dat hij door de ouders moet begraven of verbrand worden. Doch ook het bewaren is nuttig. Op de eilanden Saparoea, Haroekoe, Noessa Saut en een gedeelte van de Zuidkust van Ceram zegt men, dat het kind met den helm (Sarong of Karpoes) geboren, ouder geworden, helder ziende wordt; dat het dingen ziet, welke voor het gezicht van anderen verborgen zijn, als kwade geesten, duivels, enz.

In vele streken wordt die helm als amulet voortdurend om den hals gedragen en stilletjes bij het kind gelegd, als dat gedoopt wordt, waardoor hij dan meêgedoopt wordt. Omdat de werkzame kracht ook op anderen overgedragen wordt, gebeurt het niet zelden, dat vroedvrouwen den helm stelen en aan hare eigene kinderen geven. Dit laatste komt voor rekening van ten Houte de Lange.

Zelfs werd er vroeger, vooral in Engeland, handel in gedreven. In 1779 betaalde men er 20 guinea’s voor, in 1848 nog maar 6. Vooral voor advocaten was zoo’n ding veel waard, daar hij hen tot redenaars maakte.

Bij de zuidelijke Slaven is hij voor de meisjes, die er mede geboren zijn, een middel om den jongeling, dien zij liefhebben, tot waanzins toe verliefd op haar te maken. Het is daarvoor slechts noodig hem op een bloot gedeelte van het lichaam met het gedroogde „Glückshemdchen” aan te raken.

Behalve hetgeen ik reeds besproken heb omtrent eenige opvattingen, welke met betrekking tot het kraambed heerschen, bestaan er nog vele andere. Ik zou echter te uitvoerig worden met ook die alle op te noemen. In ’t kort dus nog het volgende.

Dat op den negenden dag het lichaam der kraamvrouw zich sluit, is eene ook nu nog veel verbreide meening. Men verbindt aan dien negenden dag vele gevaren, zoodat zelfs de vrouw, die vóór den negenden dag het bed verliet, dien dag daarin doorbrengt. Het getal negen zagen wij in den beginne reeds van invloed. Ook het getal 3 schijnt niet van belang ontbloot. Immers deelt de vroedmeester ten Houte de Lange mede, dat in zijn tijd de kraamvrouw gedurende den 3en en 9en dag de handen goed onder het dek moest houden, omdat zij anders een zweerend uitslag daarop krijgen zou.

Of hier en daar nog dezelfde vrees voor lavementen bestaat, weet ik niet. In ouden tijd meende men, als de kraamvrouw „op een lavement gezet moest worden”, dat de toestand zoo gevaarlijk was, dat wel eerst het testament gemaakt mocht worden.

Het toedienen van den witten drank (amandeldrank) wordt verschillend opgevat. In Alkmaar b.v. noemde men dien drank de „witte doodendrank der kraamvrouwen”. Ten Houte de Lange verhaalt, dat, toen hij dien drank eens voor eene boerin had laten gereed maken, hij dien op den derden dag nog onaangeroerd had gevonden en hem verweten werd, dien gevaarlijken drank te hebben voorgeschreven. De kraamvrouw had zich aan het gebruik niet gewaagd. In Amsterdam was, ten minste vele jaren geleden, menige kraamvrouw niet tevreden, als zij geen „witte drank” gekregen had. „Die versterkte”.

Bij benauwdheid der kraamvrouw een smal gevouwen doek om den buik aan te halen, maar vooral met een knoop in de linkerzijde vast te maken, belette de „moer” het opstijgen. De angst daarvoor spruit voort uit de Hippocratische leer, welke aan het ronddolen der baarmoeder door het lichaam allerlei ziekten toeschreef, o.a. vallende ziekte en hysterie.

Tegen kraambeenen werd de „gulden pleister” aangewend, d.w.z. een pap uit eigen faecaliën. Om zogklonters te voorkomen en het zog op te drogen werd, als zeker werkend middel, aanbevolen het door doodzweet vochtige hemdje van het gestorven kind op de borsten te leggen.

Mag men het den onontwikkelden kwalijk nemen, dat zij dergelijke middelen toepassen, als wij weten dat de „seer vermaerde Jacob Ruffen” onder de middelen tegen het opstijgen van de baarmoeder aangeeft, een drank bereid uit paardendrek (te weten van paarden die met enkel haver gevoerd worden) gekookt in sterken wijn, welke warm moet gedronken worden?

Hiermede versegel ick dese mijn verhandelingh: In de welcke soo ick u luyder verwachtingh bedrogen heb, of niet ten vollen vernoeght; wilt nochtans daerom mijn dienst-vaerdigheyt, U luy op-geoffert, niet smadelijck verwerpen.

AANHANGSEL I.

Mijne opvatting omtrent de voeding van den zuigeling, om aan hem, althans in den beginne, over te laten wanneer hij zijn voedsel zal nemen en hoeveel, is in strijd met het tegenwoordig in Nederland vrij algemeen toegepaste stelsel, om de kinderen op bepaald aangegeven tijdstippen te voeden. Hetzelfde geldt voor het voeden in den nacht.

Tot mijne opvatting ben ik gekomen aan de hand van het feit, dat ik, na afscheid te hebben genomen van moeder en kind als de tijd, gedurende welken de verloskundige gewoonlijk voor beiden zorgt, verstreken was, menigmaal bespeurde, dat zoovele van die kinderen na eenigen tijd aan voedingsstoornissen lijdende waren, ondanks het nauwgezet opvolgen der voorschriften, om het kind op door den geneesheer bepaalde tijdstippen op te nemen en te voeden. Door ernstig nadenken kwam ik tot de slotsom, dat de zuigeling te veel verstelseld wordt.

In de jaren 1915 en 1916 heb ik, in het Medisch Weekblad, getracht aan te toonen, waarom ik het gewenscht acht den zuigeling meer vrijheid te gunnen, dan hem gemeenlijk wordt toegestaan. Toen heb ik met instemming de woorden aangehaald van Prof. W. Preyer (‘Die Seele des Kindes’, 7te Auflage 1908): „Die Kunst, das kleine Kind werden zu lassen, ist viel schwerer als die, es vorzeitig zu dressiren” en „Zuerst Natur ohne Dressur, dann Kultur” en ik doe dat nu opnieuw.

De ondervinding heeft mij geleerd, dat ik niet voorzichtig genoeg zijn kan met het mededeelen van eene opvatting, welke afwijkt van de voor het oogenblik algemeen geldende. De omstandigheid, dat eene van de algemeen geldende leer afwijkende opvatting verkondigd wordt, schijnt er steeds onmiddellijk toe te moeten leiden zulk eene opvatting als volstrekt verkeerd, en dus uit den booze, te brandmerken, en tot verzet aanleiding te geven.

Daarom heb ik de vrijheid genomen in dit boek eenige aanhalingen, betreffende de voedingswijzen van zuigelingen, van verschillende schrijvers op te nemen, waaruit duidelijk blijkt, dat men niet zoo vast staat met het algemeen aangenomen stelsel als gewoonlijk gedacht wordt.

NEDERLANDSCHE SCHRIJVERS.

Dr. J. de Bruin en Dr. Cornelia de Lange. ‘De voeding van het kind in het eerste levensjaar’. 1905.

Bl. 93. „Den eersten dag na de geboorte moet het kind 2 à 3 maal in de 24 uren worden aangelegd, den 2en dag 5 à 6 keer, van den 3en dag af 6 à 7 maal per etmaal.”

„Zoowel de practische ervaring, opgedaan bij normaal gedijende borstkinderen, als de onderzoekingen van Leo en Van Puteren.... hebben ons geleerd, dat de pauze tusschen twee opeenvolgende maaltijden van den zuigeling minstens 3 uur moet bedragen. Is de voeding van het kind goed geregeld, dan wordt het ook gewoonlijk tegen dien tijd wakker. Slaapt het een beetje langer, dan kan men het rustig nog een poosje laten slapen, met dien verstande echter, dat de pauzen bij dag nooit langer dan ruim 4 uren duren.... ’s Nachts moeten de pauzen minstens 4 uur duren, men trachte echter het kind zoo spoedig mogelijk het zuigen bij nacht af te wennen.

Over het algemeen geve men dus in de eerste 4 à 5 levensmaanden 7 maaltijden, van de 5e tot de 9e à 10e maand 6 en daarna 5 maaltijden in de 24 uren. In de eerste maanden make men ’s nachts pauzen van minstens 4 uur, iets ouderen zuigelingen geve men hoogstens 1 maal ’s nachts de borst en spoedig in het geheel niet meer.”

Bl. 117. „Het resultaat, dat men bij de zuigeling met een bepaalde wijze van voeding kan bereiken, is van te voren maar al te dikwijls volkomen onberekenbaar.”

Bl. 179. „Het spreekt van zelf, dat de natuurlijke voeding, dus de voeding met vrouwenmelk, als basis en model moet dienen voor de kunstmatige voeding. Het is ons reeds gebleken, dat bij de voeding aan de borst niet alle kinderen van denzelfden leeftijd even groote quantiteiten drinken; wij weten bovendien, dat eenzelfde borstkind bij den eenen maaltijd soms het dubbele tot het drievoudige van een voorafgaanden of volgenden maaltijd tot zich neemt. Daarom kunnen wij dan ook bij de kunstmatige voeding niet voor iederen zuigeling van bepaalden leeftijd een zekere hoeveelheid voedsel van te voren volgens een vast schema vaststellen, doch moeten wij in hooge mate individualiseeren en ons nooit gebonden achten door een schema, methode of tabel.”