Part 14
Vooral bij deze wijze van voeding kan het kind te veel voedsel krijgen, overvoed worden. Het kan echter ook te weinig krijgen, zoowel doordat te weinig per maaltijd gegeven wordt, als doordat, bij voldoende hoeveelheid, de voedingswaarde, tengevolge van te sterke verdunning, te gering is. Er behoort dan ook bij de voeding met de flesch eene groote mate van oplettendheid betracht te worden. Wanneer de moeder inderdaad die oplettendheid betracht en nauwkeurig acht geeft op den toestand van den zuigeling, in verband met een regelmatig verloop van het gewicht en in verband met eene behoorlijke ontlasting, kan zij, naar mijne overtuiging, ook hierbij, met inachtneming van het bij de borstvoeding besprokene, de regeling van het aantal maaltijden en de hoeveelheden, per maaltijd te gebruiken, in den beginne aan het kind overlaten. Zij bedenke daarbij, dat van een te sterk verdund mengsel grootere hoeveelheden noodig zijn om aan de behoefte van het kind te voldoen, en geve dus liever te weinig dan te veel. Bij mijne eigene kinderen, waarvan er twee van den aanvang af met koemelk moesten gevoed worden, handelde ik als volgt. Er werd begonnen met 1 deel melk en 2 deel water, waarbij melksuiker gevoegd was. In iedere flesch werd zooveel van het mengsel geschonken, dat er, als het kind gedronken had, altijd iets in de flesch overbleef. Indien de ontlasting daarbij goed was, zoowel wat aantal als vastheid en kleur betrof, werd zoolang bij deze samenstelling gebleven, tot de ontlasting veranderde. Werd de ontlasting dunner, dan werd een kleine hoeveelheid melk meer gegeven. Aangezien de verhouding steeds op 100 gram berekend werd, beantwoordde aan eene grootere hoeveelheid melk eene kleinere hoeveelheid melksuikeroplossing. Bijvoorbeeld: Voor 100 gram mengsel werden genomen 34 gram melk en 66 gram melksuikeroplossing. Was de ontlasting daarbij normaal, dan bleef het bij die verhouding, totdat de ontlasting iets dunner en vaker geloosd werd. Dan werden 36 gram melk en 64 gram melksuikeroplossing genomen. Werd daarbij de ontlasting weder normaal, dan bleef het daarbij; kwam de ontlasting nog niet naar wensch, dan werden genomen 38 gram melk en 62 gram melksuikeroplossing. Was evenwel de ontlasting te stijf, dan gebeurde het omgekeerde en werden genomen 32 gram melk en 68 gram melksuikeroplossing. Op die wijze werd, al naar het noodig bleek, tastenderwijze het voedsel met kleine schommelingen gewijzigd, zoodat gemakkelijk en zonder gevaar kon worden beproefd, wat op een bepaald tijdstip noodig was. Daarbij werd het merkwaardige feit genomen, dat het eene kind eenige maanden vroeger volle melk verdragen kon dan het andere, een bewijs hoe groote verschillen zelfs bij kinderen van dezelfde ouders kunnen voorkomen.
Dat ook bij de tegennatuurlijke voeding, onder bijzondere nauwlettendheid, aan het kind de regeling kan worden overgelaten, moge blijken uit nevenstaande kromme van tweelingen, welke aldus werden groot gebracht. Op de titelplaat ziet men de tweelingen in het bedje en daarvoor, op den grond zittende, een zusje, dat dezelfde vrijheid aan de borst genoten had; op de plaat tegenover bl. 176 de tweelingen, acht maanden oud. Bij geen van drieën werd eenige stoornis waargenomen. Foto’s [8] en kromme (curve) werden mij, met toestemming der moeder, welwillend verstrekt door de verpleegster, die moeder en kinderen, mij overigens geheel onbekend, verpleegde.
Het is niet zonder aarzeling, dat ik deze mijne opvatting over de tegennatuurlijke voeding neerschrijf, omdat, zooals reeds gezegd, aan de tegennatuurlijke voeding meer gevaren verbonden zijn dan aan de borstvoeding, en mijne opvatting, voorloopig althans, geheel afwijkt van hetgeen tegenwoordig geleerd wordt. Ik beveel haar dan ook niet onvoorwaardelijk aan, doch geef den raad, om in ieder bijzonder geval de hulp van den geneesheer over de wijze van voeding in te roepen, terwijl moeders, die in afgezonderd gelegen streken, zooals in onze koloniën nog al eens voorkomt, wonen, waar slechts met groote moeite en kosten het oordeel van een geneesheer kan worden ingewonnen, verstandig doen door zich zooveel mogelijk te houden aan het beginsel, neergelegd in het bovenvermelde omtrent samenstelling en hoeveelheid van het voedsel en omtrent het aantal der maaltijden. Waar men zoo gelukkig is den geneesheer steeds te kunnen raadplegen is mijn papieren geneesheer overbodig.
Ondervoeding behoeft men bij de fleschvoeding niet zoozeer te duchten, omdat daarin betrekkelijk minder gevaar schuilt voor den zuigeling dan in overvoeding. Die overvoeding is dan meestal te wijten aan de omstandigheid, dat de moeder te veel en te vaak voedsel geeft, telkens als het kind huilt of onrustig is en de hand in den mond stopt na het drinken. Gewoonlijk bespeurt men dit het eerst aan de luiers, waarin eene dunne groene en slijmerige of dunne gele, witte stukjes bevattende, ontlasting voorkomt, welke vijf- tot zesmaal per dag geloosd wordt. Het kind spuwt, geeft „boertjes” op, loost winden, slaapt minder, de buik is opgezet; het wordt mager, gaat er slechter uitzien, bleek met ingevallen oogen, welke toestand toenemend erger wordt. Somtijds treden deze verschijnselen plotseling op. Het beste is om, totdat de geneesheer verschijnt, dadelijk een streng dieet toe te passen, b.v. het kind slechts gekookt water of zeer slappe thee te drinken te geven. Bij het toedienen van thee wordt de ontlasting donkerder van kleur.
Minder moeilijk is het, als de zuigeling te eeniger tijd te weinig voedsel uit de borst krijgt en het noodig blijkt het tekort op andere wijze aan te vullen. Dat zal dan geschieden door de zoogenoemde gemengde voeding. De meening dat het geven van tweeërlei voedsel niet goed zou zijn, is volkomen onjuist. Wat de zuigeling nog van de moedermelk krijgen kan, al is het nog zoo weinig, komt hem ten goede en het zal betrekkelijk slechts zelden voorkomen, dat de overgang van natuurlijke tot tegennatuurlijke voeding plotseling noodig blijkt.
Een geleidelijke overgang is van te meer belang, naarmate het kind jonger is. Van den leeftijd zal ook afhangen, wat men als bijvoeding geven zal. Ook hierbij staat het toedienen van koemelk, in verdunningen welke samengaan met den leeftijd van het kind, bovenaan en zal het noodig zijn steeds tastenderwijze te werk te gaan, alles in verband met den toestand van het kind.
In plaats van verdunde koemelk wordt bij ondervoeding aan de borst, dus bij te weinig zogafscheiding, vaak uit karnemelk, met meel en suiker, bereid voedsel, als bijvoeding gegeven, om na eenigen tijd over te gaan tot de voeding met koemelk. (Bereiding zie aanhangsel).
In verband met de cijfers, vroeger genoemd omtrent hoeveelheid voedsel en samenstelling, wijs ik er hier nog eens op, dat de hoeveelheden, waarbij kinderen goed gedijen, zeer verschillend zijn en dat, wat de samenstelling betreft, geen regel te geven is, welke zonder uitzondering als de eenig juiste is aan te merken. Zoo is het ook te verklaren dat er, ondanks eene vrijwel algemeen aangenomen wijze van voedselbereiding en toediening, nog velerlei verschillende opvattingen bij geneesheeren zijn op te merken, welke mijns inziens voor een deel daaraan zijn toe te schrijven, dat zij allen weten, dat ondanks alle regels het gestel der kinderen ten slotte den doorslag geeft, zoodat in ieder geval weder moet geïndividualiseerd, d.w.z. geprobeerd, worden. Dit maakt het dan ook zoo moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk, om aan te geven hoe „het kind” moet gevoed worden. Van daar ook dat er zoovele fabriekmatig bereide voedingsmiddelen voor zuigelingen, de een met meer de ander met minder ophef, in den handel worden aangeprezen en aangewend, waaruit wel het duidelijkst blijkt, dat eene „kunstmatige moedermelk” tot nog toe niet gevonden is. Bij het eene kind gelukt de voeding met dit, bij de andere met dat voedsel, vaak eerst nadat verschillend lang geprobeerd is. Zij kunnen in den regel ontbeerd worden, indien de moeder zich houdt aan het voorschrift, dat zij in de allereerste plaats haar kind moet leeren kennen, in alle opzichten eene strenge reinheid heeft te betrachten en zich heeft te onthouden van het overnemen van voedingsmiddelen of voedingswijzen, waarbij kinderen van vriendinnen of kennissen, dus andere kinderen, al of niet schijnbaar, beter heeten te groeien dan het hare. In dit opzicht hebben plaatsen, waar vele moeders verkeeren om hare kinderen van de buitenlucht te doen genieten, zooals parken, vaak een ongunstigen invloed, omdat daar gemakkelijk kennis wordt gemaakt en het uitzicht der kinderen aanleiding geeft tot gesprekken omtrent de wijze van voeding, welke vooral jonge moeders wel eens aanleiding geven om de tot nu toe bij haar kind gevolgde wijze te veranderen. Iedere moeder doet verstandig zich te houden aan den raad, welken zij van den geneesheer, dien zij eenmaal haar vertrouwen schonk, ontving en al of niet vermeende afwijkingen met hem te bespreken, omdat alleen de huisarts de verantwoording dragen kan van zijne eigene opvattingen, welke hij door eigene ervaring als de juiste meent te moeten doen gelden. Ik meen dan ook te kunnen volstaan, met hetgeen ik hier in vage trekken heb trachten aan te geven en mij eveneens te moeten onthouden van beschouwingen, omtrent voeding en opvoeding, voor lateren dan den zuigelingenleeftijd.
Slechts heel in ’t kort wijs ik er nog op, dat, afgezien van individueele verhoudingen, zoowel bij moeder als kind, langzamerhand de zuigeling, op dikwerf ver uit elkander liggende tijdstippen, bij tegennatuurlijke voeding tot het gebruik van onverdunde koemelk gekomen is en dan ook weder geleidelijk ander voedsel zal dienen te ontvangen. Dit laatste begint van nature recht te verkrijgen, als de tanden te voorschijn komen, want dan begint het kind van zelf neiging te vertoonen daarvan gebruik te maken. Tegelijkertijd neemt de afscheiding van speeksel belangrijk toe, waardoor het kind in staat wordt gesteld voedsel van vasteren aard te verwerken.
Het is dan ook omstreeks dien tijd, dat de natuur aangeeft dat tot spenen kan worden overgegaan, welke overgang, zooals reeds vroeger werd aangegeven, slechts geleidelijk mag plaats vinden. Gewoonlijk zal dit omstreeks de zevende of achtste maand het geval zijn, somtijds vroeger. Men begint dan met een maaltijd aan de borst te vervangen door ander voedsel, vervolgens twee, drie maaltijden, in langer of korter tijdsverloop, dus steeds geleidelijk, om zoonoodig, b.v. bij het optreden van ernstige stoornissen, tot het geven van de borst te kunnen terugkeeren. Dan geve men verdunde melk, waarvan de samenstelling weder verband heeft te houden met den leeftijd van het kind. Behalve met water, kan men de melk ook verdunnen met slappe bouillon en langzamerhand overgaan tot andere spijs, als pap of brij, met melk als hoofdbestanddeel, al of niet met bouillon bereid, uit griesmeel, havermeel, een of ander kindermeel, sago, tapioca, brood of beschuit en daarna tot vaster kost. De duur van het spenen kan zeer verschillend uitvallen, van 2 tot 3 tot 4 weken en langer. Ook hiervoor is geen algemeene regel te geven.
ALLERLEI OPMERKINGEN MET BETREKKING TOT HET KIND.
Onder dezen titel zullen wij, in alphabetische volgorde, nog enkele zaken bespreken, welke ouders moeten kennen, al zal hier en daar wel iets genoemd worden, wat elders reeds werd aangestipt.
Vooraf gaan echter eenige algemeene opmerkingen.
De moeder moet leeren haar kind waar te nemen. Het spreekt van zelf, dat iedere moeder op haar kind let, maar het is voor haar niet gemakkelijk, om zich omtrent de beteekenis van allerlei verschijnselen een oordeel te vormen. Daarom kan de kennisneming van hetgeen hier volgt haar allicht van eenig nut zijn.
Algemeene gezondheidsmaatregelen zijn van groot gewicht met betrekking tot den toestand van en in de woningen, vochtigheid, onvoldoende verlichting, te weinig of te veel warmte, onreinheid op woning, kleeding, lichaam, voedselbereiding, zuivere lucht enz.
De verpleging van het kind is eveneens van belang. Bij den zuigeling dient de huid niet alleen om het binnendringen van vreemde stoffen in het organisme te beletten, maar zij regelt ook de warmte van het lichaam. De groote oppervlakte van het lichaam van den zuigeling, in verhouding grooter dan bij den volwassene, maakt dat afkoeling of verhitting van de omgevende lucht sneller verlaging of verhooging van zijne lichaamswarmte ten gevolge heeft, terwijl aan den anderen kant de lichaamswarmte bij koortsende ziekten bijzonder snel en tot belangrijke hoogte toeneemt.
Behalve goede huidverpleging heeft dus ook de kleeding hare beteekenis. Ik kan niet nalaten erop te wijzen, hoe reeds de voeten onzer kleintjes van den beginne af misvormd worden door ze sokjes aan te trekken, die, omdat zij zakvormig in een punt uitloopen, reeds dadelijk de teentjes tot elkander brengen, wat nog toeneemt als later de schoentjes, vooral als die keurig spits zijn, worden gedragen. Het ware nog niet zoo dwaas om het voorbeeld der Japanneezen te volgen, die voor den grooten teen eene afzonderlijke ruimte laten, zooals dat voor den duim in de wanten gebeurt. Ook het vasthouden van de sokjes met een kouseband onder de knie is verkeerd.
Het kind kan men het best waarnemen als het ontkleed is. Dan kan men allereerst den toestand, waarin de huid zich bevindt, beoordeelen. In den beginne zijn alle zuigelingen min of meer rood van kleur, met in de meeste gevallen eenige vlekkige roodheid boven den neuswortel en op de bovenste oogleden, en blauwachtig roode tint van boven- en onderlip en kin. Allengs wordt de huid wat bleeker van tint, doch blijft mooi en frisch; de zooeven genoemde vlekjes verdwijnen later.
Bij het zieke kind, of bij een kind dat ziek wordt, valt het al spoedig op, dat de huid bleeker wordt of zelfs een vaalgrijze tint aanneemt, welke bij erger worden van de ziekte overgaat in eene blauwachtige tint in het gelaat, met name aan het voorhoofd en de slapen, en bij plotseling optredende aandoeningen ook om de lippen en den neus.
De slijmvliezen blijven ook in ziekte gewoonlijk nog lang rood gekleurd; alleen de tong wordt sterker rood, vooral aan de punt, en bij toenemen van het ziekte-proces droog, vooral bij koorts, en beslagen. Ook de lippen worden dan droog en krijgen kloven. In den mond lette men op spruw.
Bij vermagering, welke het eerst valt waar te nemen aan de binnenvlakte van de dijen, daarna aan beenen en armen, wordt de hals dun, de kin spits, gaat de spanning van de huid verloren, wordt het gezichtje kleiner.
Verder zijn op de huid huiduitslagen te zien, welke niet altijd aan slechte verzorging te wijten zijn; ook abnormale bleekheid b.v. bij bloedarmoede, overmatige dikte met slapte en witheid, zooals bij kinderen, die te lang aan de borst gevoed worden.
De oogen, oorspronkelijk helder en glanzend, worden dof, het wit der oogen vaak roodachtig met kleine adertjes doorloopen. Bij ontsteking van het bindvlies der oogleden vindt men afscheiding van eene dunne gele of dikkere etterige vloeistof, welke de oogleden doet aaneenkleven en in de ooghaartjes, als moeilijk te verwijderen stukjes, blijft vast zitten. Vroeger wees ik reeds op de acute ontsteking bij pasgeborenen, met het daaraan verbonden gevaar van blindworden bij niet tijdig toegepaste behandeling. Ik heb ontsteking van het bindvlies der oogleden zien optreden door het staren van den zuigeling in de vlam van een gasgloeilicht, waaronder de tafel stond waarop de zuigeling werd verkleed.
De groote fontanel kan ook den weg wijzen bij het beoordeelen van zieken. Bij kinderen die aan diarrhee lijden en dus veel vocht verliezen zinkt de fontanel in, terwijl zij bij vochtophooping in den schedel, zooals bij ontwikkeling van waterhoofd en bij ontsteking van het hersenvlies wordt aangegeven, gewelfd wordt. Men houde, waar ik hier over waterhoofd spreek, in het oog, dat het hoofd van den zuigeling opvallend groot is in verhouding tot de lengte van het lichaam, en het gelaat opvallend klein in verhouding tot den schedel, door de geringe ontwikkeling der kaken.
Aan de ooren valt bij ziekte, behalve dat zij opvallend wit worden, gewoonlijk niets bijzonders op te merken. Wel is het nuttig te weten, dat indien het kind bij het wasschen van het hoofdje teeken van pijn geeft, men aan de mogelijkheid van beginnende ontsteking van het hersenvlies of van het middenoor moet denken.
Bemoeilijkte ademhaling, met open mond, snurken, snuffen door den neus, kan wijzen op eene aangeboren ziekte, op vergroote amandelen, ontsteking van luchtpijpstakken of longen, kramp van de stemspleet. Zuigelingen zijn zeer vatbaar voor ontsteking der ademhalingswerktuigen, vooral ook bij influenza, zoodat volwassen personen, die verkouden zijn, moeten oppassen dat zij hunne aandoening niet op het jonge kind overbrengen, daar het van hun „verkoudheid” eene longontsteking kan krijgen. Daarom handelt eene moeder, die verkouden is, verstandig door, als zij een kind aan de borst voedt, vooral gedurende het zoogen, een doek voor mond en neus te houden en het kind niet te kussen.
De buik kan opgezet of ingetrokken zijn. Bij opgezetten buik lette men op al of niet duidelijk waar te nemen bloedvaten, of op darmbewegingen, welke door den buikwand te zien zijn. Verder lette men op breuken, niet alleen van den navel, maar ook in de liesplooien (darmbreuk) en bij jongens in den balzak (darmbreuk, waterbreuk), op bloeding of ettering uit den navel.
Aan beenen en armen, namelijk aan de polsen en enkels, kunnen verdikkingen ontstaan, vaste zwellingen bij Engelsche ziekte, indrukbare, waar gedurende eenigen tijd de indruk der vingers blijft bestaan, bij andere ziekten.
Ook lette men op verstopping en diarrhee, op de geur der ontlasting, op pijn bij het urineeren, op uitzakking van den endeldarm.
De lichaamswarmte (temperatuur) stijgt of daalt, waarop reeds boven gewezen werd, gemakkelijk en spoedig boven of beneden het normale. De temperatuur wordt gemeten met een thermometer, het liefst een zoogenaamden maximaal-thermometer, welke, met vaseline of olie ingevet, bij het op de zijde liggende kind voorzichtig in den endeldarm wordt gestoken en daar 5 minuten (den thermometer vasthouden) blijft liggen. De pols is gewoonlijk moeilijk te voelen, zoodat men dit kan nalaten.
Zweeten doet een gezond kind, tenzij het te warm ligt, niet; sterk zweeten vooral moet doen denken aan ziekte.
Indien een kind niet volmaakt gezond is, wordt het knorrig, verdrietig en onrustig, of gelijkmoedig, opvallend rustig en ernstig; beweegt zich, als het uitgekleed is, niet spartelend, doch blijft stil liggen, met slappe ledematen en dus niet in de vroeger beschreven houding met opgetrokken armen en beenen, of ook ligt het juist niet stil, doch maakt, ook in zijn bedje, heftige, schokkende, stootende, bewegingen met armen en beenen en met het hoofd. De spieren (het vleesch) zijn niet zoo gespannen, of juist hard en te sterk gespannen.
De slaap is meestal niet diep, de kinderen zijn onrustig, worden telkens wakker; de eetlust vermindert.
Braken. Indien het, kort na den maaltijd, teruggeven van eene geringe hoeveelheid genoten melk verandert in braken van vocht, met slijm en stukjes, na langer tijdsverloop, waarbij dan, als uiting van gestoorde spijsvertering, nog komen veranderde ontlasting, vooral diarrhee, winden, buikpijn enz., zal men den geneesheer moeten raadplegen. De oorzaak kan gelegen zijn in ziekte van het kind, in onverstandige wijze van voeden, in onreinheid bij het bereiden van voedsel, in onreinheid van flesschen en spenen, in bedorven voedsel. Daarbij zijn de kinderen onrustig en huilen of schreeuwen. Om alvast iets te doen, in afwachting van de komst van den geneesheer, geve men slechts gekookt water of zeer slappe thee te drinken.
Een hoogst enkele keer komt het voor, dat een zuigeling bloed braakt, al of niet gepaard met afgang van bloed uit den darm. De oorzaak daarvan ligt nog gedeeltelijk in het duister. Men moet zich dan in de allereerste plaats ervan trachten te vergewissen, of dat bloed, vooral indien alleen bloed gebraakt wordt, misschien te voorschijn komt na eene bloeding uit den neus, uit het slijmvlies van den mond, of na inslikken van bloed uit scheuren van den tepel. In deze gevallen is de hoeveelheid gewoonlijk gering. In het hier bedoelde, zeer zelden voorkomende, geval komt het bloed gewoonlijk zonder voorafgaande verschijnselen, somtijds na eenigen tijd van onrust gepaard met braken van genoten melk en met vloeibare ontlasting, veelal in de vier eerste dagen na de geboorte, zelden later. Meestal komt het bloed het eerst of alleen uit den darm, al of niet met ontlasting, in den aanvang in kleine hoeveelheid, vloeibaar of met bloedstolsels, lichtrood, donkerrood tot zwartachtig gekleurd. In een deel der gevallen gaat dit samen met braken van bloed. Zeldzamer wordt alleen eene roode of bruinachtige vloeistof, soms met stolseltjes, gebraakt, of ziet men kleine streepjes bloed in het uitgeworpen voedsel. Het kan bij één keer blijven, enkele uren, doch ook eenige dagen aanhouden. Indien het zich herhaalt, treden verschijnselen van sterk bloedverlies op; de temperatuur van het lichaam daalt, de ledematen, te beginnen met handen en voeten, en de neus worden koud, het gelaat krijgt een wasbleeke kleur, de ademhaling wordt oppervlakkig, de pols is nauwelijks te voelen. Men moet onverwijld de hulp van den geneesheer inroepen, daar de toestand voor den zuigeling zeer bedenkelijk worden kan.
Dit braken is niet te verwarren met het spuwen van ingeslikt vruchtwater, dat, vaak vermengd met de ontlasting zooals die door alle zuigelingen in de eerste dagen geloosd wordt en den naam van kindspek draagt, kort na de geboorte wordt uitgeworpen.
Breuken. Behalve de vroeger genoemde breuken komt bij jongens somtijds een waterbreuk voor, dat is eene ophooping van vocht in een bepaald gedeelte van den balzak, waardoor deze min of meer vergroot is. In de meeste gevallen verdwijnt dit vocht van zelf, zoodat eene behandeling onnoodig is.
Engelsche ziekte (Rachitis) is een ziekte, welke gewoonlijk nog in het eerste levensjaar en dan meestal eerst na de derde maand, bij vele kinderen eerst in het tweede halfjaar, begint, in den regel met algemeene verschijnselen, welke wijzen op stoornis in de voeding en op algemeene zwakte. De kinderen worden onrustig, verdrietig, slecht geluimd, schreien veel en slapen niet meer zoo goed als te voren; zij worden bleeker en slapper, lijden aan verstopping, later aan diarrhee; de urine heeft vaak eene doordringend scherpe reuk. Nadat deze algemeene verschijnselen twee of drie weken geduurd hebben, treden andere op. Een van de eerste is sterk zweeten, vooral aan het hoofd, zoodat ’s morgens vaak het hoofdkussen doornat is. De kinderen hebben pijn in de ledematen, voornamelijk bij aanraking, dus als zij worden opgenomen of aangevat, en bewegen armen en beenen liever niet. Terwijl zij op den rug liggen, bewegen zij het hoofd, ook in den slaap, heen en weder, wrijven met het achterhoofd op het kussen, waardoor daar ter plaatse het haar verdwijnt, doch worden rustig als men hen voorzichtig op zijde legt. Zijn zij ouder dan een half jaar, dan zoeken zij van zelf die ligging op de zijde. Als zij gedragen worden, wordt het hoofd hun al gauw te zwaar en leggen zij zich met wang en voorhoofd tegen het gezicht of den schouder van hen die ze dragen. Op de plaatsen waar men ze aanpakt komen spoedig roode vlekken te voorschijn.
Somtijds breekt de ziekte onverwacht uit, met plotseling optreden van diarrhee, verhooging van de lichaams-temperatuur, snelle pols, pijnen in de gewrichten en aanvallen van krampen.
Daarna vertoonen zich veranderingen in de beenderen, welke vooral zijn waar te nemen aan de uiteinden van de zoogenaamde lange beenderen, dat zijn die van armen en beenen, en aan de ribben. De polsen en enkels worden dik, de huid maakt daar diepe plooien; aan de voorzijde van de borstkas ontstaan plaatselijke verdikkingen van de ribben, ter weerszijden van het borstbeen, in overlangs loopende rijen, als de zoogenaamde rachitische rozenkrans. Het hoofd wordt groot en verkrijgt, door afplatting van den achterhoofdschedel, breed en hoog en in het midden vlak worden van het voorhoofd, een vierkanten vorm, waartegen de kleinheid van het gezicht, doordien de beenderen van het gelaat in groei ten achterblijven bij die van den schedel, opvallend afsteekt. De fontanellen blijven langen tijd open; de groote fontanel sluit zich eerst aan het einde van het tweede levensjaar of nog later. De kinderen leeren laat loopen, terwijl zij die reeds loopen konden, dikwijls als een van de vroeg voorkomende verschijnselen, den lust daartoe verliezen. Het krom worden van de beenen is algemeen bekend.
De tanden breken later door, in onregelmatige volgorde en met lange tusschenpoozen. De snijtanden blijven klein, met hoekige kauwvlakten en vertoonen soms halvemaanvormige bochten; de tanden zijn week en broos en kunnen tot den kaakrand afbrokkelen, zij worden wankleurig, het email vertoont overlangs en dwars loopende spleten en ronde deukjes. De willekeurige spieren zijn slap.
Kinderen met rachitis lijden vaak aan stuipen.