Part 3
Over het braken, als een onzeker teeken van ingetreden zwangerschap, spraken wij reeds met een enkel woord. Somtijds kan het zeer belangrijk worden, zelfs zoodanig, dat de vrouwen niets meer kunnen binnenhouden van hetgeen zij genuttigd hebben en reeds braken bij de minste bewegingen die zij maken. Dit overmatig braken is een ernstig verschijnsel, de voeding lijdt er sterk onder, de krachten der vrouw raken, somtijds zeer spoedig, uitgeput. Vooral vrouwen die aan een of anderen vorm van zoogenaamde bloedarmoede lijden hebben er neiging toe. Dat zijn zij, die ook bij de menstruatie lijden aan duizelingen, onmachten, misselijkheid, slechte spijsvertering, maagkrampen en braken bij volle of ledige maag. Maagziekten kunnen de oorzaak zijn, doch ook ondoelmatige levenswijze en voeding, darmstoornissen, verkeerde ligging van de baarmoeder, losse nier en overprikkelde geestestoestand. Gewoonlijk begint het in de derde maand, zelden eerst in de laatste vier maanden.
In den beginne slechts na den maaltijd, terwijl in den tusschentijd misselijkheid, speekselvloed of droogte in den mond met kwellenden dorst, duizeligheid en maagpijnen bestaan, met tegenzin in voedsel, prikkelbaarheid of lusteloosheid en neerslachtigheid, neemt het zoodanig toe, dat ook zonder voedselopname het braken optreedt, vergezeld van andere verschijnselen, welke de vrouw inderdaad ziek doen zijn. Met het oog hierop is het dus aan te raden, wanneer de gewone misselijkheid en het looze braken sterker worden, den geneesheer te raadplegen. Tegen de gewone misselijkheid en het braken in den vroegen morgen is het dikwijls voldoende, dat de vrouw, vóór zij opstaat, een gemakkelijk verteerbaar ontbijt gebruikt, en, wanneer het ook overdag mocht plaats vinden, zich minder aan de gewone maaltijden houdt, doch met korte tusschenpoozen geringe hoeveelheden van smakelijke en gemakkelijk verteerbare spijzen tot zich neemt. Somtijds is het noodig daarna eenigen tijd te rusten. Steeds trachte zij zich zooveel mogelijk tegen dit onaangename en hinderlijke verschijnsel te verzetten, waarbij afleiding, buitenshuis of door huiselijken arbeid, van grooten invloed zijn kan. Zij bedenke, dat het gewoonlijk niet langer dan de eerste drie maanden aanhoudt. Beweging in de frissche lucht, vermijding van alle spijzen welke oprispen of tegenzin verwekken, geregelde ontlasting en het drinken van koud, ook koolzuurhoudend, water is van gunstigen invloed.
Meer dan een vierde deel der zwangere vrouwen lijdt aan verstopping (constipatie), waarvan hoofdpijnen en congesties, doch ook haemorrhoïden en, bij harde ontlasting, scheurtjes in het slijmvlies aan de opening, waardoor de ontlasting te voorschijn komt, het gevolg zijn. Zelden bestaat diarrhee, welke dan meestal met verstopping afwisselt. Voor een deel hiermede samenhangend is opzetting van den buik, door sterke gasophooping in de darmen, hetgeen aanleiding tot benauwdheid en krampen in de beenen geven kan. Benauwdheid en bemoeilijkte ademhaling worden veelal waargenomen bij eerstzwangeren. Hoofdpijnen worden, vooral in den laatsten tijd der zwangerschap, ook door andere oorzaken teweeg gebracht. Wanneer zij gepaard gaan met zwelling der beenen, maar vooral met zwelling der handen en van het gelaat, somtijds ook met stoornissen in het zien, is het noodzakelijk den geneesheer daarvan mededeeling te doen. De opmerkzame vrouw zal tevens kunnen waarnemen, dat dan dikwijls de hoeveelheid urine welke zij loost geringer is dan vroeger en die urine, donkerder van kleur, vaak een branderig gevoel bij het loozen opwekt. Die „branderigheid” wordt vooral duidelijk wanneer er sterke afscheiding uit de geslachtsdeelen, zoogenaamde witte vloed, bestaat. Niet zelden is die afscheiding zoo sterk, dat het ondergoed onophoudelijk vochtig of nat is en zoowel de dijen, als de plooien tusschen de schaamlippen en tusschen deze en de dijen, open zijn, waardoor het gaan pijnlijk is.
Behalve de vroeger genoemde verkleuringen van sommige gedeelten der huid, worden nog andere verschijnselen op de huid waargenomen. Vooral bij haar die in de eerste maanden veel braken, treedt vaak een uitslag op, gelijkende op die welke ontstaat bij het aanraken van brandnetels. Zij wordt dan ook netelroos genoemd en kenmerkt zich door het optreden van kleine en groote, min of meer platte, verhevenheden, lichter van kleur dan de omgevende huid, die sterk jeuken en lang bestaan blijven of, wanneer zij verdwijnen, spoedig weder keeren. Behalve regeling van de ontlasting brengt bepoedering, vooral na afwassching met azijnwater, verlichting.
Niet zelden vertoonen zich, vooral op borst en rug, schouders en onderste deelen van den hals, in de okselholte en in de buigvlakte der gewrichten, licht- tot donkerbruin getinte vlekken, in vorm en uitgebreidheid zeer verschillend, waarop bij nauwkeurige beschouwing schilfertjes zijn waar te nemen. Verwijdert men die door krabben, dan komt de onveranderde huid te voorschijn. Van belang zijn zij niet. Het eenige verschijnsel is jeuk. Daar zij vooral te voorschijn komen op plaatsen, welke weinig gewasschen worden, is de behandeling als van zelf aangewezen. Zij bestaat in het betrachten van reinheid. Wanneer men ze ’s avonds met wat groene zeep insmeert en ’s morgens met lauwwarm zeepwater afwrijft, verdwijnen zij spoedig. Overigens veel baden en verschoonen.
In het algemeen kan men zeggen, dat de zwangerschap eene zekere voorbeschiktheid geeft tot huidziekten, zooals ook de menstruatie dat doet, en dat de zwangerschap een ongunstigen invloed heeft op chronische huidziekten.
Aan de uitwendige geslachtsdeelen, vooral op de vochtige plaatsen tusschen de groote en kleine schaamlippen, tusschen deze laatsten en den ingang der scheede, maar ook op de schaamlippen en aan den bilnaad, komt het vaak tot het optreden van uitwasjes, als waren ’t wratjes, alleenstaande of tot groepjes en groepen vereenigd, ook zonder dat er gesproken kan worden van onreinheid of van witten vloed. Behandeling is gewoonlijk niet noodig, tenzij de uitwasjes heel groot of zeer pijnlijk mochten worden. Na afloop van het kraambed verdwijnen zij.
Wij spraken reeds een paar malen van witten vloed. Dat is niet te vermijden, omdat bijna iedere vrouw kan opmerken, hoe, gedurende de zwangerschap, bestaande afscheiding sterker wordt, of bemerkbaar wordt bij haar, die tot nu toe daarvan niets of nagenoeg niets bespeurde. Het is dus tot op zekere hoogte een gewoon verschijnsel. Is die afscheiding al te sterk, dan moet daartegen iets gedaan worden. Ook hierbij is reinheid een eerste vereischte. Die bestaat in vaak afwasschen der geslachtsdeelen met warm water en zeep, nooit met een spons, doch het best met zuivere verbandwatten of met een zuiveren zachten doek, welke dan evenwel niet weder gebruikt mag worden dan nadat hij zorgvuldig gereinigd is. Het gebruik van watten is te verkiezen, omdat die worden weggeworpen. Ook de open vlakten aan de dijen en in de omgeving der geslachtsdeelen moeten op dezelfde wijze gereinigd, goed afgedroogd en daarna gepoederd of wel met eene zalf, b.v. zinkzalf, bedekt worden. Een uitstekend poeder bleek mij alsol-strooipoeder te zijn.
Daarmede kan men bij minder sterke afscheiding volstaan. Is de afscheiding overvloedig, daarbij etterig of bijtend, dan kunnen voorzichtig scheedeuitspoelingen gedaan worden, het best met zuiver lauwwarm water (het water moet men laten koken en daarna laten afkoelen), waarin een paar theelepeltjes soda, een eetlepel zout, een eetlepel boorzuur of aluin (alles per liter vocht) opgelost worden. Men make voor de uitspoeling gebruik van een glazen irrigator, met lange slang en glazen aanzetstuk (canule), met meer dan één opening, en spoele uit in liggende houding, n.l. liggende op een zoogenaamd ondersteek (slofmodel), waarin het spoelvocht wordt opgevangen. Om verontreiniging van het bed te voorkomen, bedekke men het met een stuk guttapercha-zeil, waarop een stuk molton, een handdoek of iets dergelijks. Daarbij komt dan het ondersteek te staan. De irrigator moet steeds zuiver worden gehouden, de canule, na gebruik, van de slang genomen, met zeep afgewasschen, met zuiver water doorgespoeld en daarna bewaard worden in eene antiseptische (desinfecteerende of bederf-werende) vloeistof, b.v. in een glas met lysoform (1 %), lysol (1 %) of iets dergelijks. Bij het gebruik worde de irrigator opgehangen, niet hooger dan één meter, en de canule niet in de scheede gebracht voor men wat van de vloeistof door slang en canule heeft laten loopen, opdat die geheel met vocht gevuld zijn en dus geen lucht bevatten. De canule behoeft niet ver te worden ingebracht, ongeveer ter lengte van een vinger. Zij wordt weder uit de scheede getrokken voordat de irrigator geheel is leeggeloopen. Het verdient echter aanbeveling den geneesheer te raadplegen en dringend noodig is dat bij hardnekkige gevallen.
Het zenuwstelsel der zwangere vrouw is betrekkelijk gemakkelijk uit evenwicht te brengen, is prikkelbaarder dan buiten zwangerschap. Ten deele berusten daarop enkele reeds genoemde verschijnselen, zooals b.v. het braken in den aanvang, duizeligheid, wegraken of flauwten. De gemoedsstemming is vaak veranderd, waaraan bij herhaalde zwangerschap zorg wegens toenemende familie, bij eerstzwangeren vooral angst voor de bevalling, voor afwijkingen en allerlei gebeurlijkheden, schuld zijn kan, niet zelden als gevolg van verhalen, waarmede onverstandige familieleden en kennissen meestal blijk meenen te moeten geven van bezorgdheid, hetgeen gewoonlijk op niets anders berust, dan op een pogen om met eigen, gewaande, kennis te geuren. Die bezorgdheid is in de meeste gevallen eene kwelling, vooral voor de jonge vrouw die voor het eerst moeder zal worden. Zij is maar al te geneigd het oor te leenen aan allerlei raadgevingen en beschouwingen, meestal voortgesproten uit verhalen van oudere vrouwen, die geacht worden het toch wel te zullen weten, doch die gewoonlijk hare zoogenaamde kennis ook alweer van hooren zeggen hebben. Wanneer telkens nu de een, dan de ander met dergelijke verhalen of raadgevingen voor den dag komt, blijft er allicht iets van hangen. Het zijn voor een niet gering gedeelte zulke mededeelingen, welke ons noopten een hoofdstuk hierbij te voegen, waarin sprake is van bijgeloof, gewoonten als anderszins, bij zwangerschap, baring en kraambed. Daarvoor verwijzen wij naar dat gedeelte.
Het is, dit bedenkende, dan ook niet zonder reden, dat de veranderde gemoedsstemming bij zwangeren, in een overgroot gedeelte, zich uit in toestanden van neerslachtigheid bij anders rustige of vroolijke vrouwen, welke stemming begunstigd wordt door de onaangename gevoelens en gewaarwordingen, welke de zwangerschap zoo nu en dan vergezellen, doch die meestal verbeteren nadat de eerste bewegingen van het kind gevoeld worden. Dan wordt gewoonlijk de stemming kalmer, daar de jonge vrouw het zich ontwikkelende wezen van nu af als het hare beschouwt en zij zich gemeenzaam maakt met de gedachte, hoe heerlijk het zijn zal, wanneer zij haar kind in de armen sluiten kan.
Tot die onaangename gevoelens welke, ten minste voor een deel, op prikkelbaarheid van het zenuwstelsel berusten, behooren pijnen, vooral aangezichtspijnen, waarvoor onverstandige vrouwen zich wel eens gezonde tanden laten trekken; ook hartkloppingen, slapeloosheid en jeuk over het geheele lichaam, meestal zonder dat er op de huid eenige verandering is waar te nemen. Moeheidsgevoel, duizeligheid en onmacht (flauwten) komen veelvuldig bij zwakke vrouwen, in den laatsten tijd der zwangerschap, voor en worden dikwijls veroorzaakt door het verblijf in slechte lucht en onbeweeglijk zitten in lokalen, waar vele menschen bijeen zijn, zooals in kerken en schouwburgen, doch ook door langdurig zitten aan tafel, bij diners, enz. Wanneer zij duizeligheid of flauwte voelen aankomen, is het verstandig horizontaal te gaan liggen, het hoofd lager dan het overige lichaam. De natuur zelve wijst dat aan, zooals blijkt uit het woord „flauwvallen”. Welnu, het is zeker verstandiger te gaan liggen voordat men flauw zal „vallen”, waarbij men toch ook komt te liggen, doch op onaangenamer wijze. Tegen hartkloppingen kan het drinken van koud water, het leggen van koude compressen op de hartstreek helpen. De algemeene jeuk kan men trachten te bestrijden door dagelijksche afwasschingen met zeep in een warm bad of door warme baden met wat azijn, ook door koele afwasschingen, in het algemeen dus door reinheid. Daarbij zorge men voor goede ontlasting, dieet, kleede men zich niet te warm en dekke men zich in bed niet te warm.
In de laatste maanden treden in vele gevallen kuitkrampen op, meestal dubbelzijdig, in enkele gevallen of rechts of links, alsmede een eigenaardig gevoel, dat men mierenkruipen noemt, vooral in de beenen.
Van belang acht ik het, hier te waarschuwen tegen de meening, dat het zenuwstelsel, en vooral de werkzaamheid der hersenen, van zoo grooten invloed op de gebeurtenissen in de zwangerschap zou zijn als veelal wordt aangenomen.
Terloops spraken wij van het laten trekken van gezonde tanden, wegens aangezichtspijnen. Dat neemt niet weg, dat pijnen, uitgaande van de tanden, evengoed kunnen voorkomen als bij niet-zwangeren. Meestal heeft men te doen met een verschijnsel van carieuse tanden (zgn. wolf), welke door de zwangerschap regelmatig verergerd wordt. Het zal dus noodig zijn, waar tandpijn bestaat, het gebit te laten nazien. De tanden moeten zorgvuldig verpleegd worden, tandsteen door den tandarts verwijderd, aangestoken tanden of kiezen (wolf of caries) behandeld, gevuld, zoonoodig getrokken worden. De vrees welke daarvoor gewoonlijk bestaat is overbodig en eene dergelijke behandeling zou alleen dan achterwege moeten blijven, wanneer te groote prikkelbaarheid bestaat. Bestaat deze niet, dan kunnen die kunstbewerkingen, zonder nadeeligen invloed, gerust verricht worden.
Somtijds is de pijn niet afhankelijk van slechte tanden of kiezen, doch van eene aandoening van het tandvleesch, welke, gewoonlijk eerst in de vierde maand ontstaande, in verschillend sterken graad de geheele zwangerschap door kan blijven bestaan. Zij begint met roodheid, zoo, dat vlak tegen den tand aan een rood gekleurd half maantje te zien is; later komt daarbij zwelling, het sterkst bij de snijtanden, welke zwelling zich tusschen de tanden uitbreidt, waardoor die losraken. Het tandvleesch bloedt gemakkelijk bij reiniging, kauwen en aanraking, doch ook wel zonder dergelijke oorzaak. Soms worden licht gekleurde plekken, iets boven het tandvleesch uitstekende en door een rooden hof omgeven, waargenomen, meestal op de binnenvlakte van de lippen, de wangen en de tong.
In de meeste gevallen is de aandoening niet belangrijk, vooral niet bij vrouwen die den mond reinhouden. Mondreiniging door het borstelen der tanden met een zachten borstel, spoelen van den mond met een licht samentrekkend of ontsmettend mondwater en het doen genezen van zieke tanden is dus een voorbehoedmiddel.
Vooral in de laatste maanden klagen zwangere vrouwen vaak over pijn in de streek der ribbogen, welke meestal veroorzaakt wordt door sterke rekking der spieren van den buik, door uitzetting van den buik of door hangbuik. Daartegen vermag een goede buikband, welke steun geeft en den buik draagt, heel veel. Ook ondervinden zij pijnen in de beenen, rug, lendenen en stuit, waardoor het gaan bemoeilijkt wordt. Daar dit alles samenhangt met den toestand is behandeling niet mogelijk, en trooste men zich met de gedachte, dat vaak met het zakken van den buik dergelijke pijnen minder worden, of dat weldra de tijd nadert, dat, met de geboorte van het kind, ook deze onaangenaamheden een einde nemen.
Het lichaamsgewicht neemt gedurende de laatste drie maanden toe. Wanneer dat niet het geval is of zelfs het gewicht afneemt, bestaan stoornissen, welke trouwens gewoonlijk al eerder aanleiding gegeven hebben tot het raadplegen van den geneesheer.
Aan het einde van dit gedeelte verzoeken wij haar, die dit alles gelezen hebben, toch vooral te bedenken, dat wat geschreven staat een reeks van verschijnselen en onaangenaamheden vormt, welke niet altijd, niet steeds tegelijkertijd, niet steeds in den hoogsten graad aanwezig zijn en dat de vrouw, die ook gedurende de zwangerschap op hare gezondheid let, zonder angst en vrees, doch in blijde stemming, met het moedergeluk voor oogen, aan eigen lijf geen kennis zal maken met veel wat, ter wille der volledigheid, werd aangestipt.
LEEFREGELEN VOOR DE ZWANGERSCHAP.
Zooals wij opmerkten zijn allerlei veranderingen in het levensproces der vrouw, met de beschreven verschijnselen en onaangenaamheden, het gevolg van veranderingen in en aan de geslachts-organen.
Naarmate het ei groeit en in omvang toeneemt, wordt ook de ruimte, waarin het zich ontwikkelt, grooter. De aanvankelijke peervorm van de baarmoeder maakt plaats voor een rondere, die overgaat in den vorm van een ballon, welke steeds grooter en grooter wordt, zoodat het kind daarin de noodige ruimte vindt. Langzamerhand wordt die toename in grootte zichtbaar door uitzetting van den buik, terwijl de van buiten onderzoekende hand de vergrooting van de baarmoeder tastend onderscheiden kan.
Omstreeks het einde van de vierde maand is de bovengrens van de baarmoeder, de baarmoederbodem, ongeveer een handbreed boven den Venusheuvel te voelen. Van dien tijd af is een gestadig rijzen met de hand na te gaan. Zoo staat de bodem in het midden der zwangerschap even hooger dan het midden van den afstand tusschen Venusheuvel en navel. Gewoonlijk zal de aanstaande moeder dan voor het eerst de bewegingen van het kind, het „leven” kunnen waarnemen. Vrouwen die reeds vroeger zwanger waren kennen dit teeken en voelen het dan ook dikwijls aan het einde van de vierde maand, vaak nog eerder. Daaruit blijkt, dat aan het leven voelen geen al te groote waarde mag toegekend worden voor de berekening van het tijdstip der bevalling. Ook is het voelen der kindsbewegingen afhankelijk van de gevoeligheid der vrouw, van den toestand der buikwanden, van ligging en levendigheid van het kind. In den aanvang slechts zwak, worden de bewegingen sterker naarmate het kind grooter en krachtiger wordt, zelfs zoo, dat in de laatste maanden niet alleen de moeder ze voelt, doch zij door de opgelegde hand en, bij dunnen buikwand, ook door het oog zijn waar te nemen. Somtijds maakt de vrouw zich beangst, omdat zij, vooral in de laatste maand, gedurende eenige dagen het leven niet voelt. Dat is echter geen ongewoon verschijnsel en behoeft zij zich dus niet bezorgd te maken dat het kind niet meer leeft, tenzij het al te lang duurt. Dan kan inderdaad het vermoeden, als zou het kind gestorven zijn, gewettigd zijn, doch zal zij ook andere verschijnselen, zooals kleiner worden van den buik, slapper worden der borsten, kunnen waarnemen.
In andere oogenblikken kunnen de bewegingen onafgebroken en zoo sterk gevoeld worden, dat het verschijnsel inderdaad hinderlijk is. Dat is dikwijls afhankelijk van sterke gemoedsbewegingen der vrouw.
Het rijzen van de baarmoeder gaat geleidelijk voort tot het einde van de achtste maand. Dan staat de bovengrens ter hoogte van den maagkuil. Daarna begint eene daling, nu eens vroeger, dan weder later, afhankelijk van verschillende oorzaken. Met die daling wordt de spanning in het bovengedeelte van den buik geringer, voelt de vrouw zich verlicht van de tot nu toe toegenomen beklemming. Eerstzwangeren kunnen daaruit de berekening maken, dat ongeveer 3 à 4 weken daarna de bevalling zal plaats vinden. Doch ook hieraan hechte men niet te veel gewicht. De daling is voornamelijk het gevolg van eene verplaatsing van het kind naar de bekkenholte toe, waarin het hoofd met een kleiner of grooter gedeelte wordt opgenomen. Een andere reden is het uitrekken van den buikwand, waardoor het mogelijk is dat de baarmoeder meer naar voren overhelt. Aan de verminderde hoogte beantwoordt dan een grooter worden van den buikomvang. De eenige ondersteuning van de zwangere baarmoeder wordt, in staande houding, gegeven door den voorsten buikwand en zij valt zoover naar voren als de rekbaarheid van den buikwand toelaat. Als bij herhaalde zwangerschap de daling wordt waargenomen, is zij hoofdzakelijk aan de laatste oorzaak toe te schrijven, aangezien alsdan het kinderhoofd gewoonlijk eerst hij het begin van of zelfs eerst gedurende de baring in de bekkenholte wordt geperst. Hieruit volgt reeds de belangrijke invloed van den buikwand op de ligging van het kind.
Bij eerstzwangeren is de omvang van den buik aan het einde van de laatste maand, gemeten wanneer de vrouw plat op den rug ligt, ongeveer 91 c.M., gemeten in staande houding ongeveer 98 c.M. Veel waarde is aan die cijfers niet te hechten, tenzij de omvang veel grooter mocht blijken.
Die toename in omvang van buik en baarmoeder is niet alleen toe te schrijven aan den groei van het kind.
Het maakt, vooral in de laatste maanden, den indruk alsof de gedaante van den buik veroorzaakt wordt door de aanwezigheid van een eenigszins in de lengte uitgerekten bol. In dien bolvormigen zak, de baarmoeder, is het kind gelegen in de eivliezen of den vruchtzak, een dunne, gladde, doorschijnende, overal gesloten blaas, welke gevuld is met een vocht, dat zich gedurende den groei van het kind daarin ophoopt en den naam van vruchtwater draagt. Daarin ligt het kind met gebogen rug en nek, het hoofd met de kin op de borst, de bovenarmen tegen het lichaam, de onderarmen naar elkander gericht voor de borst, de beenen opgetrokken met de knieën op de borst, zoodat het gemakkelijk plaats vindt in de bolvormige holte van de baarmoeder. De overblijvende ruimte wordt door het vruchtwater ingenomen. Meestal ligt het kind, tenminste in de laatste maanden van de zwangerschap, met het hoofd naar beneden gericht, somtijds met den stuit, zeldzamer met het aangezicht of het voorhoofd het laagst, of geheel dwars in de baarmoederholte.
De eivliezen bekleeden de binnenvlakte van de baarmoeder, ongeveer als de voering van een gevoerden zak, losjes, doch op een enkele plaats zijn zij vaster verbonden. Daar ligt de moederkoek, welke, als een sponsachtig geweven, vleezige platte koek, met eene oppervlakte ter grootte van omstreeks twee handen en een dikte van een paar centimeters, innig verbonden is met den baarmoederwand, ongeveer op de plaats waar het eitje zich, na de intrede in de baarmoeder, als het ware ingeplant had.
Zooals wij weten ontwikkelden zich, spoedig nadat het eitje in de baarmoeder was opgenomen, aan zijne oppervlakte bloedvaatjes, welke in verbinding traden met de moederlijke bloedvaten in den wand der baarmoeder, waardoor het mogelijk was dat het eitje gevoed werd. Die verbinding breidde zich, gelijken tred houdende met de ontwikkeling van het eitje, over eene grootere oppervlakte uit en nam geleidelijk in dikte toe. Die dikkere verbinding, niet alleen uit bloedvaten bestaande, doch tevens uit een weefsel, gevormd door het optreden van cellen, welke met elkander in samenhang bleven en zoowel de aanhechting steviger maakten als de bloedvaten tot steun en onderlaag dienden, is de moederkoek.
Naarmate zich het kind in het eitje aanlegde, werd daarin ook het vruchtwater gevormd, dat, daar het ei zich langzamerhand in een blaasje veranderde, waarin het kind ruimte kreeg ter ontwikkeling, dat blaasje vulde. Met toenemende ontwikkeling van eiholte en kind puilt het ei in de holte van de baarmoeder, welke door haren groei meer ruimte aanbiedt, uit, zoodat de dunner wordende wand van het eitje, later de eivliezen genoemd, ten slotte overal de binnenvlakte van de baarmoederholte aanraakt en er losjes mede vergroeit, terwijl de verbinding ter plaatse waar de moederkoek ligt veel inniger is.