Part 16
Zindelijk maken van zuigelingen. In den laatsten tijd wordt aangegeven, dat men den zuigeling reeds heel vroeg kan leeren zijne behoeften op het potje te doen. Van den tweeden dag af laat men, volgens het voorschrift, het kind het potje even voelen, door het languit op den schoot te leggen, de beentjes met de linkerhand in de hoogte te houden en met de rechterhand het potje onder de billetjes te plaatsen. In de eerste dagen zonder eenig gevolg, zou het kind, bekend geworden met de aanraking van het koude potje, reeds in de tweede week de bedoeling daarvan vatten en zijne behoefte daarin doen. Dit geldt zoowel voor de urine als voor de ontlasting. Indien dit op geregelde tijden gebeurt, zou het kind al spoedig zelf de regelmaat vrijwel inachtnemen en in de vierde week de luier niet meer bevuilen. In den beginne kost het veel tijd, doch dat wordt spoedig anders. Geduld en tijd kunnen zonder twijfel ook hierbij veel doen bereiken en de daaraan besteede moeite loonen. In ieder geval bewijst het, dat de moeders zeker vroeger met het zindelijk maken kunnen beginnen, dan tot nu toe de gewoonte was. Het beste oogenblik zal wel dat vóór de voeding zijn.
Zitten, staan en loopen. Terwijl het kind met 5 of 6 weken, als het op den buik ligt, het hoofd flink vermag op te heffen, begint het dit in de 3e maand ook reeds in andere houding te doen en kan het in de 4e maand het hoofd reeds ophouden. Van de 6e maand af met steun, kan het in de 8e maand zonder steun zitten. Voor de 6e maand kan het het hoofd reeds in alle richtingen bewegen, zich op de zijde of op den buik draaien. Zoolang het hoofd bij het opnemen nog heen en weder schommelt, moet het kind nog in liggende houding verblijven, doch als het zich gaat oprichten, waarbij men het wel eens helpen mag, en het hoofd vermag op te houden, mag men het, als het de kracht daartoe bezit, op den arm dragen. Reeds na een paar weken sluit het de vingers om een voorwerp, dat men hem in de hand geeft, begint dit al spoedig vast te houden en grijpt omstreeks de 6e maand naar elk voorwerp, dat men hem voorhoudt. In de 9e maand begint het pogingen aan te wenden om, hier en daar in zijn bedje steun zoekende, zich op te richten en te gaan staan, hetgeen hem al spoedig gelukt. Indien het kind dit van zelf doet, laat men hem begaan, zonder vrees te koesteren dat hij daardoor kromme beenen zal krijgen, maar wel moet men zich onthouden hem te willen oefenen, door hem op de beenen te zetten. Men late alles aan hemzelf over. Tegen het einde van het eerste levensjaar begint het kind, terwijl het een houvast zoekt aan stoel of andere vaststaande voorwerpen, reeds te loopen, alras eenige schreden, zonder dien steun en aan de hand gehouden, te doen, om gewoonlijk zeer vlug alleen te loopen. Als het kind valt, zal het beginnen te huilen. Men doet dan verstandig hem niet met lieve woordjes en aanhalingen tot bedaren te brengen, doch er niet op te letten of te trachten hem af te leiden door zijne aandacht op iets anders te vestigen.
Voor den gezonden zuigeling is het een genot om slechts weinig gekleed, liever nog geheel naakt, te liggen spartelen. Men kan hem dit genot gemakkelijk verschaffen, door hem in een, niet beneden 15,5° C. (60° F.), verwarmd vertrek gedurende vijf tot tien minuten op een kussen of een matrasje te leggen. Hij oefent daarbij zijne spieren, neemt tevens een luchtbad en ook de moeder geniet ervan.
In den zomer kan men hem, bij goed weder, reeds in de tweede week in de buitenlucht brengen, op heel mooie dagen zelfs vroeger. In den beginne is het goed hem te dragen, doch dan mag hij niet te warm gekleed zijn. Weldra mag hij in eene goed-veerende wagen uitgaan. In het warme jaargetijde kan hij ook in den tuin of op de veranda, in wieg of wagen, buiten liggen, tegen zonlicht en tocht beschut. In den winter mag hij ook wel buiten gereden worden, in de middaguren, als de zon het hoogst staat, doch niet zoo vroegtijdig als in den zomer, en zeker niet als het winderig of nat weer is.
Het is de vraag of het niet beter is om den jongen zuigeling, in den laten herfst, in den winter of in de eerste voorjaarsmaanden geboren, in een verwarmd goed gelucht vertrek te houden, dan hem aan de dikwijls snel wisselende weersveranderingen, welke in dien tijd aan ons klimaat eigen zijn, bloot te stellen. Vele geneesheeren achten dit verkieselijk.
HET EEN EN ANDER OMTRENT BIJGELOOF, VOLKSGEWOONTEN, ENZ. BIJ ZWANGERSCHAP, BARING EN IN HET KRAAMBED.
In het eerste gedeelte was er sprake van het belang voor de aanstaande moeder om ten minste eenigermate te weten, hoe ongeveer de verhouding is van de deelen van haar lichaam, waarin zoowel de bevruchting geschiedt als waarin het bevruchte eitje zich ontwikkelt. Er werd op gewezen, dat het kind gelegen is in een spierachtigen zak, de baarmoeder, waarboven de darmen en de maag, eveneens een zakvormig orgaan, zich bevinden, en dat die allen door het middenrif gescheiden zijn van de borstholte, waar binnen het hart en de longen liggen.
Dikwijls hoorde ik de opmerking, dat het braken gedurende de zwangerschap zou te wijten zijn aan het feit, dat de hoofdharen van het kind de maag kriebelden. Zelfs met het weinige, dat ik omtrent de ligging der organen in de buikholte mededeelde, zal iedereen kunnen begrijpen, dat die verklaring allerbespottelijkst is. Eene andere opmerking, welke vaak gehoord wordt, is deze, dat de moederkoek aan het hart vastgegroeid was. Eene enkele overweging van de natuurlijke ligging der genoemde deelen in het lichaam der zwangere vrouw, doet de dwaasheid van zulk eene opmerking in het oog springen.
Dergelijke beweringen en opvattingen worden telkens weder met grooten ernst en zekere voorliefde geuit. Het nu volgende, indertijd geschreven met de bedoeling om te trachten den oorsprong van enkele daarvan te ontdekken, heb ik gemeend in dit boek te moeten opnemen, in de hoop daarmede, zoo het kan, een einde te maken aan verhalen en verdichtsels, welke menige zwangere vrouw in niet geringe mate angst en vrees kunnen aanjagen.
Wij schrijven 1910 en toch gebeurde het mij nog niet zoo heel lang geleden, dat eene kraamvrouw, die voor de derde maal moeder geworden was, mij zeide: „Aan al dat ouderwetsche doe ik niet meê, maar m’n haren kammen, dat durf ik niet. En omdat ’t zoo viezig wordt en er zoo’n onaangename lucht uit het haar komt, doe ik er wat Eau de quinine op. Maar vies is ’t wel, m’n haarspelden roesten er in.”
Al dat ouderwetsche! Daarmede bedoelde zij het niet reinigen van de kraamvrouw na de baring, het niet verwisselen van het bevuilde lijfgoed tegen rein, en nog andere van die handelingen, waarvan zoo nu en dan nog wel wat in de praktijk opduikt, als herinnering aan volstrekt niet ver verwijderde tijden en gewoonten.
Mijne patiënte vreesde, dat het uitkammen der haren, in de eerste negen dagen van het kraambed, aanleiding zou geven tot bloedstorting. Anderen verbonden oudtijds daaraan de vrees, dat het zog in het hoofd zou slaan. Wordt deze vrees misschien ook nu nog gevonden in ons vaderland?
Het aantrekken van schoon linnengoed, het verhemden, mocht niet gebeuren, omdat anders de kraamzuivering zou ophouden en het zog in den buik slaan.
Tot welke toestanden die vrees voor reiniging kan leiden en werkelijk leidde, blijkt uit eene mededeeling van een heel- en stadsverloskundige te Alkmaar (ten Houte de Lange) in het jaar 1852. „Eene vrouw die ik in bewusteloozen toestand, na den 36sten aanval van stuipen had verlost”, zegt hij, „bezocht ik den 8sten dag daarna.” De patiënte woonde op 2 uren afstands van zijne woonplaats. „Zij was in dien tusschentijd onder behandeling van eene plattelands-vroedvrouw en eenen Med. Doctor, die haar dagelijks bezochten. Voor haar bed komende kwam mij de walgelijkste stank te gemoet, en vond ik haar in den deerniswaardigsten toestand; zij lag nog in hetzelfde sluitlaken, dat ik haar na de verlossing had omgedaan, en in hetzelfde bed, in al de gedurende dien tijd ontlaste urine, kraamzuivering en drekstoffen. Twee plekken koudvuur van de grootte eener manshand aan de billen en stuit verspreidden den afschuwelijksten stank. Niettegenstaande dezen ongehoorden toestand en dat zij een nietig klein vrouwtje was, is alles zeer voorspoedig genezen, heeft zij nog zevenmaal gelukkig en voorspoedig gekraamd en leeft nog”. Tot zoover zijn verhaal.
Onwillekeurig vraagt men zich af, of er eenige reden bestond voor de vrees, dat reiniging der kraamvrouw schade zou kunnen berokkenen en of die reden uit het volk zelf, dan wel uit de geneeskundige wetenschap kan ontsproten zijn.
Het is buiten twijfel, dat veel, wat wij uit den mond der leeken hooren, een overblijfsel is van hetgeen vroeger in de geneeskundige wetenschap gangbaar was en dikwerf langen tijd den geneesheeren tot grondslag van hun weten en handelen diende. Is het wonder, dat, waar zij zoo lang vasthielden aan oude leerstellingen, de leek daarvan nu nog geen afstand heeft gedaan; dat bij de leeken van dergelijke beschouwingen nog velerlei is blijven voortleven, waar de wetenschap haren dienaren ander en beter inzicht gaf?
Het schijnt mij toe, dat wij, ter verklaring der vrees voor reiniging, dat zog in het hoofd of in den buik zou slaan, moeten teruggaan tot de tijden van Hippocrates (geboren 460 j. v. Chr. op het eiland Kos). Wat hij, zijne scholieren en navolgers, hebben gedacht en geleeraard, vinden wij neergelegd in de geneeskundige geschriften welke den naam van Corpus Hippocraticum dragen. Kortheidshalve wordt gewoonlijk, bij de aanhaling van die geschriften, alleen van Hippocrates gesproken, omdat hij de voornaamste was, „onze leermeester” zooals 400 j. n. Chr. Oribasius hem noemde. Zijne leer is door alle tijden heen van grooten invloed op de geneeskunde geweest.
Voor Hippocrates dan was de kraamzuivering van het grootste gewicht. Stoornissen in de uitscheiding dier vloeistof werden in nauw verband gebracht met ziekten in het kraambed. De kraamzuivering werd voorafgegaan door de uitscheiding eener vloeistof, welke hij ichor noemde. De daarover handelende plaats wordt als volgt vertaald: „Na de geboorte van kind en nageboorte, vloeit eene bloederig-waterige vloeistof weg, welke van het hoofd en van het overige gedeelte van het lichaam komt en uitgescheiden wordt door het geweld, den arbeid en de hitte (gedurende de baring), en welke als inleiding van de kraamzuivering te beschouwen is.”
Waarom de kraamzuivering zich vertoont, wordt aldus verklaard. „De kraamzuivering treedt op, omdat bij de zwangerschap van een meisje gedurende de eerste 42 dagen, bij die van een jongen gedurende de eerste 30 dagen, slechts zeer weinig bloed tot voeding van het kind naar beneden gaat—omdat anders het jonge vruchtbeginsel zou verstikken. Na dien tijd evenwel vloeit, tegelijk met vermeerderde pneuma-opname [9], tot aan de geboorte eene grootere hoeveelheid bloed toe. De reiniging moet dus in de kraamzuivering teruggegeven worden, en naar buiten afvloeien, naar de orde der dagen”
Dit is, zoo gezien, vrij onverstaanbaar. Maar als men weet, dat een der Grieksche benamingen van kraamzuivering ook gebruikt wordt voor de menstruatie, dan ligt het voor de hand, dat waar van de leer der levensverschijnselen in het kraambed, en de afwijkingen daarvan, sprake is, met dien naam bedoeld is het menstruatie-bloed, dat in den eersten tijd der zwangerschap niet door het kind gebruikt werd, zoodat de kraamzuivering daarvoor in de plaats treedt.
In dezen gedachtengang ligt ook de grondslag voor de opvatting, dat de duur der kraamzuivering na de geboorte van een jongen 30 dagen, na de geboorte van een meisje 42 dagen duurt, d.i. naar de orde of naar den regel der dagen.
Om dit alles te begrijpen is het noodig na te gaan, hoe Hippocrates zich de vorming der vrucht voorstelde. Het voortplantings-product van de vrouw is voor hem niet het ei, omdat zoowel het ei als de eierstok hem onbekend waren, maar, evenals bij den man, het zaad. De bevruchting bestaat in het samenkomen van het zaad van man en vrouw. Dat zaad wordt uit het geheele lichaam, uit vaste en weeke deelen en uit alle vloeistoffen—n.l. de vier Hippocratische vloeistoffen: bloed, gal, water en slijm—afgescheiden, grootendeels uit het hoofd, van waar het, langs de ooren naar het ruggemerg geleid wordt.
Is het zaad van man en vrouw in de baarmoeder gekomen, dan wordt het door de lichaamsbewegingen der vrouw vermengd en door de warmte tot elkander gebracht en verdikt. Daarna neemt het pneuma op, omdat het op eene warme plaats ligt, door de ademhaling der vrouw. Het pneuma baant zich, nadat het verdikte zaad er mede gevuld is, een weg naar buiten. Dadelijk neemt het zaad weder nieuw, koud pneuma van de moeder in zich op, door de scheur waardoor het vroegere ontsnapt is. Op die wijze wordt het vruchtbeginsel gevoed.
Het van pneuma doordrongen zaad omgeeft zich met een vlies, waardoorheen zich, tot in het midden van het vruchtbeginsel, een weg voor het pneuma vormt, langs welken weg het in- en uittreden kan. Deze weg is blijkbaar de navel.
Maar door het vlies treedt ook bloed naar binnen.
Dit bloed is het menstruatie-bloed, dat, na de bevruchting, niet meer naar buiten afgescheiden wordt, maar, langzamerhand uit het geheele lichaam in de baarmoeder komende, het vlies omgeeft, en, tegelijk met het pneuma, door het vlies ingezogen wordt.
Bij de aldus plaatsgrijpende voeding, door pneuma en bloed, komt geleidelijk, onder vorming van de stoffen waaruit het vruchtbeginsel bestaat, door het pneuma de scheiding der weefsels tot stand. Na de splitsing, in ledematen en organen, is dan een kind ontstaan.
De duur van dit ontstaan, gerekend van het vastworden van het zaadmengsel af, is bij meisjes hoogstens 42 dagen, bij jongens hoogstens 30 dagen.
De oorzaak van de latere splitsing bij meisjes is te zoeken in haar ontstaan uit zwakker en vochtiger zaad.
Bij het toenemen van de hoeveelheid bloed in de baarmoeder neemt ook het aantal vliezen toe, welke dun zijn, met elkander door banden samenhangen en, evenals het eerste vlies, van de navelstreng af uitgespannen zijn. In deze vliezen, vooral in het meest naar buiten gelegene, ontstaan holten, in welke het moederlijke bloed, dat het ademende vleesch voeden moet, binnen dringt. Nu heet dat alles chorion, waarmede hoogstwaarschijnlijk de nageboorte bedoeld wordt.
Het begrip van kraamzuivering is dus dat van eene reiniging, en de stoornis daarin, vooral de verminderde of geheel opgeheven uitscheiding, moet dus van grooten invloed zijn. Dat is duidelijk, als wij weten, dat de kraamzuivering, evenals de maandstonden en het vruchtwater, gerekend wordt te behooren tot de steeds in beweging zijnde vier Hippocratische vloeistoffen, welke als zoodanig van buiten af in het lichaam komen en door het geheele lichaam verbreid zijn. De gezondheid van het lichaam berust op de normale verhoudingen dezer vloeistoffen. Zij ontstaan uit de in het lichaam gebrachte spijzen en dranken in de darmen, en komen door de aderen in de verschillende stapelplaatsen, van waar zij verder in het lichaam worden overgebracht. Die stapelplaatsen zijn: het hart voor het bloed, het hoofd voor het slijm, de milt voor het water en de galblaas voor de gal. Nadat zij met de deelen van het lichaam in wisselwerking getreden zijn, verlaten zij het lichaam door de lichaamsopeningen, dat zijn: mond, neus, aars en pisweg. Blijft de oude vloeistof langer dan 3 dagen in het lichaam, of is de nieuwe vloeistof in te groote hoeveelheid opgenomen, dan heeft dat kwade gevolgen.
Het achterblijven van de kraamzuivering heeft dus, daar de uitscheiding voor de gezondheid een noodzakelijk vereischte is, eveneens slechte gevolgen.
Als oorzaken voor het niet wegvloeien der kraamzuivering worden genoemd: ontsteking van de baarmoeder en sluiting van den baarmoedermond.
Als wij nu lezen, dat ontsteking van de baarmoeder o.a. teweeggebracht wordt door koude, dan komen wij reeds eenigermate tot eene verklaring van de vrees, welke bestaat voor het verhemden der kraamvrouw, evenals die tegenwoordig nog wordt waargenomen waar sprake is van reiniging, en het aantrekken van schoon lijfgoed, tijdens de menstruatie.
Om nu eene verklaring te vinden voor den angst, dat het zog in hoofd of buik zou slaan, moeten wij nog weten wat Hippocrates leert omtrent den oorsprong van het zog.
Wij denken, en dat deed Hippocrates ook, aan de borsten der vrouw. Maar weten wij nu, dat het zog in de borsten optreedt als voortbrengsel van de zogklier, Hippocrates dacht niet zoo en verklaarde het optreden van zog in de borsten op geheel andere wijze. Volgens hem speelden de borsten eene geheel lijdelijke rol.
Als de scheiding der vruchtdeelen is tot stand gekomen, zegt hij, beweegt het kind zich en treedt er melk in de borsten op. Die melk komt daarin door druk van de zwangere baarmoeder. Door dien druk wordt het meest vette, uit spijs en drank, uit den buikinhoud (in het net en in het vleesch) geperst. Het komt verwarmd, wit geworden en zoet gemaakt door de warmte van de baarmoeder, in den vorm van melk, door de aderen, voor het kleinste gedeelte in de baarmoeder, waar het kind er van gebruikt, voor een ander gedeelte in de borsten, waardoor deze opzwellen.
De borsten bezitten dus het vermogen de melk op te zuigen, maar bereiden die niet.
Dit kan ook gebeuren bij niet-zwangeren.
Bij de mededeeling, dat zog optreedt in de borsten van niet-zwangere vrouwen, wordt uitdrukkelijk gezegd, dat de menstruatie ontbrak. Maar het blijkt niet, dat Hippocrates van meening was, dat het menstruatie-bloed in die gevallen tot melk werd. Die opvatting wordt gevonden bij de oude Indiërs, zooals, naar men zegt, blijkt uit de Yajur-Veda, een in het Sanskrit geschreven werk, dat veel ouder is dan de Hippocratische geschriften. Wèl zegt Hippocrates, dat, als de borsten ontbreken, b.v. als zij weggenomen zijn, de melk op edele deelen slaat, op hart en longen, waardoor stikking optreedt.
Wanneer wij nu lezen, dat Steidele (in het begin der 19de eeuw) bij sterke vulling der borsten van niet-zoogende vrouwen melk uit de geslachtsdeelen zag vloeien, dan laat het zich, met den gedachtengang van Hippocrates en zijn begrip van melk, gemakkelijk verklaren, dat bij de leeken, die blijkbaar ook van deze dingen gehoord hebben, het begrip van verplaatsing van het zog naar andere deelen van het lichaam, door oorzaken welke op de werkzaamheid der geslachtsdeelen werkten, gemakkelijk ingang vond.
Bij de oude Indische artsen vinden wij immers ook wel eene dergelijke opvatting. Waar bij hen van de behandeling der koorts bij kraamvrouwen sprake is, leest men, dat de koorts ontstaat door het naar beneden zakken van de melk.
In verband met de Hippocratische leer kan dan ook eene andere opvatting, welke somtijds nog in de kraamkamer voorkomt, verklaard worden. Ik bedoel deze. Het is mij gebeurd, dat de baker het kind niet aan de moederborst wilde leggen, vóór dat de kraamvrouw gewaterd had, omdat—zooals zij zeide—het zog met urine vermengd zijn zou. Hippocrates rekende ook de urine tot de vier vloeistoffen te behooren. De pisweg is een der uitloozingswegen. Men kan zich dus voorstellen, dat, waar de melk haren oorsprong heeft in die vier vloeistoffen, de vermenging daarvan met afgewerkte doch nog niet uitgescheiden vloeistof, in dit geval de urine, mogelijk moest geacht worden.
Vele ontwikkelden onder onze patiënten, vooral onder de jongeren, zullen met ons lachen om deze opvattingen en het vies vinden, dat er menschen gevonden werden, die reiniging na de bevalling als een gevaar beschouwden. Maar eenigen tijd later zullen zij ons in vollen ernst mededeelingen doen, waaruit blijkt dat zij op hunne beurt aan opvattingen waarde hechten, die weder anderen doen glimlachen. Men moge het bijgeloof of domheid noemen, gewoonlijk komt het voort uit gebrek aan kennis van eigen lichaam en de verrichtingen daarvan, dat wij ook nu nog opmerkingen hooren, van hoogbeschaafden, welke overeenkomen met vooroordeelen, gewoonten en gebruiken, bij oude volken en natuurvolken in zwang, waarom zij lachen en over wier dwaasheid zij het hoofd schudden. En dat ondanks den vooruitgang in ontwikkeling, waarop wij 20ste-eeuwers trotsch zijn.
Of hooren wij niet herhaaldelijk, dat de oorzaak van de witte gerimpelde handen, waarmede de kinderen ter wereld komen, te vinden is in het, vooral in de laatste dagen, veel in zeepsop wasschen der moeder, en dat de roode oogleden te wijten zijn aan haar veelvuldig weenen?
De straks genoemde heel- en verloskundige van Alkmaar heeft destijds eene menigte aanteekeningen gemaakt, die voor vele plaatsen in ons land en daarbuiten nog ten huidigen dage zouden kunnen neergeschreven worden. Zoo zegt hij, wat het kind betreft, dat veel huidsmeer afkomstig heette te zijn van het vele spek of vet vleesch eten door de zwangere, of ook, dat de bijslaap nog kort voor de bevalling is uitgeoefend. Dit laatste heb ik nooit zelf gehoord, wel, dat er verband zou bestaan tusschen de groote hoeveelheid huidsmeer en het gebruik van vet gedurende de zwangerschap.
En wat hooren wij niet al met betrekking tot gebreken, waar mede het kind ter wereld komt, in verband met het schrikken der zwangere en het grijpen naar de plaats van haar lichaam waar zij eenig letsel verkreeg.
Ook deze opvatting is reeds oud. In de Yajur-Veda wordt reeds gezegd, dat zich bij het kind aan hetzelfde lichaamsdeel, waaraan de moeder letsel kreeg, dezelfde werking vertoont.
Toen ik onlangs dergelijke dingen met een mijner patiënten besprak, en haar vertelde hoe men in Hannover beweert, dat het kind moedervlekken of zomersproeten mede ter wereld brengt, als de moeder gele rapen of wortelen schraapt, of iets kookt, dat spat, wist de baker mij dadelijk te zeggen, dat dit volkomen waar was, want dat zij zelve het bij een harer kinderen had waargenomen. Maar ongeloovig schudde zij het hoofd, toen ik daarop zeide, dat in Hongarije de meening verbreid is, dat het kind een rooden uitslag krijgt, als de moeder met bloed omgaat, en dat het kind over het geheele lichaam zal behaard zijn als de moeder in de zwangerschap aardbeziën eet. Diezelfde baker reinigde de kraamvrouw na de bevalling wel degelijk, zag er ook geen bezwaar in, om de haren der patiënte uit te kammen en op te maken, maar had haar verboden vóór „de negen dagen” de nagels te knippen, omdat .... eene vloeiing of storting daarvan het gevolg kon zijn.
Zooeven besprak ik eene opvatting, welke steeds levendige belangstelling heeft opgewekt en nog vermag op te wekken. Ik bedoel het verzien der zwangeren. Welke de invloed zijn kan van voortdurende prikkeling der zintuigen, van schrik of gemoedsaandoeningen, is niet met een enkel woord uit te maken. Evenmin kan men steeds een afdoend antwoord geven op vragen, die ons, naar aanleiding van—naar het heet—met zekerheid waargenomen feiten, gesteld worden.
Vooral in de grijze oudheid werd het vermogen van allerlei op de zwangere inwerkende invloeden hoog aangeslagen. Maar ook later nog. Wilt ge een bewijs? Leest dan met mij het volgende uit het „Houwelijck” van Jacob Cats.