Chapter 11 of 22 · 3928 words · ~20 min read

Part 11

In aansluiting hiermede moet de vraag besproken worden, of een zuigeling in den nacht al dan niet gevoed moet worden. Ook daaromtrent bestaat verschil van opvatting. De mijne is deze, dat een kind, dat in den nacht honger heeft, wèl gevoed moet worden. Hoe aangenaam het voor de moeder en de huisgenooten ook zijn moge, dat de zuigeling den geheelen nacht slaapt, zoo leert toch de ervaring, dat het slechts eene hooge uitzondering is, dat dit van den beginne af het geval is. In het meerendeel der gevallen wordt ook de gezonde zuigeling ’s nachts wakker, omdat hij behoefte heeft aan voedsel, en het niet voldoen aan dezen natuurlijken drang leidt geregeld tot verstoring van de rust der moeder, die misschien den raad gekregen heeft het kind maar te laten schreeuwen, omdat het vroeg leeren moet den geheelen nacht te slapen.

Waarom moeten jonge ouders den pasgeborene maar erbarmelijk laten schreeuwen, zelfs als zij daarvan ontdaan raken? Het is mij vaak genoeg voorgekomen, dat—op gezag der verpleegster, steunende op hetgeen haar onderwezen scheen te zijn geworden—de jonge ouders dit voorschrift in toepassing hadden gebracht, met het gevolg, dat ’s morgens het kind, afgemat door het schreeuwen, sliep; dat de jonge moeder, inderdaad geheel ontdaan, geen oogenblik geslapen had, want welke moeder, die reeds maanden lang geleefd heeft in blijde verwachting van „het groote oogenblik, waarop het kleine menschje voor het eerst in den arm en aan de borst zijner moeder gelegd wordt”, zou niet ontdaan raken, als zij dat kleine menschje geen voedsel mag geven, ofschoon moeder natuur werkelijk wel weet wat zij doet, als zij het kind door geschrei om voedsel laat vragen?; dat de vader besloot—„als dat zóó moet doorgaan” zegt hij—den nacht zoover mogelijk van de kraamkamer verwijderd door te brengen, omdat hij overdag zijnen arbeid moet verrichten; dat de verpleegster ook al geen rust had gehad, omdat zij in den nacht telkens de verzekering moest geven, dat het kind maar dadelijk moest leeren, dat het ouderlijk gezag gehandhaafd moet worden.

En welk voordeel was daaraan verbonden? [5]

Het voordeel, aan eene dergelijke regeling of zoogenaamde opvoeding verbonden, is mij nooit gebleken. Indien het kind in den nacht gevoed wordt, d.w.z. zijn buik vol krijgt, zal het weder gerust gaan slapen en de moeder eveneens. Die rust zal beiden meer goed doen dan de onrust welke, vaak nachten achtereen, moeder, kind en huisgenooten zenuwachtig maakt. En is het niet dwaas, aan den eenen kant voor te schrijven het kind te vrijwaren voor onnoodige prikkeling van zijn nog niet ten volle ontwikkeld zenuwstelsel, door het te behoeden voor sterk inwerkende geluiden en andere schadelijke invloeden, en aan den anderen kant dat zenuwstelsel overmatig te prikkelen, door het ten prooi te laten aan urenlang durende huilbuien? Volgens mij moet het kind dus ook in den nacht gevoed worden.

Naarmate het kind ouder wordt, zullen ook de tijdsruimten tusschen zijne maaltijden vrijwel gelijk van duur worden. Voor de tijdsruimte tusschen den laatsten avond- en den eersten morgenmaaltijd geldt, dat het kind dikwijls al heel spoedig den geheelen nacht doorslaapt. Zoo wordt op natuurlijker wijze aan het verlangen, ’s nachts niet te voeden, voldaan, dan door een stelsel van dwang, dat vaak genoeg niet tot het beoogde doel leidt en den zuigeling zenuwachtig maakt.

Als het bij uitzondering al te lang mocht duren, voor het kind den nacht blijft doorslapen, zal de moeder er vanzelve toe besluiten om daarin den gewenschten regel te brengen. Zij bedenke evenwel, dat het kind onrustig zijn kan, omdat de luier nat is. Het kind kan dan weder inslapen, maar het kan ook gebeuren, dat het onrustig blijft en het zal eerst dan weder rustig worden en den slaap voortzetten, als het verdroogd is. Hieruit blijkt, dat het niet in alle gevallen, niet altijd, noodig is, het kind, als het schreit, de borst te geven. Werd dat in den beginne wel gedaan, dan moet de moeder het nu nalaten, doch het kind verdrogen en weder in zijn bedje leggen. Misschien zal het niet dadelijk den slaap vatten, omdat het—gewoon geworden aan het voeden—weder begint te schreien, doch nu geldt het niet aan dat verlangen te voldoen. Het kind zal zich vermoedelijk niet dadelijk in de nieuwe regeling schikken, doch indien volgehouden wordt, begrijpt het ten slotte wel, dat het zijn zin niet krijgt en dan is het pleit voor de moeder gewonnen.

Voor iederen maaltijd moet het kind verdroogd worden. Men zal dikwijls bespeuren, dat het kind gedurende het zuigen de luier weder nat maakt, maar dan behoeft men de luier niet te verwisselen als het kind, na de borst genomen te hebben, slaapt. Dan zou het weder wakker kunnen worden en allicht niet gemakkelijk den slaap weder vatten. Men make alleen eene uitzondering wanneer het kind gesmette billen heeft; de natte luier zou dan den toestand verergeren, niet omdat de urine van een gezond kind scherp is, zooals de moeders vaak meenen, en die scherpe urine de billen stuk maakt, maar omdat de urine scherp wordt, als men het kind lang in de natte luier laat liggen.

In de eerste dagen na de geboorte kan het aanbeveling verdienen het kind bij iederen maaltijd beide borsten te geven, omdat er nog geen voldoende hoeveelheid zog wordt afgescheiden. Als die hoeveelheid toeneemt, zal het kind allengs uit één borst genoeg zog drinken. Men geve dan om beurten de rechter en de linker borst. Mocht de hoeveelheid zog, uit één borst verkregen, ook de volgende dagen nog ontoereikend blijven, dan zal het altijd beter zijn beide borsten na elkander te geven, dan één borst en daarna, als bijvoeding, een fleschje. Waarom toch zou men kunstvoedsel geven, als het kind, door beide borsten leeg te drinken, het natuurlijke voedsel in voldoende hoeveelheid krijgen kan?

Somtijds geeft de borst veel meer zog, dan het kind verorberen kan. Dat kan reeds in den aanvang het geval zijn, zoolang de zuigeling nog zeer weinig drinkt, doch dat komt vanzelf terecht, als het kind meer gaat drinken. Maakt de borst meer zog dan het kind nemen kan, dan zal er zog in de borst achterblijven. De borst is dan na het zuigen nog of spoedig daarna weder gespannen; er zijn duidelijk harde plekken in de borst te voelen; zij is pijnlijk, vooral bij betasting; er is geen koorts. Men spreekt dan van zogstuwing. In de meeste gevallen is het voldoende de borst goed op te binden, in een warm-waterverband, om dit ongemak te doen verdwijnen. Daarbij is het goed de voeding van de kraamvrouw, maar vooral het drinken, tijdelijk te beperken en de ontlasting te bevorderen, b.v. door toediening van bitterwater, ’s morgens een glas op de nuchtere maag. Er wordt wel eens aangeraden om de met olie ingevette borst voorzichtig te masseeren, doch daarbij moet op het woord „voorzichtig” zeer sterk de nadruk gelegd worden, omdat het mij voorkomt, dat met massage het gevaar voor ontstaan van eene „zweerende borst” stijgt.

Zogstuwing kan ook bij niet te overvloedige vorming van zog optreden, indien het kind niet met voldoende kracht zuigt. Ja, in de meeste gevallen is daarin de oorzaak gelegen, b.v. in de eerste dagen, als het kind nog slaperig is, wat vooral bij geelzucht, maar ook bij te vroeg geboren en zieke kinderen voorkomt. Indien een kind slecht zuigt, kan het dus noodig zijn het door den geneesheer te laten onderzoeken.

Wordt de zogstuwing niet opgeheven, dan gaat de zogafscheiding achteruit. Men moet dus de zogstuwing trachten te voorkomen, wat gebeuren kan door, als het kind de borst niet leeg zuigt, haar met de zogpomp te ledigen of door een ander, gezond, kind te laten ledig zuigen. Dit laatste stuit begrijpelijkerwijze nog wel eens op bezwaren.

Ook kan men ertoe besluiten om het kind, als het te lang mocht slapen en de moeder last krijgt van te sterk gespannen borsten, wakker te maken en aan te leggen, doch gewoonlijk zal dat niet noodig zijn, omdat—gelijk gezegd—het kind zich na 3½ of 4 uur aanmeldt.

Als de borst weinig zog levert, kan het eveneens noodig zijn om haar, door zuigen, tot vorming van meer zog aan te zetten, en wel door het kind iets vroeger dan den genoemden tijd op te nemen en tot zuigen te verleiden, maar ook dit wordt gewoonlijk door de natuur zelve reeds gedaan, daar het kind uit eene weinig zog leverende borst ook te weinig voedsel krijgt, om zoo lang te slapen. Indien de door mij gegeven raad, in den beginne aan het kind over te laten het oogenblik voor zijnen maaltijd te bepalen, gevolgd wordt, zal het slechts uiterst zelden noodig blijken tot dergelijke maatregelen over te gaan.

Zeer zeker acht ook ik het noodig, om het kind aan regelmaat in het nemen zijner maaltijden aan de borst te gewennen, doch naar mijne overtuiging begint men daarmede gewoonlijk te vroeg en met toepassing van eenen maar al te vaak eenzijdig gestelden regel, en ligt hierin een der oorzaken voor het optreden van stoornissen in voeding en spijsvertering.

Het lijkt mij niet aan te bevelen om een kind, dat rustig en vast slaapt, wakker te maken omdat het voorgeschreven tijdstip voor zijn maaltijd is aangebroken. Als het waar is, dat voor het kind de slaap een nog grooter physiologische, d.w.z. voor het gunstig verloop der levensverrichtingen noodzakelijke, behoefte is dan voor den volwassene, dan is het ook waar, dat het verstoren van dien slaap eene stoornis in den gang der physiologische verrichtingen beteekent. Buitendien is het een bekend feit, dat een kind dat nog gerust slaapt, dus blijkbaar nog geen behoefte aan voedsel heeft, als het uit de wieg genomen en aan de borst gelegd wordt, òf niet zuigen wil òf slechts met behulp van allerlei hem onaangename middelen, zooals het bestrijken van zijn gelaat met een spons met koud water, heen en weder drukken van het gelaat over den tepel, tikken tegen de wangen, ertoe gebracht kan worden betrekkelijk slecht te zuigen, omdat de eetlust ontbreekt. Het gevolg moet wel zijn, dat het te weinig neemt en dus binnen den voorgeschreven tijd om zijn maaltijd komt, waaraan dan, volgens het voorschrift, niet mag worden toegegeven, omdat het wachten moet „tot het zijn tijd is”. Ligt het niet voor de hand, dat op die wijze het kind in de war gebracht wordt? En omgekeerd. Het kind zal binnen den voorgeschreven tijd wakker worden en om eten vragen. Het voorschrift luidt, dat het maar huilen moet gedurende de spanne tijds, welke hem nog rest tot zijn tijd gekomen is. En is die tijd aangebroken, dan zuigt het kind, in de war gebracht door het vergeefsche schreien, minder gretig, vult wederom zijn buikje onvoldoende, met hetzelfde gevolg: al weder te vroeg komen voor zijn, volgens voorschrift, vastgestelden maaltijd. [6]

Ofschoon niet zoo menigvuldig als men beweert, kan het toch gebeuren—en dat is meestal het geval bij haar die voor het eerst moeder geworden is—dat de borsten in den beginne te weinig zog vormen. In de eerste dagen blijven de borsten dan tamelijk slap en week en zijn er met moeite eenige druppels zog uit te drukken. Dan moet de moeder niet dadelijk besluiten, om het kind voor goed van de borst te nemen, doch volhouden, omdat gewoonlijk na eenige dagen, vaak plotseling, verbetering optreedt. Dit kan wel zes of acht dagen duren. Gedurende zoo langen tijd kan het kind niet zonder voedsel blijven. Dan geve men het, nadat het eerst aan de borst gezogen heeft, een fleschje, waarin een mengsel van één deel melk en twee deelen water, b.v. 30–50 gram, zoo dikwijls dat noodig blijken mocht. Beginnen de borsten zog te leveren, dan geve men het kind liever beide borsten, namelijk eerst de eene en dadelijk daarna de andere, om bij den volgenden maaltijd met de laatst gegeven borst te beginnen voordat men de tweede geeft, en zoo vervolgens, dan dat men één borst en daarna een fleschje, als bijvoeding, geeft.

Of de hoeveelheid zog volstrekt onvoldoende is, zal gewoonlijk niet binnen de eerste twee weken zijn vast te stellen. Mocht het ’t geval zijn, dan zal het noodig blijken bij de borstvoeding één of meer fleschjes, als bijvoeding, te geven. (Zie: Gemengde voeding).

Het komt echter veeltijds, meer dan men over ’t algemeen denkt, nog wel terecht, d.w.z. dat het blijkt, dat de twijfel te vroeg was opgekomen. Te geringe afscheiding van zog is immers dikwijls te wijten aan niet voldoende prikkeling of aan onvoldoende ontlediging van de borst, door slecht zuigen van het kind.

Bij onvoldoende vorming van zog voelen de borsten slap aan; zij zijn ook onmiddellijk voor het zuigen niet flink gespannen en na het zuigen is er geen straaltje zog uit te drukken. Dit laatste geldt echter niet in alle gevallen.

Zoolang een kind bij borstvoeding alle teekenen van gezondheid vertoont, moet het aan de borst blijven. Het vindt daar alles wat het noodig heeft.

Hoe kan een moeder weten of haar kind gezond is en aan de borst gedijt?

In het algemeen kan men het volgende opmerken. De houding van den gezonden zuigeling, als hij in zijn bedje ligt, is, vooral gedurende den slaap, eene zeer kenmerkende. Hij ligt op den rug of op zijde, houdt de armen, in het elleboogsgewricht gebogen, omhoog, de handjes ter weerszijden van het hoofd; de beenen zijn tegen den buik opgetrokken. Hij slaapt, vooral gedurende de eerste maanden van zijn leven, dadelijk na den maaltijd in. De slaap is rustig en diep, zoodat die nauwelijks door sterke, van buiten af werkende, prikkels gestoord wordt. De oogleden zijn meestal vast gesloten. Het kind slaapt, vooral in den eersten tijd van zijn leven, bijna voortdurend, behalve gedurende den maaltijd. Somtijds schreit hij wel eens, zonder dat men daarvoor een oorzaak kan vinden. Men spreekt dan van zijn gewone huiluurtje. Intusschen kan de oorzaak daarvan wel eens gelegen zijn in de omstandigheid, dat het kind door huisgenooten of anderen, die het „dotje” wel eens even in handen willen hebben of er mede willen spelen, met te veel belangstelling vervolgd wordt. Het gevolg is dan gewoonlijk, dat het kind op den duur wil beziggehouden worden of in handen zijn, hetgeen niet bevorderlijk is aan zijn rust en zijne gezondheid. Naarmate het kind ouder wordt, zal het nu en dan wakker liggen en langzamerhand meer aandacht aan zijne omgeving wijden. Dan zal de moeder zich ook meer met haar kleine mogen bezighouden, waarbij zij telkens weder bedenken moet, dat ook in dat opzicht alle overdaad schaadt. Als moeder en kind om zoo te zeggen samen opgroeien, ontstaat vanzelve de ware harmonie, welke voor het kind het voordeeligst is.

De gezonde zuigeling heeft eene mooie frissche huidkleur, lichtrood, vooral in het gelaat, licht rose aan het oor, bij doorschijnend licht, en aan de voetzolen, of gemarmerd. In den slaap is de kleur gewoonlijk bleeker. De huid is glad, gaaf, een weinig vochtig en aangenaam warm als het kind niet te lang bloot ligt. Zij kan niet gemakkelijk in eene plooi, die onmiddellijk weder verdwijnt, opgelicht worden.

De gezonde zuigeling zweet, tenzij hij overdreven warm gekleed of in het bedje te warm gedekt is of op andere wijze te warm gehouden wordt, niet, behalve bij hevig schreien.

De slijmvliezen zijn bleeker van kleur dan bij volwassenen, de tong fletsrood en vochtig.

De spieren (het vleesch) maken bij betasting den indruk van vast en stevig en tevens veerkrachtig te zijn.

De buik is slank en ligt vrijwel in hetzelfde vlak als de borstkas of iets hooger, de grens tusschen deze beiden is niet duidelijk, de flanken zijn niet uitgezet. De buikwand is min of meer gespannen en moeilijk in te drukken.

De ademhaling is over ’t algemeen oppervlakkig, nauwelijks te hooren en ook in rustigen slaap van gezonde kinderen, ten minste gedurende de eerste weken, niet steeds gelijkmatig, daar diepe ademhalingen met oppervlakkige afwisselen en elkander niet steeds regelmatig opvolgen. De ademhalingsbewegingen van de borstkas zijn, in vergelijking met die van den buik, gering. Het aantal ademhalingen is grooter dan op lateren leeftijd en bedraagt bij den pasgeborene gemiddeld 35 in de minuut. Men telt die het gemakkelijkst als het kind slaapt.

Dit laatste geldt ook voor het tellen van het aantal polsslagen, dat ongeveer 120 in de minuut bedraagt.

De temperatuur, ’s morgens en ’s avonds in den endeldarm opgenomen, schommelt om 37° Celsius en is zelden hooger dan 37°.2. Zij wisselt echter gemakkelijk onder verschillende omstandigheden.

Het gezonde kind neemt met graagte, zelfs met gulzigheid, de borst.

Gewoonlijk wordt de ontlasting van den gezonden zuigeling, welke van den vierden of vijfden dag als de „normale” beschouwd wordt, beschreven als eene vrij dikke zalfachtige of brijachtige, goudgeel of oranjegeel gekleurde stof, gelijkmatig, niet kleverig week, welke in den beginne drie- tot zesmaal, met toenemenden leeftijd afnemend tot één- of tweemaal, in de vier en twintig uur geloosd wordt. Zij wordt, aan de lucht blootgesteld, betrekkelijk spoedig groen van kleur. Kenmerkend is eene min of meer zoet-zuurachtige, niet onaangename geur. Bij regelmatige spijsvertering komt de ontlasting vrij geregeld en tamelijk snel te voorschijn.

In de laatste jaren wordt er, in verschillende geschriften, op gewezen, dat de „normale” ontlasting ook bij gezonde, goed gedijende, borstkinderen volstrekt niet zoo algemeen wordt waargenomen; dat zij vaak niet gelijkmatig is, doch in de geelachtige stof talrijke witte vlokjes of brokjes en, in de eerste weken bijna regelmatig, taaie slijmstolseltjes bevat; dat zij ook, in de eerste twee of vier weken, dunner en waterachtiger is met stukjes, zelfs geelachtig groen, slijmachtig met weinig vaste stof; dat zij, aan de lucht blootgesteld, snel grasgroen van kleur wordt, en dat zulke ontlasting somtijds na iederen maaltijd geloosd wordt, zonder dat er eenige stoornis bestaat of is aan te toonen, zoodat men niet zou vermoeden, dat zij van een borstkind afkomstig is. Deze ontlasting gaat gewoonlijk vanzelf over in de meer normale.

Zulke luiers ziet men o.a. bij kinderen van „zenuwachtige” ouders. Men denke dan niet dadelijk dat het zog niet deugt. Het vetgehalte van het zog kan b.v. hierbij eene groote rol spelen. Melk welke weinig vet bevat, geeft dunnere ontlasting dan die, welke veel vet bevat. Ook kan zulke ontlasting tijdelijk optreden bij sommige stoornissen van de zijde der moeder, b.v. eenige dagen voor en gedurende de menstruatie of wanneer zij koorts heeft. Indien dit niet te lang duurt, is het gewoonlijk niet noodig daartegen maatregelen te nemen.

De belangrijkheid van de luiers wordt inderdaad vaak sterk overdreven. Ofschoon ik, indien de zuigeling volgens mijne bovengenoemde opvatting gevoed werd, bijna zonder uitzondering de als „normaal” beschreven ontlasting heb waargenomen, is het niet te ontkennen, dat sommige kinderen gedurende hunnen geheelen zuigelingentijd niet die „normale” ontlasting te zien geven. Ik heb kinderen gekend, die uitstekend groeiden—en nu reeds volwassen zijn—en als zuigeling nooit eene „goede” luier vertoonden. Men moet dus niet al te groote waarde hechten aan eenigszins afwijkende tint der luiers of aan van het „normale” afwijkende samenstelling der ontlasting, doch vóór alles zijn oordeel afhankelijk stellen van den algemeenen toestand van het kind en van zijn geheele wijze van doen. Als het kind behoorlijk groeit, niet al te onrustig is en er goed uitziet, behoeft men zich over eene groenachtige licht-slijmerige ontlasting niet dadelijk te verontrusten.

Ook het omgekeerde komt bij den zuigeling vaak voor, namelijk dat de ontlasting langer dan vier en twintig uren wegblijft. Zij is dan taai en iets donkerder van kleur, soms grijsgrauw en droog. Eerst als die verstopping twee of drie dagen aanhoudt, kan het noodig zijn daaraan te gemoet te komen, door het kind een lavementje, b.v. van lauwwarme olijfolie of van lauw water, of een zeeppilletje te zetten. De met die verstopping vaak gepaard gaande buikpijn wordt door een vochtigwarmen omslag, een Priessnitz-verband, om den buik—een heerlijk rustgevend middel—gemakkelijk bestreden.

Men kan dus, heel in ’t algemeen, zeggen, dat bij uitsluitende voeding aan de borst aantal en voorkomen van de ontlasting, zoolang het kind goed gedijt, tamelijk onverschillig is.

De urine wordt in de eerste dagen in geringe hoeveelheid geloosd; daarna neemt zij belangrijk toe. De urine van het gezonde kind is licht van kleur, helder en stinkt niet. Daar de urine-loozing dikwijls plaats vindt, van tien- tot vijftien malen daags, moet men het kind ook dikwijls verdrogen. Dat is het beste middel om het smetten en het ontstaan van open billen te voorkomen en het kind rustig te houden. De meeste kinderen schreien als zij nat zijn. Het reinigen behoort te geschieden met een spons, of zuivere verbandwatten, en lauwwarm water. Daarna wordt bettend afgedroogd, en gepoederd. Hoeveel malen het verdrogen noodig zijn zal, is niet aan te geven.

Het is onnoodig een gezond, goed gedijend, kind dagelijks of wekelijks te wegen. Zooals wij zagen, is in den regel wel te zien of het kind gedijt. Zoolang de zuigeling eene frissche kleur heeft, het gelaat en vooral dijen en billen goed gevuld zijn en eene goede ronding vertoonen, het vleesch bij betasting gespannen aanvoelt, de huid vrij van vlekken of smetten, de slaap ongestoord, de eetlust goed, de spijsvertering in orde is, zoolang hij rustig en tevreden bij het drinken is en, als hij wakker ligt, in eene tevreden stemming verkeert, beweeglijk is, levendige heldere oogen heeft, kortom geen verschijnselen van eenigerlei onrust of ziekte vertoont, kan men tevreden zijn.

Intusschen is het toch, met het oog op mogelijke afwijkingen, gewenscht omtrent het lichaamsgewicht en het toenemen daarvan eenige bijzonderheden mede te deelen.

In het meerendeel der gevallen, laat ons maar zeggen bijna zonder uitzondering, neemt het lichaamsgewicht gedurende de eerste drie of vier dagen, somtijds zelfs tot den achtsten dag, na de geboorte af. Dat verlies kan 200 tot 300 grammen, ook nog wel meer, bedragen; bij dikke kinderen vaak meer dan bij magere. Daarna neemt het gewicht weder toe en als dan eenmaal het oorspronkelijke gewicht bereikt is, hetgeen niet altijd op den tienden dag, doch ook nog wel later, b.v. na veertien tot twintig dagen, bij enkele kinderen nog later, het geval kan zijn, volgt een dagelijks toenemen.

Tot en met de vierde maand nemen borstkinderen meer in gewicht toe, dan kunstmatig gevoede, daarna gaan zij vrijwel gelijk op, totdat na de achtste maand vaak de borstkinderen achterstaan bij de kunstmatig gevoede. Meestal wordt de zuigeling tegenwoordig wekelijks gewogen, en dan gaat de jonge moeder, aan de hand van een boekje, na, of haar kind voldoende in gewicht is toegenomen. Zij vergelijkt daartoe het door haar verkregen cijfer met een cijfer in het boekje, met het gevolg, dat de verstandige moeder niet op een verschil van eenige grammen let; dat de al te bezorgde moeder ongerust wordt zoodra het gewicht van haar kleine beneden het gewicht, in het boekje aangegeven, blijft en daaruit besluit, dat haar kind niet goed groeit; maar ook ongerust is, als het er boven uit gaat, omdat zij meent dat het te veel toeneemt. Dit laatste bezorgt haar, gelukkig, niet zoo vaak en zoo groote angst. Om haar eenigermate gerust te stellen, geeft ik hier eenige cijfers, zooals ik die in verschillende boekjes vond. (Zie bladz. 151).

Men ziet hieruit, dat men zich niet te veel aan de cijfers moet vastklemmen. Het komt mij voor, dat ik aan de vermoedelijk opkomende vraag: „Waaraan moet ik mij nu eigenlijk houden?” het best tegemoet kom, door het volgende.

Uit de hiernaast staande cijfers van 15 schrijvers het gemiddelde berekend, kom ik, voor de

1e 2e 3e 4e 5e 6e 7e 8e 9e 10e 11e 12e maand, tot 195 187 175 144 124 108 99 97 95 75 73 71 gr.

ongeveer, welke een kind, aan de borst gevoed, per week toeneemt.

Mij dunkt dat de moeder gerust kan zijn, indien het gewicht, door haar bij het wegen der kleine gevonden, om deze cijfers schommelt.