Part 20
„Volgens hem (bedoeld is Prof. Czerny) mag men een gezond kind nooit uit den slaap wekken, om het te voeden, zelfs niet indien het daardoor een maaltijd zou verzuimen.
Deze raad moge wetenschappelijk zeer juist en in een kliniek ook zeer goed op te volgen zijn, in de gewone praktijk zal men evenwel meestal adviseeren, het kind maar wakker te maken, als het 4 uur heeft geslapen, opdat de goede gang der huishouding geen stoornis ondervindt en de moeder niet veel te laat naar bed of midden in den nacht door een hongerigen zuigeling in hare rust wordt gestoord.”
Bl. 296. „Alles komt ten slotte hierop neer, dat bij de kunstmatige voeding van zuigelingen het eerste en laatste woord niet is aan de theorie, doch aan de praktische ervaring, die ons leert, dat het onmogelijk is, algemeen geldende voorschriften te geven, nog minder, die in toepassing te brengen. Steeds moet men individualiseeren, want wat bij den eenen zuigeling voortreffelijk gelukt, kan bij den anderen treurig mislukken.”
Bl. 297. „Steeds houde men in het oog, dat de methoden zijn gemaakt voor het kind en niet het kind voor de methoden.”
Dr. Cornelia de Lange. ‘De geestelijke en lichamelijke opvoeding van Het Kind, in vrije navolging van Prof. Biedert „Das Kind”’. 1914.
Bl. 55. „Wanneer men dadelijk na de geboorte begint, de kinderen gedurende den nacht, dus ongeveer van ’s avonds 10 uur tot ’s morgens 6 uur, geen voedsel te geven, dan schreeuwen zij de eerste twee, drie nachten erbarmelijk, maar dan zijn zij wijzer geworden en houden zich in de daaropvolgende nachten stil. De jonge ouders, die soms heelemaal ontdaan zijn door zulk een wreedheid, hebben daardoor het overtuigend bewijs, dat de opvoeding dadelijk na de geboorte moet beginnen en dat zij zich niet door hun gevoel mogen laten meeslepen. Het is vaak zeer moeilijk bij de opvoeding en het eischt een groote mate van wilskracht, om waar het noodig is, de liefde te laten zwijgen en zich te laten leiden door het verstand en de nuchtere rede, maar ter wille van het kind zelf, moet men steeds het gezag handhaven.”
Bl. 78. „Nog niet lang geleden werd aangeraden, de zuigelingen in de eerste levensweken om de 2 of 2½ uren te laten drinken, maar in de laatste jaren is men er meer en meer toe gekomen, de pauze tusschen twee maaltijden gedurende het eerste halve levensjaar 3 uur en daarna zelfs 4 uur te laten duren” .... „is het duidelijk, dat men de tijdsruimte tusschen twee maaltijden drie uren moet maken en het kind hoogstens 20 minuten mag laten drinken. Slaapt het langer dan 3 uren, dan laat men het rustig slapen, totdat het van zelf wakker wordt; wel is het wenschelijk het kind op een bepaald uur te wekken voor den laatsten maaltijd ’s avonds, opdat het aan dien tijd zal gewennen en niet ’s nachts op een of ander tijdstip zal wakker worden en verlangen te drinken.”
Bl. 79. „Tusschen 10 en 11 uur ’s avonds en 6 uur ’s morgens behoeft het kind niet gevoed te worden; dit is zoowel in het belang van de moeder, die haar ongestoorde nachtrust noodig heeft, als van het kind, welks spijsverteringsorganen evenzeer rust behoeven en dat dan tevens leert, dat de nacht er is om te slapen. Van dit régime moet men zich, zoolang het kind gezond is, niet laten afbrengen. Het kind krijgt dus 6 maaltijden; dat dit aantal voldoende is blijkt daaruit, dat ook kinderen, die van den beginne af slechts 5 maaltijden daags kregen, prachtig zijn gedijd.”
Dr. E. Gorter. ‘De voeding van gezonde en zieke zuigelingen.’ 1914.
In de voorrede schrijft Czerny: „Auch das Lehrbuch von Gorter bedeutet einen Fortschritt .... Die Erkenntnis von den groszen individuellen Unterschieden der Säuglinge und von den angeborenen krankhaften Veranlagungen führte dazu jedes Schema aus der Ernährungslehre des Säuglings zu verdringen.”
Bl. 17. „Vanaf den 2den levensdag zal men het kind aan de borst leggen. Men doet goed zich in den beginne nog maar door het kind te laten leiden en het als het schreeuwt aan de borst te leggen, met deze beperking evenwel, dat de tusschenpoozen niet korter dan 2 uur, en niet langer dan 4 uur worden en dat het ’s nachts 1–2 maal wordt aangelegd. Heel spoedig zal dan regelmaat worden ingesteld, zoodat het kind als het een week oud is al op vaste tijden, aanvankelijk alle 3 uur, wakker wordt om te drinken.
Bl. 25. „Men zal al heel gauw—na 2–6 weken—het kind kunnen wennen, om van ’s avonds 10 uur tot ’s morgens 6 of 7 uur door te slapen, zoodat het dan nog slechts 5 maaltijden in de 24 uur krijgt .... Het is evenwel niet noodig, om het kind precies als het tijd is, wakker te maken voor zijn maaltijd. Maar voor een moeder, die nog andere bezigheden heeft, is het meestal wel erg prettig om precies te weten, wanneer het weer tijd is om haar kind te voeden .... Hoewel nu in de praktijk in de meerderheid der gevallen de resultaten van dit geringe aantal maaltijden voortreffelijk zijn, moet er toch op gewezen worden, dat men een enkele maal goed doet een uitzondering te maken en b.v. 6–7 maaltijden in 24 uur voor te schrijven. Soms groeien de kinderen bij 5 maaltijden onvoldoende en komen aanstonds bij voeding om de 3 uur weer flink aan.”
Dr. I. H. G. Carstens. ‘Nederl. Maandschr. v. Verloskunde en Vrouwenziekten en v. Kindergeneeskunde.’ 1912.
Deel I, bl. 611. Sprekende over gemengde voeding, zegt hij: „Individualiseeren is ook hier noodig, omdat de maximale zogproductie bij de eene vrouw bereikt wordt door een veelvuldig aanleggen van het kind, bij de andere door een minder veelvuldig zoogen.”
Dr. L. de Jager. ‘Nederl. Maandschr. v. Verloskunde en Vrouwenziekten en v. Kindergeneeskunde.’ 1914.
Deel III. Bl. 437. „Omtrent de voeding van den gezonden zuigeling heerscht in de verste verte geen overeenstemming van meening.”
Bl. 442. „Als een kind aan de borst is, gaat alles gewoonlijk goed, onverschillig of het kind volgens het boekje gevoed wordt, of geheel volgens het eigen inzicht van de moeder.”
Bl. 443. „Er is kentering; men begint ook in Duitschland in te zien, dat de pauze van 4 uur misschien te lang is; het staat vast, dat deze officieele pauze tot 3 uur zal worden teruggebracht en nu ben ik overtuigd, dat, nu er reactie komt, iemand zal opstaan en aan zijn kliniek de pauze nog meer zal inkorten, zoodat we vermoedelijk binnen niet al te langen tijd zullen vernemen, dat een zuigeling alle 2 uur behoort te worden gevoed .... maar wat in het algemeen het beste is, weet ik niet, en ik meen te durven beweren, dat een ander het ook niet weet.”
Prof. G. C. Nijhoff. ‘Het boek voor jonge moeders.’ 1912.
Bl. 130. „Het is volstrekt noodzakelijk dat het kind op regelmatige tijden gezoogd wordt, met tusschenruimten van minstens 2, liefst 2½ à 3 uur, en dat het, zoo mogelijk, ’s nachts doorslaapt .... In de eerste dagen na de geboorte mag het kind worden aangelegd zoodra het schreeuwt, onverschillig of het dag of nacht is. Lang mag dit tijdperk van ongeregeldheid echter niet duren. Reeds in de tweede week moet het kind overdag opgenomen en aan de borst gelegd worden, wanneer het ruim 2 uur geslapen heeft. Wordt het in dezen tijd ’s nachts wakker, dan moet door de verpleegster worden nagezien of het kind iets hindert. Wordt het na het verdrogen niet rustig dan mag het een of twee theelepeltjes water hebben, maar met het geven van de borst wordt telkens iets langer gewacht. Op deze wijze kan elk kind binnen den tijd dat de kraamverpleegster in huis is, zóó worden gewend dat het ’s nachts 6–7 uur slaapt en overdag 6–7 maal de borst krijgt.
Prof. H. Treub. ‘Leerboek der verloskunde.’ 1913.
Bl. 366. „Ten slotte de voeding. Onverschillig of het kind het natuurlijke voedsel, de moedermelk, dan wel eenigerlei kunstmatig voedsel krijgt, zijn er algemeene regels te geven, waaraan men zich hierbij zal hebben te houden. En wel vooreerst wat betreft de frequentie der maaltijden. In de eerste 1½ à 2 weken geeft men het kind voedsel als het er om vraagt, d.w.z. schreeuwt. Daarna gewent men het kind aan regelmaat, door het, onverschillig of het schreeuwt of niet, overdag om de twee uren op te nemen en te voeden, terwijl het ’s nachts alleen voedsel krijgt, als het schreeuwt. Langzamerhand, als het kind meer kan gaan drinken, maakt men de tusschenpoozen wat grooter, zoodat in de vierde à vijfde week het kind slechts om de 3 uur gevoed wordt.”
Prof. G. Scheltema. ‘Nederl. Maandschr. v. Verloskunde en Vrouwenziekten en v. Kindergeneeskunde.’ 1914.
Deel III. Bl. 613. „Misschien wordt het schema dikwijls te veel over de zuigelingen losgelaten en verdient het aanbeveling om hunne lust- en onlust-uitingen in zake voedselbehoefte meer te volgen. Bij natuurlijk gevoede kinderen kan men dit in elk geval gewoonlijk ongestraft doen; voor de onnatuurlijk gevoede zal men toch wel eenige paal en perk moeten stellen aan de avontuurlijke handelingen van hen, die men dan zonder leiding maar op de bevrediging van zoogenaamde voedselbehoefte van het kind, dat identiek wordt geacht met elk schreien, loslaat.”
Arts Tijdens. ‘Kraamverpleging en voeding van het kind in het eerste levensjaar.’ Tweede druk. 1917.
Bl. 73. „Na het zoogen wordt het kind telkens dadelijk weggelegd, en dan mag het, gelijk in het vorig hoofdstuk gezegd, den 1en en den 2en dag zoolang slapen, als het verkiest; wordt het wakker, zoo krijgt het (niet binnen 3 uur!) telkens de andere borst (eerst ’t kind droogleggen!), en mag daarna weer rustig doorslapen. Den 3en dag—gelijk ook reeds gezegd—begint de reiniging en voeding op geregelde tijden: als regel stelle men, dat het gezonde borstkind overdag alle 3 à 4 uren opgenomen, drooggelegd en aan de borst gevoed wordt,—dat is dus: hoogstens 5 keer per dag,—en dat het in den eersten tijd nog één keer ’s avonds laat en één keer ’s nachts de borst krijgt,—in ’t geheel dus hoogstens 7 keer per 24 uur. Spoedig echter is het wenschelijk de voeding ’s nachts tot één keer te beperken. Het is van groot belang zich aan dezen regel te houden, zoowel voor de kraamvrouw als voor het kind.”
Bl. 75. „Ook in de volgende dagen, weken, maanden ga men met de reiniging en de voeding van het kind op dezelfde regelmatige wijze voort, gelijk boven voor de eerste dagen is aangegeven, en wel: Van af de 2e tot de 5e of 6e maand: hoogstens 5 maal per dag, en één maal ’s avonds laat. Voor de rust van de moeder en van het kind is het wenschelijk, gelijk ook reeds gezegd, om het voeden bij nacht spoedig achterwege te laten. Verder voede men: vanaf de 5e of 6e maand: hoogstens 5 × per 24 uur.”
Bl. 76. „De kinderen vertoonen zóó groote individueele verschillen, zoowel wat hunne behoefte aan voedsel als aan rust aangaat, alsook in alle overige eigenschappen,—dat men elk kind afzonderlijk nauwgezet moet waarnemen, en men nauwkeurig op zijne bijzondere behoeften en eigenaardigheden moet letten, om daaruit eene aanwijzing te putten voor den, voor elk kind vast te stellen leefregel.
Geleid door een drang tot schematisme zijn wij vaak geneigd van het kind enkel plichten te eischen, zonder hem rechten toe te staan. Het kind is een geboren egoïst, en kent slechts rechten, geen plichten.
Reeds in de eerste levensdagen beproeft het door schreeuwen zijn wil door te zetten. Is hem dit één keer gelukt, dan laat hij zich daar niet gemakkelijk weer af brengen, maar eigent zich steeds meer rechten toe; behalve om eten, schreeuwt het spoedig om opgenomen en op den arm rondgedragen te worden of om de aandacht te trekken, en om tallooze dingen meer: hij wordt een kleine tiran, die de geheele huishouding regeert.
Onze taak is het, hierin het kind te leiden, en het binnen de perken te houden naar de gebleken individueele eigenaardigheden en behoeften.
Men zal dan, om eenig resultaat te bereiken,—afgezien van het schreeuwuurtje, dat men het kind zal laten,—een zekere regelmaat in alles moeten invoeren, teneinde het kind plichten te leeren—en zelf niet de slaaf van den zuigeling te worden.
Eene verstandige moeder zal in het gegeven schema den juisten weg weten te vinden.”
Dr. N. Knapper Czn. ‘Nederl. Maandschr. v. Verloskunde en Vrouwenziekten en v. Kindergeneeskunde’. 1915.
Deel IV. Bl. 468. „Telkens weer dringt de vraag naar voren: worden de persoonlijke eigenaardigheden van het kind wel voldoende in acht genomen, wordt niet te veel en telkens getracht om aan stelsels en tabellen te onderwerpen, wat toch even dikwijls weer van nature ongenegen blijkt om zich hieraan te houden? Juist het groote aantal steeds wisselende opvattingen—die maar al te weinig overeenkomen, dikwijls zelfs met elkaar in lijnrechte tegenspraak zijn—dwingt telkens weer de eisch op den voorgrond om te individualiseeren, om vóór alles na te gaan hoe een bepaald kind uit zich zelf zich gedraagt ten opzichte van de wijze van voedselopname, de hoeveelheden, de voedingstijden enz. Rietschel zegt niet ten onrechte: „de methode voor voeding aan de borst gedurende de eerste weken moet eene individueele zijn; feitelijk moet het kind zelf ons den weg wijzen, in dien zin, dat wij hem—d.w.z. iederen zuigeling afzonderlijk—bestudeeren, om allereerst van hem gewaar te worden, bij hem waar te nemen, wat hij verlangt, wat hij krachtens zijne constitutie voor zijne harmonische ontwikkeling behoeft.”
Dr. Knapper begint zijn artikel: ‘Over zogvoeding en individualiteit’ met de volgende zinsneden: „Al zijn er nog geen verschijnselen die er op wijzen, dat men in ’t algemeen weer gaat afwijken van het sinds lang aangenomene en door de goede resultaten gesanctioneerde voorschrift: Regel de voeding van het kind naar maat, gewicht en tijd, met regelmaat en orde, toch begint zoo hier en daar de ondervinding zich uit te spreken dat bij deze dressuur toch vooral het persoonlijke niet te sterk op den achtergrond behoort te worden geschoven. Ik herinner slechts aan het belangwekkende artikel over Moderne Zuigelingendiethetik van Halberstadt in het Monatschrift für Kinderheilkunde, door collega de Jager in dit tijdschrift aangehaald, en aan de reeks artikelen „Over het voeden van zuigelingen” in ’t Medisch Weekblad, van de hand van Dr. C. N. van de Poll, den vrouwenarts, die op grond van jarenlange waarneming van zoogende moeders en zuigende kinderen zich over de dressuur van den zuigeling eene persoonlijke meening heeft trachten te vormen.”
Op bl. 476 spreekt hij over „de wenschelijkheid, de eisch bijna, om vooral bij de borstvoeding toch niet te veel te willen maatregelen, omdat de natuur zelve—om ’t zoo uit te drukken—„wel weet wat zij doet.” Men kan een en ander gerust op zijn beloop laten—tot zekere grenzen natuurlijk—al valt het soms geheel anders uit dan men „volgens ’t boekje” verwachten zou.”
Omtrent de cijfers, welke ‘een gemiddelde’ aangeven, voor de hoeveelheid voedsel welke een borstkind, volgens officieele voorschriften, hebben mag, zegt hij (bl. 477): „Al hebben zij eene zekere waarde als leidraad, speciaal bij de onnatuurlijke voeding, bij de natuurlijke voeding behoort liefst de eigen persoonlijkheid van den zuigeling te gaan boven de leer.”
Dr. C. N. van de Poll. ‘Medisch Weekblad’. 1915.
„Het pasgeboren kind, en gedurende eenigen tijd ook de zuigeling, is nog niet als mensch te beschouwen, doch als een jong dier, waarbij wij niet uit het oog hebben te verliezen, dat het als zoodanig in bijzonder ongunstige omstandigheden verkeert, omdat het niet zelf de moederborst kan gaan opzoeken, zooals pasgeboren dieren dat reeds spoedig doen. Het menschelijk dier geeft door schreeuwen te kennen, dat het behoefte aan voedsel heeft, en daarop heeft de moeder te letten niet alleen, maar heeft zich, in vele opzichten, opofferingen voor haar hulpbehoevend kind te getroosten.
Zal men nu, waar allerwege erkend wordt, dat er zoovele en vaak groote individueele verschillen zijn, daarmede rekening hebben te houden of niet? Wie de citaten, door mij gegeven, oplettend nagaat, ziet dat, ofschoon vrij wel alle schrijvers trachten een voor alle kinderen geldenden regel te geven, telkens gewag gemaakt wordt van uitzonderingen, omdat nu eenmaal de kinderen zich niet schikken naar de schemata, die, ondanks de bewering van Czerny: „Die Erkenntnis von den grossen individuellen Unterschieden der Säuglinge und von den angeborenen krankhaften Veranlagungen führte dazu jedes Schema aus der Ernährungslehre des Säuglings zu verdrängen”, toch onophoudelijk worden opgesteld. Ik begrijp, dat regels en voorschriften voor voeding, voedingstijden en hoeveelheden per maaltijd noodzakelijk zijn in weeshuizen, kazernes enz., waar een groot aantal personen moet gevoed worden. Het is niet doenlijk, daar toe te geven aan individueele verlangens, maar voor pasgeborenen en zuigelingen is het anders. Juist voor die hulpelooze schepseltjes is het noodig rekening te houden met allerlei omstandigheden, zoo van lichamelijken als van geestelijken aard, zooals dat ook noodig is bij het opvoeden van kinderen. Alle ouders kunnen weten, hoe het bij de opvoeding van het hoogste belang is, te letten op karakter-eigenschappen, om in verband daarmede b.v. goed- en afkeuringen, belooningen en bestraffingen in te richten. Van niet minder gewicht acht ik het, reeds van den beginne af, ook voor de voeding op te letten, wat voor ieder kind noodig en nuttig blijken kan, in verband met zijn eigen aard, met zijne eigenaardigheden, en dat zonder geleerdheid of wat daarvoor moet doorgaan. Uit de citaten is wel op te maken, dat het met algemeene regels maar niet lukken wil.”
.... „Naar mijne meening is het zeer goed mogelijk, met inachtnemen van aanwijzingen, door de natuur gegeven, eene betrekkelijke regelmaat bij de voeding van den zuigeling te verkrijgen, zonder dat men in de fout van eenzijdige stelselmatigheid vervalt.... Eene ‘betrekkelijke’ regelmaat, want verder zal men het nooit brengen. Wanneer in den beginne de verpleegster, of welken titel de helpster moge dragen, in overleg met de moeder, vooral waar het haar eerste kind betreft, later de moeder alleen, den zuigeling oplettend gadeslaat in al zijne verrichtingen, zal het—ook al weder betrekkelijk—gemakkelijk zijn te bespeuren, wanneer het kind voedsel verlangt. Juist zij, die dagelijks met den kleine verkeeren, en zeker het meest de moeder, weten reeds spoedig te vertellen van kleinigheden die zij opmerkten, en, in aansluiting daaraan, aan te geven, in welke richting de zuigeling zijne eigenaardigheden vertoont. Laat men nu het kind, met betrekking tot zijn hongergevoel, volkomen vrijheid, dan zal blijken, dat het eene kind, zooals ook de literatuur doet zien, meer of minder groote verschillen openbaart met het andere, maar ook, dat het gewoonlijk zijn buikje vol drinkt, daarna, althans in den aanvang, in slaap valt, eenigen tijd daarna wakker wordt, en weder om voedsel vraagt, iets dat zich met meer of minder regelmaat herhaalt”.
.... Sedert geruimen tijd heb ik, waar mij de gelegenheid daartoe gegeven werd, in dezen geest (de zaak aan het kind zelf over te laten) gehandeld, en tot mijn genoegen mogen ondervinden, dat de kinderen prachtig groeiden, geen of onbelangrijke stoornissen vertoonden, en, op verschillende tijdstippen, tot eene regelmaat kwamen, waarvan de moeder in hare huiselijke ordeningen geen hinder ondervond. Wel is waar moest in de eerste weken de moeder doen, waarop ik boven doelde, namelijk zich opofferingen voor haar kind getroosten, maar de belooning bleef dan ook niet uit. In overleg met de moeder handelende, werden de gunstigste resultaten verkregen. Wat kan men meer verlangen?”
G. Oosterbaan, arts. ‘Lichamelijke opvoeding’. 1920.
Bl. 47. „Nooit mag afgeweken worden van den regel, dat tusschen twee maaltijden minstens ongeveer drie uren verloopen moeten.
Wordt het kind binnen drie uren nadat het gevoed is wakker en is het dan lastig, schreit het pijnlijk, dan is, tenzij de hoeveelheid opgenomen voedsel onvoldoende was, honger niet de oorzaak. Naar de aanleiding van het schreien moet dan gezocht worden (zie bl. 37); in geen geval mag men het kind, ten einde het stil te krijgen, de borst reiken. Was deze regel reeds vroeger niet stipt opgevolgd, dan bestaat er groote kans, dat reeds een begin van gestoorde spijsvertering aanwezig is, en dat juist daarin de oorzaak van het schreien is gelegen. Dan zal men door het geven van nieuw voedsel slechts de kwaal verergeren, de aanleiding tot het schreien sterker maken in plaats van haar weg te nemen.
Evenmin mag men het kind, al zijn drie uren na de laatste voedselopname verloopen, wakker maken om het te voeden. Blijft het doorslapen, dan bewijst dat, dat het nog geen behoefte aan voedsel heeft. Zoodra die behoefte komt, wordt het wakker en zal het gaan schreien.
Het aantal maaltijden, dat een kind moet hebben, bedraagt gedurende het geheele eerste levensjaar gemiddeld zes per 24 uur. In de eerste weken zal het elke 3 à 3½ uur zijn voedsel opvragen (met uitzondering van de eerste dagen, waarin het dikwijls veel langer achtereen slaapt), zonder onderscheid te maken tusschen dag en nacht. Later verlangt het des nachts minder vaak, spoedig in het geheel geen voedsel. Het is van groot belang voor het kind zoover te komen, omdat dan de maag gedurende de nachturen haar noodige rust krijgt.
Is het kind ongeveer drie weken oud, dan moet de regelmaat bij de voeding reeds verkregen zijn. Het krijgt dan des morgens tusschen 6 en 7 uur zijn eersten maaltijd; verder alle 3 uren, zoodat het des avonds tusschen 6 en 7 uur zijn 5den maaltijd geniet. Dan begint voor het kind de nacht, die ongeveer 12 uren duurt. Gedurende dien tijd kan het eerst tweemaal, gemiddeld van het begin der vierde maand af éénmaal worden gevoed. Het beste is dien eenen nachtmaaltijd des avonds tusschen 10 en 11 uur te geven, waardoor voor moeder en kind een voldoende tijd voor de nachtrust overblijft.
De praktijk eischt hier afwijking van den regel, dat men het kind niet uit zijn slaap mag wekken ten einde het te voeden. Het groote belang, dat er in gelegen is om een voldoenden rusttijd te krijgen, weegt zwaarder dan die fout; vooral omdat dan toch de sedert de laatste voedselopname verloopen tijd groot genoeg is, om zeker te zijn dat het kind zonder schade weer opnieuw kan gezoogd worden.
In het algemeen gaan bij te vroeg geboren kinderen de hier gegeven regels niet op. Zij moeten telkens, wanneer ze drie uur geslapen hebben, gewekt en gezoogd worden.
Tracht men zoo stipt mogelijk de regelmaat bij de voeding in acht te nemen, dan zal het kind spoedig aan dien regel gewennen en zal het wakker worden, wanneer de tijd voor de voeding gekomen is. Ook zal het spoedig elken avond omstreeks 10 à 11 uur onrustig worden of geheel ontwaken, wanneer het steeds op dien tijd zijn voedsel ontvangt.
Wordt zulk een kind wakker vóór de noodige tijd sedert den laatsten maaltijd verstreken is, dan zal het zoet blijven liggen en niet gaan schreien, zooals het geval is met niet aan regelmaat gewende en verwende kinderen. Mocht het in het begin soms voorkomen, dat het kind schreit vóór het gevoed worden mag, dan late men het schreien tot zijn tijd gekomen is en toone in geen geval misplaatst medelijden, doch blijve standvastig weigeren het kind voedsel te geven, een schijnbare wreedheid, die echter slechts kan strekken tot heil van moeder en zuigeling.”
FRANSCHE SCHRIJVERS.
Dr. P. Lassablière. ‘Hygiène du premier âge’. 1913.
Bl. 109. „Dès les premiers jours, il convient d’habituer l’enfant à une grande régularité dans ses repas. Ni ses cris ni les supplications de l’entourage ne doivent faire fléchir cette règle absolue.
Le premier mois, l’enfant devra être mis au sein, à partir de cinq heures du matin, toutes les deux heures et demie; il recevra ainsi neuf tétées en vingt-quatre heures. Le deuxième mois, on supprimera une tétée. À partir du sixième mois, il prendra sept tétées en vingt-quatre heures, une tétée toutes les trois heures. Il faut, le plus tôt possible, éviter à la mère la tétée de la nuit qui est pour elle l’interruption d’un repos bien gagné et souvent une fatigue; l’intérêt de l’enfant commande ce repos d’ou dépend la bonne qualité. Le nombre et l’intervalle des tétées peuvent être modifiés cependant, par le médecin suivant le cas.