Part 2
Boven het heiligbeen bevindt zich de beenige ruggestreng, ter zijde en iets naar achteren zijn, in het heupbeen, door middel van een gewricht, het heupgewricht, de dijbeenderen ingeplant. Het bekken, boven wijder dan beneden, rust bij het zitten op de zitbeenderen. Aan de buitenzijde wordt het omgeven door spieren, vetweefsel en huid. Vooral aan de achtervlakte zijn de spieren, die de billen vormen en zich voortzetten op de dijen, sterk ontwikkeld. In het bekken liggen de geslachts-organen, rustende op lagen van spieren en vetweefsel, door zachte doch stevige weefsellagen met de binnenvlakte van den beenigen ring verbonden. Door dat harde bekken, in- en uitwendig met zachte weefsels bekleed, zal het kind, als de zwangerschap haar einde bereikt heeft, door de kracht der weeën worden heengedreven, om het levenslicht te aanschouwen. Hoe dat geschiedt kunnen wij hier niet beschrijven, omdat wij daarvoor te veel in bijzonderheden zouden moeten treden, welke eene uitgebreide studie vereischen.
ZWANGERSCHAP EN ENKELE ZWANGERSCHAPSVERSCHIJNSELEN.
Met spanning wordt de geboorte van het kind tegemoet gezien en uitgerekend, wanneer die heuglijke gebeurtenis plaats zal vinden. De berekening gaat gewoonlijk uit van een tijdstip, dat bekend kan zijn. Dat tijdstip is de begindag van de laatste menstruatie. Wanneer bij dien datum zeven dagen worden opgeteld en van den aldus verkregen datum drie maanden worden teruggeteld, verkrijgt men den vermoedelijken datum der geboorte. Gesteld dat de begindag van de laatste menstruatie 3 October was, dan verkrijgt men door optelling 10 October en door terugtelling 10 Juli. De bevalling kan dus omstreeks den 10en Juli, volgende op dien Octobermaand, tegemoet gezien worden.
De duur der zwangerschap bedraagt vrijwel 280 dagen, dat is 10 maal 4 weken, dus 40 weken. De verloskundigen spreken dan ook van een zwangerschapsduur van 10 maanden, waarbij elke maand op 4 weken gerekend wordt. In het gewone spraakgebruik stelt men dien duur op 9 kalendermaanden, hetgeen ongeveer op hetzelfde neer komt. Afwijkingen van den duur der zwangerschap zijn evenwel, zonder dat men aan iets buitengewoons te denken heeft, niet zeldzaam. Lichamelijke gesteldheid en bouw schijnen daarop invloed te hebben. Zoo wordt tenminste beweerd, dat de duur bij krachtige vrouwen 278,6 dagen zou bedragen tegenover 276,8 bij zwakkere, alsook dat veel rust gedurende de zwangerschap den duur zou verlengen. Hierdoor zou misschien verklaard kunnen worden, dat de duur bij gehuwde vrouwen berekend wordt op 282,4 dagen en bij ongehuwden op 278,2 dagen. Daarop zullen wij niet verder ingaan, doch alleen vermelden, dat vergissingen, tot 3 weken toe, nauwelijks te vermijden zijn. De berekening zou eenige meerdere zekerheid verkrijgen, wanneer men weten kon, wanneer de bevruchting tot stand komt, doch uit het vroeger gemelde omtrent de bevruchting blijkt duidelijk, dat zelfs wanneer slechts eenmaal geslachtelijke gemeenschap heeft plaats gevonden, de berekening geen zuivere wezen kan. Inderdaad zijn dergelijke berekeningen, gegrond op den datum waarop eenmaal gemeenschap had plaats gehad, gemaakt geworden en kwam men op een duur van 268,2–269,9 dagen. Intusschen kan men uit al dergelijke berekeningen geen ander dan een gemiddeld cijfer trekken, dat voor elke vrouw afzonderlijk niet de minste beteekenis heeft. Wanneer wij dan nog vermelden, dat men als kortsten duur der zwangerschap vermeld vindt 236 dagen en als langsten duur 334 dagen, dan meenen wij goed te doen, met vast te houden aan de in den aanvang vermelde wijze van berekening.
Het blijkt dus van belang, dat iedere vrouw aanteekening houde van den begindag der menstruaties. De meeste kans op eene goede berekening zal zij hebben, wier menstruaties steeds met geregelde tusschenpoozen op elkander volgen. Is reeds daarom het houden van aanteekening van gewicht, nog meer is dat het geval, wanneer wij weten, dat—in het algemeen genomen—onregelmatigheid der tusschenpoozen, alsook in den duur der bloedige uitscheiding en in de hoeveelheid daarvan, eene afwijking beteekent, welke niet altijd van de geslachtsorganen behoeft uit te gaan, en waartoe het wenschelijk is, dat de vrouw zich tot den geneesheer wendt.
Wanneer wij nu overgaan tot bespreking van verschijnselen, welke zich gedurende de zwangerschap veelal voordoen of kunnen voordoen, bedenke de aanstaande moeder, dat zij in de vermelding daarvan geen redenen tot bezorgdheid of angst mag vinden. De meeste toch, vooral die welke betrekking hebben op veranderingen in den vorm van het lichaam en op verrichtingen van sommige organen, zijn natuurlijk, terwijl andere, hoewel onaangenaam, meestal van korten duur en betrekkelijk zoo gering zijn, dat zij met eenige wilskracht en met de verwachting op een gelukkig einde wel te dragen zijn. En zelfs wanneer zij een zekere grens overschrijden, bedenke men, dat de geneesheer gereed is de klachten aan te hooren en de onaangenaamheden zooveel mogelijk weg te nemen of te verminderen. Liever dan in een onvruchtbaar nadenken of tobben daarover te verzinken, liever dan raad in te winnen bij familieleden of vriendinnen, die, van hoe goede bedoeling ook, uiteraard niet bekend zijn met wat daaraan ten grondslag ligt, wende men zich dus tot den geneesheer, die, door studie en ervaring, gerekend mag worden de aangewezen raadsman te zijn.
Het uitblijven der menstruatie bij eene vrouw op geslachtsrijpen leeftijd kan dus beschouwd worden als een teeken, dat een eitje bevrucht geworden, dat zwangerschap ingetreden is. Mocht zij desniettemin twijfelen, dan raadplege zij den geneesheer. Twijfel kan ontstaan wanneer de menstruatie is uitgebleven en na eenigen tijd weder bloed te voorschijn komt. Gebeurt dit omstreeks den tijd dat de menstruatie, indien geen zwangerschap bestond, had moeten komen, dan wordt veelal die bloeding als eene menstruatie gedurende de zwangerschap opgevat en niet altijd ten onrechte. Het komt inderdaad voor, dat na ingetreden zwangerschap nog één of een paar malen, door regelmatige tusschenpoozen gescheiden, bloeding optreedt, doch dan zal eene opmerkzame vrouw kunnen bespeuren, dat de duur der bloeding meestal korter, de hoeveelheid bloed geringer is, kleur en samenstelling afwijken van het tijdens eene gewone menstruatie afgescheidene. Men doet dan, met het oog op de berekening voor de bevalling, het best die bloeding, welke geheel den aard en het karakter van de gewone menstruatie droeg, te beschouwen als de laatste menstruatie.
Het kan echter ook voorkomen, dat, nadat de menstruatie éénmaal is uitgebleven, eene bloeding optreedt, welke zich niet houdt aan de gewone tusschenpooze, doch binnen dien tijd te voorschijn komt. Dat wordt dan gewoonlijk opgevat als de menstruatie, welke te laat komt. Dit kan het geval zijn, doch evenzeer kan die bloeding, bij de vrouw die werkelijk zwanger is, op eene afwijking wijzen en is het in dergelijke gevallen een dringende eisch, den geneesheer te raadplegen.
Twijfel kan ook ontstaan wanneer de vrouw haar kind zoogt en zij zoogenaamd blind zwanger of blind opgezet wordt. Ook dan wende zij zich tot den geneesheer.
Gewoonlijk paren zich aan het verschijnsel van uitblijven der menstruatie andere, welke de waarschijnlijkheid der zwangerschap doen toenemen. Die verschijnselen, uitingen van wijzigingen in het levens-proces, gaan uit van de veranderingen welke in de baarmoeder plaats grijpen, tengevolge van de daarin zich ontwikkelende vrucht en oefenen in mindere of meerdere mate invloed uit op den algemeenen toestand der vrouw en op sommige verrichtingen. In den aanvang gering, worden zij sterker, verdwijnen somtijds of wel treden andere op, naarmate de zwangerschap voortschrijdt. Die verschijnselen noemt men, voorzooverre zij in het begin der zwangerschap optreden en gebruikt worden om de waarschijnlijkheid van het bestaan daarvan te ondersteunen, onzekere zwangerschapsteekenen. Zij hebben veel geringere waarde dan het uitblijven der menstruatie, ofschoon er vele vrouwen zijn, die, uit ervaring gedurende vroegere zwangerschap opgedaan, daaraan terecht waarde hechten. Daartoe kan men rekenen gevoelens van moeheid, slaperigheid, onbehaaglijkheid, duizeligheid, wegraken, veranderde gemoedsstemming, veranderenden eetlust, verandering in de spijsvertering, herhaalden drang tot urineloozing, onwillekeurig afloopen van urine, verstopping of diarrhee, het ontstaan van aambeien (haemorrhoïden), opgezet zijn van den buik, benauwdheid, slapeloosheid, hartkloppingen, snelle wisseling van gelaatskleur, sterke afscheiding uit de geslachtsdeelen (zoogenaamde witte vloed), braken, hoofdpijn, tandpijn, zwelling van de halsstreek, sterkere speekselafscheiding, het zwellen van oppervlakkig gelegen bloedvaten (aderen) aan en zuchtige zwelling van de beenen, enz. Deze verschijnselen treden niet altijd op, noch komen zij tegelijkertijd of in denzelfden tijd der zwangerschap voor, doch steeds geven zij min of meer onaangename gevoelens en gewaarwordingen. Voor een deel worden die verschijnselen in een afzonderlijk gedeelte van dit boek besproken.
Tot de meest opvallende verschijnselen, reeds vroeg in de zwangerschap, behoort het braken. Meestal geschiedt dat in den ochtend, op de nuchtere maag, waarbij niets of slechts eene waterachtige vloeistof te voorschijn komt. Dit is het zoogenaamde looze braken. Vaak houdt het op als de vrouw iets nuttigt, doch niet altijd. Ook na het ontbijt en gedurende het overige gedeelte van den dag, onregelmatig, of regelmatig soms na elken maaltijd, kan het optreden, doch gewoonlijk wordt kort daarna weder met smaak gegeten, zoodat de voeding er niet onder lijdt. De tong is daarbij niet beslagen.
Het komt vooral in de eerste zwangerschap voor, minder dikwijls in volgende zwangerschappen en eindigt meestal als de eerste drie maanden voorbij zijn.
Vrij spoedig beginnen de borsten te zwellen, niet opeens doch langzamerhand, hetgeen gepaard gaat met zekere gevoeligheid, met een gevoel van spanning, prikkelen, steken en trekken in de borsten. Naarmate de zwangerschap vordert nemen grootte en zwaarte der borsten toe. Daarbij komen belangrijke verschillen voor, afhankelijk van de hoeveelheid vet, welke de borstklier, waarin het zog gevormd wordt, omgeeft.
De meisjesborst, halfkogelvormig, vast en gespannen, verandert vooral in de tweede helft der zwangerschap in die mate, dat zij meer en meer gevuld wordt en eenigszins hangend worden kan, waarbij zij vrijwel den oorspronkelijken vorm, met naar voren gerichten tepel, behoudt. Dat zal dus over het algemeen het geval zijn in de eerste zwangerschap. Bij vrouwen die reeds gebaard hebben, is de borst hangend, met lager en meer zijdelings naar buiten gelegen tepel, terwijl zij aan de plaats van aanhechting week en los aanvoelt. Soms zijn er knobbelachtige, eenigszins hardere deelen in te voelen. Dat zijn de afzonderlijke kwabjes, waaruit de klier bestaat en waarin het zog gevormd wordt. Bij andere vrouwen weder is de borst over het geheel vaster op aanvoelen. Ligt men zulk eene hangende borst op, dan bespeurt men daaronder vaak een plooi van de huid, alsook een roode of open streep of vlakte, als gevolg van druk of wrijving der huid.
De huid van de borst is teeder en dun, zoodat, vooral in de tweede helft der zwangerschap, uitgezette bloedvaten (aderen) als blauwachtig gekleurde strepen daardoorheen schemeren.
De gekleurde hof om den tepel wordt donkerder van kleur, bij blondines van roserood tot geelachtig bruin, bij brunettes donkerbruin tot bij het zwarte af. In dien hof, tepelhof genoemd, worden, langs den buitenrand kringsgewijs geplaatste, kleine verhevenheden duidelijker zicht- en voelbaar, welke somtijds eenig vocht afzonderen. De huid van den tepelhof verkrijgt vele plooitjes.
In het begin van de zwangerschap is dikwijls, soms van de tweede week af, door voorzichtig drukken van de met volle hand gevatte borst, uit den tepel eenig waterhelder vocht te voorschijn te brengen, dat in lateren tijd troebel is, met geelachtig gekleurde strepen er in. Voor haar die dit in den beginne als een teeken van zwangerschap meenen te mogen opvatten verdient opgemerkt te worden, dat het alleen van waarde mag geacht worden bij vrouwen, die nog niet zwanger waren. Datzelfde geldt trouwens ook voor de verkleuring van den tepelhof en het grooter worden van de kleine verhevenheden daarin, terwijl omgekeerd die verschijnselen langen tijd kunnen ontbreken bij ingetreden zwangerschap, vooral bij slecht gevoede vrouwen met kleine slappe borsten. Het gebeurt ook wel, dat tegen het einde der zwangerschap van zelf wat zog uit de borsten loopt. Dat dit kans zou opleveren voor later, in het kraambed, optreden van ontsteking (zweer) in de borst, is volkomen onjuist en mag dus geen reden tot ongerustheid zijn. Ook is daaruit niets met zekerheid af te leiden omtrent de al of niet mogelijkheid om het kind te zoogen.
De huid van het geheele lichaam neemt veelal eene vaal gele kleur aan, een tint van onreinheid; zomersproeten en moedervlekken worden donkerder. Bovendien verschijnen geelachtig of bruinachtig gekleurde vlekken in het gelaat, vooral op het voorhoofd, de oogleden, den rug van den neus, op bovenlip en kin, te zamen het zoogenaamde zwangerschapsmasker vormende; verder op borst en armen. Ook hierbij komen individueele verschillen voor, zoodat het verschijnsel bij vrouwen met lichte huidtint en lichte haarkleur, als ook bij haar die de huid goed verplegen, zoomede in den winter, veel minder duidelijk is. Meestal verdwijnt die verkleuring in het kraambed spoedig, om evenwel dikwijls in eene volgende zwangerschap opnieuw te verschijnen.
Eene zelfde verkleuring wordt waargenomen langs eene lijn, welke van den behaarden Venusheuvel naar den navel loopt. Buiten zwangerschap bestaat die verkleuring ook wel bij brunettes, doch dan neemt zij in de zwangerschap sterk toe. Daarom is het voor de zwangerschap kenmerkend, dat ook de navel door een donkergekleurden hof omgeven wordt en daarboven de bruingetinte lijn zich voortzet. Vooral bij vrouwen met bloedarmoede kan zij duidelijk zijn. Donkerder kleur wordt verder waargenomen aan de uitwendige geslachtsdeelen, voornamelijk aan de groote schaamlippen en aan den bilnaad.
Betrekkelijk vroeg neemt de omvang der heupen toe, als gevolg van vermeerderde vetafzetting. In den beginne is er van omvangstoename van den buik geen sprake. Gewoonlijk wordt die eerst duidelijk als de baarmoeder reeds vrij groot is, omstreeks het einde der vierde maand. Naarmate de vrucht zich verder ontwikkelt, wordt die toename grooter en de buikwand gerekt, waarbij op sommige plaatsen de neiging bestaat tot sterke verdunning, vooral daar, waar de bovengenoemde donkergekleurde lijn onder den navel loopt. Daar liggen, ter weerszijden van die lijn, in den buikwand, overlangsloopende spieren, welke uiteenwijken, hetgeen bij menige vrouw, na de baring, zich uit als een zoogenaamde buikbreuk.
Bij vrouwen die voor het eerst zwanger zijn, en soms ook bij haar die meermalen baarden, is de buikwand flink gespannen, waardoor de uitzetting van den buik, zelfs bij vergevorderde zwangerschap, niet overmatig groot is. Zij die meermalen baarden, vertoonen echter gewoonlijk een slappen buikwand, die gemakkelijk voor de groeiende baarmoeder uitwijkt en zich het sterkst vertoont bij en als hangbuik. Tusschen deze twee uitersten worden alle graden van uitzetting waargenomen, voornamelijk naar voren toe, tengevolge van sterk uiteenwijken der zooeven aangeduide overlangs loopende spieren. Ook bestaat er groot verschil in dikte van den buikwand.
Wanneer de zwangerschap tot het einde der achtste maand gevorderd is, staat de bodem van de baarmoeder, dat is haar bovengrens, het hoogst en is de spanning het sterkst. Vooral zij die voor de eerste maal zwanger zijn, en een stevigen buikwand hebben, bespeuren dan die spanning, in het bovengedeelte van den buik, als eene onaangename, vaak gepaard gaande met pijnen. In de laatste maand neemt de spanning daar ter plaatse merkbaar af, daar de baarmoederbodem, het hoogst gelegen gedeelte dus, met het geheele orgaan en zijn inhoud, daalt. Dan voelt de vrouw zich verlicht en sluiten de kleederen daar gemakkelijker dan te voren.
Met toenemenden omvang van den buik treden ook aan de navelgroeve veranderingen op. Allengs wordt die groeve minder diep, bij zeer vette buikbekleedselen vaak in den beginne juist dieper. Aan het einde van de zwangerschap wordt de navelstreek gewoonlijk vlak en de huid van den navel dun, zoodat deze kan uitpuilen en een navelbreuk ontstaan.
Wanneer de buikwand zeer dun is, kunnen krachtige bewegingen van het kind niet alleen gemakkelijk gevoeld, doch dikwijls ook duidelijk gezien worden.
Bij het uitzetten van den buik neemt de voor de eerste maal zwangere vrouw soms niet zonder eenigen schrik waar, hoe er strepen, kleine en groote, in de huid te voorschijn komen, niet alleen in den buikwand en aldaar kringsgewijs om den navel gerangschikt of, boven de lies en naar de zijden toe, in dezelfde richting als de liesplooi loopend, doch ook op de voorvlakte van de dijen en op de billen. Ook op de borsten, in eene richting van den tepel naar den omtrek loopend, worden zij duidelijk waarneembaar. Bij sommige vrouwen vertoonen zij zich in groot aantal, bij anderen slechts spaarzaam, nu eens vroeg, dan laat in de zwangerschap. Soms ontbreken zij geheel en al. Pas ontstaan hebben zij meestal eene roodachtige, blauwachtige of naar het violette zweemende kleur. Zij verdwijnen niet meer, doch de kleur verandert later in als atlas-glanzend wit, terwijl zij in de dwarse richting geplooid worden en een geribd aanzien verkrijgen. Haar ontstaan hebben zij te danken aan rekkingen in het weefsel van de dieper gelegen lagen der huid. Men noemt ze zwangerschapsstrepen of -striemen, ofschoon zij niet kenmerkend zijn voor zwangerschap. Overal waar sterke uitzetting van den buik plaats vindt, b.v. ook bij groote gezwellen, komen zij voor; eveneens bij snelle vetafzetting in de huid, ook bij mannen.
Vet- en zweetklieren vertoonen verhoogde werking, vooral aan de uitwendige geslachtsdeelen, in den zomer en bij donkerharige vrouwen, gepaard met een onaangenamen geur naar kaas. Ook vetpuistjes en roodachtige kleine puistjes die sterk jeuken, alsmede buitengewone ontwikkeling van haren, worden dikwerf waargenomen.
Hiermede komen wij onwillekeurig tot verschijnselen, welke in minder of meerder mate onaangenaam zijn, ja zelfs den naam van kwalen kunnen dragen. Omdat de grens niet altijd scherp te trekken is, behandelen wij dat alles te zamen in het volgende gedeelte.
ANDERE ZWANGERSCHAPSVERSCHIJNSELEN, ONAANGENAAMHEDEN EN KWALEN.
Aan de beenen treedt vaak uitzetting der bloedvaten (aderen) op, welke bij de eene vrouw van weinig beteekenis, bij anderen zeer belangrijk zijn kan. De bloedvaten zijn over korten of langen afstand vrij gelijkmatig uitgezet, in eigenaardig geslingerden loop, of wel zij vertoonen, bij hoogen graad van uitzetting, knobbelige verhevenheden, zakvormige uitpuilingen, van allerlei vorm en uitgebreidheid, blauwachtig zwart van kleur. Dikwerf beperkt tot omschreven plaatsen, op een of beide beenen, kunnen zij ook voorkomen aan de uitwendige geslachtsdeelen, zelfs in de huid van den onderbuik, zeldzamer in de lendenstreek of billen. Zij dragen den naam van aderspatten en treden gewoonlijk niet voor de vijfde maand op. Gedurende het kraambed kunnen zij geheel verdwijnen, ofschoon dat gewoonlijk niet het geval is en zij in geringen graad blijven bestaan, om, met het getal der zwangerschappen, in aantal en grootte toe te nemen. Dan worden zij reeds vroeg in de zwangerschap duidelijk, zelfs zoo vroeg, dat sommige vrouwen beweren aan het uitzetten van de aderen allereerst te bemerken, dat zij weder zwanger zijn. Het verschijnsel kan vergezeld gaan van zwelling der deelen, van jeuk, pijn en ontstekingachtige roodheid. Wanneer pijn, die aan ontsteking doet denken, en roodheid mochten optreden, houde de vrouw het bed en zende om den geneesheer. Men neme zich in acht voor stooten dier plekken en voor krabben, hoe verleidelijk dat bij hevigen jeuk ook zijn moge, omdat bij het opengaan van zulk een bloedvat belangrijke bloeding optreden kan. Dit zal gemakkelijk gebeuren bij zeer oppervlakkig gelegen, sterk uitpuilende knobbels met dunnen wand. Mocht onverhoopt zoo iets geschieden, dan is het noodzakelijk onverwijld den geneesheer te ontbieden. Onderwijl kan men de bloeding beheerschen door een flinke dot zuivere verbandwatten, eene reine hand- of zakdoek, stevig en voortdurend op de bloedende plek te drukken. Wanneer alleen de huid daar ter plaatse gewond wordt, vertoont de wond weinig neiging tot genezing. Doch zonder deze verschrikkingen, welke betrekkelijk weinig voorkomen, kunnen de aderspatten onaangename gevoelens genoeg geven en het gaan, door gevoel van zwaarte en moeheid, bemoeilijken.
Daartegen helpt liggen, of zitten met de beenen in de hoogte, het omwikkelen met een windsel, hetzij van katoen, tricot-weefsel of elastiek, het dragen van elastieken kousen, zonder naad. De zwangere vermijde langen tijd achtereen te staan. Men zorge voor beweging, regelmatige, ruime ontlasting en vermijde het dragen van kousebanden om het been. Gunstigen invloed kan het dragen van een goeden buikband hebben. In vele gevallen zag ik belangrijke vermindering der gevoelens van zwaarte en moeheid, en ten gevolge daarvan gemakkelijker worden der bewegingen in het gaan, door het gebruik van groote hoeveelheden melk.
Minder onaangename gevoelens veroorzaakt zuchtige zwelling der beenen, wanneer zij zich beperkt tot de voeten en de streek om de enkels. Bij geringe ontwikkeling bemerkt de vrouw het bestaan daarvan gemakkelijk door de indrukken van de figuren der kousen en, wanneer ook het onderbeen mededoet, door een kringsgewijze verdikking daar waar de schoen ophoudt. ’s Avonds het sterkst, verdwijnt de zwelling ’s nachts bij horizontale ligging in bed.
Ook deze zwelling wordt sterk bevorderd door het dragen van kousebanden, vooral elastieken.
Niet altijd blijft de zwelling beperkt tot het onderste gedeelte der beenen. Zij kan zich uitstrekken over het geheele been, over de uitwendige geslachtsdeelen en het onderste gedeelte van den buik, zelfs worden waargenomen aan de handen en het gelaat. Is het in het algemeen gewenscht den geneesheer van zulke zwellingen in kennis te stellen, dringend noodzakelijk is het zijn raad in te winnen bij uitgebreide en sterke zwellingen. Ook tegen de zwelling der beenen kan het noodig en nuttig zijn een goeden buikband te dragen.
Oprispen, vergezeld van scherpen of bitteren smaak, soms van een zuur vocht in den mond, zooals dat in meer dan de helft der gevallen gewoonlijk in de laatste maanden der zwangerschap voorkomt, berust dikwijls op ondoelmatige voeding, vooral door het gebruik van meelspijzen. In de eerste maanden kan het zich evenwel ook voordoen. Behalve oplettendheid in de keuze van voedsel, vermijding van overmatige voeding en goede zorg voor ontlasting, kan men trachten, door het gebruik van zuiveringszout of magnesia, met of zonder citroensap, telkens een halve eierlepel, of van spuitwater, het lastige euvel te bezweren.
Hiermede gepaard, doch ook zonder dat, bestaat vaak tegenzin tegen bepaalde spijzen, allereerst tegen vleesch, minder tegen meelspijzen, koffie en bier, nog minder tegen groenten, aardappelen en melk. Daartegenover staat somtijds een vermeerderde lust tot het gebruik van sommige spijzen, vooral met betrekking tot zure spijzen, zuur, haring en ooft, minder vaak tot zoet, vaak tot alcoholische dranken en zelfs tot stoffen die geen voedingsmiddelen zijn, zooals: krijt, kalk, zout, enz., enz. Opmerkelijk is het ook, dat soms lievelingsspijzen worden afgeweerd, terwijl juist die spijzen en dranken worden begeerd, waarvan de vrouw in gewone omstandigheden een afkeer heeft. De zoogenaamde lusten der zwangere vrouwen behoeft men niet, op grond van allerlei verhalen, tegen te gaan, tenzij zij zich uitstrekken tot stoffen die geen voedingsmiddelen zijn of tenzij de behoorlijke maat overschreden wordt.
In enkele gevallen komt het tot versterkte speekselafscheiding. Dat verschijnsel begint dan, afgezien van het in enkele gevallen optreden gedurende de eerste weken, in de derde of vierde maand, is zeer lastig en verschillend lang van duur. Meestal eindigt het met het voelen der eerste bewegingen van het kind, zelden duurt het tot het einde der zwangerschap.
In onze streken minder veelvuldig voorkomend is de zoogenaamde zwangerschapskrop, bestaande in eene belangrijke vergrooting van eene klier, aan de voorzijde van den hals gelegen. Toch kunnen ook onze vrouwen wel eens eene zwelling aldaar waarnemen, meestal van de zesde maand af, in de eerste zwangerschap dikwijls later. Van groot belang is deze zwelling, althans hier te lande, waar de krop niet als inheemsch te beschouwen is, niet. Zij verdwijnt gedurende het kraambed, waarbij het al of niet zoogen geen invloed uitoefent.
Een veelvuldig voorkomend verschijnsel, nu eens vroeg dan weder later optredende, is herhaalde drang tot urineeren, bij weinig gevulde blaas. Meestal is die drang overdag sterker dan ’s nachts. Somtijds is het moeilijk, zelfs onmogelijk, de urine op te houden, zoodat die onwillekeurig afloopt. Dat komt vooral voor bij herhaalde zwangerschap, in de latere maanden der zwangerschap en in het koude jaargetijde, het meest bij hoesten, lachen, bukken, het op- en afgaan van trappen en bij sterke bewegingen. Men trachte daaraan te gemoet te komen door minder drinken, vooral van koffie, thee en bier en door het gebruik van tot urineeren aanzettende spijzen, zooals asperges, peterselie en prikkelende stoffen in ’t algemeen, te vermijden. Een goed zittend buikverband kan ook hierbij, vooral in de latere maanden der zwangerschap, verlichting aanbrengen.
Herhaalde drang tot urineeren vindt ook zijn oorzaak in de omstandigheid dat de hoeveelheid urine, door zwangeren te loozen, grooter is dan bij niet zwangeren, hetgeen zich tegen het midden der zwangerschap pleegt voor te doen. Na de baring neemt dan de hoeveelheid weder af.