Chapter 10 of 22 · 3883 words · ~19 min read

Part 10

Ook liesbreuken komen nog al eens voor. Deze, hetzij eenzijdig of dubbelzijdig, neemt men het best of alleen waar, als het kind bij schreeuwen of bij moeilijken stoelgang perst, en wel als eene dikte in de streek van de lies. Bij eenzijdige breuk is verschil in dikte met de andere zijde gemakkelijk te zien. De geneesheer zal daarvoor een band aanleggen, waaronder de genezing plaats vindt. Bij het dragen van alle mogelijke banden moet men de uiterste zindelijkheid en reinheid betrachten, omdat de huid van het kind zeer gevoelig is en gemakkelijk stuk gaat. Indien de band goed aansluit en langen tijd gedragen wordt, geneest de breuk in de meerderheid der gevallen. Vaak wordt bij jongens eene zwelling van het zakje waargenomen, welke te wijten is aan vocht, dat zich daarin heeft opgehoopt. Men noemt het een waterbreuk. Van beteekenis is dit niet. Zulk een breuk geneest na eenige weken of maanden van zelf.

Een ander verschijnsel, dat bij jongens nog al eens voorkomt, is vernauwing of samenkleven van de voorhuid, dat is het gedeelte van de huid van het geslachtsdeel, door welks opening de urine te voorschijn komt. Wanneer dit aanleiding geeft tot pijnlijke of bemoeilijkte urine-loozing, is gewoonlijk eene kleine behandeling door den geneesheer voldoende om dat bezwaar op te heffen.

Van niet te onderschatten beteekenis is verder de zorg voor de oogen van het kind. Reeds dadelijk na de geboorte moeten, zooals reeds gezegd werd, de oogen met zuiver gekookt water of 3%’s boorzuuroplossing gereinigd worden van het vuil, waarmede zij gedurende de baring in aanraking gekomen zijn. Doch daarmede is niet alles gedaan. Dikwijls komt het voor, dat bij de baring eene smetstof in de oogen geraakt, vooral bij moeders welke aan witten vloed lijden, en voornamelijk wanneer die berust op druipergif (gonorrhoe), welke binnen eenige dagen eene zoodanige ontsteking van de oogen ten gevolge heeft, dat het kind gevaar loopt onherroepelijk blind te worden.

Vele geneesheeren hebben daarom de gewoonte, en wij kunnen dien maatregel slechts toejuichen, bij iederen pasgeborene de oogen in te druppelen met eene zwakke oplossing van helschen steen, welke, zooals eene uitgebreide ervaring geleerd heeft, zoo goed als zeker den verderfelijken invloed van het gif te niet doet. Mocht dat niet gebeurd zijn en dergelijk gif in de oogen zijn binnengedrongen, dan treedt meestal op den derden dag, soms op den vierden of vijfden dag, de ontsteking op. De oogleden zwellen, worden rood, kleven aan elkander vast en eene dunwaterige gele vloeistof, spoedig vervangen door eene hevige ettering, treedt te voorschijn. Is reeds dat een groot gevaar, nog grooter wordt het, wanneer men meent die ontsteking een „kou” of „tocht” op het oog te mogen noemen, omdat dan allicht verzuimd wordt op tijd de hulp van den geneesheer of van een oogarts in te roepen. Binnen enkele dagen kan het zoover gekomen zijn, dat het kind tengevolge van de ontsteking blind is, en, zoo dat niet het geval mocht zijn, het dikwijls toch het grootste gedeelte van het gezichtsvermogen heeft ingeboet. Oogontsteking kan ook op andere wijze ontstaan, b.v. door het binnendringen van kraamzuivering of andere stoffen, hetwelk niet zulke vèrstrekkende gevolgen heeft. Welke ten slotte de oorzaak zijn moge, men gaat den zekersten weg, door zonder verwijl den geneesheer van de minste afwijking in kennis te stellen.

In het algemeen verdient het, naar mijne meening, aanbeveling het kind van de geboorte af dagelijks te baden. Vele geneesheeren willen dat eerst toestaan na genezing der navelwonde, uit vrees dat van daar uit eene besmetting, door het badwater, zou plaats vinden. Ofschoon ik in eene langdurige praktijk nooit iets dergelijks heb waargenomen, bestaat er geen reden om daarover te twisten. In het eerste halfjaar houde men de temperatuur van het badwater op 35° C. (28° R.), daarna kan men de temperatuur iets lager nemen, doch nimmer late men zich verleiden, met de bedoeling het kind te harden, het water—en dan niet voor het einde van het tweede levensjaar—kouder dan 32,5°–30° C. (26°–24° R.) te nemen.

Na urine-loozing of stoelgang moet het kind steeds behoorlijk met lauwwarm water, of water waar de koude af is, liefst met watten, gereinigd en daarna bepoederd worden. Wanneer de billen om de aarsopening en de huidplooien neiging tot smetten of stukgaan vertoonen, scharrele men niet te veel met water. Men wassche dan eenvoudig af en bepoedere. Waar de roodheid in wondzijn is overgegaan, kan het zelfs aanbeveling verdienen, die plaatsen met olijfolie (slaolie), met watten, te reinigen, daarna met watten af te drogen en vervolgens te bepoederen. Als een uitstekend poeder daarvoor heb ik alsol-strooipoeder leeren waardeeren. Ook wordt wel insmeeren met zinkzalf, zalf of pasta van Lassar, vaseline of lanoline aangeraden. Bij het gebruik van vaseline, vooral de gele, denke men eraan, dat daarbij de ontlasting in de luier eene groene verkleuring kan aannemen. Roodheid en opengaan van de huid, trots alle reinheid, met of zonder het optreden van blaasjes, aan billen en dijen is vaak te wijten aan dunne, diarrhee-achtige ontlasting of aan voortdurende inwerking van urine. Dan heeft men na te gaan of er eene voedingsstoornis bestaat en zorg te dragen, dat het kind niet lang in natte luiers liggen blijft.

Op het hoofd vormt zich somtijds, meestal op de plaats der groote fontanel en hare omgeving, een aanslag van huidsmeer en schubbetjes, gewoonlijk „berg” genoemd. De opvatting dat men dit niet verwijderen mag is onjuist. Ter behandeling smeert men het ’s avonds met eenig vet of olie in, omgeeft men het hoofd met een doek en wascht men de plek ’s morgens met warm zeepwater af. Zoonoodig wordt dit herhaald. Mocht deze behandeling niet baten, dan wijst dat op eene aandoening van de huid, welke hare oorzaak in het gestel van het kind kan hebben. Men moet alsdan den geneesheer raadplegen.

EENIGE OPMERKINGEN MET BETREKKING TOT HET ZOOGEN EN DE VOEDING VAN EEN ZUIGELING.

Iedere echte moeder moet haar kind zoogen. Het beste en goedkoopste voedsel voor het kind is de moedermelk. Iedere moeder, die haar kind liefheeft, zal dus dat kind de beste voeding geven, tenzij daaraan niet kan voldaan worden door gebrek aan dat voedsel of wegens andere oorzaken, b.v. gelegen in eigen gezondheid of in den toestand der borsten.

Goede borsten zijn eenigszins hangend, langwerpig, niet te groot en niet te klein, met goed gevormde tepels, welke ongeveer 2 cM. boven de oppervlakte van de borst uitsteken.

Het zog, dat gedurende de eerste drie tot vijf dagen ontledigd wordt, is waterig en met veel biest (colostrum) vermengd. Daarna komt eerst het ware zog. Het zuigen van het kind aan den tepel is een prikkel, waardoor de melkafscheiding bevorderd wordt. Tusschen den tweeden en vierden dag vullen de klierkwabjes der borsten zich, waardoor deze grooter en zwaarder, gespannen en pijnlijk worden. Die zwelling kan zich tot in de oksels, waar zich zelfs klierkwabjes kunnen bevinden, uitstrekken. De tepel wordt daarbij eenigszins ingetrokken. Het kind kan den tepel moeilijker vatten en de melk niet zoo gemakkelijk uitzuigen, hoewel een krachtig kind het er toch goed afbrengt en, door flinke ontlediging, het spanningsgevoel althans eenige oogenblikken doet verminderen. Die spanning neemt tot den vierden dag toe, om dan binnen één tot drie dagen af te nemen, terwijl tevens de borsten slapper worden. Bij niet zoogende vrouwen is dit alles gewoonlijk sterker en duurt het slapper worden iets langer. Indien de spanning en pijnlijkheid zeer sterk zijn, zoodat b.v. elke beweging, vooral van de armen, pijn veroorzaakt, dan is, behalve het opbinden der borsten, wat in ieder geval reeds verlichting geeft, het vochtig warm inpakken een heerlijk middel, vooral als tegelijkertijd het nemen van voedsel en het drinken wat beperkt en ruime ontlasting, b.v. door bitterwater, bevorderd wordt. Mechanische ontlediging der borsten, door uitpersen, uitzuigen met de zogpomp, of massage is zeer pijnlijk en brengt zeer weinig verlichting.

In de eerste dagen veroorzaakt het zuigen van het kind vaak pijn aan de tepels, ook al zijn die niet „open” of ontstoken. Bij het zuigen van het kind ontstaan wel eens blaasjes op, kleine bloeduitstortingen of scheurtjes in den tepel. Dan is het zoogen bijzonder pijnlijk. Velerlei middelen worden aanbevolen om die gewonde plekjes te genezen. Zoo b.v. het penseelen van den tepel met benzoëtinctuur, met eene 6%–10%’s oplossing van helschen steen in gedestilleerd water. Ook wordt de tepel wel bedekt met een lapje gedrenkt met perubalsem, met eene oplossing van tannine (looizuur) in glycerine (5%–10%), waarbij men te bedenken heeft, dat zij vlekken in het ondergoed maken, zoodat het aanbeveling verdient er een stukje Billroth-batist of guttaperchapapier overheen te leggen; met eene 6%–8%’s oplossing van boorzuur in glycerine; met een mengsel van gelijke deelen brandewijn en glycerine. Als tepelzalf wordt o.a. ook aanbevolen een mengsel van gelijke deelen glycerine, benzoëtinctuur en olijfolie, b.v. 15 grammen van ieder.

Het zal dan noodig zijn den tepel, voor het kind aan de borst gelegd wordt, met lauwwarm water af te wasschen, terwijl hetzelfde ook gebeuren moet nadat het kind gezogen heeft. Deze middelen helpen gewoonlijk niet snel, omdat de tepels telkens weder aan denzelfden schadelijken invloed, d.i. het zuigen van het kind, worden blootgesteld. Wanneer, vooral bij uitgebreide wondjes, het zoogen zeer pijnlijk is, kan men trachten de pijn te verminderen, door het kind door een tepelhoedje te laten zuigen. Somtijds is de pijn echter zoo hevig, dat reeds de gedachte aan het naderende uur van zoogen de kraamvrouw geheel in de war brengt, uit angst voor de door te stane pijnen. Dan kan het noodig en nuttig zijn het kind zoolang de borst te onthouden en op andere wijze te voeden, totdat de wonden genezen zijn. Men behoeft niet bevreesd te zijn, dat het kind daarna den tepel niet meer zal willen vatten. Met eenig geduld en eenige moeite gelukt dat wel weder. Evenmin behoeft men beangst te zijn, dat de borst na zulk een tijdperk van rust geen zog meer zal leveren. Het zuigen van het kind brengt, vooral als de borst voldoende zog opleverde, al spoedig hare werkzaamheid weder aan den gang, zoodat voldoende hoeveelheid voedsel geleverd wordt. [3]

Uit wonde tepels zuigt het kind bloed af, dat uitgebraakt of, in de luiers, zwart gekleurd, teruggevonden wordt.

De wonde tepel is wel de hoofdoorzaak voor het ontstaan der zoo gevreesde zweer in de borst. Gemakkelijk toch kunnen onreine stoffen, zooals de kraamzuivering, welke onwillekeurig aan de handen der moeder of der verpleegster geraakt zijn, in die wondjes gebracht worden en tot infectie en ontsteking aanleiding geven. Dit wetende, begrijpt men dat de grootste reinheid moet worden in acht genomen, omdat daardoor het gevaar zoo goed als uitgesloten is.

De meening, dat iedere zoogende vrouw omstreeks den derden dag zogkoorts zou krijgen of zou moeten krijgen, is gelukkig onjuist. Wel is waar gevoelt zij zich niet prettig gedurende de dagen dat de gespannen borsten pijnlijk zijn en iedere beweging haar hindert, doch dat is geen gevolg van of oorzaak voor temperatuurs-verhooging. Veeleer kan men zeggen, dat bij de kraamvrouw, die omstreeks dien tijd koorts heeft, de oorzaak ergens anders te zoeken is, voornamelijk in eene lichte infectie van wondjes in of aan de geslachtsdeelen of door verhinderde of verminderde uitscheiding der kraamzuivering.

Zoodra de spanning en pijnlijkheid van de borsten voorbij zijn, zal het kind gemakkelijker zuigen en de borst flink leeg drinken. Dat geheel ledigen van de borst is van belang voor regelmatige vorming van melk in voldoende hoeveelheid. Dan komt regelmatige vulling der borsten tot stand en vaak kan de moeder, tegen den tijd dat het kind zich voor de voeding zal aanmelden, een eigenaardig gevoel waarnemen, alsof de borst zich met vocht vult, wat ook werkelijk het geval is, zelfs zoo, dat de melk uit den tepel begint te loopen. Men noemt dat het toeschieten van het zog.

Voor het kind aangelegd wordt, reinige men den tepel. Dat moet ook gebeuren als het kind gevoed is. Men kan dit doen met verbandwatten en zuiver gekookt water. Daarna de borsten met een zachten doek te bedekken of in een lijfje op te bergen en daarbij, ook de minste, drukking zooveel mogelijk te vermijden. Als het kind verzadigd is, veegt men het de lippen af en legt men het in een warm bedje, om rustig te slapen. De mond behoeft volgens sommige geneesheeren na het zuigen niet gereinigd te worden, volgens andere juist wel, omdat het in den mond achterblijvende zog aanleiding zou kunnen geven tot het ontstaan van spruw. Spruw is eene in het mondslijmvlies groeiende schimmelplant, welke zich als witte vlekken voordoet, die betrekkelijk moeilijk te verwijderen zijn. Die witte plekjes mogen niet verwisseld worden met melkstolsels, die, op het slijmvlies van de mondholte liggende, juist gemakkelijk te verwijderen zijn. Volgens de aanhangers der mondreiniging zou men daardoor de onreinheid, welke tot ontwikkeling van spruw leiden kan, ontgaan. Volgens de tegenstanders zou juist de mondreiniging, door mogelijke beleediging van het slijmvlies, het ontstaan van spruw vergemakkelijken. Ik schaar mij aan de zijde van hen, die het reinigen van den mond niet alleen overbodig, maar zelfs schadelijk achten.

De melk van jonge vrouwen is over ’t algemeen vetrijker en de afscheiding rijkelijker. De borsten van vrouwen tusschen 20 en 30 jaren, die reeds twee- of driemaal gebaard hebben, leveren meestal meer dan die van jongere of oudere, die vaker baarden. Dat zijn omstandigheden gebonden aan de lichamelijke gesteldheid der vrouw. Daarnaast zijn vele andere toevallige aanwezig, zoodat in ’t algemeen nooit van te voren kan gezegd worden, welke moeder haar kind zal kunnen voeden, hoe lang en hoe goed zij dat zal kunnen doen. Eerst ongeveer 14 dagen na de bevalling zal men kunnen beoordeelen, of de moeder werkelijk haar kind zal kunnen zoogen.

De voeding der kraamvrouw, eten en drinken beiden, kan van den aanvang af over ’t algemeen de gewone zijn, zoodat men haar, die zich verstandig voedt, niet dit en dat en nog meer behoeft te verbieden, zooals nog al te dikwijls geschiedt. Allerminst behoeft zij op een pap- en melkdieet gezet te worden, welke kost, ook al omdat zij het darmkanaal te weinig prikkelt, voor een groot deel schuldig is aan de verstopping, waaraan menige zoogende vrouw lijdt. Zij mag in den vruchtentijd gerust genieten van aardbeziën en dergelijke, van salade, augurken, komkommers, enz., waarbij zij echter moet opletten, welke voedings- of genotmiddelen op haar kind misschien eenigen ongunstigen invloed uitoefenen. Zoo herinneren wij ons, om een enkel voorbeeld te noemen, eene moeder, die alle vruchten gebruiken kon, zonder dat haar kind daarvan ook maar eenige onaangenaamheid ondervond, doch de gewone gele pruim veroorzaakte bij haar kind regelmatig dunne ontlasting. Daarvan onthield zij zich dan ook, doch wanneer het kind eens moeilijkheid met de ontlasting had, aan verstopping leed, gebruikte zij deze vrucht met uitstekend gevolg voor de goede ontlasting van haar kleine. Zoo is het ook hier weder duidelijk, dat men geen algemeene regels geven kan en mag, ook niet voor zoogende vrouwen. Wel mag men aannemen, dat het gebruik van alcohol nadeelig is, al moet dadelijk worden toegegeven, dat een enkel glas wijn of bier geen schade doet. Dat theegebruik het zog zou opdrogen, koffie de zogafscheiding zou aanzetten, behoort, als zoovele andere dingen, tot het rijk der fabelen. De beste drank voor de zoogende moeder is melk. Zij houde evenwel in het oog, dat ook van de zoogenoemde versterkende middelen, waartoe gewoonlijk in de eerste plaats melk en eieren gerekend worden, te veel gebruikt worden kan.

Bij te rijkelijke voeding met dierlijke stoffen kan, wanneer die tot sterke vetafzetting leiden, de zogafscheiding verminderen en zelfs geheel ophouden. In het algemeen kan gezegd worden, dat de gemengde voeding de beste is, omdat eiwitrijk voedsel het eiwit- en vetgehalte van de melk vermeerdert, het suiker- en zoutgehalte vermindert, terwijl plantenkost in omgekeerden zin werkt, en dat bij de gewone gemengde voeding, als het noodig blijkt, eene hoeveelheid van 1–1½ liter melk en 1 à 2 eieren per dag voldoende is.

Wanneer de zoogende vrouw dan zorg draagt voor beweging, ook in de frissche buitenlucht, en voor goede ontlasting, eenmaal in de 24 uren, zal zij in de meeste gevallen voldoende voedsel voor haar kind hebben. Mocht de ontlasting niet behoorlijk zijn, dan trachte zij daaraan tegemoet te komen door het gebruik van karnemelk, grof brood, versche en gekookte vruchten, waarbij ook hazelnoten en andere noten, of door het zetten van een lavement. In ’t algemeen zorge zij voor eene gewone, gezonde en geregelde levenswijze.

Wij gaan nu wat nader in op de voeding.

Wanneer de pasgeborene, na den eersten slaap, door schreien van zijn bestaan blijk geeft, is de tijd gekomen om hem den eersten maaltijd aan de moederborst te geven. Dit zal bij haar, die voor het eerst moeder geworden is, niet altijd gemakkelijk gaan. Sommige kinderen vatten dadelijk den tepel, andere moeten als ’t ware eenigermate daartoe opgevoed worden. Indien het niet dadelijk gelukt, moet de moeder niet wanhopen.

Zij beginne met die borst te geven, welke den besten tepel heeft. Hoe zal zij dat doen? Zoolang zij nog te bed ligt, gaat zij halverwege op eene zijde, b.v. de rechterzijde, met een kussen als steun in den rug, liggen, en plaatst het kind zoo naast zich, dat het door den rechter arm gesteund wordt. Dan vat zij de borst zoo, dat de tepel tusschen de toppen van den gestrekten wijs- en middelvinger van de linkerhand komt te liggen. Met die vingers drukt zij zacht, doch stevig, de omgeving van den tepel en van den tepelhof, zoodat deze meer te voorschijn treedt, en brengt dan den tepel in den mond van het kind. Het kan, bij slappe borst, ook zoo geschieden, dat zij de borst zoodanig tusschen den duim aan de eene zijde en de overige vingers aan de andere zijde van den tepel vat, dat deze, met den tepelhof, goed naar voren komt. Op die wijze kan het kind gemakkelijk door den neus ademhalen.

Het kost wel eens eenige moeite om het kind den tepel goed in den mond te brengen. Vaak draait het kind, zelfs als het honger heeft, telkens het hoofd heen en weer, zoodat er eenige handigheid toe behoort, het kind aan het zuigen te brengen, doch met geduld en zachten drang gelukt het ten slotte. Dikwerf is ook hierbij alle begin moeilijk, zoodat èn moeder èn kind spoedig vermoeid raken. Dan eindige men met de poging, om na eenigen tijd opnieuw te beginnen. Allengs krijgt de moeder de noodige handigheid wel. Daarentegen pakken vele kinderen de borst dadelijk en zuigen flink, alsof zij nooit anders gedaan hadden.

Zoodra de moeder in bed mag opzitten, is het beter dat zij, met een steun in den rug, het kind dwars voor zich op den schoot neemt, het hoofd gesteund door den arm aan de zijde van de borst welke den zuigeling zal gegeven worden, en hem nu, in voorovergebogen houding, den tepel in den mond brengt. Een kussentje onder de elleboog van den steunenden arm maakt het moeder en kind gemakkelijker. Kan de moeder het bed reeds verlaten, dan neme zij dezelfde houding aan op een stoel, liefst een lage, met armleuning, waarop de elleboog rusten kan, en steune zij het been aan denzelfden kant van de te geven borst, op een voetenbankje, waardoor de houding minder vermoeiend is.

Men late nu het kind naar hartelust zuigen. De tijd, gedurende welken een kind zuigt, is verschillend. Krachtig zuigende kinderen drinken uit eene goede zoggevende borst betrekkelijk snel de noodige hoeveelheid, zoodat zij vaak in vijf tot tien minuten tijds reeds genoeg hebben. Andere kinderen doen er langer over. In het algemeen is echter een tijdsduur van twintig tot dertig minuten voldoende. Ook dan zal men kunnen waarnemen, dat het kind gedurende de eerste vijf tot tien minuten flink zuigt en telkens na iedere zuigbeweging slikt, daarna echter minder snel zuigt en eerst na eenige zuigbewegingen slikt en ten slotte òf verzadigd den tepel loslaat òf rustig aan de borst blijft liggen. Het in slaap vallen aan de borst bewijst niet dat er voldoende zog is. Dat gebeurt b.v. bij zwakke kinderen, uit vermoeienis.

Dikwijls begint het kind, als de moeder het van de borst wil nemen, weder te zuigen, of althans eenige zuigbewegingen te maken, alsof het te kennen wil geven, dat het nog niet genoeg gedronken heeft. Dit is meestal slechts eene poging om bij moedertje, bij wie het zoo aangenaam warm liggen is, te blijven. De moeder mag daaraan niet toegeven, omdat zij gevaar loopt, dat het kind den tepel als fopspeen gaat gebruiken.

Een kind dat omstreeks twintig minuten aan de borst gezogen heeft, zal gewoonlijk genoeg voedsel tot zich genomen hebben en behoort dan voorzichtig in zijn bedje gelegd te worden.

Den tepel reinige men, na het zuigen, op dezelfde wijze als voor het aanleggen.

Eene vraag, welke in verschillende tijden en door verschillende geneesheeren verschillend beantwoord werd en wordt, is deze: hoe vaak men het kind de borst zal geven, d.w.z. hoeveel maaltijden het kind in het etmaal krijgen moet.

Naar mijne meening ligt het voor de hand, om niet onmiddellijk met een vasten regel te beginnen, doch het kind dan voedsel te geven, als het door geschrei kenbaar maakt, dat het honger heeft. In de eerste dagen na de geboorte kan dat betrekkelijk veelvuldig voorkomen, omdat de borst nog weinig zog afscheidt, en toch behoeft het niet veelvuldig te zijn, omdat het kind nog weinig voedsel noodig heeft. Het komt er nu vooral op aan, dat de moeder haren jonggeborene bestudeert, opdat zij allengs wete of het geschrei eene uiting is van honger, dan wel van onbehagen of iets anders. In den beginne zal het kind misschien dikwijls voedsel verlangen en moet het dan ook, mijns inziens, aan de borst gelegd worden. Naarmate de borst meer zog levert, worden de hoeveelheden, die het goed zuigende kind tot zich neemt, grooter en zal het langer duren, voor het zich weder aanmeldt. De goede gang is wel deze, dat het voldoend gevoede kind na den maaltijd inslaapt en niet ontwaakt, voor de behoefte aan voedsel zich opnieuw doet gevoelen. Hoe grooter de hoeveelheid voedsel, die het tot zich nam, geweest is, hoe langer de slaap duren zal. Uit dien slaap ontwaakt, zal het kind met flinken honger gretig de borst nemen, de borst goed leeg drinken en opnieuw een gerusten slaap genieten.

Op die wijze zal ieder kind, in den aanvang allicht wat onregelmatig, vrij spoedig eene betrekkelijke regelmaat in zijne behoefte aan voedsel openbaren, welke het best voldoet aan de eischen door en voor zijne ontwikkeling gesteld. Sommige kinderen bereiken reeds zeer spoedig eene groote regelmatigheid.

De ervaring leert, dat de meeste kinderen tusschen de maaltijden eene tijdsruimte nemen, welke schommelt tusschen drie en vier uren, soms zelfs grooter, en dat het aantal maaltijden, in de vier en twintig uren genomen, schommelt tusschen acht, in den aanvang, en vier, vijf of zes, later. Er zijn er echter, die van den beginne af niet vaker dan vier- of vijfmaal zich aanmelden. Daarin vertoont ieder kind een zekere eigenaardigheid of individualiteit, en het is, naar mijne overtuiging, van het grootste belang voor zijne gezondheid, hiermede rekening te houden. [4]

Eerst indien na eenigen tijd, die nu eens kort, dan vrij lang is, de betrekkelijke regelmaat door de moeder is waargenomen, kan zij er, zoo noodig, toe overgaan om, rekening houdende met de regelmaat door het kind aangegeven, deze in overeenstemming te brengen met de orde en regelmaat, welke in hare huishouding noodig is.