Chapter 15 of 22 · 3934 words · ~20 min read

Part 15

Huidziekten. De huid van den zuigeling is zeer dun, teeder en gevoelig, en antwoordt zeer gemakkelijk op prikkels, hetzij die van buiten af dan wel van binnen uit werken.

Daarom treden gemakkelijk plaatselijke veranderingen op, b.v. door inwerking van vochten, zooals melk welke uit den mond loopt, urine en ontlasting, wanneer de reiniging te wenschen laat. Doch ook al te veelvuldig reinigen en vegen van de huid kan, door telkens opnieuw verwijderen van het door de talkklieren geleverde vet, de huid overgevoelig maken voor schadelijke invloeden van buiten. De kinderen brengen zichzelf vaak door krabben wonden in het gelaat toe, waar schadelijke stoffen kunnen binnendringen, zoodat het dikwijls reeds vroeg noodig is de nageltjes te knippen.

Vervolgens kunnen prikkels, van den darm uitgaande, verschijnselen van huidaandoening teweeg brengen, terwijl eindelijk ook de erfelijkheid eene rol speelt, zoodat de kinderen vaak aan dezelfde aandoeningen lijden als de ouders vroeger deden.

Smetten of wondzijn van de huid. Het kenmerkende hiervan is het voorkomen van licht- of donkergekleurde, roode, vochtige, uiterst pijnlijke plekken, waaromheen en waarin somtijds blaasjes met troebelen inhoud liggen, welke plekken zich bij slechte verzorging gemakkelijk uitbreiden en de kinderen geducht kunnen hinderen. Men vindt deze plekken vooral op plaatsen welke voortdurend aan vocht zijn blootgesteld, b.v. aan den hals, waar de kleederen door spuwen of uit den mond vloeiende melk nat worden; aan de billen, aan de achtervlakte der dijen en in de liesplooien, door het lange liggen in luiers, nat door urine of door zure diarrhoeïsche ontlasting, bij voedingsstoornissen, alsmede aan de hielen en in alle plooien van de huid, vooral bij vette kinderen en bij kinderen die zweeten.

Het voorkomen en genezen heeft zich dus te richten op zorgvuldige verpleging en op zorg bij de voeding. De plaatselijke behandeling bestaat in het reinigen met olie en (of) poederen, waarbij alsol-strooipoeder en bolus alba uitstekende diensten bewijzen.

Urticaria of netelroosuitslag kenmerkt zich door het optreden van kleine of groote, eenigszins boven de omgeving uitstekende, helrood gekleurde, of lichte, in het midden dikwijls witachtige, vlekken, zooals die worden waargenomen na aanraking met brandnetels, vaak met een klein vochtbevattend blaasje in het midden. Zij jeuken, vooral in de warmte, en worden gewoonlijk door het kind opengeschuurd of opengekrabt, waarna zij, onder vorming van een korst, genezen.

Ook hierbij heeft men te letten op stoornissen in de spijsvertering. Zij komen eveneens voor na insectenbeten. Ter behandeling kan men de plekken wasschen met azijnwater of citroenwater, met een schijfje citroen er overheen strijken; laten drogen en daarna poederen. Dikwijls helpt het bestrijken met een stukje naphtholzeep, in water gedoopt, zoodat eene laag schuim op de huid komt, welke men laat indrogen.

Dauwworm is een vorm van eczeem, welke somtijds reeds vroeg optreedt.

Deze uitslag begint, dikwijls reeds in de eerste weken na de geboorte, meestal aan de wangen, en kan zich over het voorhoofd, over het gelaat en het behaarde hoofd, in ernstige gevallen ook in de plooien van den hals, in oksel- en knieholten en zelfs over het geheele lichaam uitbreiden. De aangetaste plekken, waar de huid rood wordt en zwelt, en waar kleine min of meer roodgekleurde verhevenheden ontstaan, welke zich tot blaasjes ontwikkelen en na opening, door krabben of schuren, een weinig vocht ontlasten, veranderen spoedig, door ineenvloeien en uitbreiding in de omgeving, in vochtige vlakten, waarop zich korsten vormen, welke de vochtige, vaak etterende, vlakken bedekken en waar tusschendoor een troebel of etterig vocht heen siepert. Blijft de aandoening beperkt, dan kunnen de kinderen er goed uitzien, doch bij groote uitbreiding gaat zij gepaard met stoornis van het algemeen welbevinden. Somtijds wijst de aandoening op geërfde neiging tot huidaandoening, welke dan vaak het eerst in verband met de voeding optreedt. Kinderen wier gestel neiging tot eczeem-vorming vertoont, lijden ook gemakkelijk aan katarrhen van de slijmvliezen van neus, keel en luchtpijpstakken, aan roode oogen, klierzwellingen in hals en nek, aan stoornis in de spijsvertering, gebrek aan eetlust, beslagen tong, loozen van winden, slijmige ontlasting; zij hebben meestal een prikkelbaar zenuwstelsel en zijn bijzonder vatbaar voor kinderziekten.

De aandoening kan van zelf tot genezing komen, vooral bij verandering van voedsel, zooals b.v. bij den overgang van melk tot gemengden kost, doch is gemeenlijk van langen duur en biedt vaak hardnekkig weerstand aan de door den geneesheer toegepaste behandeling.

Wijnvlekken. Somtijds wordt een kind geboren met min of meer blauwrood gekleurde vlekken, welke overal op het lichaam kunnen voorkomen, doch zeer dikwijls worden aangetroffen in den nek en aan het voorhoofd, aan de grens van het haar. Zij kunnen vanzelf, dus zonder behandeling, verdwijnen. Dit is niet het geval met de evens rood gekleurde

Vaatgezwelletjes, welke, bij de geboorte somtijds heel klein, allengs grooter worden en zich in alle richtingen, dus zoowel in de breedte als in de diepte, uitbreiden en zich boven de omgevende huid verheffen. Daarom is het aan te bevelen die zoo vroeg mogelijk te laten behandelen. Uitbranden, of vaccineeren op die plek, kan misschien bij geringe grootte een gunstig gevolg opleveren, de grootere vereischen operatieve behandeling.

Berg noemt men een zich op de behaarde hoofdhuid vormend mengsel van huidvet, huidschilfers en vuil. De meening dat het, soms in vrij dikke laag op de plaats van de groote fontanel gelegen, niet mag verwijderd worden, met het oog op de gevoeligheid der hersenen, is volkomen onjuist. De behandeling bestaat in weekmaken, door de plek des avonds met olie in te smeeren, het hoofd met een doek te omwikkelen, en ’s morgens met zeepwater te wasschen, tot alles verdwenen is. Bij herhaald optreden, ondanks deze behandeling, bestaat vermoeden op ziekelijken aanleg voor huidaandoeningen.

Lengtegroei. De lengte van het kind neemt in den aanvang vrij langzaam, daarna snel, tegen het einde van het eerste levensjaar weder langzamer toe. Ziekte heeft daarop bijna geen invloed. De gezond ontwikkelde jongen heeft bij de geboorte gemiddeld eene lengte van 50 cM. en groeit in het eerste jaar ongeveer 20 cM.; voor het meisje gelden de cijfers 49 en 18–19 cM. Voor eene beoordeeling van den groei van het lichaam hebben de verhoudingen van lengte, omvang van borst en schedel meer waarde, dan de lengte alleen. De omvang van de borst, gemeten ter hoogte van de tepels, bedraagt bij den pasgeborene gemiddeld 31–35 cM., de omvang van den schedel gemiddeld 33–35 cM. Bij goed ontwikkelde pasgeboren kinderen overtreft de omvang van de borst de halve lengte met ongeveer 6–10 cM. Een hooger cijfer (11–12 cM.) wijst op krachtige, een lager cijfer (5 cM.) op zwakke ontwikkeling. De omvang van den schedel en van de borst zijn bij de geboorte ongeveer gelijk. Bij normale ontwikkeling nemen beide gedurende eenigen tijd in dezelfde mate toe (in 3½ maand 2,5 cM.). Indien de omvang van de borst in mindere mate toeneemt, zou dit op rachitis wijzen (Bendix).

Ontlasting. Verstopping komt zoowel bij aan de borst gevoede als bij met de flesch gevoede kinderen voor; somtijds aangeboren. Zij is bij borstkinderen van weinig belang. Het kan gebeuren, dat er slechts om de twee of drie dagen ontlasting komt en dan òf heel weinig òf veel, en dan vaak in den vorm van droge harde ballen, welke onder sterke inspanning van het kind worden uitgedrukt. Daarbij ondervindt het kind wel eens pijn en kunnen er scheurtjes in de aarsopening ontstaan, welke bloeden, zoodat zich bloed aan de oppervlakte dier ballen bevindt. Het kind heeft dan angst voor het ontlasten en tracht de ontlasting binnen te houden, waardoor de verstopping toeneemt. Behalve pijnlijkheid bij de ontlasting hebben de kinderen vaak een gevoel van jeuken en branden aan de aarsopening. Vooral bij fleschkinderen komen die harde ballen, geel, lichtgeel of grijsachtig gekleurd, voor, welke men gemakkelijk uit de luier kan schudden.

Men onthoude zich zooveel mogelijk van inwendig toe te dienen middelen. Zoonoodig geve men een enkele keer wat wonderolie, b.v. een theelepeltje vol. Beter is het een zoogenaamd zeeppilletje aan te wenden, gemaakt door een stukje zeep ter dikte van een potlood en ter lengte van 3 of 4 centimeter te snijden, of door wat geschaafde zeep tot een balletje te kneden, en dat door de aarsopening in den endeldarm te brengen. Indien dit niet helpt, zette men, b.v. door middel van een gummi-ballon, een lavementje, waarvoor men eenvoudig lauwwarm water, of lauwwarm water en olijfolie (van elk een eetlepel), of lauwwarme olijfolie (twee eetlepels) of glycerine (een eetlepel glycerine en een eetlepel water), of koud water gebruiken kan. Men legge daarvoor het kind op de linkerzijde, met de knieën naar den buik opgetrokken, zoodat de aarsopening goed te zien komt, brenge dan het aanzetstuk (de canule) van het spuitje, goed met vaseline of olijfolie vetgemaakt, voorzichtig door de aarsopening in den endeldarm en spuite den inhoud van het spuitje vrij krachtig naar binnen. Bij fleschkinderen kan men meestal verbetering brengen door de samenstelling van het voedsel te veranderen, b.v. door minder melk te geven, door de melk te verdunnen met gortwater, door in plaats van gewone suiker melksuiker toe te voegen. Bij oudere kinderen kan men door toedienen van soep, groenten, ooft enz. trachten aan het euvel tegemoet te komen.

Diarrhee. Bij diarrhee komt de ontlasting te dun en te vaak, van 8 tot wel 20 malen of meer per etmaal. De ontlasting komt dan, dikwerf voorafgegaan door koliek-pijnen, met meer of minder sterk geluid te voorschijn, kan zuur of rottend rieken, schuimend zijn en bloed bevatten. De buik kan opgezet zijn of juist ingezonken. Vaak hoort men voorafgaand rommelen in den buik. Bestaat er maag-katarrh, dan is de tong beslagen. De kinderen zijn onrustig, schreeuwen zoowel omdat zij pijn in den buik hebben als omdat de streek om de aarsopening en de billen gesmet en open is. De eetlust wordt minder, het lichaamsgewicht neemt niet toe of neemt zelfs af, de kinderen zien bleek en worden slap, de hoeveelheid urine wordt minder. In ernstige gevallen bespeurt men invallen en koud worden van het gelaat, vooral koud worden van neus, armen en beenen; de kleur van het gelaat wordt vaak blauwachtig. Het kind ligt stil en verdraait de oogen, wordt plotseling onrustig, schreeuwt of gilt, beweegt de armen en beenen stootend, om dan weder, vermoeid, rustig te worden. Het toenemen van de hoeveelheid urine is een gunstig teeken.

De oorzaak kan zeer verschillend zijn. Bij fleschvoeding is zij vaak te vinden in onverstandig voeden, slechte reiniging van spenen en flesschen, bedorven voedsel. Men denke echter ook aan ziekte van het kind, als b.v. verkoudheid, infectie en zooveel meer, zoodat steeds de hulp van den geneesheer moet worden ingeroepen.

Om te beginnen kan men alvast iets doen, en wel het kind op dieet zetten, het namelijk niet anders dan gekookt water of slappe thee geven.

De roode billen wassche men met olie af en poedere daarna. Luiers, en alles wat met de diarrhee-ontlasting bevuild is, laat men in sodawater weeken en uitkoken, om ze daarna te wasschen.

Een gewoon verschijnsel is het optreden van dunnere ontlasting, gedurende eenige dagen, als de ontlasting van de eerste dagen na de geboorte (kindspek) tot de melkontlasting over gaat.

Zoowel verstopping als diarrhee gaan wel eens gepaard met pijnlijke uitzakking van een gedeelte van den endeldarm uit de aarsopening.

Spruw noemt men eene in den mond optredende aandoening, teweeggebracht door een schimmelplantje en kenbaar aan op de tong en op het verhemelte, in de plooien der wangen, op tandvleesch en lippen voorkomende witte of geelwitte vlekjes van verschillende grootte en vrij belangrijke dikte, alsof vlokken van geronnen melk in den mond zijn achtergebleven, waarvan zij gemakkelijk te onderscheiden zijn, doordat men ze niet kan wegwisschen. Vaak staat de ontwikkeling in verband met stoornissen in de voeding en kunnen zij verdwijnen, als die worden opgeheven. Ook kan het aanwenden van dotjes of fopspenen de ontwikkeling in de hand werken. Zij veroorzaken den zuigeling pijn, waardoor het zuigen niet alleen bemoeilijkt, doch zelfs verhinderd wordt. Als behandeling noodig blijkt, kan men de mondholte, maar vooral die plekken, door middel van een penseel bestrijken met borax-glycerine (Borax 2,5 gr. glycerine 10 gr.) b.v. 4 maal per dag, of de plekken flink wegwrijven met een rein lapje, gedrenkt met brandewijn. De hierdoor ontstane wondjes genezen spoedig.

Stuipen noemt men aanvallen van spierkrampen. De kramp-aanval begint met trekkingen in de spieren van het gelaat, waarbij het kind het voorhoofd fronst, de wenkbrauwen samen-, de mondhoeken naar beneden trekt, de kaken vast op elkander klemt, de oogleden opent en sluit, de oogen verdraait of in een bepaalden stand plaatst, schokkende bewegingen met het hoofd maakt, welke trekkingen overgaan op de spieren van den romp en van de ledematen, waarbij de ademhaling onregelmatig wordt, tijdelijk tot stilstand komt (men spreekt van „wegblijven” of „achter adem komen”), kortom alle spieren en spiergroepen ten slotte de krampen vertoonen, terwijl het gelaat eene bleeke kleur, daarna een blauwe tint aanneemt, bewusteloosheid intreedt, urine en ontlasting onwillekeurig geloosd worden.

Men heeft gedurende den aanval zorg te dragen, dat het kind zich niet bezeeren en, indien het tanden heeft, door een opgerolden doek of een houtje tusschen de tanden te steken, zich niet op de tong bijten kan. Terwijl men den geneesheer laat ontbieden make men de kleederen los en legge men koude compressen op het hoofd, welke telkens verwisseld worden, of wikkele men het inmiddels uitgekleede kind in een koud nat laken en zette men een lavement van zeepwater. Inmiddels worde een lauwwarm bad gereed gemaakt, waarin men het kind eene overgieting met koud water geeft.

Een afzonderlijke vorm is kramp van de stemspleet, waarbij het ademhalen, lang gerekt, met groote moeite en gierend geluid geschiedt, het kind, door gebrekkigen toevoer van lucht, blauw wordt en in het grootste gevaar verkeert.

De aanvallen verschillen in lengte van duur en in aantal; in ernstige gevallen treden zij meermalen daags kort na elkander op. Na den afloop van een stuip valt het kind dikwijls in een diepen slaap, met rochelende ademhaling.

Stuipen kunnen voorkomen bij kinderen met prikkelbaar zenuwstelsel, bij aandoening van de hersenen, bij plotseling optreden van stoornissen in de spijsvertering, bij het begin van acute infectie-zieken als de koorts intreedt, bij kinkhoest of andere ziekten en staan niet zelden in verband met Engelsche ziekte.

Inzinking. Bij kinderen, die zwaar ziek zijn, treedt somtijds ineens eene verandering in het uiterlijk op, welke men collaps noemt en misschien het best wordt aangeduid met het woord „inzinking.” De huid neemt dan plotseling een vaalgrijze kleur aan, terwijl het kind onrustig wordt, de oogen verdraait, angstig kijkt, het gelaat blauw, de punt van den neus en de ledematen koud worden, de buik opzet.

Men geve het kind een kortdurend warm bad met koude overgieting en brenge het daarna in zijn bedje, met warme kruik aan de voeten. Pas op voor verbranding der voeten.

Tanden krijgen. Het tijdstip waarop de eerste tand verschijnt en vervolgens de andere doorbreken is wel is waar aan individueele schommelingen onderhevig, doch men kan toch wel eenigermate aangeven, wanneer en in welke volgorde zij gemeenlijk te voorschijn komen. Bijgaande tand-formule geeft door letters aan, welke volgorde in het meerendeel der gevallen bij gezonde kinderen wordt waargenomen.

g e f c b | b c f e g = bovenkaak -----------------------+-------------------------------------- g e f c a | a d f e g = onderkaak ------ ----------------- ------ kiezen hoek- snijtanden hoek- kiezen tanden tanden

De eerste snijtanden (a. a.) breken tusschen de 7e en 8e of 9e, somtijds reeds in de 4e, 5e of 6e maand door; de tweede groep (b. b. c. c.) ongeveer 4 tot 8 weken later, de volgende groep (d. d.) tusschen de 10e en 12e maand. Dan volgen de voorste kiezen (e. e. e. e.) tusschen de 12e en 15e maand, of later, tot de 18e maand; daarop de hoek- of oogtanden (f. f. f. f.) omstreeks de helft van het 2e levensjaar en ten slotte de achterste kiezen (g. g. g. g.) tegen het einde van het 2e of het begin van het 3e jaar.

Aan het einde van het eerste levensjaar zijn dus alle acht snijtanden en aan het einde van het tweede of aan het begin van het 3e jaar alle twintig melk- of wisseltanden te voorschijn gekomen. Deze tanden zijn kleiner dan de blijvende tanden, de kauwvlakten zijn in verhouding kleiner, zij staan meer rechtop en zijn blauwachtig wit van kleur.

Afwijkingen in tijd en volgorde van het doorbreken komen vaak voor, ook bij kinderen die gezond en goed ontwikkeld zijn. Die afwijkingen zijn dus onverschillig als de kinderen goed gedijen. Alleen groote onregelmatigheden zijn van belang, als mogelijk verschijnsel van Engelsche ziekte.

Bij het gezonde kind bespeurt men vaak niets van het tanden krijgen; hoogstens zijn zij wat onrustig en huilerig. Soms kondigt het doorbreken der tanden zich aan door zeer sterke afscheiding van speeksel, kwijlen de kinderen sterk. Het tandvleesch is rood, gezwollen en pijnlijk, op de wangen vertoont zich eene omschreven roode plek, al of niet met blaasjes of puistjes bezet. Een of twee dagen van te voren is het kind licht koortsig, zonder eenige andere afwijking, doch ook wel met lichte stoornis in de spijsvertering, weekere vaker komende ontlasting, lichte katarrh van neus en keel, geringe zwelling van klieren aan den hals. Het kind gevoelt zich niet behaaglijk, is onrustig en prikkelbaar, steekt telkens de vingers in den mond, heeft minder eetlust en slaapt minder goed. De gevoeligheid en prikkelbaarheid van het kind is dus verhoogd en tengevolge daarvan kunnen dan ook schadelijkheden, welke op andere tijden geene uitwerking hebben, hem ziek maken. Ook treden in enkele gevallen verschijnselen van den kant der hersenen op, in den vorm van spiertrekkingen in het gelaat en aanvallen van kramp, maar het is zeer verkeerd om alle mogelijke ziekten, welke in dien tijd toch evengoed als op andere tijden kunnen optreden, zooals b.v. huiduitslag, hoesten, diarrhee, stuipen enz., als meer of minder onschuldige gevolgen of verschijnselen van het tanden krijgen te beschouwen. Men moet dus niet te spoedig zeggen: „O, dat is niets, dat komt van de tanden.”

Vaak neemt het kind gedurende dien tijd niet of weinig in gewicht toe of neemt het gewicht zelfs af. Aangenaam is het voor hem op iets hards te bijten, waarvoor hem een beenen ring, of iets anders dat hard is, mits daarbij groote reinheid betracht wordt, kan gegeven worden. Zulk een voorwerp mag niet te klein zijn, om het gevaar van inslikken te ontgaan.

Nog wijs ik erop, dat de met het tanden krijgen van nature gepaard gaande vermeerderde afscheiding der speekselklieren eene aanwijzing is, dat men van dat oogenblik af ook andere spijs, dan uitsluitend melk, kan toestaan.

Uitzakken van den endeldarm. Als gedurende de ontlasting het slijmvlies van de aarsopening of een gedeelte van het slijmvlies van den endeldarm naar buiten komt, spreekt men van uitzakken van den endeldarm. Men ziet dan de aarsopening omgeven door een blauwachtig-rood gekleurden dikken ring, welke gespannen aanvoelt, of het hoogrood of blauwrood gekleurde slijmvlies van den endeldarm een paar centimeters buiten de opening uitpuilen. Behalve pijn en aandrang tot persen gevoelt het kind zich goed. Deze afwijking komt minder bij zuigelingen, dan wel bij kinderen in het tweede of derde levensjaar voor.

De behandeling bestaat in het terugbrengen van de gezwollen deelen, nadat de ontlasting is geschied. Daartoe legt men het kind op zijde of plaatst men het in knie-elleboogligging, en brengt men het uitgeperste gedeelte, met den met olie of vet besmeerden of met een in olie gedrenkt lapje omwikkelden vinger, voorzichtig zoo diep naar binnen, dat alles verdwijnt.

De oorzaak kan gelegen zijn in verslapping van den endeldarm welke door persen erger wordt, in verstopping of diarrhee, waar vaak drang tot persen bij komt, in algemeene zwakte. Ook ziet men deze afwijking wel eens in aansluiting aan vernauwing van de voorhuid bij jongens, en bij kinkhoest.

Bij oudere kinderen, die van een potje gebruik maken, kan het voordeelig zijn het potje zoo hoog te plaatsen, dat het kind de voeten niet steunen kan, zoodat de buikpers minder sterk werkt. Ook kan men ze, op den rug op een ondersteek liggend, de beenen in de hoogte heffen, opdat zij die niet kunnen steunen. In een warm zitbad komt de ontlasting gemakkelijker en met minder pijn.

Vaccineeren. De bedoeling van het vaccineeren of inenten is, het kind te vrijwaren voor besmetting met het gif der pokken. Inderdaad verwekt de inenting eene ziekte, doch van weinig belang, welke ziekte niet besmettelijk is en den mensch in een toestand van onvatbaarheid voor echte pokken brengt. Aangezien deze onvatbaarheid van betrekkelijk korten duur is, ongeveer tien jaren, is het noodig de vaccinatie nu en dan opnieuw te verrichten.

Het proces verloopt als volgt. Nadat de inenting verricht is, genezen de gemaakte wondjes in de eerste dagen gewoonlijk zonder eenig verschijnsel. Daarna treedt om het genezen wondje een rooden hof op en vormt zich eene kleine verhevenheid, een puistje, dat op den vijfden dag in een blaasje overgaat, welk blaasje, in grootte toenemend, in het midden een deukje draagt. Oorspronkelijk met witachtigen glans wordt het blaasje tusschen den zevenden en negenden dag geel, de inhoud etterig en de omgeving min of meer gezwollen, met helroode ontstekingskleur, op aanvoelen warm. De ontwikkeling van deze pokpuist bereikt haar hoogtepunt tusschen den negenden en elfden dag. Dan verdikt zich de etter en droogt in, waarna zich, tusschen elfden en achttienden dag ongeveer, terwijl zwelling en roodheid der omgeving minder worden, een korst vormt, welke na eenige dagen afvalt, met achterlaten van eene roodachtige plek, welke allengs verbleekt, zoodat omstreeks het einde van de vierde week alles voorbij is. Liggen de puisten dicht bij elkander, dan loopen zij ineen en is de zwelling belangrijker.

Om de puisten tegen letsel, ook door krabben, daar de zwelling met jeuk gepaard gaat, en tegen infectie te beschutten, bedekt men ze b.v. met een lapje steriel gaas, met boorvaseline bestreken, vastgehouden door een of ander verband. Om krabben en schuren te verhinderen kan men de beweging der armen tijdelijk belemmeren, door de mouwtjes met veiligheidsspelden aan de borstkleeding vast te maken, of op andere wijze.

Behalve deze plaatselijke kunnen zich ook algemeene verschijnselen voordoen. Sommige kinderen blijven er vrij onverschillig onder, andere worden gedurende eenige dagen lusteloos of kribbig, hebben minder eetlust, nog andere krijgen een uitslag over het geheele lichaam, in den vorm van kleine roode vlekjes en puistjes.

Alleen gezonde kinderen mogen ingeënt worden. In het algemeen kan men zeggen, dat het de voorkeur verdient de kinderen zoo vroeg mogelijk in te enten, omdat zij dan minder gevoelig zijn. Meestal gebeurt het niet voor de zesde levensmaand, waarop men evenwel in tijden van epidemieën, welke echter na het invoeren der vaccinatie zelden en nooit meer in groote uitgebreidheid worden waargenomen, natuurlijk eene uitzondering maken zal. Het jaargetijde waarin men vaccineert is onverschillig.

Vernauwing van de voorhuid. Bij pasgeboren jongens is de eikel gewoonlijk samengekleefd met de voorhuid, eene tijdelijke verbinding, welke na korten of langeren tijd van zelf wordt opgeheven, zoodat behandeling onnoodig is. De voorhuid is altijd zoo nauw, dat het niet gelukt die over een groot gedeelte van den eikel terug te schuiven. Ook dit wordt op den duur anders. Intusschen kan het gebeuren, dat er tusschen eikel en voorhuid eene lichte ontsteking optreedt, ten gevolge van ontleding van de vettige stof, welke door daar ter plaatse aanwezige kliertjes wordt afgescheiden. Dit kan aanleiding geven tot dikwijls en pijnlijk urineeren, vooral als de opening van de voorhuid bijzonder nauw is, waarbij de zuigeling onrustig wordt, eene hoog-roode gelaatskleur krijgt en heftig schreit, terwijl de urine met een dunne straal te voorschijn komt en de voorhuid, als de urine tusschen eikel en voorhuid dringt, als een ballon wordt uitgezet. Dan is eene operatie noodig.

Bij eenvoudige lichte ontsteking zonder meer is het voldoende de voorhuid stomp los te maken en alles te reinigen.