Chapter 8 of 22 · 3861 words · ~19 min read

Part 8

Het is dan ook aan te raden het kind te verzorgen, te baden en te kleeden, vóór de moeder geholpen wordt. Daarom ook moet elke moeder, die haar kind de borst zal geven, zorg dragen dat hare handen rein zijn, omdat er anders gevaar bestaat, dat wondvocht, waarmede zij onwillekeurig en zonder het te bespeuren in aanraking gekomen is, in wondjes van den tepel—zooals die wel eens voorkomen—geraakt, waarvan ontsteking der borst het gevolg kan zijn.

Ook in het kraambed is reinheid dus een hoofdvereischte. Waar de uiterste reinheid betracht wordt, is het gevaar voor ziekelijke afwijkingen in het kraambed zoo goed als niet aanwezig.

Het buikverband of het sluitlaken, dat, na de baring, een handbreed boven den navel en van onder zoover dat het voor een deel over de dijen reikt, wordt aangelegd, dient wel in hoofdzaak om den slappen buikwand steun te geven. De vraag of het in staat is om den buikwand de vroegere vastheid en veerkracht terug te geven of niet, is eene, die op zeer verschillende wijze beantwoord wordt. Sommigen verwachten daarvan in dit opzicht te veel, anderen te weinig, maar zeker is het onjuist als eene vrouw, die na de bevalling een slappen buikwand mocht behouden, daaraan de gedachte verbindt, dat dit euvel zou te wijten zijn aan de verpleegster, als zou deze, gedurende het kraambed, het verband niet zorgvuldig genoeg hebben aangelegd. De toestand van den buikwand is aan vele wisselingen onderhevig. Bij vrouwen die herhaaldelijk baarden kan hij stevig en bij vrouwen, die nooit baarden, slap en uitgerekt zijn. Zelfs buikbreuk kan voorkomen, zonder dat ooit eene baring voorafging.

Gewoonlijk zijn de verrichtingen van urine-blaas en darmen in de eerste dagen verminderd, en komt de noodzakelijkheid tot ontlediging niet tot bewustzijn. Beide organen kunnen daardoor gemakkelijk overvuld raken. Wat de urine-loozing betreft is het aan te raden, als er binnen 12 uren na de bevalling geen aandrang bestaat, te trachten de blaas te ontledigen. Overvulling komt vooral dikwijls voor na de eerste baring en na moeilijke bevallingen. De urine-loozing geschiedt dan gewoonlijk op het ondersteek, welke, vooraf verwarmd, door de verpleegster onder de kraamvrouw geschoven wordt. Niet altijd komt de urine dadelijk te voorschijn. Dikwijls is hieraan te gemoet te komen, door de kraamvrouw alleen te laten, wat warm water in het ondersteek te gieten of haar een warmen doek op den onderbuik, op de blaasstreek, te leggen.

Niet alleen geeft de overvulde blaas een pijnlijk spannend gevoel in den buik, doch zij kan ook oorzaak zijn van meerder bloedverlies, omdat de samentrekkingen van de baarmoeder, die de wondvlakte verkleinen en de bloedvaten sluiten moeten, door eene overvulde blaas niet voldoende sterk zijn. Het is dan ook wenschelijk, dat de kraamvrouw, al heeft zij geen aandrang, op geregelde tijden b.v. om de 6 uren urineert. Bestaat er binnen dien tijd aandrang, dan zal zij natuurlijk aan die behoefte voldoen.

Doorgaans bestaat er geen aanleiding op dezelfde wijze te handelen met betrekking tot de ontlediging der darmen. Behalve dat vóór de baring reeds voor goede ontlasting gezorgd werd, geeft de voeding, gedeeltelijk omdat de eetlust geringer is, gedeeltelijk omdat licht verteerbaar voedsel gebruikt wordt, in de eerste dagen van het kraambed geen overvulling van den darm. Men wacht dan gewoonlijk tot den morgen van den derden dag, voor men daarvan werk maakt. Eenvoudige middelen worden dan in de eerste plaats ingegeven, zooals wonderolie, rhamnusbastafkooksel, bitterwater en dergelijke, of wel een lavement gezet, hetzij van water, zeepwater, water met glycerine of glycerine alleen, door middel van een glycerinespuitje. Bij groote haemorrhoïden (aambeien), neiging tot uitzakking van den endeldarm of uitgebreide verwonding in de scheede of aan den bilnaad worden lavementen liever nagelaten.

Bij de voeding, welke in de eerste dagen het best bestaat uit licht verteerbare kost, doch daarom nog geen schraal dieet, vermijde men meer dan ooit onregelmatigheid en overdaad. Vooral de laatste waarschuwing is noodig, omdat somtijds de eetlust zeer sterk is, maar ook, omdat vele vrouwen van meening zijn, dat het gebruik van veel voedsel de zogafscheiding verhoogt. Juist het tegendeel kan daarvan het gevolg zijn.

Als drank is aan te bevelen frisch koud water, melk, chocolade. Ook thee, koffie, licht bier en wijn, mits in geringe hoeveelheid, behoeven niet vermeden te worden.

Voor een deel is de trage werking der darmen te wijten aan de rustige ligging der kraamvrouw in bed. Algemeen wordt, ten minste in ons land, de duur van die bedrust vastgesteld op negen dagen. Waarom juist negen dagen is onbekend. Omtrent den tijdsduur en de houding der kraamvrouw in het bed onthouden wij ons van het geven van voorschriften, omdat het ons voorkomt, dat die, in ieder geval afzonderlijk, door den geneesheer moeten worden gegeven. Hij alleen kan de omstandigheden beoordeelen, welke van invloed zijn en kunnen zijn. Voor een groot deel is de gezondheidstoestand der kraamvrouw, welke o.a. uitdrukking vindt in de verhouding der lichaams-temperatuur, van groot belang, maar er komen zoovele andere factoren in aanmerking, dat een algemeene regel niet te geven is.

In de kraamkamer behoort orde en rust te heerschen. De verpleegster heeft zorg te dragen, dat vuile verbanden en alles wat onzuiver is zoo spoedig mogelijk uit de kamer verwijderd wordt, dat niets blijft slingeren, kortom dat het noodzakelijke op tijd geschiedt en de kraamkamer zoo behaaglijk mogelijk voor de kraamvrouw is.

Omtrent het toelaten van bezoek zal de geneesheer zijne voorschriften hebben te geven. Naar onze meening kan een kalm bezoek eene aangename afleiding geven. Vaak echter wordt daartegen gezondigd en wanneer de kraamvrouw den moed mist, dengeen die haar bezoekt, te kennen te geven dat zij vermoeid wordt, zal zij daarvan allicht nadeelige gevolgen ondervinden. Ware belangstelling uit zich niet in urenlang druk gepraat. Een enkel woord, een handdruk, een even-binnen-wippen om een bloempje of iets anders te geven, is meer waard dan allerlei beuzelpraat. De kraamvrouw is zeer gevoelig voor indrukken, elke gemoedsbeweging kan nadeelig zijn. Daarmede zal hare omgeving dus vooral rekening hebben te houden en alles hebben te vermijden, wat aanleiding kan geven tot boos-worden, schrik, verdriet, zelfs ook aangename verrassingen, welke sterken indruk maken.

HET KIND.

Het voldragen kind is gemiddeld 50 cM. lang en heeft een gewicht, dat schommelt tusschen 3000 en 3600 grammen. Een lager gewicht beteekent volstrekt niet altijd, dat het kind te vroeg geboren of zwak is, terwijl een hooger gewicht geen bewijs is van krachtige ontwikkeling.

Men heeft opgemerkt, dat beiden, onder meer, onder den invloed staan van den ouderdom der moeder en van het aantal der baringen. Volgens de statistiek neemt het gewicht toe met den ouderdom der moeder tot het 29e jaar, de lengte tot het 44e jaar, en valt de gunstigste ontwikkeling van het kind in zwangerschappen gedurende den middelbaren leeftijd der vrouw. Gewicht en lengte nemen toe met het aantal der baringen, zoodat gemeenlijk elk voldragen kind het voorgaande in beide richtingen overtreft, waarbij korte tusschenruimten, tusschen de opvolgende baringen, een ongunstigen invloed uitoefenen. De eerste kinderen van vrouwen, bij wie de eerste menstruatie laat optrad, zijn lichter dan die van andere vrouwen, vooral van haar, die vroegtijdig den geslachtsrijpen leeftijd bereikten. Bij wisseling van het geslacht der kinderen eener zelfde moeder is, bij opvolgende zwangerschappen, de gewichtstoename der meisjes geringer dan die der jongens.

Wat het geslacht der kinderen betreft, kan men zeggen, dat de vrouw meer jongens dan meisjes ter wereld brengt. Op 100 meisjes komen ongeveer 103,6–105,2–108,3 jongens voor. Daarbij meent men te hebben kunnen vaststellen, dat het getal der jongens grooter wordt hoe jonger de vader, hoe ouder de moeder is, of in het algemeen, dat de oudste der echtelieden de meeste kansen heeft het andere geslacht te doen ontstaan.

Het pasgeboren voldragen kind vertoont ronde vormen aan gelaat, romp en ledematen, het schreeuwt met luide stem, beweegt armen en beenen flink en ontledigt, vaak onmiddellijk na de geboorte, urine en ontlasting, welke laatste bestaat uit eene groenzwarte, soms bruinachtige, taaie, sterk klevende, dikke brijachtige stof, zonder reuk, kindspek of meconium genoemd. Het opent de oogen, dikwijls niest het, waardoor slijm en vruchtwater, in neus- en keelholte aanwezig, worden uitgedreven. Daar dit niet altijd volledig geschiedt, gaat de ademhaling wel eens gepaard met een min of meer reutelend geruisch. Bij dikke kinderen, met sterk ontwikkelde vetlaag, zijn de oogleden vaak wat gezwollen, zoodat zij de oogen niet gemakkelijk kunnen openen. De moeder behoeft niet bezorgd te zijn, als zulk een kind dan ook in den beginne de oogen slechts bij tusschenpoozen opent. Die zwelling verdwijnt spoedig. Ook handen en voeten zijn in de eerste dagen na de geboorte, vooral bij eenigszins te vroeg geboren kinderen, wel eens gezwollen en blijven in den regel wat langer blauwrood gekleurd dan de overige deelen van het lichaam. Deze zwelling verdwijnt eveneens spoedig.

De omvang van den schedel is gemiddeld 34 cM., die van de borst, over de tepels gemeten, ± 31 cM. De schedelbeenderen zijn tamelijk hard en nog niet onbeweeglijk met elkander verbonden, maar door naden gescheiden, terwijl daar waar drie of vier schedelbeenderen te zamen komen, grootere, door een vlies gesloten, ruimten bestaan, welke den naam van fontanellen dragen. De zoogenaamde groote fontanel, waardoor het kloppen van de slagaderen der hersenen zoowel te zien als te voelen is, heeft den vorm van een ruit en ligt boven het midden van het voorhoofd. Langzamerhand sluiten die fontanellen zich, de groote fontanel het laatst, omstreeks de 14e levensmaand, somtijds iets vroeger.

De huid is rozerood en glad, alleen aan de schouders en bovenarmen bedekt met wolharen. Het hoofdhaar is meestal donker, gemiddeld 2–4 cM. lang, soms korter, soms langer. De nagels reiken aan de handen tot aan den top der vingers of steken iets daarboven uit, aan de voeten tot aan den top der teenen. De kleur der oogen, d.w.z. van het regenboogvlies, is min of meer donker staalblauw, zoodat de vraag al spoedig door de moeder gedaan: „Welke kleur van oogen heeft het?” gewoonlijk niet naar wensch kan beantwoord worden. Eerst langzamerhand komt het tot de verschillen, welke wij bij volwassenen waarnemen.

Meestal vertoont het pasgeboren kind een eigenaardig vervormden schedel, veroorzaakt door het zoogenaamde geboortegezwel, dat te grooter is en het hoofd te langer doet schijnen, naarmate de baring en vooral het uitdrijvingstijdperk langer geduurd heeft. De huid in de streek van het voor- of achterhoofd is dan sterk gezwollen en deegachtig op aanvoelen. Na een paar dagen verdwijnt die eigenaardige vervorming van zelf, waarom het volkomen onnoodig is, door allerlei knijpingen te trachten het hoofd een goeden vorm te geven. Somtijds is er ophooping van bloed of bloederig vocht onder de huid, ter plaatse van het geboortegezwel. Dan duurt het langer, zelfs wel vier tot zes weken, voor het hoofd de normale gedaante heeft aangenomen. De neus is dikwijls plat, maar ook dat herstelt zich spoedig.

De huid is bedekt met eene verschillend groote hoeveelheid vettig, kaasachtig smeer, het zoogenaamde huidsmeer, het sterkst op den rug en in de buigvlakten van armen en beenen. Bij meisjes vindt men zelfs een dikke laag in de plooien der geslachtsdeelen. Het bestaat uit een mengsel van huidvet en huidschilfers.

Het pasgeboren kind is niet in staat het hoofd rechtop te houden. Als men het kind rechtop houdt, valt het hoofd naar voren of naar achteren, naar links of naar rechts, zoodat men het met de hand moet steunen, als het kind wordt opgenomen.

Te vroeg geboren kinderen zijn kleiner, lichter en magerder. De huid is rooder, dunner, en overal van wolharen voorzien. De hoeveelheid huidsmeer is veel geringer, op bovenlip en neus zijn talrijke fijne puntjes, als uiting van verstopte talkklieren, waar te nemen. De schedelbeenderen zijn buigzaam, dikwijls gemakkelijk in te drukken, de nagels minder lang dan bij het voldragen kind en weeker. Het kind schreeuwt niet krachtig, de stem is meer piepend.

De eerste zorg voor het kind bestaat in reiniging. Ten einde het gemakkelijker te bevrijden van het huidsmeer, wordt het over het geheele lichaam ingesmeerd met olie of een ander vet, b.v. door middel van een in olie gedrenkte prop ontvette watten, en daarna goed schuimend ingezeept met een neutrale, beter nog overvette zeep, door middel van ontvette watten of een zachte spons. Vervolgens brengt men het kind in een lauwwarm bad van 35° C. (28° R.). Men vatte het kind met de linkerhand zoo aan, dat deze onder den linkerschouder komt en nek en hoofd op pols en onderarm komen te liggen. Gezicht en ooren moeten buiten het water blijven. Met de andere hand wordt dan het kind zorgvuldig gewasschen. De temperatuur van het water moet door een thermometer worden bepaald, vooral niet door de hand. Als badkuip kan men allerlei groot vaatwerk gebruiken. Eenvoudig, doelmatig en goedkoop is een groote zinken teil, waarin men een groot stuk schoon molton legt, dat gedeeltelijk over den rand heen hangt. Na 3–5 minuten goed afwasschen, waarbij alle zeep wordt afgespoeld, neemt men het kind uit het bad, wikkelt het in een verwarmden grooten badhanddoek, legt het op een matrasje op tafel en droogt het zacht, doch goed af. Het matrasje beschut men door een daarover gelegd stuk hospitaaldoek. Het aangezicht behoort men afzonderlijk te wasschen, liefst buiten het bad, met schoon lauwwarm water; de oogen te reinigen met watten, gedrenkt met 3%’s boorzuur-oplossing of met uitgekookt water, voor ieder oog een afzonderlijk wattepropje, in de richting van den binnenhoek van het oog, dus naar den neus toe. De mond behoeft niet gereinigd te worden. Evenmin is het noodig de neusgaten met, tot een rolletje gedraaide, watten te reinigen, terwijl het slechts zelden of nooit noodig is op die wijze de ooren inwendig schoon te maken.

Nadat het kind aldus gereinigd en behoorlijk afgedroogd is, wordt het gepoederd, waarbij vooral gelet moet worden op alle plaatsen waar twee huidvlakten elkander aanraken, zooals de oksels, hals- en liesplooien, omgeving van de geslachtsdeelen en van de aarsopening. De eenvoudigste en zindelijkste wijze van poederen is die door middel van een bus, zooals de peperbus is ingericht. Elke kwast, ook al is die nog zoo mooi, kan gevaarlijk worden, doordat hij, steeds weder gebruikt wordende, tot besmetting aanleiding geven kan. Als strooipoeder gebruike men talkpoeder, gesteriliseerde witte pijpaarde (bolus alba), of vasenolpoeder, liever dan gemalen rijst of andere plantaardige poeders, en ongeparfumeerd.

De kleeding moet aan de volgende eischen voldoen. Zij moet het lichaam gelijkmatig bedekken, de warmte van het lichaam zooveel mogelijk op gelijke hoogte houden, licht en zacht zijn, de bewegingen van het kind zoo min mogelijk belemmeren en dus nergens knellen of te nauw aansluiten. Eene uit drie lagen bestaande kleeding, waarvan de onderste laag uit eene niet te dunne, losjes gebreide, gehaakte of geweven, stof, de bovenste uit wat meer gesloten stof bestaat, voldoet aan deze eischen. Bovendien moet men haar zoo kiezen, dat zij gemakkelijk kan gewasschen worden en het aan- en uitkleeden in den kortst mogelijken tijd geschieden kan, zonder dat het kind er eenigen last van ondervindt. [1]

Men begint met het aanleggen van het navelverband, dat dient om de rest van de navelstreng, goed verzorgd, te beschutten. Vooral hierbij, nu en gedurende den tijd vóór de rest afgevallen en de wond genezen is, moet men de grootst mogelijke reinheid en zorgvuldigheid in acht nemen. Het overgebleven gedeelte wordt met een stukje steriel hydrophiel gaas of met een laagje steriele verbandwatten omwikkeld, het geheel naar links en boven op den buik van het kind gelegd en vastgehouden door een navelband. Ook hierbij is eenvoud het ware. Het eenvoudigste verband verkrijgt men door een katoenen tricot-windsel, van ± 7 cM. breedte, zonder het te sterk aan te trekken, een paar malen om het buikje te wikkelen, het af te knippen en het einde met een veiligheidsspeld, in overlangsche richting, vast te steken. Zulk een verband sluit overal goed aan, verschuift niet gemakkelijk en kan gewasschen worden, of, beter nog, omdat de kosten zeer gering zijn, weggeworpen worden, zoodra het door een nieuw vervangen is.

Zelden komt het tot bloeding uit de rest van de navelstreng. Mocht dat gebeuren, dan moet er nogmaals een bandje om de navelstreng, tusschen de eerste onderbinding en de huid, gebonden worden. Zulk een bandje moet, opdat het inderdaad rein en zuiver zij, eerst uitgekookt worden. Voor men tot het onderbinden overgaat, moet men zorgvuldig de handen wasschen. Tevens vertelle men den dokter, wat er geschied is.

Vervolgens wordt het kind verder aangekleed. Wanneer het kind gekleed is, wordt het in het vooraf, door middel van een warmwaterkruik, verwarmde bedje gelegd, tot aan de kin toegedekt en aan zich zelf overgelaten. Het bedje moet zoo geplaatst zijn, dat het kind beschut is tegen licht, tocht en sterke geruischen. Het hoofdeinde wordt daarvoor meestal omgeven door een behang. In den zomer vooral is het aan te raden het geheele bedje te omgeven met muskietengaas, waarvan de onderste uiteinden niet los neerhangen, daar muskieten dan de gelegenheid hebben van onderop langs de plooien naar binnen te komen. Het gaas moet daarom rondom in het bedje ingestopt worden of over een band, welke om het ledikant gespannen is, zoodat van binnendringen der muskieten geen sprake meer zijn kan.

Te vroeg geboren kinderen hebben te slechter kans om te blijven leven, naarmate zij vroeger geboren zijn en vereischen daarom meerdere zorgen. Een van de hoofdzaken waarop gelet dient te worden, is die, dat afkoeling van het lichaam zooveel mogelijk vermeden wordt, een tweede, dat de voeding met zorg geregeld wordt. Ter bereiking van het eerste wordt het kind in watten gelegd en door warmwaterkruiken omgeven, en het bedje geplaatst in eene kamer, waarin de temperatuur zoo gelijkmatig mogelijk, op 30° C. (28° R.) gehouden wordt. Dikwijls worden zulke kinderen ook in een broedstoof of couveuse gebracht. Omtrent den gunstigen invloed daarvan zijn de meeningen verdeeld. De geneesheer zal hierin, evenals in de vraag omtrent de voeding, van raad dienen. Voor deze kinderen is de moederborst van nog grooter belang, dan voor den voldragen zuigeling.

Het kind, dat na de geboorte warm in het bedje ligt, valt in een vasten rustigen slaap, waaruit het na eenige uren ontwaakt en dan de behoefte aan voedsel door schreien kenbaar maakt. Dan kan de moeder haar kind aan de borst leggen. Eenige reden om daarmede een of twee dagen te wachten, bestaat er niet, en zeker zal het kind er meer aan hebben dan aan suikerwater, venkelwater of diergelijke middeltjes.

Na de voeding weder in het bedje gelegd, slaapt het kind in, om door dezelfde behoefte gewekt te worden. Urine-loozing en ontlasting vinden in den slaap, of onmiddellijk na het ontwaken, plaats. Zoo gaat het de eerste dagen door.

Gedurende den eersten dag is de ontlasting van dezelfde soort als dadelijk na de geboorte. Met den 4en of 5en dag maakt zij plaats voor de normale zuigelingenontlasting. Bij kinderen, die aan de moederborst gevoed worden, is de ontlasting dik brijachtig, als een zalf, goudgeel van kleur, welke echter bij lang staan verandert. Kinderen die om een of andere gewichtige reden de moederborst moeten ontberen en met de flesch gevoed worden, b.v. met koemelk, hebben eene ontlasting, in grootere hoeveelheid, welke veel stijver en drooger is, brokkelig, grijsachtig geel van kleur, op leem gelijkend en zwaarder.

In den aanvang komt de ontlasting vaak 3–6 maal per dag, later 1 of 2 maal in de 24 uren.

De geloosde urine is in de eerste dagen wel is waar troebel, later helder, doch van dat verschil bemerkt men in de luiers niet veel. Opvallend daarentegen is eene roodachtig gele verkleuring van de luier, welke te wijten is aan eene poederachtige stof, urine-zuur, die in den eersten tijd in vrij groote hoeveelheid met de urine wordt uitgescheiden. Het verschijnsel is van geen beteekenis en behoeft dus geen ongerustheid te verwekken.

Zoo ongemerkt geraakten wij in onze beschrijving reeds van den dag der geboorte verwijderd. Wat wij nu laten volgen is dan ook eene bespreking van allerlei, wat geleidelijk verdwijnt, opkomt of verandert, en waarbij in dit korte overzicht moeilijk met uren of dagen rekening kan gehouden worden.

Volgens Preyer [2], wien wij een aantal zorgvuldige onderzoekingen en opmerkingen danken met betrekking tot verschijnselen, die zich bij het pasgeboren kind, den zuigeling en ook gedurende de verdere ontwikkeling van het kind voordoen, en aan wien wij het nu volgende ontleenden, kan het kind onmiddellijk of weinige minuten, hoogstens uren, na de geboorte licht en donker onderscheiden. Het sluit de oogen snel en krampachtig wanneer het lichtschijnsel op het gelaat en in de oogen valt, waarbij kan opgemerkt worden, dat de pupil-reactie in de eerste uren na de geboorte reeds tot stand komt. Die reactie bestaat daarin, dat, bij invallen van het lichtschijnsel, het zwarte plekje in het oog, de zoogenaamde pupil, kleiner, bij verwijdering van het licht, dus in de duisternis, grooter wordt. Slapende zuigelingen worden, na eenige dagen levens, onaangenaam aangedaan door op het gelaat vallend lichtschijnsel, zooals blijkt uit het vast toeknijpen der oogen; velen worden zelfs onrustig of ontwaken. De lichtschuwheid is in den beginne, na het ontwaken en na oponthoud in donker, groot, doch spoedig wordt schemerlicht gezocht en werkt dus in geen geval onaangenaam. Na eenige dagen doet gewoon daglicht of een lichtend voorwerp aangenaam aan, de lichtschuwheid vermindert. Het bewegen van het hoofd in de schemering b.v. naar het venster of naar het licht toe, dat van den zesden dag af is waar te nemen, geschiedt dus niet omdat het kind ziet, maar omdat het door het lichtschijnsel eene aangename gewaarwording ondervindt. Hetzelfde doet het kind bij het naderen van de warme moederborst. Zelfs in donker zal de zuigeling iets onaangenaams gevoelen als men zijn hoofdje daarvan afwendt. De hoofdbeweging, naar het licht toe, is dus niet op te vatten als eene willekeurige richting van den blik. Fixeeren kan het pasgeboren kind niet, omdat het niet in staat is de oogspieren willekeurig te bewegen. Als men meent waar te nemen, dat het kind den blik b.v. naar de vlam eener kaars gericht houdt, is dat geen fixeeren doch staren, want de richting van zijn blik verandert niet, het staren houdt niet op, als men de kaarsvlam verwijdert. Voor den tienden dag heeft men geen eigenlijke fixatie-bewegingen waargenomen. Daarna begint het kind het hoofd van het eene verlichte voorwerp naar het andere te bewegen; van den 23en dag, meestal nog later, begint het, bij rustig gehouden hoofd, een langzaam bewogen voorwerp met de oogen te volgen. Dan kan men van zien spreken, maar nog niet van fixeeren, al drukt ook het gelaat reeds eenige intelligentie uit. Nog later volgt dan het vermogen om voorwerpen met het oog te volgen. Zien, in de eigenlijke beteekenis van het woord, kan het kind in de eerste weken dus niet.

Pasgeboren kinderen houden de oogen meer gesloten dan open. Wanneer zij de oogen openen, geschiedt dat ongelijkmatig. Het eene oog b.v. gaat open, terwijl het andere gesloten blijft. Dat afwisselende openen en sluiten duurt tot ongeveer den 11en dag, daarna wordt het zeldzamer, maar het blijft zelfs gedurende de eerste maand zoo, dat, als beide oogen opengehouden worden, zij niet even wijd open staan. Bij snelle nadering met de hand, met den vinger, met het hoofd of met eene brandende kaars schrikt het kind nog niet, het knipt ook niet met de oogleden. In de eerste weken ontbreekt die snelle ooglidslag, bij snel naderen van eenig voorwerp naar het gezicht.