Chapter 6 of 22 · 3945 words · ~20 min read

Part 6

Het is nog niet zoo heel lang geleden, dat tallooze vrouwen, zoowel gedurende de baring als daarna, vrij regelmatig koorts kregen, dikwijls in die mate, dat het kraambed tevens het sterfbed werd van haar, die, jong en levenslustig, in blijde hoop het tijdstip hadden zien naderen, waarop zij moeder zouden worden. Talrijk waren de mogelijkheden welke bedacht en overwogen werden, allerlei maatregelen werden, doch steeds zonder gevolg, toegepast, totdat omstreeks het midden der voorgaande eeuw een geneesheer te Pest, Ignaz Phil. Semmelweis, de eerste schrede deed op den weg, die nu door alle geneesheeren tot heil der barenden bewandeld wordt. Toen hij, gedurende den tijd dat hij assistent was in eene kraaminrichting te Weenen, zoovele vrouwen aan kraamvrouwenkoorts zag sterven en, na eenigen tijd afwezig te zijn geweest, vernam dat een zijner leermeesters, bij het doen van eene lijkopening, gewond en besmet was geworden met lijkengif, waaraan deze onder dezelfde verschijnselen overleed als die welke Semmelweis bij de kraamvrouwen had waargenomen, rees bij hem de gedachte, dat de oorzaak der kraamvrouwenkoorts in hoofdzaak moest gezocht worden in infectie of besmetting der barende, door stoffen, welke van buiten af in de wonden, die noodzakelijkerwijze gedurende de baring ontstaan, binnendringen. Hij overwoog, dat zij, die de barende hulp verleenen, daarbij eene groote rol konden spelen. Zij toch, geneesheeren als andere hulpverleenenden, vooral in ziekenhuizen en kraaminrichtingen, kwamen in aanraking met vuile wonden, etterende lichaamsdeelen en lijken, en konden gemakkelijk de schadelijke stoffen aan handen en kleederen met zich voeren. Wanneer, zoo dacht hij, de oorzaak, zij het ook slechts ten deele, daarin te zoeken is, zal verbetering moeten zijn waar te nemen, wanneer die personen, door het aanwenden van ontsmettende middelen, de mogelijkheid tot het overbrengen dier stoffen op de barenden tot de kleinste afmeting terugbrengen. En deze gedachte, door hem toegepast, bleek juist te zijn; er werd verbetering waargenomen. Men meene evenwel niet, dat zijne belangrijke ontdekking oogenblikkelijk ingang vond. Ook nu leert de geschiedenis weder dat het nieuwe, het vreemde, moeite heeft zich een plaats te veroveren. Slechts enkele zijner ambtgenooten begrepen, dat er waarheid school in zijne waarnemingen, welke hij in 1849 voor ’t eerst publiek maakte. Zelfs 15 jaren later was de toestand nog weinig verbeterd. In Augustus 1865 stierf de man, dien nu allen als weldoener der barenden eeren, in het krankzinnigengesticht te Weenen, aan bloedvergiftiging, zonder dat hij heeft mogen beleven, dat de wetenschappelijke mannen van zijn tijd, uitgezonderd een enkele, zijne belangrijke ontdekking aanvaardden. Langzamerhand echter kwam men tot het besef dat Semmelweis de waarheid op het spoor was, en de laatste tientallen van jaren hebben, dank zij den ijverigen arbeid van vele wetenschappelijke mannen, het bewijs gebracht, dat zijne ontdekking duizenden moeders het leven heeft gered. Door hunnen arbeid werd het steeds duidelijker, dat niet alleen de zoo gevreesde kraamvrouwenkoorts, maar nog vele andere ziekten veroorzaakt worden door infectie, dat de kraamvrouwenkoorts te beschouwen is als een wondkoorts, de kraamvrouw als eene gewonde. En nu aanvaardt ieder geneesheer datgene, waarvoor de ontdekker jarenlang, onder groote miskenning, heeft gestreden. Zoo ergens dan is het hier van pas een woord van dankbare hulde te brengen aan de nagedachtenis van den man, wiens naam met eerbied dient genoemd te worden door alle moeders.

Kleine levende wezens, zoo klein dat zij slechts met behulp van het mikroskoop zijn waar te nemen, bleken de vijanden te zijn, die, overal aanwezig, steeds den mensch belagen. Bacteriën noemt men ze met een algemeenen naam, en hun schadelijken invloed oefenen zij uit, zoodra zij, in het lichaam binnengedrongen, daar een geschikten bodem vinden voor ontwikkeling en vermenigvuldiging. Zij scheiden daarbij stoffen af, die, in de weefsels van het lichaam overgaande, niet alleen plaatselijk allerlei veranderingen kunnen teweegbrengen, maar ook het geheele lichaam zoo ziek maken, dat het leven er mede gemoeid is.

Toen men eenmaal zoo ver gekomen was, zocht men, zooals voor de hand ligt, naar middelen ter bestrijding. Het zou ons te ver voeren, hier ook maar in ’t kort mede te deelen, hoe ver men daarmede tegenwoordig reeds gevorderd is. Het zij genoeg te vermelden, dat eensdeels duidelijk bleek, dat zorg voor een gezond lichaam een belangrijk hulpmiddel in den strijd tegen de werking dezer kleine organismen is, dat anderdeels reinheid en ontsmetting in staat zijn den vijand met goed gevolg te bestrijden.

Onmiddellijk, om te beginnen dus, zorg voor een gezond lichaam. Overal zijn bacteriën aanwezig, ook in ons lichaam. Gelukkig echter bezit het lichaam middelen om zich te verdedigen, zoodat de vijand onophoudelijk onschadelijk gemaakt wordt of zoodanig verzwakt, dat hij geen vat op ons heeft. En het ligt in de rede, dat het gezonde lichaam de beste weerkracht kan ontwikkelen.

Zoodra echter van buitenaf die organismen in het lichaam binnendringen, wordt de strijd moeilijker en hangt het van velerlei omstandigheden af, wie den strijd wint. Elke verwonding vormt een zwakke plek, van elke verwonding kan de van buiten gekomen vijand den strijd beginnen. Daarom is het noodig ons zooveel mogelijk te beschutten tegen het indringen van bacteriën in ons lichaam.

Hoe beschutten wij ons dan het best daartegen? Door reinheid! Door reinheid op woning, kleeding, voedsel en lichaam. En waar reinheid in de gewone dagelijksche beteekenis ons niet voldoende lijkt, verscherpen wij haar door ontsmetting, door het gebruik maken van ontsmettende of desinfecteerende middelen, welke worden aangewend om de bacteriën te dooden of, zoo dat niet mogelijk zijn mocht, ze zoodanig te verzwakken, dat hun schadelijke invloed zoo gering mogelijk wordt.

Passen wij deze beschouwing toe op de baring, dan blijkt hoe de kraamkamer zoo rein mogelijk moet zijn, hoe alles wat stof herbergt en stof kan afgeven, zooveel mogelijk moet geweerd worden. Wij begrijpen dan den eisch van den verloskundige, dat alles wat de barende aan en om zich hebben zal, dat alles wat gedurende de baring gebruikt zal worden, rein zij. Allereerst de barende zelf. Vóór de baring reinige zij zich, in een bad als ’t kan, en anders door wassching van het geheele lichaam met warm water, waarin men een stukje soda ter grootte van een noot kan oplossen, en zeep. Vooral de geslachtsdeelen moeten op die wijze gereinigd, lange haren daar ter plaatse kort geknipt worden, omdat deze allerlei vocht, vuil en bloed vasthouden. Zij trekke daarna schoone kleederen aan. Het best worden die, om verontreiniging gedurende de baring tegen te gaan, van onderen op tot het middel omgevouwen en vastgespeld, en het onderlijf bedekt met een schoonen witten onderrok, welke gemakkelijk, als hij bevuild is, door een andere kan vervangen worden. Ook is het aan te bevelen kort voor de baring, maar ook als die begonnen is, den darm door een glycerine-lavement te ontledigen, om zooveel mogelijk verontreiniging te voorkomen. Na de ontlasting moet de vrouw weder met warm water en zeep gereinigd worden. Voor de reiniging gebruike men nooit een spons, doch verbandwatten. De spons toch is niet behoorlijk meer te reinigen en blijft allerlei vuil vasthouden, terwijl vuile watten worden weggeworpen. Het hoofdhaar worde gekamd en gevlochten.

Het bed worde bedekt met schoon linnen. Geen beslapen lakens dus, zooals nog dikwijls worden gebruikt. Beslapen lakens zijn vuile lakens. Het hospitaaldoek moet, voor het gebruikt wordt, met warm water en zeep goed afgewasschen en met een schoonen doek afgedroogd worden.

De watten, welke door den verloskundige en de verpleegster gebruikt zullen worden, verdeele men in twee helften. De eene helft kan weder in de verpakking worden weggeborgen, de andere helft wordt, in strooken verdeeld, bewaard in een schoongemaakte glazen wijdmondsstopflesch of in een schoonen handdoek en voor het gebruik gereed gehouden. Gewoonlijk bezorgt de verpleegster al deze dingen.

De handenborstels, uitgekookt en bewaard in een glazen wijdmondsstopflesch, gevuld met een ontsmettingsvloeistof, of in een schoonen handdoek, worden gereed gehouden.

De waschkommen moeten schoon zijn, zooals alles wat aan kommen of kommetjes zal gebruikt worden, dus ook het ondersteek.

Steeds moet eene voldoende hoeveelheid heet en koud water aanwezig zijn.

Zoodra de verloskundige geroepen is, zorge men voor heet water. Ook hij toch, evenals de verpleegster die hem ter zijde zal staan en menige handreiking te doen heeft, zal zich behoorlijk reinigen voor hij tot een onderzoek of eenige andere handeling overgaat. Immers geldt vooral voor die beiden het voorschrift van nauwkeurige reiniging en ontsmetting. Op en in de huid, vooral van de hand, zijn vele bacteriën aanwezig en die moeten, door langen tijd borstelen der handen met heet water en zeep en daarna met eene ontsmettingsvloeistof, verwijderd of onschadelijk gemaakt worden.

Zóó is het den verloskundige mogelijk geworden de gevaren te bestrijden, welke de barende bedreigen; zóó heeft de verloskunde, afgezien van hare ontwikkeling in andere richting, de triomfen kunnen vieren, waartoe Semmelweis haar eens den weg wees.

Nu kan men begrijpen, waarom de verloskundige steeds moet aandringen op reinheid, altijd en overal, maar vooral vóór, gedurende en ook na de baring.

DE BEVALLING OF BARING.

Bevalling of baring noemt men de gebeurtenis, waarbij de baarmoeder haren inhoud, en wel in ’t bijzonder aan het einde der zwangerschap, uitdrijft. Dat geschiedt door samentrekkingen van haren wand, welke, zooals wij weten, in hoofdzaak uit een weefsel van spieren is opgebouwd. Die samentrekkingen, met pijnen gepaard, waarom zij den naam van weeën dragen, volgen niet onmiddellijk op elkander, doch zijn door korte of langere tijdsruimten gescheiden, in welke de spieren als ’t ware uitrusten. Elke samentrekking begint met geringe pijn. Beide bereiken, in sterkte toenemende, een hoogtepunt, om daarna geleidelijk minder te worden en op te houden. De samentrekkingen kan men, door de op den buik gelegde hand, tastend waarnemen. Elke spier die zich samentrekt wordt vaster en duidelijker te voelen. Zoo wordt ook de zich samentrekkende baarmoeder vast en hard op aanvoelen, terwijl elke betasting van haren inhoud, zooals dat in de zwangerschap en in de rusttijden tusschen de samentrekkingen kan geschieden, onmogelijk is.

Regelmatige afwisseling van samentrekkingen en rusttijden is een gunstig verschijnsel. De gemiddelde duur eener wee is ½–1 minuut, in het begin der baring gewoonlijk iets korter; de duur der rusttijden schommelt tusschen 5, 10 en 15 minuten. Tegen het einde der baring duren de weeën gewoonlijk langer en volgen elkander in ’t algemeen niet zoo snel op. Kleine en groote verschillen kunnen evenwel met betrekking tot beide worden waargenomen.

Reeds gedurende de tweede helft der zwangerschap trekt de baarmoeder zich nu en dan samen. Die samentrekkingen worden echter niet of slechts nu en dan, vooral door gevoelige zwangeren, gevoeld. In de laatste maand treden zij vaker op. Men noemt ze valsche pijnen, ook voorweeën, omdat zij het begin van de baring nog niet aangeven. Zij worden meestal in den buik waargenomen, als lichte en meer trekkende pijnen, welke ’s nachts niet zelden verdwijnen; zij treden onregelmatig op en gelijken op de pijnen, welke men als kramp voelt bij winden of diarrhee. Niet zelden is de gevoeligheid te wijten aan slechte ontlasting, waarom het dan ook, vooral in dien tijd, noodig is voor voldoenden stoelgang zorg te dragen. Bij twijfel omtrent den aard dier pijnen is het voorzichtig den geneesheer te waarschuwen.

De ware of echte baringsweeën zijn in regelmatige tusschenpoozen terugkeerende samentrekkingen, waarbij de pijnen niet alleen of hoofdzakelijk in den buik, doch ook in de lendenstreek en zelfs in de dijen uitstralende, gevoeld worden. Dit laatste is evenwel geen algemeen geldende regel, zoodat wij het best doen met te zeggen, dat die weeën als echte, het begin der baring aankondigende, zijn op te vatten, waarbij de pijnen, zij het ook alleen in den buik, met regelmatige tusschenpoozen opkomen, allengs heviger worden en sneller op elkander volgen.

Die samentrekkingen nu hebben allereerst tot gevolg, dat de opening der baarmoeder langzamerhand wijder en wijder wordt. Een teeken dat, zooals men het noemt, de baarmoeder zich opent, is in vele gevallen het volgende. Door den druk der weeën gevoelt de vrouw aandrang tot urine-loozing. Wanneer zij aan die behoefte voldaan heeft en de geloosde urine beziet, bemerkt zij daarin een klein of grooter rood streepje. Dat is bloed, hetwelk bij het openen der baarmoeder te voorschijn en tot in de schaamspleet kwam, waaruit het door de urine werd weggespoeld. Wanneer de vrouw niet urineert, doch met een doek of watten de schaamspleet uitveegt, neemt zij wat bloederig gekleurd slijmachtig vocht waar. Men zegt dan: „De vrouw teekent” of ook wel: „Er is ontsluiting”. Den tijd gedurende welke de opening in grootte toeneemt, noemt men het ontsluitingstijdperk.

Daar de zich samentrekkende baarmoeder haren inhoud vaster omsluit, wordt die inhoud steeds meer naar en in de opening gedreven. Gewoonlijk komt het daarbij tot braken. In den beginne geschiedt de verwijding of ontsluiting met medewerking van den druk, waaronder het vruchtwater staat, dat in den eivlieszak is opgesloten. Het onderste gedeelte van dien eivlieszak legt zich bij iedere samentrekking tegen den rand van de opening aan en wordt, naarmate die opening in grootte toeneemt, daardoor heen gedrukt, zóó lang tot er een oogenblik komt, dat dit gedeelte van dien zak den druk van het vruchtwater niet kan weerstaan en op het hoogtepunt der wee scheurt. Dikwijls voelt de vrouw dat bersten. Dadelijk daarop bespeurt zij, dat er eene hoeveelheid vocht, het vruchtwater, al of niet met bloed gemengd, door de geslachtsdeelen naar buiten vloeit. Men zegt dan, dat „het water gebroken is.”

Gedurende dien tijd namen de weeën in kracht en pijnlijkheid toe. Na het breken der vliezen treedt gewoonlijk een tijdperk van wat langere rust, soms ¼—½ uur, in en geeft het wegloopen van het vruchtwater der vrouw een gevoel van verlichting en ontspanning. Dan begint de weeënwerkzaamheid opnieuw, de pijnen komen wederom opzetten, doch niet zoo onaangenaam snijdend en knijpend als te voren. Soms echter worden de weeën onmiddellijk in aansluiting aan het breken van het water sterker, langer aanhoudende en sneller terugkeerende. Door die weeën wordt nu het hoofd van het kind in de baarmoederopening geperst. Wanneer de vrouw de pijnen nog niet in lenden en dijen gevoeld mocht hebben, is dat nu zeker wel het geval en van dat oogenblik verdwijnen die niet meer. Dan kan men aannemen, dat het hoofd in de scheede is gekomen. Iedere opvolgende wee brengt dat deel van het kind iets verder in de scheede, naar de uitwendige opening toe. Daarbij krijgt de vrouw een gevoel alsof alle spieren van buik en lenden zich samentrekken, zij voelt heftige drukking in de scheede, met behoefte om zich, door inspanning van de buikspieren, door persen, daarvan te bevrijden. Somtijds wordt zij daarbij geplaagd door pijnlijke krampen in kuiten en dijen. Bij iedere nieuwe wee trilt zij, houdt den adem in, zoekt steun voor handen en voeten, perst onwillekeurig met alle macht naar beneden, waarbij de weeënpijn dragelijker wordt, het gelaat wordt rood en opgezet, zij begint te zweeten, wil schreeuwen als om daardoor te ontkomen aan den machtigen drang, doch wordt onwillekeurig tot verwerking der weeën gedrongen, d.i. den adem in te houden, den buikwand saâm te trekken en naar beneden te persen, waarbij langzamerhand de wil komt om hetzelfde te doen, daar zij begint te bespeuren, dat daardoor het kind wordt voortbewogen. Als de wee voorbij is, haalt zij diep adem en verlangt te drinken, daar de mond droog is. Daar komt de pijn opnieuw opzetten, drukking en drang nemen toe, het is alsof er ontlasting komen moet en er in de schaamspleet iets te voelen komt, dat naar buiten wil. Dan verschijnt inderdaad een gedeelte van het hoofd in die opening. Telkens schijnt het terug te willen. De veerkracht der weefsels dringt het werkelijk gedurende de weeën-pauze terug, maar de opvolgende wee doet ras het verlorene herwinnen en brengt het hoofd verder voorwaarts, de weefsels worden tot scheurens toe gespannen, de aarsopening wordt opengerekt, hevig drukkende pijnen dwingen haar steeds tot persen, het geheele lichaam schudt, het gevoel van pijn en angst bereikt zijn hoogsten graad, ’t is of alles wil breken, alles uit elkaar zal spatten, alles één opening wordt waardoor de druk zich ontlast, alles wat haar benauwt haar ontschiet en.... het hoofd is geboren. Daarmede is letterlijk en overdrachtelijk de hoofdzaak geschied. Zij haalt ruimer adem, het ergste is achter den rug. Na een kortstondige rust nog één wee. Nog éénmaal voelt zij den onweerstaanbaren drang, zij perst en daar is ’t of alles, in een onnoemlijk gevoel van verlichting, haar ontvloeit. Haar kind is geboren en begroet het levenslicht met een kreet, welke de moeder in zalige verrukking brengt. Het uitdrijvingstijdperk, zooals men dit tweede gedeelte der baring, na het breken der vliezen, noemt, is voorbij.

De navelstreng wordt door den geneesheer op twee plaatsen, op eenigen afstand van elkander, met een bandje afgebonden, dan daartusschen doorgeknipt, hij heft het kind omhoog en vertoont het aan de moeder. Alle pijn is verdwenen, alle smart vergeten. Vermoeid, doch gelukkig en dankbaar, ligt zij daar, genietende de rust welke zoo onverwacht haar deel werd. Nu, warm toegedekt, ligt zij rustig op den rug. Wel voelt zij een min of meer brandende pijn aan de uitwendige geslachtsdeelen, die te wijten is aan de rekking van den scheedeingang, welke heeft plaats gevonden, en aan onvermijdelijke scheurtjes, doch dat deert haar niet. Het zwaarste is geleden.

De buik is saâmgevallen, de buikwand slap en geplooid. Daardoorheen is de samengetrokken verkleinde baarmoeder als een min of meer harden ronden bal, ter grootte van een hoofd, te voelen. Door die samentrekking komt de bloeding, welke gedurende den doortocht van het kind kan zijn opgetreden, tot staan.

Bijna altijd overvalt der pas verloste vrouw nu een huiveren en beven, als terugslag op den arbeid dien zij verricht heeft. Daarom moet zij rustig liggende, goed en warm toegedekt, zich overgeven aan de ingetreden kalmte.

Na 10—15 minuten van korte doch weldadige rust voelt zij weder pijnen in den onderbuik, dikwijls gepaard gaande met geringe bloedvloeiing. Dat zijn de nageboorteweeën, samentrekkingen van de baarmoeder, waardoor de nageboorte, moederkoek en eivliezen, van den baarmoederwand wordt losgemaakt. Zoo pijnlijk als de voorgaande zijn deze weeën niet, ook volgen zij elkander niet zoo snel op. Eindelijk wordt de nageboorte, vergezeld van vloeibaar en gestold bloed, onder een gevoel van dringen, uitgestooten. Meestal echter weet de geneesheer dien tijd te bekorten. Hij heeft reeds eenige malen, door den buikwand heen, de baarmoeder betast om zich te vergewissen van den regelmatigen en ongestoorden gang van dit gedeelte der baring en neemt, na verloop van een half uur of langer, een gunstig oogenblik waar om, door een krachtigen druk op de saâmgetrokken baarmoeder, de uitdrijving der nageboorte te doen plaats hebben.

Nu is inderdaad de „verlossing” afgeloopen en maakt de geneesheer zich gereed de moeder van bloed, vruchtwater en allerlei, waarmede zij bevuild werd, te reinigen. Daarna wordt ook het bed gereinigd of de kraamvrouw in een ander, schoon bed overgebracht. Tevens bekijkt de geneesheer de schaamspleet, om te zien of misschien, bij het rekken gedurende den doortocht van het kind, eene scheuring van het weefsel is ontstaan. Is dat het geval, en vaak is dat niet te verhoeden, dan hecht hij de ontstane wonde, opdat de opening weder als voorheen gesloten worde. Is alles afgeloopen, dan legt men de kraamvrouw een verband voor de uitwendige geslachtsdeelen, om het nog uitvloeiende bloed op te vangen, omwikkelt haar den buik, tot steun, met een sluitlaken en geeft haar over aan de zoo noodige rust.

Aldus, in korte trekken, de gebeurtenis welke men bevalling noemt. Hierbij zijn eenige opmerkingen nuttig en noodig.

Reeds gedurende de zwangerschap zal de geneesheer zich door onderzoek overtuigd hebben van de ligging van het kind en van den inwendigen bouw der vrouw, met de bedoeling zich van te voren eene voorstelling te maken van de wijze waarop de bevalling zal geschieden. Dat onderzoek heeft zoowel plaats door uitwendig onderzoek, d.w.z. door betasting van den inhoud van den buik en van den inhoud der baarmoeder, door den buikwand heen, als door inwendig onderzoek, d.i. door het invoeren van den vinger in de geslachtsdeelen. Dergelijk onderzoek wordt later herhaald, zoowel om uit te maken of de baring begonnen is, als om, in den aanvang der baring, zich nauwkeurig op de hoogte te stellen van alles, wat hij weten moet, om moeder en kind zijne goede zorgen te kunnen wijden.

Niet altijd volgen de gebeurtenissen gedurende de baring in dezelfde volgorde elkander op of hebben zij op dezelfde wijze, in dezelfde mate, in dezelfde regelmaat plaats. Meermalen wordt de zwangere vrouw verrast door afvloeien van vruchtwater vóór zij nog eenige pijn gevoeld heeft, nog vóór zij eenig teeken waarnam, waaruit zij kan opmaken, dat de baring beginnen zal. Zij zal dan goed doen te bed te gaan of te blijven liggen, en den geneesheer te laten komen, die dan een onderzoek instelt en haar raad zal geven, hoe zij zich te gedragen heeft.

Gedurende het ontsluitingstijdperk kan ook het breken van de vochtblaas vroeger of later geschieden. Meestal is men van meening, dat de baring, na vroeg breken van de vochtblaas, moeilijker en langduriger zijn zal, en hoort men spreken van „drogen arbeid”. Dit schrikbeeld behoeft evenwel geen enkele zwangere of barende te kwellen. Nooit toch vloeit al het vruchtwater weg en de ervaring heeft geleerd, dat—in het algemeen genomen—de duur der baring daardoor niet verlengd, vaak zelfs verkort wordt. Het laat breken der vliezen kan omgekeerd den duur der baring verlengen, waarom dan ook de geneesheer dikwijls zelf de blaas opent, om den duur te bekorten. Of na het afvloeien van het vruchtwater de vrouw het bed moet houden, dan wel nog in de kamer mag rondgaan, late men aan zijne beslissing over.

Het is volstrekt niet ongewoon te vernemen, dat de vrouw is „ingescheurd” ten gevolge van minder goede zorg van den geneesheer. Hieromtrent dient opgemerkt, dat het hem, zelfs bij de uiterste inspanning, niet alleen niet altijd, maar zelfs in zeer vele gevallen in het geheel niet gelukken zal het scheuren der weefsels te voorkomen. Allerlei invloeden spelen hierbij eene rol. Zoo zal een groot hoofd van het kind niet zonder scheuren door een nauwe schaamspleet kunnen geboren worden en zal de geneesheer zelfs genoodzaakt kunnen zijn, om erger te voorkomen, de opening door eene insnijding te vergrooten; zoo zal eene vrouw, die op ouderen leeftijd voor ’t eerst baart, grootere kans op inscheuring hebben, omdat bij haar de weefsels niet zoo gemakkelijk en niet zoo volledig meer rekken als bij jonge eerstbarenden; zoo zal een hoofd, dat niet de gunstigste houding bij het doortreden door de opening heeft, allicht de rekbaarheid op te groote proef stellen, waaraan deze niet vermag te voldoen en zoo zal de vrouw, die gedurende de geboorte van het hoofd zich plotseling aan de steunende hand van den verloskundige onttrekt en met alle kracht en snelheid het hoofd door de opening perst, eene inscheuring krijgen, welke bij meerdere kalmte ware te voorkomen geweest, om van andere mogelijkheden niet te reppen. Ook de geneesheer stelt er prijs op zulke onaangename verrassingen te ontgaan en doet dus alle mogelijke moeite die te voorkomen.

In het algemeen zij de vrouw indachtig, dat de bevalling, hoewel met pijn gepaard, eene noodzakelijkheid is, waaraan zij niet ontgaan kan. Zij late zich dus niet door vrees beheerschen, doch neme zich voor, ook dien arbeid met wilskracht en moed te verrichten. De belooning toch is groot, het einde brengt wat zij zoo lang verwacht heeft. Onstuimig woelen, gebrek aan geduld en kalmte, aan bedaardheid en zelfbeheersching werken nadeelig; kalmte en berusting zullen haar velerlei onaangenaamheden besparen. De weeën zijn dan regelmatiger, de duur van de baring daardoor korter en de voldoening te grooter. Laat de gedachte, dat de geneesheer noodig is bij deze heuglijke gebeurtenis, haar niet doen vreezen voor allerlei gevaren. De natuurkrachten leiden in bijna alle gevallen tot een goed einde. Alles is over ’t algemeen van nature voor die gebeurtenis zoo goed ingericht, dat—naar de ervaring leert—95 van de 100 gevallen, geheel zonder hulp, gelukkig afloopen.