Chapter 17 of 22 · 3997 words · ~20 min read

Part 17

„Wanneer de vrouwe draeght soo dient de man te letten, Dat niemant door het huys misschien en kome setten Yet dat wan-schapen is, een wreet of seltsaem beelt Dat ons het ooge terght, en soo de sinnen steelt. Al wat oubolligh staet, of vreese kan verwecken, Of met een snellen schrick ons in de leden trecken, En dient een jonge vrou vooral niet daer se slaept, En van de reyne trou de soete vruchten raept. Wilt oock om dese tijt u niet te seer vergapen Aen eenigh selsaem dier, als simmen, katten, apen: En draeght niet in den arm, en leght niet aen den mont Een vreemde baviaen, of plat-geneusden hont. ’T is bij de vrouwen selfs in geenen deel te mercken, Hoe dat een vremt geval kan op de vrouwen wercken: Hoe onverwachte schrick tot aen de vrucht belent, En hoe een selsaem spoock sigh in de moeder prent. Wanneer een vrouwe draeght, het schijnt dat alle krachten Zijn besigh aen de vrucht, en op de moeder wachten; Dies waerder eenigh ding sigh in de sinnen vest, Dat sackt van stonden aen, en druckt in dat gewest. De Schrift getuyght het selfs, dat Jacob voor de dieren Van Laban heeft gelegt gestreepte populieren, Om even als het schaep zou paren metten ram, De plecken van het hout te drucken in het lam. Ghy die genegen zijt om zaet te mogen winnen, Hebt geen wan-schapen dier, geen monster in de zinnen: Stelt liever voor het oogh, wanneer ghij vruchten teelt, Een schoon een geestigh kint, een aerdigh menschenbeelt. Hier door ist wel gebeurt dat yemand van de Moren Vont in voor-leden tijt een witte vrucht geboren; Hierdoor ist wel gebeurt dat van een leelick paer Men wert, oock tegen hoop, een aerdigh kind gewaer. Een wijf bij al het volck vermaert in leelickheden, Wiens man haer niet en weeck in onbeschofte leden, Kreegh even-wel een kint het schoonste dat men vant, Een peerel van de stad, en wonder in het lant. Een kint gelijck een beelt, dat alle menschen presen, En namen in den arm, of met den vinger wezen, Een kint na vollen wensch, een gaeu en aerdigh fret, En niet te bijster schrael, en niet te lijdigh vet: Een yder stond verbaest, en sagh de frissche leden, En sagh de schoone verw, onseker van de reden; Dies gincker over-al een spreucke door de stadt, Alsof hier in de vrouw haer eer vergeten hadt. Een man die vorder sagh gingh al het huis beschouwen Gingh letten op het stuck, ter eeren van de vrouwen. Hij vint een schoon vertreck, daer op een schoon buffet Een aerdig kinder-beelt stont geestigh af-geset. Hij vont een ledekant behangen met gordijnen, Een leger voor den weert, gelijck het mochte schijnen: Hij vraeght wie datter slaept? hem wordt bescheyt gedaan, En stracx zoo gist de man hoe dat de saken staen. Hij spreeckt tot al het volck. Ick zal het oordeel vellen, Laet maer het jonghste kint hier in de kamer stellen. De meyt die loopter om soo veerdigh als se kan, En brenghtet in de sael, en geeftet aen den man. Die gaettet metter daet omtrent de beelden setten, Die maent een ieder aen hier op te willen letten: En siet, die nu het beelt en dan het kint bekeeck, En vont noyt eenigh ey dat zoo een ey geleeck. Daer gaet de kloeckste geest met vaste reden wijsen, Wat datter uyt het oog kan in de sinnen rijsen: En hoe een diep gepeys, door onbekende macht, Het ingenomen beelt kan prenten in de dracht. Stracx reser groote vreught, de bose tongen swegen, De vrou heeft metter daet haer eere we’er gekregen: En waer doen eenigh paer te samen wert geset, Daer was een schoon gesight omtrent het echte bedt.”

Immers tegenwoordig wordt ons nog menige mededeeling gedaan omtrent het verzien van zwangere vrouwen. Ik zag eens eene fotografie van een jongen, die over het geheele lichaam behaard was, welke buitengewone haarontwikkeling werd toegeschreven aan een sterk op de moeder inwerkenden prikkel gedurende hare zwangerschap. De moeder van dezen knaap werd op zekeren avond door haren man, die in opgewonden toestand tehuis kwam, zoo grof bejegend, dat zij in de bedstede de vlucht nam. ’s Mans woede wilde zich toen op een, in het vertrek aanwezigen, poedel koelen, doch het dier, al even weinig op een dracht slagen belust als de vrouw, zocht bij haar bescherming. Daar werd het dier door den man duchtig toegetakeld, en de verschrikte vrouw beviel na eenigen tijd van een kind, begroeid met lange haren, zooals de poedel die had.

Ook deze opvattingen, en hetzelfde geldt voor wat ik nog zal mededeelen, hebben haren oorsprong in overoude tijden, niet zoozeer in de beschouwingen van het volk, als in die der geneesheeren. Die beschouwingen, en voorschriften aan de hand daarvan gegeven, zijn langzamerhand als gemeen goed overgegaan in het denken der volken, en waar zij bij de geneesheeren, aan de hand van de zich ontwikkelende wetenschap, veranderingen en verbeteringen ondergingen of geheel verdwenen, bleven zij onder het overige menschdom bestaan en duiken telkens weder op. De oorsprong is vergeten, de beschouwing evenwel gebleven.

Wij moeten niet alleen in de Hippocratische boeken, maar ook in de overleveringen der oude Indiërs, oude Hebreeërs en oude Egyptenaren zoeken, om den oorsprong te vinden. Dan zien wij, hoe opvattingen uit oude tijden invloed uitoefenden op nieuwere. Zoo vindt men b.v. in de Hippocratische boeken veel terug, wat reeds in de Rig-Veda (± 1500 jaren voor Chr.) en vooral in de Yajur-Veda, welke van lateren datum is, beschreven staat, hetgeen erop wijst, dat ook de leer van de school van Hippocrates voor een deel is voortgekomen uit nog oudere geneeskunde.

Zeer zorgvuldig zijn b.v. in de Yajur-Veda de voorschriften over de gezondheidsregelen gedurende de zwangerschap, welke, volgens bevoegde beoordeelaars, uitmunten boven die van de Hippocratische school. Niet alleen wordt daarin zeer zorgvuldig alles opgegeven met betrekking tot het gebruik van spijs en drank, b.v. dat de (daar opgenoemde) vleeschsoorten invloed uitoefenen op de lichamelijke en geestelijke eigenschappen van het kind, maar ook gewaarschuwd tegen opwinding, overmatige inspanningen en schuddingen van het lichaam. Tevens wordt daarin gewezen op den invloed door indrukken van het gemoed en der zintuigen op de zwangere vrouw uitgeoefend, hetgeen bij Grieken en Romeinen in praktijk gebracht werd, zooals wij dit ook door vader Cats in dichtvorm neergeschreven zagen.

Wel is waar wordt in de Yajur-Veda niet gesproken over het verzien der zwangeren, maar iets in dien geest ligt toch opgesloten in de waarschuwing, dat de zwangere vrouw alles vermijden moet, wat onaangenaam is om te zien, en in het voorschrift, geen leelijke, wanstaltige voorwerpen aan te raken. Volgens Fassbender wordt hierover door de Hippocratische geneesheeren niet gesproken.

Wij zullen niet nagaan of, en in hoeverre, er in verhalen als van den behaarden knaap, en dergelijke, een zweem van waarheid in eene groote hoeveelheid verdichtsel kan verborgen zijn, doch onze beschouwingen voortzetten.

Waar geloof en bijgeloof hand in hand gaan, is het geen wonder, dat ook met betrekking tot de geneeskunde voornamelijk bij leeken begrippen bestaan, welke voor den wetenschappelijk ontwikkelde aan geloof en bijgeloof grenzen of daarmede samenhangen. Niet altijd is het geloof als bron van eigenaardige denkwijzen nog te herkennen, maar menigmaal schijnt het vreemde meer eene meening, eenmaal uit ervaring opgedaan, bij onduidelijke waarneming onjuist opgevat, door geslachten voortgeplant, veranderd, maar daarom nog niet verbeterd. Zeker is het, dat meeningen, als hier bedoeld, vooral bestaan op het gebied, dat samenhangt met ’s menschen intrede in de wereld; meeningen, welke moeten dienen om het geheimzinnige en onbekende te verklaren, terwijl het telkens blijken kan, dat de zoogenaamde verklaringen het geheel, als ’t kan, nog geheimzinniger maken.

Vooral de baring, en het meest indien daarbij stoornissen optreden, is iets zoo geheimzinnigs voor geest en gevoel, dat niet alleen de natuurvolken, maar ook de beschaafde volken zich niet aan den invloed, welke de gebeurtenissen op hen uitoefenen, onttrekken kunnen. Het is dan ook mogelijk bij allen sporen te vinden van de voorstelling, dat bij de geboorte bovennatuurlijke machten werken. Die machten worden veelal met persoonlijke eigenschappen bedacht en verschijnen eensdeels als booze geesten, als demonen, die de in barensnood verkeerende vrouwen met gevaren omgeven en haar ziek maken, anderdeels als goede geesten, die zich het lot dier bedreigde vrouwen aantrekken.

Zoo ontstond geleidelijk de gedachte aan strijd tusschen booze en goede geesten. Het ligt voor de hand dat de mensch, beangst door zijn onmacht, op die geesten invloed trachtte te verkrijgen, en zich daarbij medewerking van bovennatuurlijke machten trachtte te verzekeren. Daartoe werden en worden gebeden en bezweringen aangewend, wezens in dienst gesteld, met wier hulp zou verkregen worden, wat men wenscht. Zoo ontstonden de offeranden aan goden en godinnen, om die aan te zoeken hunne hulp te verleenen. Dat bestaat nog.

Het monotheisme leidde er toe één God als hulp in den nood aan te roepen, hem te bidden gunstigen invloed uit te oefenen, hetzij alleen of met medewerking van heiligen.

De toevlucht tot die hoogere machten begint reeds met de zwangerschap en heeft eene eerste uiting in het danken voor het intreden der zwangerschap en het aanbevelen van de jonge vrucht in de beschutting der godheid.

Van godsdienstigen aard is de aanbidding der godinnen, zooals die b.v. bij de Grieken en Romeinen bestond. Wij vinden gewag gemaakt van Ilithyia of Eileithyia, de godin der geboorte, welke nu eens als zelfstandige godin optreedt, dan weder vereenzelvigd met Here (Juno) en Artemis (Diana). De echt latijnsche Ilithyia, de Juno der baring, is Lucina de licht- en vooral levenbrengende godin der Romeinen. Haar ter eere werd op den 1sten Maart feest gevierd, op welken dag de moeders zich naar den tempel begaven, dezen met bloemen versierden en tevens om een talrijk kroost smeekten. Van Lucina bestaan talrijke afbeeldingen. In de linkerhand draagt zij een fakkel, in de rechter een offerschaal, waarin een kind ligt; of wel zij houdt die hand uitgestrekt, als ’t ware om den jonggeborene te ontvangen. Zoo staat zij afgebeeld op eene schilderij van Rubens, de geboorte van Maria de Medicis voorstellende. Ook wordt zij afgebeeld met eene zweep in de eene en een scepter in de andere hand.

De zweep was het zinnebeeld van gemakkelijke bevalling. Dat herinnert ons aan de Lupercalia, dat zijn de feesten ter eere van Lupercus, den Romeinschen god Pan, die een heiligdom, lupercal genaamd, bij den Palatijnschen heuvel bezat. De priesters (luperci) liepen dan in woesten optocht half naakt door de stad. Zij hadden slechts een gordel van geitenvel om de lenden en riemen van geitenleer in de handen, waarmede zij allen geeselden, die zij ontmoetten. De vrouwen strekten bij het voorbijgaan der priesters de handen uit, ter geeseling, in het geloof dat daardoor zij, die onvruchtbaar waren, vruchtbaar werden en de anderen, dat zij eene gelukkige baring zouden doormaken.

In Jordan’s Edda komt een lied voor, Oddrun’s klacht (Oddrûnargrâtr) geheeten, waarin Borgny, in barensnood, Oddrun om hulpe bidt. Oddrun voldoet aan dat verzoek.

„Milden Gemüts vor des Mädchens Kniee Setzte sich Oddrun und sang nun Oddrun Wirksame Weisen, gewaltige Weisen Der gebärenden Borgny zum Beistande zu.”

Borgny bedankt haar daarvoor. Oddrun antwoordt:

„Führwahr nicht die weil du dessen würdig Neigt’ ich mich nieder, aus Not dir zu helfen; Nur mein Gelübde hab’ ich geleistet, Das ich anderwärts aussprach; allerorten Beistand zu bieten (gebärenden Frauen), Als hier das Erbe die Edlinge teilten.”

Jordan meent, dat hier het overblijfsel van eene Noorsche Godensage aanwezig is, verwant en in het wezen der zaak gelijk aan de Grieksche sage van Leto en hare tweelingskinderen Appollo en Artemis. Ook Leto kon niet baren, voordat de hulp van Eileithyia is ingeroepen, evenals hier Borgny den bijstand van Oddrun noodig heeft. Oddrun zou dus voor de Noren (Germanen) geweest zijn wat Eileithyia bij de Grieken was, de Hera der geboorte (de Romeinsche Juno).

De Grieken offerden ook aan Genetyllis (Aphrodite) ter verkrijging eener goede bevalling, de Romeinsche vrouwen aan Postvera of Presa, om eene gunstige ligging van het kind te verkrijgen. Bij de Lacedemoniërs offerden de vrouwen haren gordel aan Artemis, alsook de eerste kleedingstukken harer kinderen.

Bij vele andere volken werden, en worden nog, feesten gevierd, waarbij gewoonlijk offers plaats hebben. Wáár het streng godsdienstige ophoudt en het bijgeloof begint, is dikwijls moeilijk uit te maken. De beoordeeling daarvan hangt samen met het standpunt dat de beoordeelaar op godsdienstig gebied inneemt, waardoor de grens, welke tusschen geloof en bijgeloof getrokken wordt, aanmerkelijk verschilt.

In elkander overgaande beschouw ik wat b.v. op Java, ten minste in enkele streken, geschiedt. Het volksgeloof zegt, dat eene vrouw, in de zevende maand harer dracht, onderhevig is aan kwellingen van booze geesten. Daarom wordt bij het intreden daarvan ’s nachts door oudere vrouwen bij haar gewaakt. Zij zelf moet trachten de behoefte aan slaap te onderdrukken, want de booze geesten durven wakende personen niet te naderen. Na dien doorwaakten nacht wordt zij ’s morgens in een daarvoor opgerichte tent gewasschen. In die tent staan aarden potten met water, bloemen en twee jonge, gele kokosnoten. Op een der kokosnoten heeft men het afbeeldsel van een man, op de andere dat eener vrouw gemaakt, de personen Pandjie en Tjondro-Kirono voorstellende. Pandjie was vorst van Djenggolo en Tjondro-Kirono, zijne vrouw, dochter van een vorst te Kedirie. Zij waren de schoonste menschen van hunnen tijd. Het afbeelden dezer personen beoogt hetzelfde, als wij reeds boven bespraken. Men verwacht van den aanblik daarvan de geboorte van een kind, even schoon als die twee menschen geweest zijn. Na het wasschen wordt de vrouw een smal, zonder naad geweven kleedje als buikband omgeslagen. Daarna wordt de man, als bruidegom gekleed, met een paar vrienden binnen gelaten. De buikband wordt losgemaakt, twee vrouwen houden dien aan weerskanten vast en de man snijdt met zijn kris den buikband geheel door, waarna hij, met zijne begeleiders, de tent verlaat en naar huis terugkeert. Dit lossnijden beteekent een weg voor het kind te banen. Vervolgens neemt men de twee jonge kokosnoten en laat die door het kleedje van de zwangere vrouw vallen. Dit beteekent eene gelukkige verlossing, even spoedig als het nedervallen der kokosnoten. Daarna wordt de vrouw naar huis gebracht en volgen feestelijkheden.

Dit gebeurt bij de eerste zwangerschap. In de volgende maanden worden dan nog elke maand offeranden gebracht, waarmede wordt voortgegaan, tot het kind ter wereld gekomen is.

Het geloof aan den invloed op zwangere vrouwen door de zintuigelijke waarneming, waaraan hier uiting gegeven wordt door de afbeelding op de kokosnoten, is dus overal te vinden. Daaraan hechtten ook de vrouwen in Lacedemonië. Zij hadden in hare slaapkamers de portretten hangen van door hunne schoonheid beroemde mannen, b.v. van Endymion, Narcissus, Adonis, uit den heldentijd en van schoone personen uit hun eigen tijd.

Baron Larrey zegt, dat Napoleon voorbeschikt was tot zijn grooten levensloop, van de schoot zijner moeder af, die hem gedurende de revolutionnaire crisis in Corsica en gedurende den vrijheidsoorlog droeg. Zulk een invloed, zegt hij, moest wel zijn stempel drukken op het karakter en de voorbeschikking van den man, die geroepen was om eene wereldomwenteling te maken.

Maar genoeg hiervan.

Als bij de Alfoeren op Celebes door den priester een kip geslacht wordt, terwijl hij den goden bidt den wensch der aanstaande jonge moeder naar een zoon of dochter te vervullen, kan men slechts aan eene godsdienstige handeling denken. Voelt eene vrouw op de Seranglao- en Gorang-eilanden zich zwanger, dan moet zij een stuk gember naar den priester brengen, dat door hem gewijd en voortdurend door haar gedragen wordt, om booze invloeden af te weren. De wijding geschiedt door er driemaal op te blazen en de 112e Sure van den Koran te bidden, welke luidt: „In naam van den albarmhartigen God! God is de eenige en eeuwige God. Hij teelt niet en is niet geteeld, en geen wezen is aan Hem gelijk.”

Godsdienstige opvatting vinden wij ook in het gebruik van wijwater en het branden van gewijde kaarsen bij de baring hier te lande. Hetzelfde moet men aannemen, als wij lezen dat in Oostenrijk, in eene kapel aan den Falkenstein, waar men zegt dat de heilige Wolfgang zich verborgen hield, de zwangere vrouwen door een daar aanwezigen steen kruipen, om zich eene gelukkige bevalling te verzekeren. Eveneens bij het vernemen dat zij in Zwaben bedevaarten doen naar de heilige Margaretha met den draak (b.v. naar Maria Schrei bij Pfullendorf) of naar den heiligen Christophorus (b.v. naar Laiz bij Sigmaringen) of naar St. Rochus, in wiens kapellen gewijde ijzeren schildpadden, als symbool der baarmoeder, hangen.

Maar diezelfde godsdienstige drang beweegt de Japansche vrouwen om, kort voor de baring, een stukje papier in te slikken, waarop de schutspatroon der barende is afgebeeld, in de hoop daardoor eene gemakkelijke bevalling te verkrijgen.

Dwaas komt het ons voor, dat in Griekenland, in de buurt van Athene, de zwangere vrouwen aan de noordzijde van den z.g.n. nymphen-heuvel afglijden, eveneens met de bedoeling eene gelukkige baring door te maken; dat in Ierland en Scandinavië, tot voor korten tijd, zwangere vrouwen in den Johannisnacht, bij het Baalsfeest of het Balderfeest, met hetzelfde doel door een vuur liepen.

Bij de Heidensche Magyaren was Nagyboldogasszony de schutsgodin der teeling en baring. Na de invoering van het Christendom kwam daarvoor in de plaats de heilige Anna, de moeder der heilige Marie (de schutsgodin van het kraambed). Te harer eere vasten nu nog de zwangere vrouwen in den omtrek van Szeged, b.v. in Szőregh, gedurende zeven dagen.

De Széklerin gaat bij volle maan naar buiten, spuwt driemaal in de richting van de maan, en zegt:

„Heilige moeder Gods, Sta mij bij in den nood; Bescherm de vrucht mijns lichaams, Opdat zij groeie als de maan.”

Overeenkomstig met het wijwater, en de aanwending daarvan, is het gebruik, dat sommige negerstammen maken van eene fijne, witte leemsoort, Pemba geheeten, waarmede de zwangere vrouwen zich dikwijls het gelaat besmeren.

Om booze geesten of demonen af te schrikken of te verzoenen, maken alle volken gebruik van amuletten, bezweringen, machtspreuken en sympathetische middelen.

Als nuttige middelen gedurende de zwangerschap vindt men vele dingen aanbevolen. Zoo mag b.v. in Noord-Celebes de vrouw het hoofdhaar niet zoo dragen, dat het heen en weder fladdert; mag zij ’s avonds, als het regenachtig is, het huis niet verlaten, opdat de vrucht niet door den Walao-lati, of door op donkere plaatsen aanwezige duivels, wordt opgeschrikt of mishandeld. In Nederland mag zij in den laatsten tijd der dracht het haar niet laten knippen, omdat anders het kind borstelig haar zou krijgen, dat ruw en kort, nooit kan krullen. In Hongarije zal het kind, als de moeder zich in het bed de haren kamt, slechts korten tijd leven.

Bij vele volksstammen moeten de vrouwen, als zij bij dag het huis verlaten, een stuk ijzer of een mes bij zich dragen, opdat de booze geesten de vrucht niet kwellen.

In Rusland is het geloof aan den „boozen blik” zeer verbreid. Maar vooral wordt die door de zwangere vrouw gevreesd, daar zij, door het booze oog getroffen, met groote pijnen baren moet.

Een amulet of talisman is veelal de meest werkdadige beschutting. Daarvoor dragen de negerinnen kleine kalabassen, gevuld met aardnoten- of palmolie, ook tooverteekens en tooverbanden om handen en knieën, korfjes gevuld met bladeren, plantenwortels, stukjes hout en slakkenhuisjes, papiertjes met een koranspreuk, enz.

Welke handelingen worden er niet verricht, welke nagelaten, om niet storend in te werken op zwangerschap en baring, op de ontwikkeling en ligging van het kind?

Het knoopen en binden veroorzaakt, zegt men, sluiting en moet dus door zwangeren worden nagelaten, indien zij niet zelf zullen gesloten worden, d.w.z. eene moeilijke baring doormaken. Daarom mogen op vele plaatsen, ook in Europa, in beschaafde landen, de vrouwen niet weven of matten vlechten. Zij mag geen garen of band dragen, opdat de navelstreng niet om den hals van het kind kome te liggen (omstrengeling). Datzelfde gevaar heeft de zwangere vrouw bij ons te lande te duchten, als zij bij het naaien een streng garen om den hals legt of de handen in de hoogte brengt, om iets van hooggelegen plaats te krijgen. Ook zou het kruipen aanleiding geven tot omstrengeling. Moet de de Hollandsche vrouw dan lachen, als zij hoort, dat de vrouw in de Palz, om dezelfde reden, niet onder eene waschlijn doorloopt, niet spint of haspelt?

In sommige streken van Hongarije wordt aan het doorloopen onder een gespannen touw de vrees verbonden, dat er evenveel knoopen in de navelstreng zullen komen, als het touw draden bevat. De baring zou daardoor moeilijker worden. In Nederland mag de zwangere vrouw den halsketting niet knellend dragen, omdat dan gevaar voor stikking van het kind bestaat.

In Pruisen meent men, dat het kind een waterhoofd zal krijgen, als de moeder aan den waterkant werkt; in Hongarije dat hetzelfde zal geschieden, als zij op een watervat gaat zitten. Welk verschil bestaat er tusschen de vrouw in onzen Indischen archipel, die niet door de openingen, door de takken van een boom gevormd, door een sleutelgat, door een bamboe of in een flesch mag zien, en de Servische vrouw, die niet over een hooivork mag heen stappen, alles om te voorkomen dat het kind, dat zij baren zal, het gevaar loopt scheel te zijn?

In Hannover en in het Spreewoud mag de moeder, als zij iets stinkends ruikt, de oogen niet dicht houden, omdat anders het kind een stinkenden adem krijgt. Bij de Slowaken zou dat gebeuren, als de zwangere geurende bloemen of bladeren bij zich draagt. En natte handen mag zij niet aan haren rok afdrogen, anders zal het kind er leelijk uitzien. In Hannover en in het Spreewoud wordt het kind bedpisser, als de zwangere in de nabijheid eener druppende dakgoot watert.

In Servië is het der zwangere vrouw verboden het kruis te kussen, wegens het daaraan verbonden gevaar, dat het kind epilepsie (vallende ziekte) krijgt. Zij mag zich geen zieken tand laten trekken, omdat het kind daardoor kan sterven, en geen vreemd kind kussen, daar dat tot superfoetatie (overzwangering) aanleiding geven kan.

Van invloed op de samenleving is wel hetgeen in Hongarije of Servië in gebruik is. Eene zwangere vrouw mag geen eed afleggen, niet als getuige optreden en aan geen begrafenis deelnemen, omdat zij anders een dood kind baren zal. Ook mag zij over dag niet slapen, opdat het kind niet sterve, noch in een grafkuil kijken, anders wordt het kind bloedarm. Heeft zij dit toch gedaan, dan moet zij een handvol aarde in het graf werpen. Met het oog op eene gelukkige baring mag zij geen oven stoken, geen linnen bleeken, geen hout hakken.

Bekend is het, dat, ook in ons land, de meening heerscht, dat eene vrouw gedurende de menstruatie niets mag inmaken, omdat anders bederf bij de ingemaakte eetwaren, als vleesch, slacht, boter enz., zou optreden. Hetzelfde geldt in Servië ook voor de zwangerschap en het kraambed, omdat de vrouw ook in dien tijd voor onrein gehouden wordt.

Hier te lande is nog de meening te vinden, dat, als de zwangere vrouw staande drinkt, zijzelf of het kind gezwollen voeten zal bekomen, ook wel gezwollen teeldeelen of balzakwaterbreuk, als het een jongen is. Iets dergelijks vreest de inlandsche vrouw in onzen Indischen archipel, als zij zware of lichte voorwerpen voor het lijf draagt.

Op de eilanden Saparoea, Haroekoe, Noessa Saut en een gedeelte van de Zuidkust van Ceram mag de zwangere vrouw niet tegen de huisdeur zitten, omdat zij anders met moeite baren zal. Zij mag geen vruchten eten, waaraan de vogels gepikt hebben, omdat anders het kind als een vogel schreeuwen zal. Zij mag geen aangebrand eten gebruiken, daar dit de nageboorte met moeite doet afkomen. Vrees voor vastgroeien van de moederkoek verbiedt den vrouwen in de provincie Albany (Hongarije), met den buik tegen kachel of fornuis te leunen.

Kromme beenen zou het kind der Nederlandsche vrouw krijgen, als zij gedurende de zwangerschap met de beenen kruiselings over elkander zit, en zij mag de voetnagels niet knippen, daar die bij de kinderen òf zouden ontbreken òf wanstaltig zijn. In Hongarije mag de zwangere vrouw de nagels wel knippen. Zij mag die niet wegwerpen, maar moet ze verbranden, anders zal het kind zachte beenderen krijgen.